Kinderen uit m'n klas

Part 5

Chapter 54,189 wordsPublic domain

En toen opeens, als het wonder in een sprookje, daar sloeg hij de sidderende wimpers op en gunde me een enkelen blik in z'n wijde, lichtbruine droomkijkers met de groote schitterende pupillen. En meteen had hij ze ook weer neergeslagen. Maar ik voelde me vreemd ontroerd, alsof ik een groote gift ontvangen had, iets heel geheimzinnigs en heel moois. En toen begreep ik, dat 't geen gewoon proletarenkind was, dat voor me stond, maar een betooverd sprookjesprinsje.

* * * * *

Hij leerde lezen en schrijven en sommetjes maken, gelijk op met de andere kinderen. Vooral schrijven deed hij allerliefst, fijne puntige letters met beverig-dunne ophaaltjes. Trouwens, alles wat uit z'n handjes kwam, was onberispelijk, de cijfers van z'n sommetjes stonden kaarsrecht onder elkaar en bijna nooit was er een fout in. Wat kon 't me dan schelen, dat hij nauwelijks één rijtje sommen af had, als de meeste kinderen er al vier klaar hadden!

Uit zichzelf praten deed hij nooit; als je hem wat vroeg, kreeg je nauwelijks een gefluisterd woordje terug. Z'n stemmetje kreeg je pas te hooren bij de leesbeurt, want dan moest het. 't Was een hoog, hel geluidje, haast met iets angstigs er in. Maar bij 't zingen—je moest dicht langs z'n bank loopen, want hij deed 't maar heel zachtjes en je moest net doen, of je heelemaal niet op hem lette—klonk het welluidend en fijn als een vogelgeluidje.

De jongens uit de klas namen in 't minst geen notitie van mijn prinsje, maar de meisjes waren dol op hem. In 't speelkwartier waren er altijd wel een paar, die hem bij de hand namen en mee in den kring trokken. Dan liep hij een klein poosje gewillig mee in de rondte te draaien, van

/P Blauwe, blauwe fingeroed Hadde we cheld en hadde we choed.. P/

tot hij zachtjes z'n handjes los maakte en als een muisje tusschen de woelige bende doorglipte. Even later kon je hem dan in een hoekje van de speelplaats vinden, geheel verzonken in de bewondering van een glazen stuiter, die binnenin al de kleuren van den regenboog vertoonde of met z'n teere vingertjes een stukje glanzend rood staniol liefkoozend en er voorzichtig de kreukels uit strijkend. En als ik hem dan zoo zag staan, kon ik nooit de gedachte van mij afzetten; „Nu herinnert hij zich de duizend kleuren van de springfontein voor zijn voorvaderlijk paleis, of hij denkt aan de zijden gewaden, die zijn gracielijke moeder droeg.”

Al wat ik aan dergelijk moois in handen kreeg, bewaarde ik dan ook voor hem: het goudpapieren „hoedje” van een apothekersfleschje, of een plakplaatje met een rose satijnen roosje; want ik wist, dat ik hem daar den heelen dag gelukkig mee maakte. Wat hij er in zag? De gouden koningskroon van zijn vader, de bloemen uit het slotpark? Hij nam m'n geschenken altijd zwijgend aan, als een hulde, die hem vanzelf toekwam, bekeek ze lang en aandachtig en beloonde me alleen af en toe, met even z'n zachte kijkers naar me op te slaan.

Ik was trouwens niet de eenige, die hem verwende. Vaak midden onder 't spelen, kwam een troep meisjes met fladderende witte schorten als een zwerm vogels neergestreken, meest een van de groote zusjes Krul met haar vriendinnetjes. Onder luid gesnater omringden ze het prinsje, streelden en troetelden hem en brachten hem wat lekkers. Met neergeslagen oogen, het hoofdje wat afgewend en met een nauw merkbaar glimlachje in de hoekjes van z'n mond aanvaardde hij haar hulde, maar toch geloof ik, dat hij altijd blij was, als ze na een laatste haastige liefkoozing weer wegvlogen. Dan zocht hij een eenzaam hoekje op, en ging op een paaltje van 't hek of op een stoeptreetje naar hartelust zitten droomen. Zoo, in elkaar gedoken, de handjes om de knieën, was hij weer terug in z'n eigen sfeer, herdacht hij de purperen zonsondergangen op z'n lievelingsplekje in 't park en hoorde de klagende tonen van de gouden tooverharp en 't liefelijke gezang van de schoone Koningin.

* * * * *

Eén keer heb ik m'n sprookjesprins een kleinen dienst kunnen bewijzen en de herinnering daaraan verheugt me nog.

't Werd winter, en 't werd koud. En nog elken dag kwam hij op school in 't zelfde afgewasschen katoenen kieltje, waarvan de mouwen hem maar even over de ellebogen reikten. Z'n armpjes zagen akelig blauw, 't satijnen velletje voelde koud als marmer.

Toen vroeg ik hulp bij een van m'n kennissen, die zelf een zoontje in dien leeftijd had. En ze gaf me een allerliefst matrozenbloesje, dat haar jongsten zoon te klein was geworden, maar dat hij nog haast niet gedragen had. Ik zie het nog voor me; 't was van crême cheviot met koperen knoopjes, een fijn zijden lintje van voren en een geborduurd anker op de linkermouw. Graag had ik er m'n prinsje zoo mee gezien, maar dat wou ik moeder Krul toch niet aandoen, en daarom besloot ik, het eerst marineblauw te laten verven.

's Middags voor schooltijd ging ik het halen en nam het meteen mee naar school. Al uit de verte zochten m'n oogen het prinsje. Jawel hoor, daar stond hij tegen den muur geleund in z'n gewone houding, de oogen omlaag. Honderd kinderen speelden en stoeiden onder luid lawaai om hem heen, knikkerden, sprongen touwtje, zaten elkaar schreeuwend achterna, keven, vochten samen en sarden elkaar,—hij stond er onbewogen tusschen in en draaide in z'n dunne vingertjes een stukje griffel om en om, al maar genietend van 't mooie velletje met schuine paarse strepen.

'k Tikte 'm op z'n bolletje: „Zeg, wil je me helpen dragen? Dan mag je vast mee naar binnen. Maar niet laten vallen, dan breekt het.”

Doodvoorzichtig nam hij het pakje aan, en het behoedzaam in beide handjes voor zich uit dragend, liep hij met me mee. In de leege klas gekomen, zei ik: „Ziezoo, nu moet je maar eens kijken, wat er in zit, want het is voor jou.”

Dat begreep hij niet zoo gauw, en daarom maakte ik het pakje maar voor hem open. 't Bloesje was keurig geworden; zoo als het daar lag, netjes opgevouwen en gestreken, leek het werkelijk gloednieuw.

't Prinsje stond er bij te kijken. Z'n wangetjes kleurden er van, z'n oogen glansden, het mondje stond half open, z'n handjes trilden even. Maar hij wist toch nog niet goed, of het droom of werkelijkheid was.

Ik vond het te mooi, om er alleen van te genieten en haalde er een van m'n collega's bij, die al evenveel bewondering voor m'n prinsje had, als ik zelf. En samen kleedden we hem aan.

't Zat hem als „gegoten”. We strikten het zijden lintje met zorg, trokken den kraag nog wat af, keerden hem om en om; hij was in één woord onberispelijk.

't Prinsje keek en keek maar. Naar de glimmende knoopjes, naar 't mooie strikje, naar 't zijden anker, naar z'n twee fijne handjes, die nu zoo klein en sierlijk uit de goed-sluitende mouwtjes kwamen kijken, en toen, even, naar ons. Z'n groote, reebruine oogen met de zwarte schaduwstreepjes der lange wimpers hadden een warmen gloed, 't heele gezichtje bloosde, hij was midden in het tooverland.

En dien ganschen middag is hij daar gebleven. De klas heeft gelezen, geteekend, gezongen, m'n prinsje heeft gekeken, genoten, gedroomd. Telkens op nieuw gleden z'n blikken liefkoozend langs 't mooie blauwe kieltje, dan, aarzelend, krabbelde z'n rose vingertje even over 't koperen knoopje, peuterde aan 't strikje, streelde eerbiedig het geborduurde anker. Ik kon er m'n oogen niet af houden. Maar zoodra hij m'n blik voelde, trok 't vingertje gauw terug en blozend wendde hij 't hoofdje af. Even later was de verleiding echter weer te machtig en dan kroop het tastend vingertje weer voor den dag en dwaalden z'n oogen weer over den ontzaglijken rijkdom heen. 'k Weet werkelijk niet, wie dien middag meer genoten heeft, m'n prinsje of ik zelf.

* * * * *

Uit mijn handen is hij overgegaan in die van een „meester.” Of die 't geheim van z'n vorstelijke afkomst ook dadelijk geraden en hem „niet hard aangepakt” heeft? En ook degene, onder wiens leiding hij vervolgens is gekomen?

En wat hij later worden moet? Stratemaker, omroeper, fabrieksarbeider, of misschien ook glazenwasscher?

Ik kan me maar één oplossing denken, en zoo zal 't ook zeker wel gebeuren. In ieder sprookje toch heb je naast den boozen toovenaar altijd de goede tooverfee. Zij moet 't geweest zijn, die 't prinsje de bonte droomen en heerlijke visioenen voor oogen tooverde en hem, als hij op z'n stoepje zat, de mooie sprookjes in 't oor gefluisterd heeft. Ongetwijfeld waakt ze steeds over hem en tracht het uur van zijn bevrijding te bespoedigen. En slaat dat uur, dan hervindt mijn prinsje zichzelf, stralend van jeugd en schoonheid, gekleed in 't wit satijn, rijk met goud bestikt! Dan bestijgt hij juichend zijn vurig, zwart ros en snel als de gedachte verdwijnt hij voor onze oogen en rijdt zegevierend het wonderschoone sprookjesland binnen!

TRUI.

Vooruit Trui, vandaag is 't jou beurt. Kom maar eens voor den dag!

Terwijl ik haar uit m'n herinnering te voorschijn roep, voel ik hoe ze zich verzet, met al haar kracht tegenspartelt. Want ze was zoo dwars en onhandelbaar als een varkentje, de jonge dame: om haar vooruit te krijgen, moest je haar altijd aan haar staartje trekken.

'k Weet niets van haar afkomst en familie-omstandigheden. Haar naam Trui Dekker was Hollandsch genoeg, maar als ze Tsji-Sjang-shu had geheeten of zoo'n dergelijke naam, die je met drie keer niesen nog niet uitgesproken hebt, had 't me niets verbaasd. Want haar voorkomen was beslist Mongoolsch. Op uiterlijk schoon kon ze niet bogen: ze had een breed, vierkant gezicht, matgele tint, vooruitstekende jukbeenderen, een platte neus, groote mond en schuinstaande gele oogen. Het zwarte, steile haar hing in slappe slierten langs haar hoofd.

En toch was haar uiterlijk nog innemend, bij haar innerlijk vergeleken. Van de factoren, die daartoe meegewerkt hadden, weet ik evenmin iets af. Toen ik haar leerde kennen, was ze al een kind van een jaar of tien; wie weet, wat ze al voor leelijks en slechts ondervonden had! 'k Weet alleen, dat ze het kwaadaardigste, terugstootendste schepseltje was, dat ik ooit gezien had.

Ze was midden in den cursus naar onze school overgeplaatst. De onderwijzeres, bij wie ze kwam, wist er geen raad mee.

„Gelukkig is 't gauw verhooging,” zei ze tegen me. „Dan mag jij je krachten eens op haar beproeven, ik ben er op uitgestudeerd. 't Is net een wilde boschkat. Opletten en haar best doen vertikt ze gewoon, en ze was toch al bij de andere kinderen ten achter. Natuurlijk kan ik haar niet mee laten gaan. En nu maak ik me voor die paar weken ook maar niet ongelukkig om 't kind. Weet je wat ik gedaan heb? 'k Heb een bank achteruit geschoven, heelemaal tegen den muur aan, dat is m'n strafkolonie. Daar mag ze nu net zooveel en zoo weinig uitvoeren, als ze verkiest, zonder dat de andere kinderen of ikzelf er te veel last van hebben.”

Zoo kreeg ik 't erfstuk over. Toen ik met m'n klas 't ontruimde lokaal binnenkwam, en haar op haar strafbank zag zitten, zonk me 't hart in de schoenen, dat wil ik eerlijk bekennen. Een paar grove laarzen met loshangende veters bengelden buiten de voetenplank, voor de rest zag ik niets van 't aanminnige wezentje dan een klein stukje rug, een ruig zwart achterhoofd en een nijdige elleboog. 't Was niet bepaald aanlokkelijk.

Toch nam ik me dadelijk heldhaftig voor, die bank aan te schuiven, en haar zoo lang 't maar even ging bij de andere kinderen te laten zitten. En—'k schrijf het niet zonder trots neer, want vaak was de verleiding me haast te machtig en stond ik op het punt, den strijd op te geven—dien heelen cursus is de bank niet weer van z'n plaats geweest!

Maar 't heeft heel wat van m'n krachten gevergd, vooral in de eerste dagen. Ze verkoos eenvoudig niet te doen, wat je zei.

„Leesboeken open op blz. 17!” Trui bleef bedaard zitten met de armen over elkaar.

Gelukkig had je er dan nog een kleine veertig over, die 't wel deden. Dus begon je rustig de les en nam van haar geen notitie. Na een paar minuten sloeg ze dan uit verveling ook haar boek wel open of je liep schijnbaar toevallig langs haar plaats: „Och kind, kon je 't niet vinden?” en zocht de bladzij voor haar op.

Doch zoo ging 't den geheelen dag:

„Boeken opbergen!”—Trui las met groote aandacht verder.

„Schrijfboeken op tafel!”—Zij verroerde zich niet.

„Kinderen, ophouden! Pennen drogen!”—Vol animo schreef ze door.

En niet altijd had je dan evenveel geduld. Bovendien mocht ze ook vooral niet merken, dat je haar ontzag, dan was je heelemaal verloren.

Dus moest je af en toe wel eens net doen, of je werkelijk meende, dat je de baas was. En dan kwamen er scènes, waarbij je met dat kleine stekelvarken om de heerschappij vocht,.... met meer of minder succes.

Zoo herinner ik me, dat 'k haar een der eerste dagen verzocht, haar bank uit te komen. Ze bleef me treiterig zitten aankijken, met een gezicht van: „ik doe het lekker toch niet.” Blijkbaar vond ze me een lam van goeiïgheid en wou ze nu eens zien, hoe ver ze gaan kon. Maar ik had nu eens geen zin, het voor de tweede keer te zeggen, en, voor ze er op verdacht was, had ik haar opgepakt en de bank uit gezet, duwde haar toen voor me uit en liet haar pas los vóór de klas, met de woorden: „Ziezoo, blijf hier nu maar eens netjes staan.”

Ze was zoo beduusd, dat ze werkelijk gehoorzaamde en blijkbaar dien heelen dag nog onder den indruk bleef; ze lokte tenminste geen nieuwe scène uit. 't Was beslist een overwinning, de heele klas had er respect voor, dat voelde ik.

Prat op m'n glorie, wou ik bij de volgende gelegenheid weer hetzelfde kunststuk uithalen. Maar ditmaal was Trui er op verdacht en had tijd, haar voorbereidende maatregelen te treffen. Toen 'k haar bij de schouders uit de bank tilde, bleef ik met een ruk steken: ze had haar voeten om de plank gehaakt!

De klas keek met spanning toe; 't dreigde op een échec voor me uit te loopen. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest, me niet kwaad te maken en aan haar te gaan rukken. 'k Liet haar zoetjes vieren en daar lag ze bezijden haar bank, in een aller-ongemakkelijkste houding. Heel zoetsappig zei ik: „Maar kind, ga je nu al liggen, zoo vroeg in den morgen?”

De klas gichelde, ik had het nog gewonnen. Trui krabbelde beschaamd overeind en liet zich zonder verder tegenspartelen meevoeren tot voor de klas. Maar 'k voelde toch wel, dat 't maar een schijn-overwinning was geweest en dat 't maar een haartje gescheeld had, of ik had formeel de nederlaag geleden.

En den volgende keer pakte ik de zaak weer anders aan.

„Ga eens voor me naar de hoogste klas,” zei ik tegen wie 't dichtst bij de deur zat, „en vraag of meneer de grootste en sterkste jongen even kan missen.”

't Kind ging; Trui keek wat onrustig.

„Nu mag je zelf kiezen”, zei ik doodbedaard. „Je mag ook nog vlug uit jezelf hier komen, maar anders zal die jongen je wel een handje helpen”.

De klas zat doodstil; ze vlasten op een relletje.

Daar kwam m'n boodschapper terug, op de hielen gevolgd door een fikschen jongen van een jaar of dertien.

Meteen stond Trui naast haar bank; kop omlaag, schoppend en schuifelend kwam ze aangeslenterd. Ze had eieren voor haar geld gekozen.

„Ben jij nog al sterk? Zou je dat zware bord, dat daar op die ezel staat, voor me kunnen omkeeren?” vroeg ik.

De jongen lachte. „Ik denk het wel, juffrouw.” En versjouwde het bord.

„Dank je wel. Mag ik je nog eens laten roepen, als ik je noodig heb?”

De heele klas had het door, ze konden hun lachen niet laten. En Trui voelde, dat ze 't onderspit had gedolven en voor een poosje was ze wat meer gedwee.

Toch ging er met dat al zoowat geen les om, dat ze m'n vrede niet bedreigde. Zelfs ons kostelijk verteluurtje kon ze af en toe verstoren. Midden onder de vertelling, soms op 't spannendste oogenblik, zag ik dan een der omzittende kinderen onrustig worden, zitten draaien, fluisteren of onder de bank kijken, en jawel hoor, opeens klonk dan een luide noodkreet over de klas:

„Juffrau, Trui sit aldoor tege me schoone jurk an te trappe,” of „Trui het me heele nieuwe boeselaar vol met inkt gesmeerd en nou krijg ik soo fan me moeder.”

Dan stond plots de heele klas op stelten, de meisjes riepen: „O!” en „hè!” en „och juffrau, kaak u nou toch es!” en wierpen woedende blikken op de schuldige. In hun hart dachten ze dan: „Akelig kreng, lekker, nou krijg je weer!”

Ja, dat was eigenlijk het allermoeilijkste bij Trui, dat eeuwige geharrewar met de andere kinderen. Als ik alleen met haar te doen had gehad, had ik het nog wel klaargespeeld. Maar de klas had zoo'n vurigen hekel aan haar, dat ze me alles, wat ik nu eens niet gemerkt had, of eens niet merken wou, kwamen overbrengen.

Ze konden zoo echt met wellust van haar komen klikken.

„Juffrau, Trui het dr tong tege de bofemeester uitgestoke! heusch waar juffrau, achter se rug.”

„Juffrau, Trui is an 't fechte met een groote jonge uit de sefende klas; om 't hoekie benne se, se het 'm se heele gesicht kepot gekrabd!”

„O juffrau, ik durref haas niet te fertelle, wat een freeselijke floek Trui daar fan u gesegt hep,” (Kinderen noemen alles wat plat en grof klinkt een „floek.”)

Natuurlijk was ik volstrekt niet benieuwd naar zoo'n „floek”, 'k wist vooruit, dat 't varieerde tusschen: „pestwaaf,” „stinkwaaf”, „rotwaaf” en dergelijk fraais, en poeierde zoo'n klikkebekje altijd af, met een: „Zoo, pas jij anders maar op je zelf.” Maar al wisten ze, dat ze steeds nul op 't rekest kregen, toch moesten ze telkens weer opnieuw kwaad van Trui spreken; 't was _te_ heerlijk. 'k Geloof, dat ze haar wel graag eens geknoeid hadden, als ze maar niet zoo bang voor haar grove schoenen en scherpe nagels geweest waren.

* * * * *

En zoo tobden we al een paar maanden met Trui voort, zonder eenige hoop op verbetering, toen 'k op een goeien dag opeens vat op haar kreeg. En dat kan ik zonder eenigen trots vertellen, want 't kostte me niet de minste inspanning, 't was louter toeval.

'k Had in de klas een stuk of wat plantjes, cadeautjes van de kinderen. En nu had ik de gewoonte, elk kind voor z'n eigen plantje te laten zorgen. De kinderen vonden 't heerlijk en—ik had er geen omkijken naar. 't Eenige nadeel was een kleine overstrooming af en toe, want ze hadden meestal een royale hand van schenken, maar onze smyrnatapijten konden gelukkig goed tegen water, en 't „mogen” opdweilen was op zichzelf ook weer een traktatie.

Maar nu gebeurde het, dat een van de kleine geefsters overgeplaatst werd naar een andere school. 'k Had dien dag een beetje luie bui en 'k zat gemoedelijk voor de klas met de kinderen te babbelen:

„Ja, nou is Sientje van school, maar wie moet er nu voor haar varentje zorgen? Jullie begrijpt wel, dat 'k daar maar niet de eerste de beste voor gebruiken kan, want nu is het een gedachtenis aan Sientje, en 'k zou niet graag willen, dat het dood ging. 'k Moet er een kind voor uitkiezen, dat niet wild of ruw er mee zal zijn, dat trouw elken dag school komt en geen één keer vergeten zal, het water te geven.”

Toen 'k zoo ver met m'n verhaal was, keek ik de rijen eens langs, vast overtuigd, dat er zich genoeg liefhebbers zouden aanbieden.

Daar viel m'n oog op Trui. Zoowaar, ze had ook geluisterd, ze zat me aan te kijken, en opeens ontdekte ik een fel licht in haar gele oogen.

'k Had een ingeving, een helder oogenblik en 'k vroeg vriendelijk: „Zou jij 't willen, Trui?”

Ze werd vuurrood, gaf een stommen hoofdknik.

„Nou, dan is 't in orde; zorg er maar goed voor.”

En bij mezelf dacht ik: „'t Zal me benieuwen, hoe dat afloopt. In 't ergste geval smijt ze in een woedende bui 't potje tegen den grond, dan is er nog niets gebeurd.”

Maar m'n vrees was ongegrond geweest: Trui smeet niets. Integendeel, ze zorgde voor haar plantje met een hartstocht, die tegelijk komisch en aandoenlijk was. 's Morgens voordat de school aan ging, stond ze al tegen de deur gedrukt, om toch vooral niet te laat te zijn. Werd de deur dan open gezet, dan stormde ze de trap op, baande zich met haar ellebogen een weg door de gangen en was een der eersten, die de klas binnenkwam. Dadelijk nam ze 't waterkannetje, posteerde zich bij de kraan en liet niemand genaken, voor ze 't om- en omgespoeld en opnieuw gevuld had. En dan werd haar pleegkind rijkelijk begoten, tot 't water over 't schoteltje liep. Varentjes kunnen gelukkig veel nattigheid verdragen; dit exemplaar tenminste verdronk niet, maar floreerde bepaald. Vervolgens stompte Trui zich een doorgang tusschen de pratende kinderen, al stonden de sterkste jongens uit de klas haar ook in den weg: „La me dr door, 'k mot de bordedoek,” en ging vol wijding 't schoteltje aflappen en de heele vensterbank schoonvegen. Als ze maar gedurfd had, had ze de andere bloempotjes ook wel onder handen genomen, maar ze wist wel, dan was er oorlog van gekomen.

Ik had er m'n schik in en liet haar begaan. Op een dag zei ik: „Weet je, wat je eens doen moest, Trui? 't Varentje in den gootsteen zetten en 't dan zoo met je hand besproeien, dan spoelt al 't stof er af en zal je eens zien, hoe 't opfrischt.”

Ze zei niets, maar toen 'k even later naar haar keek, zag ik, dat ze vol ijver bezig was, 't plantje precies volgens mijn voorschrift te behandelen. En 'k dacht: dat is nu de eerste keer, dat ze vrijwillig doet, wat ik haar gezegd heb.

Maar 't zou nog beter worden. Een paar dagen later kwam ze uit eigen beweging bij me: „Kaak nou 's juffrau, nou kraagt ie soo'n rond, groen knoppie.”

„Warempel!” riep ik opgetogen. „Hij gaat een nieuw blad maken. Nu, dat 's een bewijs, dat hij het goed heeft. Lief he, zoo'n jong, opgerold blaadje! Dat kun je nu elken dag zien groeien.”

Ze had een kleur van plezier en keek me regelrecht in de oogen. En voor 't eerst zag ik iets vriendelijks in haar blik. Toen wist ik, dat ik 't gewonnen had. Want als je een kind maar zoo ver krijgt, dat het je mag, dan is zelfs het moeilijkste karakter te regeeren; dan zijn ze van goede wille en „bedelen om je gunst en recommandatie”, zooals een collega van mij 't eens kernachtig uitdrukte.

Na dien tijd......

Ik ken een moeder, die haar kind graag verhaaltjes vertelt. Maar ze zijn altijd naar 't volgend model geknipt:

I. Inleiding: Jantje was wel een lief jongetje, maar erg ongehoorzaam aan z'n moeder. Als ze zei „...... enz.

II. Voorbereiding tot III: Op een dag lag er een dun laagje ijs in de grachten, maar 't was niet sterk genoeg, om een kind te dragen. Jantje vroeg aan z'n moesje..... enz.

III Catastrophe.

IV Apotheose: Na ~dien~ tijd..... enz.

Laatst zou ze hem weer op een verhaal trakteeren.

„He ja Moeder,” zei 't ventje. „Maar dan eens niet zoo'n verhaal van „na ~dien~ tijd.””

Ik merk met schrik, dat m'n verhaal van Trui ook veel gaat lijken op een van „na dien tijd.”

Nee hoor, ze werd heusch geen suikeren engel. Ze was en bleef 't zelfde lastige, dwarse, humeurige kind en ze maakte nog even vaak ruzie met haar klasgenootjes. Maar ze deed 't niet meer met opzet, ze probeerde werkelijk, goed op te passen. Natuurlijk lukte dat den eenen keer beter dan den anderen, maar dan begonnen we allebei den volgenden dag weer net, of er niets gebeurd was.

En één dag herinner ik me, toen heeft ze zichzelf overtroffen. 'k Was erg verkouden en zoo heesch, dat 'k geen geluid kon geven. Toen om negen uur de bel ging, riep ik fluisterend de clementie van de klas in. Ik schreef wat werk voor ze op 't bord en dacht bij mezelf: „Hoe komt die dag om!”

Ze hebben allemaal hun best gedaan, dien dag. Maar 't is niet allen even zwaar gevallen. Een ordelijk rustig kind heeft niet veel moeite, met eens een dag extra stil te zitten. Maar dat ik Trui dien heelen langen dag niet één keer heb hoeven te verbieden! Kunnen wij volwassenen ons zelfs maar indenken, hoeveel inspanning het dat ongebonden, balsturige schepseltje heeft gekost, om vijf volle uren lang stil te zitten en gehoorzaam te wezen en alles te doen waar ze een hekel aan had, zonder ook maar één keertje te zondigen?

Ik vind, dat ze dien dag de gouden medaille voor zelfbeheersching heeft verdiend.

JOPIE.