Part 3
„En juffrouw?” vroeg het Hoofd, toen hij even in de klas moest wezen, „hebt u 't ze al verteld?”
„Nee m'nheer,” zei ik haastig, in de hoop, dat ik het gevaar nog afwenden kon, „dat heeft nog wel even den tijd.”
Maar hij scheen me niet te begrijpen, en zei: „Nu dan zal ik het ze maar eens vertellen.”
Breed en vierkant plaatste hij zich midden voor de klas, leunde met beide handen op de voorste bank en overzag de rijen met een veldheersblik.
Als een electrische stroom ging het door de kinderen; ze voelden 't allemaal: er kwam wat, en 't was slecht nieuws. Hulpeloos keken ze eerst naar mij en toen weer naar het strenge gezicht van den hoofdonderwijzer.
Nadat hij op deze wijze stemming gemaakt had, begon hij pas te spreken. Zijn stem had de plechtige klank, die ieder onderwijzer er bij gepaste gelegenheden in weet te leggen:
„Kinderen, jullie mag je juffrouw nog wel eens goed aankijken. Want—ze gaat bij ons vandaan, naar een andere school, een heel eind hier uit de buurt.”
Even wachtte hij; toen kwam, verpletterend als een een doodvonnis, de klap op de vuurpijl: „Aanstaanden Zaterdag is ze hier voor 't laatst.”
Met een zekere spanning liet ik mijn blik over de klas gaan, want ik was toch benieuwd, hoe ze het zouden opnemen.
Neen hoor, ik had me niet in ze vergist: ze vonden het naar. Er lag iets van verwijt in hun blik; ik hoorde: „He, juffrouw!” en „Wat jammer!” roepen.
Maar opeens klonk van Elsje's plaats een luide uitroep, haast een schreeuw:
„Nee meneer, nee, nee!”
Heftig schudde zij het hoofdje, keek den grooten man woedend aan. Toen zochten haar oogjes mij, en daarbij werd haar blik zacht en smeekend:
„Nee, he juffrouw?”
En toen ik niets anders wist te doen, dan enkel maar zachtjes van ja te knikken, toen wierp ze zich voorover op haar bank en begroef het hoofd in beide handen onder luid geschrei.
Nu is schreien altijd aanstekelijk. Ik weet zeker, dat er zonder Elsje geen traan vergoten zou zijn. Maar nu ze haar zoo erbarmelijk hoorden huilen, werden de gevoeligsten onder mijn meisjes toch ook een beetje aangedaan. Zeker vonden ze het, nu ze er goed over nadachten, toch eigenlijk ook wel heel erg. En de een na de ander haalde de waterlanders voor den dag en begon een deuntje te schreien.
Jongens huilen niet, en zeker niet, als ze al negen of tien jaar zijn. Dus lachten ze een beetje spottend naar elkaar, om die „flauwe schapen”, maar het lachen ging toch niet heelemaal van harte en zelfs zagen bij een paar de oogen bedenkelijk rood.
Het Hoofd stapte de klas uit, het aan mijn beleid overlatend, hoe ik het schreiende troepje weer tot rede zou brengen. Bij de deur knikte hij nog eens, echt voldaan: hij had bloed gezien.
Ik ging voor de klas zitten, zocht mijn overredendste toon uit en begon met ze te praten. Dat ik het ook niet prettig vond, maar dat er niets aan te doen was. En dat ze vast wel een aardige juffrouw terug zouden krijgen, of misschien wel een meester! En als ze me nu die laatste dagen nog eens echt plezier wilden doen, dan moesten ze nu niet langer schreien, maar goed gaan opletten.
Vooral het laatste hielp. Ze droogden hun tranen, vouwden devoot de handjes en keken me braaf aan: „Zitten we zoo zoet genoeg?”
Alleen Elsje was niet tot bedaren te brengen. En omdat ik uit ervaring wist, dat iedere verdere poging haar nog maar meer van streek zou maken, liet ik haar stil aan haar lot over. En ik gaf een zucht van verlichting, toen eindelijk de bel ging en ze, nog steeds snikkend, in de rij mee liep.
* * * * *
Toen kwam de laatste ochtend.
De kinderen hadden het blijkbaar thuis verteld. De meesten waren „op hun Zondagsch.” Sommige brachten bloemen voor mij mee, of hun portretje.
Het deed me toch even aan. Ik had daartoe trouwens niet veel noodig, want ik was zelf een beetje onder den indruk van het naderend afscheid.
Het was mijn eerste „vaste” klas geweest. Daarvóór had ik in veel klassen gewerkt, eerst als kweekeling, toen als volontair, eindelijk als „tijdelijke”. Maar dat was toch allemaal nog niet je ware. Je moest je richten naar de onderwijzeres van wie de klas hoorde, en, wat 't voornaamste was, je wist, dat je over een paar weken de kinderen toch weer verlaten zou. Neen aan zoo'n „tijdelijke” klas, daar wilde je je niet te veel aan hechten.
Maar toen werd ik voor „vast” benoemd en trof toevallig de nieuwe cursus en „de kleintjes”. Zoo kwamen we dus dien eersten dag samen in een nieuwe omgeving, vol hoop en verwachting en met frissche idealen. Geen wonder, dat we dus dadelijk een band hadden.
Ik heb geploeterd en gewerkt met die klas en natuurlijk ook heel wat geblunderd. Maar ik blaakte van lust en ijver. Het Hoofd had er schik in en liet me begaan. Vroeg ik om zùlke schriftjes of dàt soort pennen, ik kreeg ze. Zelfs het mooie nieuwe stel leesboeken, waar ik zoo naar verlangde, ofschoon de andere nog best bruikbaar waren. Voor mijn Sinterklaas bouwde hij een estrade, waar een echte bisschop tevreden mee geweest zou zijn en haalde toen uit zijn woning, die naast de school lag, zijn eigen fluweelen armstoel. En dan kon hij me soms eens wijs toeknikken en zeggen: „Ik mag het wel, dat idealisme van de jeugd; ik ben alleen benieuwd, hoe lang je 't zult houden.”
En die zelfde klas had ik nu al haast drie jaar, toen ik overgeplaatst werd. Natuurlijk was er wat mutatie in geweest, maar toch niet zoo heel veel, want de school lag in een uithoek van de stad, waar de ouders niet zoo vaak verhuizen. En het scheiden was een heel ding voor me.
Ik wou dien laatsten morgen dan ook niet gewoon mijn rooster volgen en daarom begon ik, met ieder een schoon blaadje papier te geven.
Toen zei ik: „Nu moet je bovenaan eerst je naam schrijven, want die blaadjes zal ik bewaren als een herinnering aan jullie. En dan mag je zelf kiezen, wat je het liefste doen gaat: de sommen van het bord maken, of een taallesje, of een les uit je leesboek overschrijven. 't Is mij precies eender; als je 't maar op z'n allermooist doet.”
In een oogenblik waren ze vol wijding aan het werk. En ik had de handen vrij om m'n kast op te ruimen, m'n eigendommen bij elkaar te zoeken, kortom, alles voor de verhuizing gereed te maken. Toen deelde ik nog wat plaatjes en andere voor den dag gekomen schatten uit, liet de blaadjes ophalen, boeken, penhouders enz. uit de kastjes opbergen en zoo kregen we den tijd vóór het speelkwartier om.
Na het spelen had ik nog ruim een uur. En dien tijd had ik bestemd voor de „fuif”. Ik haalde een paar groote zakken lekkers uit m'n tasch en zei: „Kinderen, nu ga ik tot slot trakteeren en een mooi verhaal vertellen. Wat zeggen jullie van zoo'n gezelligheid?”
Maar ik had buiten m'n Elsje gerekend. Ze had zich den heelen morgen goed gehouden, maar nu ik van trakteeren en vroolijkheid sprak, werd het haar te machtig. Verwijtend keek ze mij aan en haar oogen vulden zich met tranen.
„Lieve hemel, kind, doe me dat niet aan,” dacht ik bij mezelf.
En gauw, om het onheil nog te bezweren, zette ik een der zakken voor haar neer.
„Kijk eens, wat een lekkere koekjes! Wil jij die eens netjes voor me uitdeelen? Je gaat maar net zoo lang rond, tot alles op is. Maar er niet van snoepen, hoor!”
Jawel, ik had goed grapjes maken. Daar lag haar hoofdje alweer op de bank, de beide armen eromheen, terwijl het heele lijfje schokte van 't snikken.
Met een zucht gaf ik de zak aan een ander kind. Maar ik wou me nu eens niet door dat kleine overgevoelige ding van de wijs laten brengen. Ten slotte gebeurde er toch geen onheil. Over een paar maanden zouden ze waarschijnlijk toch in andere handen zijn overgegaan. En ik wist vooruit, dat de meesten a.s. Maandag vriendelijk tegen m'n opvolgster zouden lachen. En als ze maar een beetje slag had, om hun harten te winnen, dan was ze binnen veertien dagen meester van het terrein.
Dus asjeblieft de stemming er in gehouden!
„Daar,” zei ik, tegen een dikke jongen, met vrij schoone handen. „Jij de borstplaatjes. Maar kinderen, houdt 'm in de gaten, want ik zie aan z'n neus, dat hij de dikste voor zich zelf wil uitzoeken.”
Toen het uitdeelen klaar was, begon ik m'n verhaal. Natuurlijk had ik gezorgd voor een „komische film,” zooiets van een aap, die het heele huis op stelten zet met zijn streken, of van een heel dommen knecht bij een rijken, ouden heer, iets, waar kinderen niet van kunnen tot bedaren komen van de pret. Den vorigen avond, toen ik het opgezocht had, was ik zeer tevreden geweest over mijn vondst en had me er een groot succes van voorgesteld.
Maar, het lag zeker aan mijn vertellen, dien ochtend, of aan de kleine snikkende gedaante, het hoopje troostelooze ellende daar op de derde bank: de fuifstemming, ze wou niet komen, hoe ik me ook inspande. En met de aandacht voor mijn vertelling stond het meer dan treurig. Enkele meisjes hadden den zakdoek te voorschijn gehaald en zaten daarmee ijverig in hun oogen te wrijven, andere knabbelden op hun koekjes of staarden het raam uit. De meesten zaten me suffig aan te kijken, maar luisterden blijkbaar toch niet. Want als er „gelachen” moest worden, keken ze eerst even verstrooid op en lachten dan witjes mee.
Nooit heb ik zóó verteld! Het was net een nachtmerrie. En het ergste was, dat mijn horloge blijkbaar met de booze geesten samenspande: het wou maar niet vooruit. Eerst talmde het afschuwelijk met half twaalf aan te wijzen. En toen het eindelijk op half twaalf stond, toen wou het er ook niet weer vandaan. Het was om dol te worden.
En zoo vertelde ik mijn verhaaltje af, onder het „succes d'estime” van mijn toehoorders. Toen het eindelijk uitging als een nachtkaars, wees mijn horloge tien minuten over half twaalf! Nog twintig minuten dus.
Hoe ik ze heb omgekregen, weet ik niet meer. Ik liet de kinderen al hun mooiste liedjes nog eens zingen, maar zelfs dat gaf niet meer: de pittigste melodietjes lijsden en sleepten ze, dat het niet om aan te hooren was en ik bij mezelf dacht: Dat zijn nu de resultaten van drie jaar zangonderwijs.
En toen eindelijk—toen ik de hoop al begon op te geven—ging de bel! Ik was zoo doodop, dat ik niets anders wist te bedenken dan: „Nou kinderen, 't ga jullie goed hoor! En doe maar flink je best bij de nieuwe juffrouw.”
Ik ging bij de gangdeur staan om ze één voor één goeiendag te zeggen. Sommigen had ik wel graag eens willen pakken, maar ik wou geen onderscheid maken. Op de beurt gaven ze me een handje, keken me even aan, drukten soms even hun snoetje tegen mijn hand of gaven me hun twee handjes tegelijk. En daarbij kreeg ik allerlei betuigingen van trouw en genegenheid en „dat ze bij de nieuwe juffrouw goed zouden oppassen.”
Het allerlaatst kwam mijn kleine Els aangesloft, moe-geschreid en òp van al de emotie. Ik nam het kleine behuilde gezichtje in mijn twee handen en probeerde het op te heffen, maar ze wou me niet aankijken: de natte wimpers bleven op haar wangen liggen. Toen bukte ik bij haar neer en zei, dat ze nu een groote, verstandige meid moest wezen, en dat ze vast een veel lievere juffrouw terug zou krijgen. Maar ik weet niet, of ze me verstond. Toen ik haar na een paar lieve woordjes losliet, zakte haar hoofdje weer voorover en zoo, met afhangende schoudertjes, haar tasch bungelend langs haar beenen, sjokte ze de gang door.
Er was nog een, die 't zag. Het Hoofd stond als gewoonlijk bij de straatdeur en toen ik het rampzalige figuurtje nog even nakeek, ving ik zijn blik op.
Met een ruk keerde ik me om. Hem ging 't in ieder geval niet aan.
In de leege klas was het kil en doodsch nu. Vlug pakte ik mijn eigendommen bij elkaar, toch opgelucht, dat het nu achter den rug was. Het afscheid van mijn collega's kon kort zijn: met de enkele, voor wie ik sympathie had opgevat, bleef ik de kennis toch aanhouden.
Ziezoo, ik was zoo ver. Even nog een laatste afscheidsblik langs de bankenrijen....
En toen opeens zag ik iets, dat me, ondanks mijn zelfbedwang, toch de tranen in de oogen deed springen:
Op Elsje's bank lag een kleurig hoopje lekkers. Mijn „traktatie”, die had ze versmaad!
ARIE BOMBARIE.
„Ja juffrouw, u hoeft me d'r eigenlik niks van te zeggen, ik kan me best begrijpen, wat u met 'm uitstaat. 'k Zeg van de week nog tegen me man, die juffrouw van de school, zeg ik, dat mensch raakt al dr zonden an die jongen kwijt. Hoe u 't klaarspeelt om 'm vijf uur op een dag stil te houden, daar staat mijn verstand bij stil. Ik voor mijn zie geen kans, hem vijf minuten op z'n stoel te plakken; zóó heb ik m'n hielen gedraaid, of hij smeert 'm weer, de straat op. En een brutale mond, dat hij opzetten kan! Van al de andere vier samen, heb 'k niet zooveel last als van dat kind alleen.”
Ze had me na vieren bij school opgewacht, moeder Van Ekeren, om eens te vragen, „hoe 't nou met Arie ging, op school!” Maar nauwelijks had ik m'n mond open gedaan, of ze was me in de rede gevallen met een stortvloed van woorden, om haar overvol moederhart eens uit te storten.
„Weet u wat ik wel eens denk?” ging ze voort, en aan het dalen van haar stem en haar geheimzinnig gezicht kon ik merken, dat er een confidentie in aantocht was, „toen hij komen moest, werd net me moeder ziek. An 't hart had ze 't, ziet u. En toen heb ik wat verlangd, om nog es naar dr toe te gaan! Maar ik kon niet weg he, 'k zat hier met vier kleine kinderen en eentje op de komst, breek daar maar ineens uit. En 't was nog niet eens naast de deur. Moeder woonde heel in Groningen. Nou, en toen is ze dan ook gestorven, zonder dat ik 'r nog eens gezien heb. Niet eens op de begrafenis ben ik geweest, want 't liep net op 't laatst met me; veertien dagen later werd 't kind geboren. En nou denk ik altijd, dat 't schaap die onrust van me meegekregen heit. Me man lacht me dr om uit, maar wat zegt u nou, juffrouw?”
Ja wat zou ik zeggen? Als onderwijzeres raak je gewend aan heel wat zonderlinge vragen: „Of 't nou heusch komt, doordat me man vroeger bij de huzaren heeft gediend, dat al de kinderen zulke kromme beenen hebben” en „of ze nou die kale plek op Jantje z'n hoofd nog niet eens met Haarlemmer olie zou insmeren?” Maar deze kwestie was me nog nooit voorgelegd en 'k zei dus maar op goed geluk, dat het „best mogelijk” was. Maar bij mezelf dacht ik: Als 't alleen door de ziekte van z'n grootmoeder komt, dat die jongen zoo'n lastpak is geworden, dan had ik 't goeie mensch toch nog graag een jaar van volmaakte gezondheid gegund.
* * * * *
't Was een knap gezin, de Van Ekerens. De drie oudste jongens waren gewone bengels, waar je niets extra mee te stellen had. Daarop volgde het zusje, een lief zacht kind, een beetje zorgerlijk moedertje. En dan werd de rij gesloten door onze Arie, die dus volgens z'n moeder erfelijk belast was met haar onrust. Maar volgens welke geheimzinnige wet hij al de ondeugendheid geërfd had, van z'n drie broertjes samen, en al de brutaliteit die z'n vader, een beleefd, onderdanig schoenmakertje, z'n heele leven te weinig had gehad? En wie van z'n voorouders hem dat plagerige in zijn aard had meegegeven, die trek om ieder, dien hij aandurfde, het leven lastig te maken?
't Was een verbazend moeilijk kind in de klas. Had je er gemiddeld vijf zoo, dan zou je 't baantje er aan moeten geven. 'k Vergeleek hem in gedachten vaak bij een jong stiertje, zoo woest en ontembaar was hij. 't Had een van de beste leerlingen kunnen zijn, want hij had een uitstekend verstand, maar hij verkoos geen vijf minuten achtereen op te letten of z'n best te doen. Maakte hij bv. een taallesje, dan was 't opmerkelijk, het verschil te zien tusschen den eersten regel en den laatsten. Trouwens, schrijven was niet zijn lievelingsvak, altijd brak hij de punt van z'n potlood, altijd trof hij een griffel, dat kraste.
En toen we met pen en inkt begonnen, werd 't nog slimmer. Nu eens „spatte die akelige pen zoo erg”, dan weer „zat er telkens een haar aan” of „viel er zoo maar opeens een klad op z'n werk”. Dat waren nog de dagen dat hij te regeeren was. Maar nu kon je 't ook nog treffen, dat hij een van z'n woeste buien had. Dan smeerde hij getroost z'n heele schrift vol, „want er was een mop op gevallen, en dat had hij niet gezien en toen had hij er zóó met z'n hand over gestreken.” En als hij nog maar niet met opzet propjes papier in z'n inktkoker stopte en daarmee z'n heele bank vol knoeide, dan had ik nog niet eens wat voor 't zeggen.
In 't speelkwartier was hij 't ergst. Je ~kon~ hem haast niet met de andere kinderen laten meespelen. Altijd werd 't ruzie en vechten in zijn hoek. Bij ieder spel wou hij de lakens uitdeelen, en begon dat de andere jongens te vervelen, en lieten ze hem niet meedoen, dan zocht hij z'n troost in 't plagen van de kleintjes. „Juffrouw, Arie het me pet over de schutting gegooid. Arie het me fliegmessientje afgegapt, Arie smijt me suurtje in 't sand”, klonk het dan huilend van alle kanten. Of hij kreeg z'n „kippekuur” en begon als een gek over de speelplaats te hollen, zwaaiend met z'n armen en alles en iedereen omver loopend. Geen oogen had je genoeg voor dien jongen.
Eens kregen we een nieuweling, een oolijke kaaskop. Die had blijkbaar z'n oogen en ooren op de rechte plaats. Met zijn oordeel over Arie was hij tenminste gauw klaar en 't was raak ook. In 't speelkwartier stond hij eerst even met een stuk of wat jongens te smoezen en te gniffelen. Toen maakten ze een lange rij en begonnen met groote stappen de speelplaats af te loopen, precies in de maat. En daarbij riepen, neen schreeuwden ze uit volle borst:
/P Arie-bombarie, Je neus staat krom! Een dubbeltje segare En 'n dubbeltje werom! P/
't Vers sloeg oogenblikkelijk in. Alle kinderen hielden op met spelen en keken lachend toe. Toen 't voor den tweeden keer ingezet werd, was de rij al dubbel zoo lang, 'k geloof dat de heele klas er achteraan wilde. Maar daar had je Arie. Met z'n vuisten wou hij den nieuweling te lijf en 'k moest er vlug tusschen komen.
„Bedaar maar” zeg ik, „'t gaat heelemaal niet op jou, want je neus staat toch niet krom. Maar als je zoo'n vechtersbaas blijft, dan kon je er wel eens een tik tegen krijgen, dat ze reden hadden, het te zingen.”
En den kaaskop gaf ik den raad, dat versje maar voor z'n moeder te bewaren, want dat ik 't niet meer hooren wou. En dat de kinderen hier uit de klas elkaar nooit mochten plagen.
Daarmee was 't uit en 't rijmpje hoorde ik ook niet meer. Maar de bijnaam was ~te~ toepasselijk, te mooi. Die zat. Eerst werd hij er woest om en gaf 't aldoor kloppartijen. Maar toen gingen ook de jongens uit de hoogere klassen hem zoo noemen, en zelfs z'n eigen groote broers. Toen kon hij er niet meer tegen op, hield zich groot en lachte er om. Ja, op 't laatst werd hij er, geloof ik, zelfs trotsch op.
En zoo bleef het Arie-Bombarie. Of liever nog voor 't gemak enkel Bombarie.
* * * * *
Wie nooit voor schooltijd alleen in een leege klas is geweest, kan zich geen voorstelling maken, van het eigenaardige rumoer, dat dan door de open ramen naar binnen dringt. Wij ingewijden kennen het echter zoo goed, dat wij er de fijne nuancen van leeren onderscheiden. Zoo hooren wij b.v. al aan 't leven voor de school, wat voor weer het buiten is. Bij mooi weer zijn de kinderen druk en uitgelaten, bij groote hitte hoor je ze haast niet, dan hangen ze landerig op stoepen of tegen den muur. Bij stortregen ook niet, want dan komen ze zoo laat mogelijk, of schuilen zoo lang in een portiek of onder een afdak. 't Stilst is het, als er ijs in de grachten ligt, dan staan er alleen de heele kleintjes aan moeders hand en hoor je enkel 't zeurige gekles: „Och juffrouw, wat u seit? En sal ik nou is wat segge...” Maar ligt er sneeuw, dan is 't lawaai dubbel sterk, maar 't is een vroolijke, aardige drukte. 't Ergst is de herrie bij stormachtig weer, dan hebben ze den wind in 't hoofd en gillen als dol door elkaar. Dan zuchten we eens tegen elkaar en zeggen: „Hoor je ze? Dat kan weer een dagje worden. Ik zal ze maar dadelijk de pen op den neus zetten.”
Natuurlijk is 't rumoer ook grooter op dagen, dat ze bizonder opgewonden zijn: bij prijsuitdeeling, met Sinterklaas, den laatsten dag voor de vacantie, enz. En op gewone dagen kan plotseling fel tumult losbarsten, wanneer iets de gemoederen in beroering brengt. Och, 't hoeft heusch niet zooveel belangrijks te zijn, een kleine vechtpartij is al voldoende. En dan moet een der onderwijzers juist aankomen en de twee schuldigen alvast „mee naar binnen” nemen! Dan volgen er heftige debatten, wie gelijk had en wie „begonnen” is, waaraan zelfs de kleintjes deelnemen.
't Felst echter laaien de vlammen van hun emotie op, als de „plietsie” er aan te pas komt. Een jongen heeft bv. een ruit ingegooid, een deur volgekrast, een voorbijganger gemolesteerd en nu wordt hij huilend en wel door een diender naar school gebracht, omstuwd door de heele bende. Dan moet je ze hooren! Allen schreeuwen ze door elkaar en ieder wil den ander weer overschreeuwen. En er zijn zulke veelbelovende stemmetjes bij, als 't ware „geschapen” om later met garnalen of radijs, met visch of komkommers te venten, om „de laatste stuiptrekkinge fan 't kappitaol” te colporteeren, of om eenvoudigweg maar een klein twistgesprek met een buurvrouw op touw te zetten, waarbij de heele buurt uitloopt. Wat ze dan zoo heftig te betoogen hebben? Wel, ten eerste rijst er onmiddellijk verschil over de kwestie of beklaagde al dan niet schuldig is aan 't hem ten laste gelegde: op z'n minst de helft begint zonder dat zij er iets van afweten, te roepen, dat „hij het niet eens gedaan heeft.” En dan wordt de zwaarte van de straf overwogen: of hij vannacht op 't politiebureau zal moeten blijven? en: of z'n vader 't zal moeten betalen?
Maar, zooals ik al zei, er hoeft volstrekt niet zoo iets ernstigs gebeurd te zijn. 'k Ben ook wel eens bij plotseling geschreeuw ongerust naar 't venster geloopen voor—een jongen met een matrozenhoed op. „Hajewiet, hajewiet,” gilde de bende „een jonge mit 'n maassieshoed!”
En dus schrok ik ook niet, toen op een middag voor schooltijd opeens de storm weer opstak. Ik keek uit het raam, zag de kinderen in clubjes bijeen staan, heftig betoogend en gesticuleerend, maar ze schreeuwden zoo door elkaar, dat ik er geen woord van verstaan kon. „Zeker een vlieg in het water gevallen”, dacht ik bij mezelf, „zoo meteen zal ik 't wel hooren.”
't Hoofd scheen de ongewone drukte ook gemerkt te hebben: hij zette maar gauw de deuren open.
En daar had je ze, daar kwamen ze aanstormen, holderdebolder de trap op, elkaar duwend en stompend, om toch maar de eerste te zijn, die 't groote nieuws aan de juffrouw komt brengen. In een prop drongen ze de deur in, hijgend en opgewonden:
—Juffrau, Arie is oferreje.
—Hij is onder 'n auto gekomme.
—Ja juffrau, mit se hoofd dr onder.
—Nietes, mit se beene.
—Och seg, jij sting dr niet eens bij.
—Hij is dood, juffrau!
—Och ga weg.
—Welles, hij had se ooge toe, toe die meneer 'm optilde.
—Nou, dan hoeft-ie toch nog niet dood te zijn. Seg! Die is goed.
—En die meneer het 'm in de autau gedrage.
—En toe benne se met 'm weggereje.
—Waar benne se nou met 'm na toe, juffrau!
—Nou, na se moeder.
—Nietes, na 't gasthuis.
—Of na de plietsie.
—Nee hoor, na 't lijkehuisie.
Zoo schreeuwden en kibbelden ze door elkaar.
Ik voelde, dat ik wit en strak van de schrik werd. M'n hemel, dat levendige, bewegelijke kind! Zou 't mogelijk zijn, dat die dood was! Of, nog erger, verminkt, hulpbehoevend voor z'n verdere leven? Ik moest er niet aan denken. 'k Zag hem vóór me, in tien verschillende houdingen, maar altijd in beweging en ook altijd bezig iets verbodens te doen: glijdend langs de trapleuning, klimmend in een lantaarnpaal, dansend op 't dunste ijs, hangend achter aan de tram, dravend dwars voor een hollend paard. Nee, 't was eigenlijk geen wonder, dat hij een ongeluk gekregen had.
„Hoe is 't zoo gekomen?” vroeg ik. En dadelijk brak de stortvloed weer los.