Kinderen uit m'n klas

Part 4

Chapter 44,279 wordsPublic domain

—Nou, we deeë bokkie, soo met petje-af. En toe kwam opeens die autau de hoek om. En toe lagge onse pette dr nog. En toe is de autau dr net bij en toe pakt Arie se pet nog gauw en toe kwam die dr onder, soo met se hoofd voorover. En 't wiel ging sóó over se beene! En die meneer, die stapte sellef uit, en toe hep-tie met de sjefeur same Arie d'r in gedrage, en toe benne se weggereje”.

Ja, 'k zag het voor m'n oogen gebeuren, 'k zag de lange rij bokspringers, 'k zag ze uiteenstuiven voor de naderende auto, en toen moest Arie, branie als altijd, natuurlijk weer laten zien, wat ~hij~ wel durfde. En nu, och Heer, deze eene keer was 't mis gegaan....

En ik rilde bij de gedachte aan dat tooneel.

Den heelen middag bleef 't me bij. En met vreezen en beven stapte ik na vieren de kleine schoenmakerswerkplaats binnen.

Daar zat vader van Ekeren met z'n blauwe voorschoot aan de tafel bij 't raam. 't Werk lag in z'n schoot en over z'n stalen bril keek hij vol aandacht naar z'n vrouw, die midden in 't vertrek druk stond te betoogen. Zoodra zij me zag, riep ze uit:

„Och kijk nou es, daar heb je zn juffrouw ook. Wat een jongen, he juffrouw, je staat er toch wat mee uit! Wil je wel gelooven, dat de schrik me nog in me beene zit?”

En ze viel neer op een der stoelen.

Ik herademde. 't Was dus niet ernstig.

„Hoe is 't nu met hem?” vroeg ik.

„O, 't is Goddank goed afgeloopen, dit keer. Ik kom zóó van 't gasthuis en 'k sta 't al net an me man te vertellen; de zuster zegt tegen me:—Hij is al heelemaal thuis hier en hij heeft allemans praats.” Nou, dat kennen we, he juffrouw, dan is hij weer boven Jan.”

„Waar heeft hij zich eigenlijk bezeerd?”

„Ja, hij zit overal met builen en schrammen. En z'n eene voet zit in 't verband. Maar 't heeft niets te beteekenen, zeggen ze. Ze houen 'm alleen voor de sekurigheid nog wat in bed. Maar met een paar dagen krijg ik hem weer thuis.”

* * * * *

Moeder van Ekeren had 't zich wel wat al te rooskleurig voorgesteld. 't Duurde nog wel een paar weken.

En,—ik durf 't haast niet te vertellen,—maar elken dag genoot ik van m'n rust. En de klas ook. Er kwam een kalmte over de kinderen, waar ik me telkens weer over verbaasde. Zoo gehoorzaam en zoet als engelen waren ze.

Tot ik op een morgen m'n Bombarie weer in de gang hoorde schetteren. En daar stond hij al vóór me, netjes schoon gewasschen, z'n haar in een keurige scheiding gekamd en met de traditioneele spiksplinternieuwe blouse aan. (Dat is zede, alle kinderen die uit het ziekenhuis komen, krijgen een nieuw kleedingstuk aan. 'k Heb 't nog nooit anders gezien).

„Zoo, ben je daar weer?” zei ik, zoo hartelijk mogelijk. „Nou, jij blij he, dat je uit dat gasthuis bent.”

Maar met z'n oude branie trok hij z'n schouders op.

„Huh, 't was dr wat leuk! Van de zusters moch ik alles en die eene dokter die maakte aldoor lolletjes. En dr was zóó 'n groote steene bouwdoos, en die kreeg ~ik~ altijd. En die meneer van de auto die het tweemaal een groote kist druive gestuurd, heelemaal voor mijn alleen, en toe moch ik se uitdeele, voor de heele saal.”

De kinderen stonden er met open mond omheen, en in hun oogen las ik de bewondering en ook een beetje afgunst. Die Arie, die 't zoo fijn had gehad! Dat kon ik toch niet goed verdragen. Ik had juist paedagogische munt geslagen uit dit geval: „Nou zien jullie 't eens; die Arie, die altijd zoo wild en onvoorzichtig is, nu moet hij in 't gasthuis liggen en pijn lijden.” En toen hadden ze allemaal wijs geknikt en ze waren diep onder den indruk geweest. En nu zou die jongen 't weer heelemaal bederven. Dan wou ik toch eerst ook nog een woordje zeggen.

„Nou”, begon ik, „'t was toch niet allemaal plezier. Toen je daar onder die auto lag, toen kon je je lachen toch wel laten.”

Maar hij troefde me leelijk.

„Huh, 't dee haast niet eens pijn. En die meneer die lee me soo fersichtig neer en hij hield se handschoene an. En toe see die tege de sjefeur: sachies rije. En ie froeg maar als, of ik errege pijn had. Maar 'k lee wat lekker op die sachte kusses, en hij sat sellef op 't kleine bankie. En 't was soo prachtig binne in die autau, dr hing een spiegeltje in en twee faasies met bloeme....”

't Leek wel de zegetocht van Asschepoester in de glazen koets. M'n kinderen gaapten van bewondering en afgunst. En ik gaf 't maar op.

„Kom, kijk maar eens, of je je plaats nog vinden kunt”, zei ik. En terwijl hij door de rij liep, hoor ik hem nog verder opscheppen over z'n autotocht. Toen liet hij zich in z'n bank zakken en besloot z'n verhaal: „Nou hoor, emmes faan gereje!”

O, Arie Bombarie!

MIENTJE.

Hij was koloniaal geweest en uit Indië teruggekomen met een stijven arm, een klein pensioentje en een medalje op z'n borst voor 'k weet-niet-hoeveel jaren trouwen dienst. Toen had hij hier een betrekking als kantoorlooper gekregen. En, toen hij zoo tegen de vijftig liep, was de liefde over hem gekomen.

Zij had van haar twaalfde jaar af „gediend”, had altijd „deftige diensten” gehad, waar ze netjes werken en respect voor 't gezag had geleerd. Een spaarbankboekje zal ze ook wel gehad hebben. En toen over haar de liefde kwam, was ze al aardig dicht bij de veertig. In elk geval, ze hadden geen van beiden de ouderlijke toestemming meer noodig.

En het eenige pand hunner jonge liefde, Wilhelmina Helena en nog wat (best mogelijk, dat ze haar naar de Koningin genoemd hadden), kwam op een goeien morgen aan Moeders hand m'n klas binnen.

Nog zie ik ze vóór me; 't was ook geen stel, zooals je ze alle dagen tegenkomt. De Moeder liep mank, op een eigenaardige resolute manier. Bij iederen stap zwaaide haar bovenlijf een eind schuin-rechts naar achteren, maar ze kwam evengoed vooruit als een ander en scheen er ook in 't minst geen last van te hebben. Ze droeg een lange, wijde rok, die 't stof van den vloer bij elkaar veegde, een soort ouderwetsche schoudermantel, waarschijnlijk een erfstuk, en een torenhoog kapotje, waarvan de gitjes vroolijk heen en weer schommelden bij iederen ruk van haar rechterbeen. Haar gezicht leek van hout, 't was geelbleek en vierkant en deed me dadelijk aan Katrijn uit de poppenkast denken. Ze zag er niet bepaald „gemakkelijk” uit, maar tegen mij was ze suikerzoet en uiterst beleefd, want ik vertegenwoordigde in haar oogen de autoriteit; den Burgemeester, de Leerplichtwet, alsjeblief!

't Kind zag er nog zonderlinger uit. 't Had een donkerbruin jurkje aan van een stijve, onmogelijke stof, een lang strak lijfje en een ruime geplooide rok, die haast op haar schoenen hing. 't Grauwe sluike haar was met veel water achteruitgekamd en bijeengehouden door een ijzeren sluitkam. Maar 't meest trof me het gezichtje; och Heer, nooit zag ik zoo'n kindergezichtje, zoo ouwelijk en triest. Uit haar groote bruine oogen keek mij een ziel aan, die voorgoed afstand had gedaan van 's levens blijheid en die met doffe berusting alle verdere slagen van 't noodlot afwachtte.

Zoo kwam het tweetal voortaan elken morgen het lokaal binnen. Pas bij haar bank liet Mientje Moeders hand los. Dan ging ze dadelijk, stil als een muisje, naar haar plaats, vouwde de witte handjes aan den rand en ging me zitten aankijken.

Een paar maal probeerde ik, 't haar af te leeren: „Dat hoeft niet Mien, je mag nu nog zitten, zooals je wilt. Straks als de bel gegaan is, zal ik nog wel waarschuwen.” Dan kwam er even een glimlach op 't groenbleeke gezichtje en gehoorzaam maakte ze haar handjes los. Maar geen minuut later zat ze weer „in de houding.” Blijkbaar vond ze den securen weg toch maar altijd den besten, je kon nooit eens weten, hoe die bel soms onverwachts zou gaan. En zeker had ze ook niet zooveel behoefte aan beweging en vrijheid als een ander kind.

Onder de les spande zij zich in met een ijver, die me soms zeer deed. Ze was niet zoo heel vlug van begrip en ze verzuimde vaak. Toch bleef ze bij, met groote wilsinspanning. Vooral met rekenen had ze moeite, dan hielp ik haar nog wel even apart en dan ploeterde en zwoegde ze zelf verder, tot ze de nieuwe sommen weer de baas was. Maar angstig en gejaagd bleef ze, ondanks mijn herhaalde geruststelling; vrees voor een afkeuring of voor schoolblijven hing steeds als een dreigende wolk boven haar armzalig leventje.

Zag ik b.v. een luie, speelsche jonge dame, die liever poppetjes teekende, dan haar sommen af te maken en zei ik dan: „Hoor eens, al wat je niet af krijgt, mag je na twaalven maken,” dan zag ik dadelijk, dat Mientje 't zich aantrok. Twee roode vlekjes kwamen op haar wangen, 't mondje prevelde gejaagd cijfers: „7 en 9, 7 en 9, eerst doe ik bij de zeven drie....” En of ik dan al zei: „Tegen jou is 't niet bedoeld, hoor Mientje; al heb jij geeneen som af, dan mag je toch naar huis, want 'k weet dat jij je best wel doet,” toch was ze maar half gerustgesteld.

* * * * *

Ja, ze verzuimde vaak, 't stakkertje. 't Begon al na een paar weken. Daar hoorde ik Moeders bekenden stap in de gang, en daar kwam ze al binnen, maar Mientje had ze niet bij zich. Ze putte zich uit in verontschuldigingen, de juffrouw moest niet denken, dat zij 't kind zonder reden zou thuis houden, ze wist heel goed, dat dat tegenwoordig niet mocht van de wet, trouwens 't kind ging zelf veel te graag naar de school. Maar vannacht had ze zóó gehoest en vanmorgen keek ze zóó koortsig uit 'r oogjes, dat ze 't niet op dr verantwoording dorst te nemen, haar met dat gure weer er door te sturen.

Ik verzekerde haar, dat ik overtuigd was van haar goeden wil en beloofde haar, dat ik m'n best zou doen, het dien dag zonder Mientje te redden. Of ze wel vaker hoestte, informeerde ik. En daar kwam ze los.

„Och juffrouw, als 'k u dat allemaal eens vertelde. 't Wurm het er van dr geboorte af an geleje. Toen ze zeven maanden oud was, toen het ze zoo de slijmhoest gehad, dat 'k kompleet dacht, dat ze dr in stikken zou. De tanden zatte vast op dr borsie, ziet u.”

Ik knikte wijs.

„Nou, en na die tijd, sóó as ze in de tocht komt, het se 't weer te pakken. De dokter weet 't ook al precies, 'k hoef me mond niet eens open te doen; soo as die me siet, schrijft ie al soon recepsie voor een drank, een beste drank, soon sterke rooie, u weet misschien wel. En daar knapt se dan soetjes-an weer van op. 'k Ga dr soo meteen maar weer eentje bij de dokter halen.”

Ik wenschte haar beterschap en goed succes met de sterke rooie drank. En werkelijk kwam Mientje een paar dagen later weer op school. Wel had ze nog leelijke hoestbuien af en toe, maar ze hield 't toch weer een poosje dapper vol. Tot op zekeren dag Moeder weer alleen verscheen met dezelfde boodschap van den eersten keer. Op 't laatst was ik al even ver als de dokter: als 'k haar hoofd maar om de hoek van de deur zag, wist ik al, hoe laat het was.

Zoo kwamen we met vallen en opstaan den winter door. Op 't eind van Maart echter miste ze weer op 't appèl, dit keer duurde 't drie, vier weken en nog steeds bleef haar plaatsje ledig. Toen besloot ik, haar eens te gaan opzoeken. En op een middag na vieren stond ik onder aan de donkere steile trap en op 't schelle: „wie daar?” van uit de zwarte holte, riep ik op goed geluk naar boven: „de juffrouw van de school; ik kom Mientje eens opzoeken.” Toen begon ik maar te klimmen, vertrouwend dat ik wel ergens bij Mientje en haar Moeder zou belanden.

Er hing een weeë walm van vuil waschgoed, vermengd met een scherpen geur van bleekpoeder of iets dergelijks; hoe hooger ik kwam, hoe benauwder de lucht werd, 't benam me haast den adem. Eindelijk op de derde of vierde verdieping ('k was de tel kwijt geraakt) werd ik op 't nauwe portaaltje verwelkomd door de moeder, die ik in 't halfdonker haast niet herkende in haar paars jak, zonder de schoudermantel en de wiebelende gitjes. De deur naar 't achterkamertje stond open en daar stond op 't fornuis de pot te broeien, die de vreeselijke lucht door 't heele huis verspreidde. 'k Moest al m'n moed bijeenverzamelen, om er binnen te gaan.

Maar o, die vreugde van dat kind, toen ze me zag! Met haar twee klamme handjes pakte ze m'n hand vast en zóó verheerlijkt keek ze me aan, of ik minstens een engel uit den hemel was, die haar de belofte van de eeuwige zaligheid kwam brengen.

„Ja” zei ik, „ik kom maar eens naar jou toe, want jij schijnt geen zin meer te hebben, om bij mij te komen.”

Ze lachte, een treurig lachje. Toen wou ze wat zeggen, maar op 't zelfde oogenblik kreeg ze een hoestbui. Moeder bood me een stoel aan en maakte haar verontschuldigingen, dat ze me niet in de „mooie” kamer ontving, maar, met een gebaar naar 't hoestende kind, ze kon dat schaap toch niet in zoo'n koude kamer laten.

't Arme kind kon niet tot bedaren komen, ze was bloedrood geworden en de aderen stonden dik op 't voorhoofdje. Ik kon 't niet langer aanzien, beschroomd vroeg ik aan Moeder, of ze misschien niet even 't raam een eindje zou open zetten.

't Was of ik voorstelde, 't kind met haar hoofdje in de kokende waschketel te stoppen. 't Mensch keek me aan, vol verwijt, ook met een tikje medelijden, of ik nou heusch niet wijzer was.

„Maar juffrouw, 't raam open! En u ziet, hoe 't schaap al geen asem kan hale van 't hoeste! Se kan geen tochie vele, dat siet u toch wel.”

„'t Is maar om de waschlucht,” waagde ik nog te zeggen, „daar zal ze last van hebben.”

Maar Moeder schudde medelijdend het hoofd, dat 'k zoo weinig begrip had.

„Dat 's nou juistement wat ze hebbe mot,” leeraarde ze. „Hoe meer natte wasem, hoe beter. Heb u dan nooit gehoord, dat se bij kindere, die de kroep hebbe, een ketel water te stoome sette?”

Ik voelde 't hopelooze van iedere verdere discussie en zweeg dus maar. Gelukkig herinnerde ik me op dat oogenblik 't zakje ulevellen, dat ik onderweg voor Mientje gekocht had, en haalde 't voor den dag. Het gaf een welkome afleiding. Moeders gezicht stond weer geheel verteederd en toen het kind er eentje in den mond stak, bedaarde gelukkig de hoestbui ten slotte.

„En laat je juffrouw nou eris zien, waar je net mee bezig was,” moedigde Moeder aan. „Guns juffrouw, dat kind het toch zoo'n ijver, de heele dag zit ze somme te maken, want anders is ze bang, dat ze niet verhoogd wordt. Nou vandaag zijn 't allemaal sommetjes met „keer”, he Mien, want die vindt ze zoo moeilijk, zegt ze”.

Mientje liet me haar lei zien; 't schaap had 'm vol geschreven met vermenigvuldigsommetjes, die ik de klas geleerd had, juist voordat zij ziek werd. En ze had zichzelf niet gespaard, de moeilijkste had ze uitgezocht.

'k Doorliep de lange rijen cijfers, met zooveel moeite en inspanning verkregen en bij m'n deernis voor 't stumpertje voegde zich eerbied en bewondering voor haar ijzeren plichtsgevoel.

„Je bent een knappe meid,” prees ik. „Maar je hebt ze veel te moeilijk gemaakt. Zoo ver zijn de andere kinderen nog lang niet.”

Er kwam een blijde glans op 't smalle gezichtje.

„Nee hoor, sommen hoef je nu verder niet meer te maken. Ik zal je morgen een mooi leesboekje sturen, dan mag je de verhaaltjes lezen en de prentjes kijken. En op je lei moet je dan maar eens wat moois teekenen. Jij zitten blijven? Geen sprake van, ik neem je vast mee over!”

'k Voelde een brok in m'n keel, toen ik de donkere trap weer af stommelde. En met bitterheid zei ik bij mezelf: „Als die tobberd over een week of wat in dr kistje gelegd wordt, dan heeft ze tenminste nog voor haar dood vermenigvuldigsommetjes geleerd.”

Want 'k dacht geen oogenblik, dat ze 't er door zou halen.

* * * * *

Maar ik had 't niet goed gezien. 't Leven is soms taai. Toen de lente kwam, knapte Mientje weer op en trouw kwam ze weer elken dag naar school. Ze was niet meer zoo schuw voor me, dat hadden zeker de ulevelletjes klaar gespeeld. Ze kwam me nu 's morgens eerst goeiendag zeggen, voor ze naar haar plaats ging, en af en toe kreeg ik wel eens een woordje uit haar. Maar verder den heelen dag bleef ze 't feillooze schoolkind, dat nooit praatte, nooit lachte, nooit zat ze te draaien, nooit onoplettend was onder de les.

En dat was een groot gemak. Haar bank werd mijn sanatorium voor onrustige zielen. De ergste babbelkous, de grootste draaitol kalmeerde onder Mientjes invloed. Ze ~was~ gewoon niet van het pad der deugd af te krijgen. Vaak heb ik gezien, hoe de verleiding haar besloop, maar nooit zag ik haar wankelen.

Zoo herinner ik mij, dat ze eens een flodderig meiske tot buurvrouw had, zoo een die thuis niet een al te beste opvoeding krijgt: op haar leerplichtlijst stond achter „Naam van den Vader” een streep en haar moeder was vroeger heel deugdzaam geweest.

't Was een onverbeterlijke snater en daarom had ik haar maar eens naast Mientje gezet, voor haar eigen zielerust en tevens voor de mijne. En nu was er op een morgen een gaping tusschen twee lessen ('k geloof, dat ik nieuwe leesboekjes had moeten opzoeken), waarvan de klas gebruik had gemaakt om heerlijk aan 't babbelen te raken.

Toen ik zoo ver klaar was, en weer bij m'n afgedwaalde kudde terugkeerde, zag ik, dat Floddertje er werkelijk in geslaagd was, Mientjes aandacht te trekken. Ze had één voetje op de zitplank opgetrokken en demonstreerde iets bizonders prachtigs, een gelakt laag schoentje met een „echt sillefere” gespje of een breede zijden veter, of misschien een opengewerkt wit sokje met een lichtblauw randje. 't Groezelige hoofdje met de ingezette krulletjes, waarop een reusachtige zalmkleurige strik danste, schudde waardig op en neer: „....he 'k gistere fan me Aume gekreige, het wel seife guldes gekost.”

Mientje was er zoowaar dwars voor in de bank gaan zitten, en bekeek met oprechte bewondering het reusachtige geschenk. Woorden vond ze niet, haar mondje hing half open en zoo zat ze de sprookjesprinses en haar verfomfaaiden opschik aan te gapen. Floddertje genoot haar triomf met volle teugen, maar ze was nog niet „au bout de son latin”. Ze liet haar voetje weer zakken, tilde haar rokje op. Wat had ze nog meer te vertoonen? Een geborduurde strookje aan 't broekje of onderjurkje? Een smoezelig zakdoekje met „haar eigen letter” er op of een gekleurd randje er langs? Of bevatte het onderzakje nog andere schatten? 'k Ben er nooit achter gekomen, want op dat oogenblik tikte ik met m'n liniaaltje, het gewone sein voor „opletten”! Tegelijk hield ik Mientje in 't oog. Toe kind, bezwijk nu ook eens voor de verleiding, kijk nog even; wat zou er wel in dat onderzakje zitten?

Maar jawel hoor, met een ruk zat Mientje al weer recht, handjes saam aan den rand, en devoot zag ze naar me op. Floddertje waagde nog even een stootje aan haar elleboog en een gefluisterd: „seg, kijk dan”, maar ze kon haar moeite gerust sparen. Mientjes wenkbrauwen trokken zich samen, de aangestooten elleboog maakte een beweging van: och, laat me toch! en gedurende de heele les nam ze evenveel notitie van haar buurvrouw, alsof die niet 'k weet-niet-wat voor verleidelijks onder haar rokje verborgen hield.

Wie onzer durft, wanneer er van nauwgezette plichtsbetrachting gesproken wordt, naast mijn kleine armzalige Mientje gaan staan?

* * * * *

Ze is twee jaar bij me in de klas gebleven. 's Winters was ze meer thuis dan op school, maar 's zomers teekende ze weer bij. Ze bleef klein en schraal, bleek en onooglijk, maar—ze bleef in leven. Toen ging ze over naar een „meester” en 'k zag haar nog maar zelden. Maar als 'k haar nog eens tegenkwam, in de gang of voor de school, dan merkte ik wel aan haar heele gezicht en de manier waarop ze me toeknikte, dat 'k nog steeds „dr juffrouw” voor haar bleef. En toen ze met „loffelijk ontslag” van school ging, kwam ze me nog eens „bedanken voor 't genoten onderwijs”.

Sedert heb ik haar niet meer gezien. Wat er van haar geworden zou zijn? 'k Denk haast wel, dat Moeder „een diensie” voor haar gezocht heeft. Dan kan ze nu zoowat een volleerde dienstbode zijn. En wat voor een! Eerlijk als goud, doodfatsoenlijk, onderworpen, gedwee en—goeie hemel, wat een ijver en plichtsgevoel! Wat zal ze zwoegen en ploeteren voor „d'r mefrou” en de kinderen, wat zal ze een zorg hebben voor „d'r keuken” en d'r „eten!” Wie zou de gelukkige zijn, die in dezen tijd dat lot uit de loterij getrokken heeft?

Daar valt me iets in. Me dunkt, ik heb toch de oudste rechten, ik heb haar „vermenigvuldigen” geleerd. Op 't oogenblik ben ik zelf gelukkig goed voorzien, maar zoodra ik ooit weer verlegen raak, roep ik haar op, per advertentie in alle bladen.

'k Weet zeker, dat ze den volgenden morgen vóór me staat. En over loon en uitgaansdagen worden we 't vast wel eens. Haar eenige voorwaarde zal wezen, dat ze wel een behoorlijken opzegtermijn krijgt voor die „andere mefrou”. Want—plicht en fatsoen boven alles, nietwaar Mientje?

't PRINSJE.

Ze zeggen, dat ze niet meer bestaan, de booze toovenaars en de goede feëen, de sprookjesprinsen en prinsessen. Maar ik weet beter, want 'k heb zelf zoo'n prinsje in de klas gehad.

Hij was geboren in een marmeren paleis met gouden poorten. Zijn ivoren wiegje was bekleed met dons en satijn en had kanten gordijntjes, zoo fijn als spinrag. Toen hij wat grooter werd, zat hij vaak op een fluweelen kussen aan de voeten van zijn moeder, de Koningin, die een schoone jonge vrouw was en steeds een sleepend, zijden gewaad droeg. Dan vertelde zij 't luisterend prinsje bonte verhalen of zong hem weemoedige balladen voor, waarbij ze zich al tokkelend op de harp zelf begeleidde. Soms nam zijn vader, de Koning, hem mede op zijn tochten door bosch en veld. De ernstige man sprak niet veel, maar hier of daar wees hij 't knaapje aan zijn hand een der vele wonderen uit de natuur: een kleurige vlinder, die voor 't eerst de stralende vleugels ontvouwde, of de duizenden doorzichtige blaadjes, die in één nacht aan den statigen ouden beuk waren ontloken.

Zoo groeide 't prinsje op, te midden van schoonheid en goedheid, de vreugde en trots van het edele koningspaar. Tot op een vreeselijken dag de booze toovenaar kwam. 'k Weet niet, wat zijn toorn zoo had opgewekt, ook niet, wien zijn wraak voornamelijk gold, het prinsje zelf of zijn rampzalige ouders. Maar heimelijk, in 't holst van den nacht, ontvoerde hij 't slapende kind en bracht het—naar de groote, zwarte stad, waar de glazenwasscher Jan Krul met z'n gezin woonde. Geruischloos nam hij den kleinen Keesje, die, wat leeftijd en grootte betrof wel wat op 't prinsje geleek, uit de bedstee en legde 't vorstenkind op zijn plaatsje. Daarop bestreek hij de oogen van vader en moeder Krul met tooverzalf, zoodat zij den anderen morgen de verwisseling niet bemerkten. Zoo heette 't prinsje voortaan Kajsie Krul en leefde in 't gezin van den glazenwasscher. En zoo gebeurde het, dat hij te midden van veertig gewone volkskinderen bij mij in de klas kwam.

* * * * *

Moeder Krul kwam hem zelf brengen, den eersten dag.

„Da's nou nummer vaif,” lachte ze. „Maar nou raak ik ook soowat door me sorteering heen, 'k het er nog maar twee thuis, een meissie van vier en eentje in de wieg.”

't Prinsje stond voor me met neergeslagen oogen. Een glanzende, zachtbruine lok viel even over z'n blank voorhoofd, de zijden wimpers lagen trillend op z'n even-rose wangetjes. Hij draaide en plukte aan 't parelmoeren knoopje van z'n kieltje, en 'k lette op, dat z'n vingertjes slank en fijn waren, met bolle ovale nageltjes en dat 't smalle handje en 't tengere polsje een delicate ronding hadden.

Moeder Krul scheen m'n verwonderden blik te zien.

„Hij is een beetje vreemdig,” zei ze zachtjes, als vergoelijkend. „Maar sacht as een lam, hij gaat maar stilletjes se aige gang, je het er gain kind an. Daarom is tie ook niet na 't klaine schooltje geweest, nog gain dag; 't was sonde fan de cente. Maar nou kent ie ook nog niks, niet eens tot tien telle. De juffrouw mot maar een beetje geduld met 'm hebbe—hier haperde ze even—'m niet te hard anpakke.”

Hem niet te hard aanpakken!

Heel voorzichtig nam ik z'n hoofdje tusschen m'n beide handen en streelde even z'n wangetjes. Ze waren zoo zacht, zoo zacht—nee, wie nog nooit een betooverd prinsje gestreeld heeft, kan zich toch niet voorstellen, hóe zacht die wangetjes waren.