Kinderen uit m'n klas

Part 6

Chapter 64,277 wordsPublic domain

't Was zoo'n echt „lekker” jongetje. Hij had een lief, rond kopje, een paar guitige, bruine kijkers en een mondje met nog echte baby-tandjes, snoeperig om naar te kijken, vier parelmoeren blokjes boven en beneden met aan weerszijden de dartele puntige hoektandjes. Je zou hem alleen al aan 't lachen maken, om die tandjes te zien te krijgen. Maar veel was daartoe niet noodig, want hij lachte al, als je hem maar aankeek. En een gezellige babbelaar, dat het was! Hij bracht zoo'n genoeglijke sfeer van huiselijkheid in de kille schoolatmosfeer.

Als de kinderen pas op school komen, hebben ze dat haast allemaal. Dan komen ze alles wat ze weten aan de „juffrouw op school” vertellen, en 't is maar goed, dat de ouders niet hooren, wat intimiteiten hun kleuters soms zoo onnoozel, argeloos-weg staan te verklappen. Niet, dat het veel hindert; je lacht er bij jezelf om en 't gaat je 't eene oor in en 't andere weer uit. Trouwens, je hebt ook geen tijd, om al 't gebabbel aan te hooren, daarvoor komen de kinderen per slot niet op school. En zoo rem je zoetjes-aan hun gesnater en na een paar weken heb je een klas gewone schoolkinderen.

Maar bij Jopie was iets van die kinder-ziekte blijven zitten; er ging haast geen dag voorbij, dat hij niet z'n vertrouwelijk babbeltje met me had. Zoo herinner ik me, dat hij een der eerste dagen bij me kwam, me aan m'n mouw trok en me ernstig toevertrouwde: „Seg juffrou, hoor es, ik wor gauw jarig!”

„Zoo”, zei ik belangstellend; „en wanneer?”

„Nou, ofer safetien wake en dan op een dingesdag.”

En toen ik in den lach schoot: „Heusch waar, me broertje het 't sellef foor me uitgeraikend.”

Van dien dag af hield hij m'n belangstelling warm, en geregeld kwam hij me vertellen, hoe lang 't nog duren moest. Een paar weken later, daar had je 'm op een morgen: „Seg jeffrau, sa 'k u nog es wat segge? As 'k jarig bin, mag 'k uitdajle!” en weer een poosje later: „As 'k uitdajle mag, dan kraag u auk wat!”

Vaak consulteerden we samen, wat „likkerder” zou wezen „koekies of suurtjes of droppies of flikkies”; 't was allemaal zoo lekker vond hij, hij had de klas wel op alles willen trakteeren. Tot hij me een paar weken voor den heugelijken datum de eindbeslissing kwam mededeelen: „Nu wajt ik 't sajker, 't worre aasbongsbongs en u mag een haile raip!”

Nog zie ik hem binnenkomen dien morgen, rijk en gelukkig met z'n grooten zak lekkers. De zak werd op 't tafeltje gelegd en den heelen ochtend moesten we er naar kijken en dan gaven we elkaar een knipoogje. Wij samen wisten het van de verrassing en haast was het zoo ver. En 't laatste halfuur, onder 't zingen, wenkte ik hem: „Nu Jopie, ga je gang dan maar.”

Trotsch als een koning stapte hij door de rijen, zwelgend in 't genot van te mogen „uitdajle”. Dat was nu 't hoogtepunt van z'n verjaardag, waar hij weken lang van gedroomd had, dat ronddeelen van z'n lekkers, van z'n eenig verjaringsgeschenk. Want van verdere cadeautjes hoorde ik niets en ik denk, als ik gevraagd had: „Wat heb je nu voor je verjaardag gekregen?” dan had hij me met groote oogen aangekeken: „'k mag ommers uitdajle!”

Toen hij de klas rond geweest was en alle handjes en mondjes genoeg kleefden van de „aasbongsbongs”, liet ik hem op 't trapje klimmen, naast m'n stoel. „Nee jongen, nog hooger, op 't bovenste treetje”. En toen mochten alle kinderen „uit volle borst” voor hem zingen van: „Lang salle se lajfe in de glaureja!” En toen 't uit was, hebben we driemaal geroepen van: „Hiep, hiep, hoera!” dat het daverde door de klas.

Zoo vierde Jopie z'n verjaardag, „glorierijk” en „verheven.”

* * * * *

Ik vind het heel verkeerd voor onderwijzers, om er „lievelingetjes” op na te houden. 't Is slecht voor het kind zelf en afschuwelijk voor de andere. En daarom houd ik mij altijd gestreng voor, geen verschil te maken.

En toch, en toch, een mensch is maar een mensch en niemand zal 't me durven kwalijk nemen, dat Jopie, als 't er op aankwam, toch een streepje bij me vóór had, al liet ik het in de klas ook niet blijken.

't Werd winter, en Jopie verzuimde vaak. „Se schoene benne stuk”, kwam 't grootere broertje zeggen. En eindelijk was het: „Se schoene kenne nie meer gemaakt, segt de schoenmaker.”

„Ja maar”, zei ik, „moet hij dan voortaan maar thuis blijven?”

En 't broertje lichtte mij in: „As me fader es een goeie wajk het, dan kraagt-ie een paar nieuwe.”

„Maar hij kan toch schoolklompen krijgen”, hield ik vol.

„Daar ken die niet op foort, se foete doene d'r soo seer in.”

Ja, 't was waar, hij was maar een tenger stadskindje; die zijn niet gewend aan klompen. Maar hij kon toch ook niet den heelen winter thuis blijven zitten. Dien dag miste ik z'n lachend bekje en gezellig babbeltje meer dan anders, en opeens bedacht ik, dat ik nog een bon voor een paar gulden van een schoenwinkel had van schoenen, die ik geruild had. Ik wist wel, dat je met zoo iets eigenlijk niet kunt beginnen op school, maar—'t was voor Jopie. En niemand hoefde het te weten.

'k Liet de moeder op school komen en ze moest me beloven, het aan niemand te vertellen, welke belofte ze niet al te nauwgezet hield. Tenminste den volgenden morgen kwam Jopie me prinsheerlijk z'n nieuwe stappers vertoonen: „Kaak es juffrau, dat benne se nau!”

Sinds waren we, als 't kan, nog dikker vrinden. Na schooltijd bleef hij vaak op me wachten en als ik dan de deur uit kwam, liep hij met me mee: „'k Bring u een endje weg; sa'k uws tassie drage?” Zoo klein als hij was was, had hij al iets beschermends in z'n optreden, iets ridderlijks zou 'k haast zeggen, en 'k geloof, dat z'n geleide naar huis half als eerbetoon maar ook een tikje als zorg voor m'n veiligheid bedoeld was.

Eens kwam ik 's middags weer naar school, toen hij verbaasd op me toe kwam springen: „Waar kom u nou fandaan?” 't Bleek, dat hij me om 12 uur niet gezien had, toen ik de deur uit kwam en nog altijd trouw stond te wachten, om me naar huis te brengen.

„'k Doch al, wat bin u laat”, zei m'n kleine page.

Zijn moeder zag het wel, dat „de juffrouw van school zoo mal met Jopie was”. En, slim als een mensch, werkte ze het nog een beetje in de hand.

Op een middag hield ze me staande. Of 'k ook niet vond, dat Jopie er zoo slecht uitzag? Ze was met 'm bij den dokter geweest en die zei, dat ie klierachtig was. En nou had ie levertraan, maar ze kon 't er met geen mogelijkheid bij 'm inkrijgen.

Jopie stond er bij en lachte tegen me.

„Waarom wil jij je levertraan niet zoet innemen?” deed ik barsch.

„O juffrouw, 'k wed dat ie 't voor u wel doen zou; u moet es hooren, hoe die thuis over u praat. 't Is de heele dag: de juffrouw doet zus en de juffrouw zegt zoo!”

„Breng jij die levertraan maar mee”, zei ik, trotsch op m'n overwicht.

En werkelijk, ofschoon we allebei al griezelden, als 't fleschje open ging, toch slikte 't kind gewillig het walgelijke goedje, nu ik 't hem voerde. En 't werd een band meer tusschen ons.

Hij had voor mijn persoonlijke aangelegenheden al evenveel interesse als ik voor de zijne. 's Middags na vieren bleef hij nog wel even omhangen in de klas. „Sa 'k 't bord maar schaunfajge?” was 't dan, of: „Mag ik de lichte uitdraaie?”

Zag hij dan, dat ik me nog niet dadelijk aankleedde en nog 't een of ander te doen had, dan had hij medelijden.

„Mot u nu al die boekies nog nakaake?” vroeg hij dan meewarig, „En auk nog een lessie foor morrege op 't bord schraafe?”

Eens—'t was een paar dagen voor de zomervacantie vroeg hij me: „Wat gaan u nau de hajle dag doen, as 't fekansie is?”

Ik vertelde hem, dat ik naar buiten ging, naar het bosch, en alle dagen groote wandelingen ging maken.

„En kan 't poesie dan maj? Naj? Wie mot er dan foor 'm sorrege?”

Ik had de klas een paar dagen geleden van ons jong poesje verteld en van al de grappen, die 't uithaalde. Sedert deelde 't poesje ook in Jopie's zorgen.

„Ik wajt wel een kettewinkel baj ons in de straat”, begon hij ernstig. „Sa 'k es foor u gaan frage, of se der daar sau lang op passe kenne?”

En 's middags kwam hij me 't resultaat van z'n bemoeiïngen al brengen:

„'t Kost een kwartje per dag!”

„Een kwartje?” schrok ik. „Wat een geld!”

„Ja, dat see-ik auk, en toe see die kettebaas, dat de mellek sou duur was en dat alle kette een haile ken mellek krege.”

Ik proestte 't uit. „'t Is nog pas zóo'n klein poesje, dat drinkt nog zooveel niet.”

Hij lachte hartelijk mee: „Naj he juffrau, soo'n klaan bajssie mit soo'n graute ken mellek, daar ken die wel in fersuipe, 'k sal die fint nog es gaan segge, dat 't maar sau'n klaan poesie is”.

Maar de kattenbaas bleek niet te vermurwen, en daarom kwam m'n vrind den volgenden dag met een nieuw voorstel.

„'t Poesie ken sau lang wel baj ons komme. 't Mag echt fan me moeder, en ik sal der wel goed op passe, want ik hoef ommers toch niet na schaul”.

En hij was wat teleurgesteld, toen 'k hem vertelde, dat 't poesje al ergens anders te logeeren gevraagd was.

* * * * *

't Ging ze blijkbaar niet erg voor den wind, in 't gezin van Jopie. Toen 't weer herfst werd, vroeg z'n moeder, of hij in aanmerking kon komen voor „Kindervoeding”. En schoolklompen droeg hij nu ook. Maar hij bleef er even vroolijk en genoegelijk bij. Hij vertelde me, dat 't „faan” was op de „ajtsaal”, en als ik dan vroeg, wat hij gehad had, klonk het met groote voldaanheid: „snirt” of „kepsaanders” of „gort mit resaane”. 't Kind scheen geen weet te hebben van de zorgelijke omstandigheden thuis.

Op een avond werd er bij mij thuis gebeld. 't Was 't broertje van Jopie, of hij me even spreken mocht, hij had een boodschap van moeder. En daar kwam hij voor den dag met een lang verhaal: Vader had al zoo lang geen werk en nou was hij in Duitschland gaan werken en nu had hij al een heeleboel geld verdiend en zou eind van de week thuiskomen. Maar Moeder had geen cent meer in huis en de bakker wou zonder geld geen brood meer geven. En of de juffrouw nou asjeblieft wat voorschieten wou tot het eind van de week. Moeder zou 't zelf terug komen brengen.

Jopie stond er bij, hij was zeker mee gekomen, om het huis te wijzen. Toen 'k hem aankeek, lachte hij me vroolijk toe, alsof hij zeggen wou: „Als we jou er maar bij halen, dan komt de zaak wel in orde, he?”

Want was ik niet de goede fee, die met één zwaai van haar tooverstaf alles verschaffen kon, wat hij noodig had: schoenen, klompen, lekkere, warme schoolpantoffeltjes, een plaats in de „ajtsaal”? Wat was eenvoudiger, dan dat ik m'n zorgen ook uitstrekte over moeder en de broertjes?

De rest van de geschiedenis is gauw verteld. 'k Hielp eenmaal, andermaal en toen nog eens. Maar 'k begreep zelf al, dat het zoo toch niet voortgaan kon. En toen 'k bovendien merkte, dat moeder misbruik maakte van m'n genegenheid voor Jopie en kwam lamenteeren, dat ik toch „sellef soo feel fan 't schaap hield” en toch niet zou willen, dat hij zoo'n honger had, toen maakte ik er kort en goed een eind aan.

Den volgenden morgen....

* * * * *

Vriendschap is een grillig ding. Soms wordt het je zoo in den schoot geworpen, zonder dat je er iets voor gedaan hebt, soms ook kun je 't in lange jaren niet deelachtig worden. Nu eens blijkt ze taai als koekedeeg: je veronachtzaamt je vrienden keer op keer en toch blijven zij je telkens opnieuw toegenegen,—dan weer broos als glas: buiten je schuld, door misverstand, door de omstandigheden, door derden ook al, plotseling knapt ze af en is onherstelbaar gebroken. De vriendschap van Jopie was een geschenk, dat 'k nergens mee verdiend had, dat me zoo maar geworden was op 't oogenblik, dat we elkaar voor 't eerst aangekeken hadden. Maar even onverdiend als ik haar verkregen had, moest ik haar ook weer verliezen.

Toen hij dien volgenden morgen op school kwam, was 't mijn Jopie niet meer. 't Was een gewoon schoolkind, een beetje stil, schuw joggie, dat zonder te spreken naar zijn plaats ging. 'k Probeerde een grapje: hij keerde z'n hoofd verlegen af, knipte met de oogen, alsof hij in een te fel licht keek.

't Liet hem met rust en troostte me nog: 't Zal wel slijten. Morgen of overmorgen komt hij weer gewoon me toe.

Maar 't was „le vase brisé”: „N'y touchez pas, il est brisé.”

Wat er in dat hoofdje en hartje is omgegaan, ben ik natuurlijk nooit te weten gekomen. Was hij in mij teleurgesteld, nu m'n feeënmacht uitgeput bleek? Had hij thuis een boel leelijks van mij moeten hooren, toen 't broertje na m'n weigering terugkwam? Had moeder hem verboden, voortaan vriendelijk tegen mij te zijn?

Hoe 't zij, mij verdedigen kon ik niet, 't misverstand uit den weg ruimen evenmin. Zwijgend moest ik 't dragen, hoe Jopie mij onverschillig voorbij liep, net deed of ik nooit wat voor hem geweest was. Uit was het voortaan met zijn warme belangstelling in al m'n aangelegenheden, met het ridderlijk geleide naar huis, uit met de gansche genegenheid van z'n lief kinderhartje!

Van 't geld zag ik natuurlijk nooit iets terug. Dat was op zichzelf al slim genoeg. Maar dat ik er bovendien m'n vriendje bij verloor, dat was nog veel erger. Dat heeft me echt zeer gedaan—en, als 'k er weer over denk, dan kan 't me nòg verdrieten.

DE MEIJERTJES.

„Alida Antonia en Antonia Alida—of andersom,” stelde het Hoofd ze voor, met een quasi-plechtige armbeweging.

Ze stonden kleintjes en armoedig tegen elkaar aan gedrukt in de groote schoolgang, maar hun loerende oogjes keken toch dadelijk met een zekere vrijmoedigheid naar mij op. 'k Zag twee precies eendere bleeke oude-vrouwtjes-gezichtjes met rood omrande oogjes onder twee gelijke kakelbonte wollen mutsen, twee dezelfde solide wintermantels (knappe kleeren, maar zonder zorg of smaak gekozen voor deze schriele kindertjes) en daaronder twee paar stokkerige dunne beentjes, waar de te wijde kousen slordig omheen slobberden. Ondanks den betrekkelijken welstand van hun kleeding maakten ze zoo'n zieligen, armzaligen indruk, dat het meelij me bekroop.

Maar toen ik ze meenam naar de klas en ze in het zijgangetje hun kapstok wees, vielen ze me toch weer mee. Wel leken ze zonder die dikke jassen haast angstwekkend dun en schraal en hingen de confectie-jurkjes zoo wijd om hun magere polsen en nekjes, dat m'n eerste gedachte was: „He, even een naald en draad, om al die drukknoopjes te verzetten,” maar zij zelf schenen zich behaaglijk en op hun gemak te voelen. Zij begonnen tenminste dadelijk heel vertrouwelijk met me te babbelen.

„Op 't foorige school hinge me ook altijd naas mekaar”, vertrouwde de een me toe, waarop de ander voortging: „en me satte ook naas mekaar in de bank.”

„Hoe noemt moeder jullie nu eigenlijk?” vroeg ik, want ik voelde toch de noodzakelijkheid, ze vroeg of later uit elkaar te leeren kennen, al zag ik er voorloopig ook niet de minste kans toe. En daar ratelden ze weer door elkaar als een lesje, dat ze al zoo vaak hadden opgezegd, dat ze 't wel droomen konden: „Ikke heet Ali en ik Tonia. En we heete allebei na ons pa en moe—want me moe heet Alida en me pa Anton.”

„Ali en Tonia,” dacht ik, terwijl ik ze samen in een bank zette. „Dan moet ik A_l_i _l_inks hebben, zoo leer ik ze het vlugst uit elkaar.” En toen ze daar zoo naast elkander zaten, de twee precies eendere figuurtjes, had ik er toch wel schik van. 'k Was er geloof ik zelfs een beetje trotsch op, 'k vond het zoo iets, waar je thuis van vertellen kunt:

„'k Heb een tweeling in de klas gekregen, en ze lijken op elkaar als twee druppels water. Ik ken ze met geen mogelijkheid uit elkaar, als ze niet op hun vaste plaatsje zitten.”

'k Voelde 't haast, alsof ze van mezelf waren. Och, och, wat zou m'n vreugde me gauw vergaan!

* * * * *

Zij zullen misschien twee of ten hoogste drie dagen in de klas geweest zijn, toen op een morgen een klein meisje, dat achter ze zat, plotseling in tranen uitbarstte: „Juffrau, dat nieuwe meissie het me sponsedoos afgegapt,” waarop het tweeling dadelijk in koor begon te schreeuwen: „Nee juffrau, wij niet, gerust niet, fraag u maar aan de andere kindere.”

M'n eerste werk was natuurlijk, de gemoederen te kalmeeren.

„Bedaar maar,” zei ik tegen 't kleine ding, „die sponsedoos komt wel weer terecht. Maar 'k vind 't niet mooi van je, dat je zoo maar dadelijk zegt, dat dat nieuwe meisje 'm heeft, want je hebt toch niet gezien, dat ze 'm wegnam.”

„Nee juffrau, maar ze het 'r eerst aldoor soo na sitte kijke.”

„Dan was 't zeker een heele mooie. Hoe ziet hij er uit?”

Ze lachte gevleid, door haar tranen heen.

„Aan de eene kant staat de Koningin en aan de andere kant Julejaantje en in 't midden de heele optocht met de gouwe koets!”

„Ja, dat is zeker prachtig. Zoek nu eerst nog maar eens goed in je kastje en onder al de voetenplanken, dan komt hij vast wel voor den dag.”

Hij kwam echter niet voor den dag. En tijdens 't zoeken bemerkte ik een zekere onrust bij m'n tweelingen, een telegrafeeren en scharrelen met elkaar, dat me in 't geheel niet beviel. Daarom zei ik: „Zoeken jullie nu allemaal eens in je kastjes en dan in je zakken. Misschien heeft een van jullie 'm per ongeluk in z'n zak gestoken.”

IJverig gezoek; geen sponsedoos.

„Ja, dan zal ~ik~ maar eens gaan zoeken. 'k Begin maar het dichtst bij Nellie's bank.”

En ik begon een der Meijertjes te fouilleeren,—en had dadelijk beet. Groote ontsteltenis in de klas, terwijl Nellie riep: „Ja juffrau, dat is 'm.” Maar daar begon me die kleine deugniet te keer te gaan: „'t Is toch me eige sponsedoos, 'k heb er ook soo een,” en 't zusje ondersteunde haar: „Ja heusch juffrau, me moe hep 'm sellef voor d'r gekocht in 't besarretje bij ons in de straat.”

'k Geloofde er natuurlijk geen woord van, maar nu wou ik toch Nellie's eigendomsrecht bewezen zien. En 'k had een goeden inval.

„Vertel me dan maar eens,” begon ik, „aan welke kant je het sponsje geborgen hebt.” En tegen Nellie: „Jij je mond dicht!”

Ze had nog nooit de kansrekening bestudeerd en wist dus niet, dat ze met brutaal raden 50 pct. kans maakte. Ze liet 't hoofdje opzij hangen en keek verlegen.

Toen tegen Nellie: „Weet jij 't?” En die ratelde dadelijk zonder aarzelen:

„'t Sponsie sit bij Julejaantje en 't lappie bij de Koningin en dr binne drie gaatjes in.”

En daar een nader onderzoek deze getuigenis volkomen bevestigde, kreeg Nellie de sponsedoos terug, terwijl ik tegen 't Meijertje alleen zei: „Je hebt je zeker vergist, je moet thuis nog maar eens naar je eigen sponsedoos zoeken.”

Ze schikte zich heel gelaten in deze uitspraak, blijkbaar in haar schik, dat ze er zoo goed afkwam. Maar mij stond het geval lang niet aan, niet zoozeer nog om 't bezwijken voor de verleiding, als wel om de geraffineerde wijze, waarop die twee kleine dingen gelogen en gedraaid hadden. Hoe slim het echter met ze stond, daarvan had ik nog geen flauw vermoeden. Dat bleek pas eenige dagen later.

* * * * *

De kwestie van het snoepen is op de volksschool heusch geen onbelangrijke. Je moogt het natuurlijk onder de les niet toelaten, maar je kunt toch best begrijpen, dat een kleuter, die een zakje lekkers rijk is, daar geen paar uur van kan afblijven. Daarom tref ik altijd met m'n leerlingen de volgende schikking: Bij 't binnenkomen deponeeren ze vrijwillig hun schatten (ook speelgoed is daarin begrepen) op 't tafeltje en in 't speelkwartier neemt ieder z'n eigendom weer terug. Dat tafeltje is heilige grond: wie 't wagen zou, daarvan wederrechtelijk iets af te nemen, zou vrees ik, gelyncht worden. Vaak kan er een allersmakelijkste collectie uitgestald liggen: drie zuurtjes, een balletje, vijf stukjes drop, een aangebeten appel, een cent, een tol, vier knikkers, enz. Voelt de bezitter zich echter moreel sterk genoeg, om z'n schatten onaangeroerd in z'n zak te laten zitten, dan is hij daarin geheel vrij. Maar blijkt de verzoeking te sterk, dan gaat de zaak ook zonder pardon in de prullemand, al is 't een zak vol koekkruimels.

Toen 'k Tonia dus onder 't lezen rustig zag zitten kauwen, met een mond zwart van de drop, verzocht ik haar vriendelijk, mij den inhoud van haar zak maar eens te vertoonen. Na eenig tegenstribbelen kreeg ik de jonge dame zoo ver dat ze met blijkbare tegenzin een zakje drop voor den dag haalde. Maar 't onderzakje leek me nog zoo vol en m'n argwaan was nu eenmaal opgewekt, dus zei ik: „zoek nog maar eens, misschien heb je nog wel wat.” En toen kwam onder luid geschrei met horten en stooten een collectie snoepgoed voor den dag, waarvan ik de waarde toch minstens op een stuiver of zes schatte.

„Kind, hoe kom je aan al dat lekkers?” vroeg ik verbaasd.

„He 'k van me moe gekrege,” huilde ze.

„Hoeveel centen heeft moe je dan wel gegeven?”

„Een dubbeltje”.

„Dat heb je dan toch niet ~allemaal~ uitgegeven? Hoeveel centen heb je nog over?”

Aarzelend grabbelde ze twee centen onder uit haar zak. Toen wist ik genoeg en 'k liet haar de heele zak omkeeren. Er rolden een stuk of wat dubbeltjes en centen uit.

„Hoe kom je aan dat geld?”

„'k Mot een boodschap voor me moe doen, as 'k uit school kom”. Ze begon nu onraad te vermoeden en brulde of ze gekeeld werd.

„Wat moet je dan halen?”

„Een pond farkeslappies, bij de slager.”

'k Begon nu te gelooven, dat ze vanochtend werkelijk geld voor een boodschap had meegekregen en er de helft van versnoept had. Maar heelemaal zeker was ik nog niet. Toen kwam ik op de gedachte, ook bij 't zusje eens den inhoud van haar zak te onderzoeken en haalde daar een zoowat even groot kwantum lekkers en een ongeveer gelijk bedrag aan geld uit. Nu was ik de kluts heelemaal kwijt.

„En hoe kom jij aan al dat geld?” vroeg ik streng.

„'k Mot ook farkeslappies foor me moe hale”, blerde ze met een vierkante huilmond.

'k Vond het geval ernstig genoeg, om er werk van te maken en verloor dus maar geen tijd met pogingen, om bij die twee achter de waarheid te komen. 'k Nam al 't geld en snoepgoed in beslag en ging 't Hoofd inlichten. Die trok ook een bedenkelijk gezicht en zei: „We zullen dadelijk de moeder hier laten komen.”

En zoo werd ik een half uurtje later uit de klas geroepen: „Meneer fraagt, of u effetjes in 't kamertje wil komme.”

Toen 'k door 't leege, holle schoolportaal liep, waren ze in een der hoogere klassen aan 't zingen. Uit de ongeoefende kelen klonk het schel, in afschuwelijk grootestadsdialect:

/P Au teidre-e juigd, Au teidre-e juigd Wien saudt gaj niet beha-a-gen! P/

* * * * *

Een keurige ulster, fluweelen toque met een pluim, 'n groote bont om, zoo zat moeder Meyer in 't kamertje. Eerst had ze nogal verontwaardigd gedaan wat er nou met de kindere an de hand was, en of 't nou wel de moeite waard was, om haar uit d'r werk te halen? Maar 't Hoofd had kalm gezegd: „de juffrouw zal u alles wel vertellen.”

'k Gaf zoo kort mogelijk verslag van 't gebeurde. En dadelijk barstte ze los: „O God-nog-an-toe, hebbe ze weer in d'r vaders jaszak gezete, die kleine krenge! Me man is tramconducteur, moet u wete en nou laat-ie altijd z'n fooien in z'n zak zitten. En nou had-ie gisteravond late dienst en toen het-ie z'n natte jas in de keuken gehange en toen hebbe die slimme diere d'r vanmorgen vroeg de cente uit gegannefd!”

„Maar als u dat dan weet, waarom ziet u er dan niet wat beter op toe?” vroeg 't Hoofd.

„Och God meneer, 'k heb 't me man al zoo dikwijls voorgehoue, maar an die heb ik niks geen steun. Als tie 't merkt, vloekt en raast-ie tege mijn, dat 't mijn schuld is, dat de kindere zoo benne en dan zeg ik: pas jij dan beter op je cente. Zeg u nou zelf, wat kan een vrouw alleen tegen zoo iets beginne, as dr eige man dr tegenwerkt? Och Heere, dat 'k dat nog an me kindere mot beleve, 'k ben zelf zoo fatsoendelijk opgebracht!”

Ze haalde haar zakdoek voor den dag en snikte. 't Hoofd en ik wisselden een meewarigen blik, we hadden er toch medelijden mee. En we probeerden, haar wat moed in te spreken: 't Was wel verdrietig, als de kinderen zulke neigingen hadden, maar zij moest 't toch ook niet al te zwaar inzien. Ze waren nog jong, 't kon nog best terecht komen. Met verstandige leiding en goed toezicht hadden we nog alle hoop, dat ze 't heelemaal afleeren zouden.