Part 2
Daar voelde ik opeens twee armpjes op m'n knie. 't Kleine ding had blijkbaar van haar plaats onze woordenwisseling gadegeslagen, had moeders drift en boosheid bemerkt en—kwam me nu troosten. Vertrouwelijk leunde ze tegen mij aan, lachte me eens toe en zei, een beetje spottend:
„Wat was ze nijdig, hè? Maar je hoeft je er niks van aan te trekken, want ze doet toch nooit wat.”
'k Wierp een lange, vertroostende blik in die wijde, grijze kijkers en 'k dacht: „Kind, je hebt gelijk, ze doet je nooit wat. Jij met je gezond, klaar verstand en je sterke wil, jij zult er toch wel komen, al mis je de moederlijke leiding.”
Toen streelde ik haar even over 't glanzige kopje en zei:
„Je bent een beste meid. Maar nu moet je gauw naar je plaats gaan.”
* * * * *
We hebben het met onze Liesbeth wel hard te verduren gehad, die eerste dagen! Zoowel de kinderen als ik zelf. Ze was ons levend geweten, de geïncarneerde critiek. Niets ontsnapte aan haar waakzaam oog, niemand was voor haar aanmerkingen veilig.
Midden in de mooiste vertelling, op 't spannende oogenblik, daar had je haar scherp stemmetje: „Juffrouw, die jongen let niet op, hij zit op z'n schoenen te spugen.”
Stond ik bij een klein onbeholpen gansje en probeerde ik haar te leeren, hoe ze haar griffel houden moest, dat 't niet zoo afschuwelijk piepte, dadelijk boog ze zich uit haar bank, om 't stumpertje nog eens vermanend toe te voegen: „Zie je nou wel? Ik had je toch ook al gezegd, dat je niet zoo mocht krassen?”
Maar ik was zelf evenmin veilig. Bij 't voorteekenen brak de punt van 't krijt af. „Je drukt ook veel te hard,” kwam 't dadelijk onverbiddelijk uit haar mond. De deur sprong open. „Je hebt hem daareven ook niet goed in 't slot getrokken,” riep m'n meedoogenlooze rechter.
't Leukst was 't op een morgen, in 't speelkwartier. 't Was van dat druilige winterweer, dat je nauwelijks kunt uitmaken, of 't regent of dat 't droog is. Ik wou er wel graag even met de kinderen uit, maar 'k wou ze toch geen nat pak bezorgen. Besluiteloos tuurde ik in de effen grijze lucht.
„'k Zou er maar in blijven. 't Is veel te nat buiten,” kwam daar opeens m'n gratis advies uit de derde bank.
'k Was net tot de conclusie gekomen, dat 't op 't oogenblik droog was, dat de lucht wat lichter werd en dat ik 't dus maar even wagen zou.
'k Telde dus: Opstaan, een, twee, drie. En een paar minuten later waren we in 't plantsoentje tegenover de school.
Werkelijk bleef 't even droog. Maar vóór 't einde van den speeltijd, daar was 't al weer mis. En zoodra ik de eerste druppels voelde, klapte ik 't troepje bij elkaar.
Liesbeth kwam het eerst. Blijkbaar had ze er op geloerd.
„Zie je nou wel?” zei ze triomfantelijk, toch ook met een ietsje verwijt in haar stem. „Heb ik 't je niet vooruit gezegd? Nou heb je 't land, dat je eruit gegaan bent!”
Zoo was 't schering en inslag den eersten tijd. Hoe lang 't geduurd heeft? Vast niet langer dan een of twee weken.
Hoe ze 't afgeleerd heeft! 'k Zou haast zeggen vanzelf.
Ze was verstandig genoeg om gauw in te zien, dat „de juffrouw” een eenigszins andere persoonlijkheid was, dan haar moeder, en dat er van haar op- en aanmerkingen niet héél veel notitie werd genomen. Ook merkte ze natuurlijk, dat geen der andere kinderen zoo iets deed. En ten slotte, ofschoon ik nooit een kind uitlachen zal, moet ze toch af en toe aan iets in m'n gezicht gezien hebben, hoe komisch 'k haar vond. En de slimsten onder de andere kinderen zagen dat ook, en begonnen haar lachend aan te kijken, als ze weer iets over de klas heen riep.
Nu is een kind voor niets gevoeliger dan voor spot. Dat _zij_, Liesbeth, 't knappe kind, iets belachelijks deed, dat zal wel de genadeslag hebben toegebracht aan haar zucht tot kritiek. En als haar nog eens de eene of andere bazigheid ontsnapte en de anderen keken spottend om, dan kreeg ze een kleur als vuur en had wel een half uur noodig, om weer op haar verhaal te komen.
En zoo is ze me een prettige, flinke leerling geworden.
Maar wat er die eerste dagen in dat rooie bolletje is omvergehaald en overeind gezet! Als ze 't zelf nog zou weten en ze kon 't voor me opschrijven, wat zou ik 't graag eens lezen!
PIET.
„Een mooi koopje heb je me daar geleverd!” mopperde ik, terwijl we om twaalf uur samen den weg uit gingen. „Zoo'n loteling, tusschen je kinderen in, 't is me een pretje! Daar kan ik plezier aan beleven. Had je me dat nu niet kunnen besparen en hem mee over laten gaan?”
M'n collega keek me lachend aan.
„Ik kon er heusch niets aan doen, hoor. Hij kon met geen mogelijkheid mee. 't Vorig half jaar heb ik hem mee over gesleept, omdat hij ook al twee keer in de derde klas had gezeten; maar nu moest hij zitten blijven. Je zult het zelf wel merken, hij zal nauwelijks met de jouwe mee kunnen. Vooral z'n lezen is een misère.”
„Hoe oud is hij wel?” zuchtte ik. „Zou hij nog niet haast dienstplichtig wezen? Lieve hemel, wat een lengte!”
„Ja,” lachte ze weer, „hij moet tusschen de andere kinderen wel een heel eind uitsteken. Bij mij was hij al verreweg de grootste.”
„'t Is net Gulliver tusschen de Lilliputters.—En zijn invloed zal zeker wel veredelend op ze werken. Zulke exemplaren geven meestal een schitterend voorbeeld.”
„O nee, last zul je niet met hem hebben. 't Is geen kwaad jong. Alleen natuurlijk hopeloos traag van begrip.”
Ik zuchtte opnieuw, 'k was er niet heelemaal gerust op. 'k Had wel vaker zulke type's in m'n klas gehad. Te dom om het onderwijs te volgen, dat hun bovendien niet interesseert, omdat het op jonger kinderen ingericht is, (de leeslesjes b.v. zijn te kinderachtig, den inhoud kennen ze al van een vorige cursus, al kunnen ze de woorden ook nu nog niet lezen) zoeken ze den heelen dag naar een andere bezigheid voor hun geest, die dan gewoonlijk bestaat in het bedenken van kattekwaad. En omdat kattekwaad uitvoeren in je eentje zoowat alle bekoring mist, zijn ze steeds op zoek naar gezelschap en halen gedurig de andere kinderen van hun werk af. Zoo vergen ze voortdurend je volle aandacht, tob je er dag in, dag uit maar mee door, zonder dat je ze een oogenblik uit het oog mag verliezen. En als ze ten slotte met hun vroegrijpe straatwijsheid nog maar niet den geest van je heele klas bederven, mag je nog best tevreden wezen.
Iets dergelijks verwachtte ik nu van m'n nieuwen Piet. En daarom zag ik het zwaar met hem in.
Maar als me iets in m'n leven is meegevallen, dan is het m'n dagelijksche omgang met Piet geweest, gedurende het halve jaar, dat nu volgde.
't Bleek een jongen te zijn met een ziel, zoo zuiver als glas en zoo week als was. Een droomer, die z'n gedachten maar voor een heel klein deel bij zulke prozaïsche dingen als sommen en taaloefeningen kon houden. Voor mijn plezier wou hij zich soms wel even inspannen, om er bij te blijven; dan zat hij met z'n grove jongensknuist heel zoet 't kinderachtige lesje te volgen, regel voor regel, woordje voor woordje. Maar al heel gauw werd het hem toch weer te machtig, de wijsvinger bleef rusten, de gedachten namen hun vlucht en z'n lichtblauwe bolle oogen staarden in de ruimte, waar zij wie weet welke verborgen schoonheden ontdekten.
Maar kwaad was er geen haar aan den heelen jongen. Opletten, neen, dat kon hij niet, maar als je hem maar met rust liet, dan had je er ook geen kind aan. Nooit zou hij een ander van 't werk af halen, hij had er ook niemand bij noodig, aan z'n droomen had hij genoeg. Soms gaf ik hem een standje, als hij z'n beurt niet wist; eigenlijk meer voor de andere kinderen dan voor hem zelf, want 'k zag gauw genoeg, dat het boter aan de galg gesmeerd was. Dan glimlachte hij goedig en ook een beetje verlegen, alsof hij zeggen wou:
„Och m'n goeie mensch, dat kan ik jou zoo niet uitleggen. Jij vindt zoo'n verhaaltje uit een leesboek zeker heel erg de moeite waard, om er een half uur lang met je gedachten bij te blijven. Ik kan 't je niet eens kwalijk nemen, dat je me er elken dag opnieuw mee komt vervelen, je weet blijkbaar niet beter.”
Dan keek hij even bij z'n buurman, waar „het was”; wees, om z'n goeien wil te toonen, drie minuten bij. En dan, dan zweefde z'n geest weer ver buiten mijn bereik.
Niet zoodra echter was de bel voor 't speelkwartier gegaan, of er kwam leven in den jongen. Spelen, daar kon je 'm voor krijgen, dat gaf aan z'n fantasie voldoende voedsel. Steeds was hij de ziel van 't spel, 't middelpunt van al de jongens; of 't vanzelf sprak, had hij dadelijk de leiding en bij ieder spel de hoogste functie. Voor een deel kwam dat natuurlijk door z'n grootte en z'n meerdere kracht, maar toch 't echte geheim ervan schuilde in z'n uitgesproken talent voor het bedenken en leiden van alle soorten spelletjes. Hij maakte echter geen misbruik van zijn overwicht: nooit zag ik hem een kleineren jongen plagen of slaan, z'n houding had eerder iets beschermends, iets vaderlijks zou ik haast zeggen.
't Was dan ook enkel aan hem te danken, dat ik dat halfjaar oogluikend „diefie” kon toelaten, het lievelingsspel van alle jongens, maar dat ik steeds verbood uit vrees voor gehavende kleeren en vechtpartijen. Nu, met Piet als „hoofdkommesares” durfde ik 't wagen, zijn leiding waarborgde me, dat het „zonder kleerscheuren” zou afloopen. Werd er een „dief” gevangen en „opgebracht”, Piet z'n blonde kop stak boven 't verwarde kluwen uit en dan was ik gerust. „Niet te wild, jongens” waarschuwde ik nog eens onder 't voorbijloopen, „u let er wel op, meneer de commissaris!” Dan tikte hij, geheel in z'n rol, even aan z'n pet, lachte me met z'n zachte blauwe oogen geruststellend toe en zei: „Ja juffrouw.” En dan liet ik ze hun gang maar weer gaan.
Z'n prestige in den speeltuin werkte ook in de klas nog door. Daaraan schrijf ik het ten minste toe, dat hij nooit werd uitgelachen, als hij zich bij de leesbeurt moeizaam en hakkelend door de zinnen heen werkte, fout op fout makend. Of als hij, groote lummel van elf jaar, nog maar steeds de tafels niet onder de knie kon krijgen, en me geen antwoord wist te geven op m'n vraag, hoeveel 7 keer 8, of 9 keer 6 was. 'k Geloof, dat de heele klas volkomen mijn meening deelde, dat Piet „heel erg dom” was, maar dat je op de heele wereld geen betere jongen zou kunnen vinden.
Toch was er nog één leervak, waarbij ik altijd op Piet z'n volle aandacht kon rekenen. En dat was: bij het zingen.
Op de eerste zangles ontdekte ik het al. Ze mochten zelf om de beurt een van de liedjes kiezen, die ik ze in de vorige klas geleerd had. En natuurlijk koos er eentje al heel gauw: „Duifjes, met uw blanke veeren”. Waarom „natuurlijk?” Omdat ze merkten dat ik 't zelf nooit koos. Toch had ik 't ze eerst geleerd en vond ik het zelf ook een lief liedje, maar ze „zakten” onder 't zingen zoo geweldig, dat 't niet om aan te hooren was. En mijn stem had niet altijd de kracht, om ze op de goede hoogte te houden: er wordt veel gevergd van je keel, als je voor de klas staat. Daarom zong ik 't niet graag met ze. En als ze 't zelf kozen, dan liet ik ze in Godsnaam maar zakken en zette ieder nieuw coupletje weer een terts hooger in; want dat was zoowat het „verval”.
„Vooruit dan maar”, dacht ik dien dag ook weer en gaf den toon voor ze aan. De zittenblijvers kenden 't blijkbaar ook, ze zongen ten minste mee. Maar al bij den eersten regel werd m'n aandacht getroffen door een nieuw geluid in 't gemengde koor, een hooge, heldere stem, die zuiver den toon hield en 't heele koortje droeg.
Verrast bleef ik luisteren. Van wien kwam die stem? Van een van de zittenblijvers? Dat moest ik eens gauw onderzoeken. 'k Liep stapje voor stapje de jongensrijen door, terwijl m'n klas, zonder in 't minst gezakt te zijn, het 2de coupletje inzette: „Waait het al te hard daar buiten....” Opeens, daar had ik den zanger: Vlak naast zijn bank bleef ik staan, om beter te kunnen genieten. Wat een mooie stem had die jongen!
Hijzelf had er in 't minst geen erg op, dat ik naar hem stond te luisteren. Verdiept in zijn eigen gezang, zelf genietend van den helderen klank, zat hij voor zich uit te staren, als een vogel op een tak, die alles om zich heen vergeet in de vreugde der zoete melodieën en schallende trillers.
„'k Moet hem ook eens alleen hooren”, dacht ik. En toen 't liedje uit was, riep ik hem voor de klas.
„Jij houdt zeker veel van zingen, he? Ken je nog een liedje, dat de andere juffrouw jullie geleerd heeft? Dan mag je 't ons eens voorzingen.”
Een beetje aarzelend en verlegen eerst, zette hij z'n liedje in. Jongens schamen zich gauw, om te zingen, behalve natuurlijk als 't straatliedjes zijn. Maar al bij de eerste woorden geraakte hij weer onder de betoovering van de muziek en zong zonder de minste verlegenheid verder.
'k Geloof, dat ook de klas merkte, dat 't „mooi” was. Ze luisterden aandachtig, mij af en toe eens aankijkend, als om te vragen, of ik 't ook mooi vond. Nergens zag ik ook maar een zweem van spot, dat die lange jongen daar met zoo'n ernst zulk een kinderachtig liedje stond te zingen.
Wat mijzelf betrof, 'k was met mijn gedachten plotseling verplaatst in de Groote Dom te Keulen. Jaren geleden had ik daar den dienst eens bijgewoond en was in extase geraakt bij 't plotseling invallen van 't jongenskoor. Die zuivere, hooge jongensstemmen, met hun eigenaardig schel timbre, nu hoorde ik ze weer. En met volle teugen genoot ik van 't gezang van mijn „koorknaap”, zooals ik hem meteen in gedachten doopte.
Nog ben ik niet aan het eind met m'n loftuitingen op Piet.
Al heel gauw merkte ik, dat de jongen voor alles, behalve dan voor leeren, uitstekend bruikbaar was.
Voor schooltijd begon het:
„Piet, kun jij eens een plaat voor me opzoeken?”
Dan glom z'n heele gezicht al.
„Dan moet je eerst naar den meester van de elfde klas gaan, die weet je toch wel te vinden?”
Een stomme hoofdknik, vol ongeduld.
„En daar vraag je den sleutel van de platenkist, die hiernaast op het portaal staat. En dan moet er een plaat in wezen, met een ooievaar, die op zijn nest staat; en een andere ooievaar vliegt door de lucht. Kun je 't goed onthouden?”
Weg was hij al, om na een paar minuten triomfantelijk met de bedoelde plaat terug te komen.
„Prachtig, Piet! Heb je de kist weer gesloten en den sleutel teruggebracht?”
't Was altijd in orde. In dat opzicht was hij zijn leeftijd eerder vooruit dan ten achter.
Geen dag ging er voorbij, dat hij me niet op een of andere wijze van dienst was. Er was b.v. een jongen, die te veel rauwe stoofperen gegeten had, en wiens maag er op een gegeven oogenblik, midden onder de les, de brui aan gaf. Dadelijk zocht mijn oog m'n altijd gewillig factotum.
„Och Piet, wil jij even meegaan, om hem eens netjes af te wasschen? En haal je dan wat zand om hier overheen te strooien? Ja, de bank wil je wel even met de spons afnemen, he? Maar daarna frisch uitspoelen, Piet!”
Kwam de perensnoeper weer binnen, en zag hij nog bleek en glazig, dreigend met recidive, dan was het:
„Zeg, Piet, je moest den hoofdonderwijzer eens gaan opzoeken. Neem Jantje maar mee, en vraag, of je hem even naar huis mag brengen.”
En dan kon ik er heel gerust op zijn, dat Jantje veilig bij zijn moeder zou belanden.
Moesten de inktpotten bijgevuld of schoongemaakt worden, tot wien kon ik mij beter wenden dan tot Piet? Met het grootste plezier bleef hij er een half uur voor na, en verrichtte het onsmakelijk baantje handig en vlug. 'k Geloof dat hij, ook zonder de reep chocolade, die 'k vond dat hij dan toch ten minste wel hebben mocht, tevreden om half vijf naar huis zou gegaan zijn.
Z'n groote onmisbaarheid bleek me echter pas, toen het kachelweer werd. Voor kachels aanmaken en -houden had hij een beslist talent. En na een paar dagen liet ik dien tak van dienst dan ook met de meeste gerustheid in zijn handen.
„Piet, kijk eens, of er niet wat bij de kachel moet.”
„Ja juffrouw, d'r mot een beetje bij. Maar de emmer is leeg. Ik zal maar een bakkie gaan halen.” En dan sjouwde hij een vollen drager cokes uit het kolenhok aan.
Een ander keer was het: „Juffrouw, hij leit leelijk. D'r mot een stukkie turref op. Zal ik maar effies naar het turfhok gaan? Wacht, 'k zal me lei meenemen, dat dee ik bij de vorige juffrouw ook altijd.”
En dan kwam hij met z'n lei volgestapeld met stukjes losse turf en een paar minuten later snorde m'n kachel weer, zonder dat ik er naar omgekeken had.
Zoo liep het halfjaar ten einde en 't werd weer „verhooging”.
In gemeenschappelijk overleg besloten 't Hoofd en ik, dat Piet dit keer maar mee over moest. 't Was wel net met de hakken over de sloot, maar je kon hem toch niet langer in de vierde laten. En misschien zou het zijn ijver en eerzucht nog wat aanwakkeren, dat hij nu „verhoogd werd”.
Den laatsten dag kwam z'n moeder me bedanken voor „het genoten onderwijs.” 't Brave mensch verbeeldde zich beslist, dat ze mij heel dankbaar moest wezen. „Ja juffrouw, Piet heeft het me zelf verteld, als u niet zoo uw best op hem gedaan hadt,....”
Met gepaste bescheidenheid hoorde ik dien lofzang aan. In m'n hart echter stelde ik ondertusschen de balans op.
Op de eene schaal kwam al het plezier, dat ik steeds van Piet had gehad: de surveillance van m'n jongens in 't speelkwartier, het „dragen” van m'n koor, zijn solozang, de boodschappen, de inktkokers, 't aanhouden van de kachel. Op de andere lag enkel 't poovere beetje wetenschap, dat ik hem had kunnen bijbrengen.
Och Piet, wat sloeg de schaal aan jouw kant toen diep door!
ELSJE.
„.... en toen ze weer wakker werden, waren ze heel verbaasd dat hun Vader en Moeder er niet meer waren. Ze sprongen overeind, om ze te gaan zoeken en ze riepen zoo hard ze konden: „Va-a-der!” en „Moe-oe-der!”, dat het door het heele bosch weergalmde. Maar antwoord kregen ze niet. Toen werden ze toch wel een beetje ongerust. Waar konden Vader en Moeder gebleven zijn? En weer riepen en schreeuwden ze, en ze keken naar alle kanten uit, of ze hen nog niet zagen aankomen. Maar—alles tevergeefs.
„Toen begon hun hartje toch wel heel hard te kloppen, want ze voelden zich zoo eenzaam in dat groote bosch. De oudsten hielden hun tranen nog in en bleven maar roepen, al beefden hun stemmetjes ook. Maar de kleintjes snikten en schreiden zoo luid ze konden, terwijl zij.....”
„O, juffrouw, ik ben zoo bang,” klinkt opeens een schril stemmetje, dwars door m'n vertelling heen.
't Is Elsje. Ze staat overeind in haar bank, de oogen wijd open van ontzetting. Voor dit gevoelige hartje zijn zooveel angst en spanning te zwaar om te dragen.
Door de klas gaat een gemompel van teleurstelling. Hé, dat flauwe kind ook weer! 't Werd nu juist zoo mooi! En ze kijken me smeekend aan, om mij te bezweren, me er toch niet aan te storen. Ze lezen de woorden van m'n lippen en de temperament-volsten roepen: „Hé juffrouw, gaat u nou verder.”
Maar eerst moet ik m'n kleine Elsje wat geruststellen.
„Je kent het verhaaltje toch,” zeg ik. „Je weet toch wel, dat ze naar Klein Duimpje gaan, en dat die er wel raad op weet. Luister nu maar stil, dan zul je hooren, dat 't goed afloopt.”
„O juffrouw, ik vind het zoo naar! Mag ik dan zoolang bij u komen staan, tot het uit is?”
Haar twee kleine handjes omklemmen de mijne, haar hoofdje duwt ze in de plooien van m'n boezelaar. Zoo, dicht tegen mij aangedrukt, voelt ze wat troost en bescherming en nu kan ze het sprookje weer verder aanhooren.
Als 't goed gaat, als Klein-Duimpje dank zij de witte steentjes zijn weg terug vindt, heft ze haar kopje weer op, ziet me vol spanning aan. En als het hutje weer bereikt is en Vader en Moeder omhelzen de verloren gewaande kinderen, dan stralen haar lieve oogen me vol vreugde tegen, maar ook vol dankbaarheid, omdat ik het zoo goed laat afloopen.
Maar voor de andere kinderen begint het nu pas. Immers, nu komt het tweede bedrijf, met de broodkruimels. „En dan kunnen ze den weg niet terugvinden. En dan verdwalen ze! En dan, dan wordt het donker!”
Voor mij ligt hier altijd het hoogtepunt van het drama. De verdere avonturen, ze zijn angstaanjagend en verschrikkelijk; het verblijf in de woning van den reus, die „kindertjes eet”, je moet er niet aan denken; als hij „menschenvleesch ruikt” en overal zoeken gaat, dan kunnen er koude rillingen over je rug loopen. Maar toch, 't zijn sprookjes-avonturen, ieder kind weet in z'n hart, dat reuzen en menscheneters niet bestaan, en dat het dus ook niet „echt gebeurd” is. Terwijl de beklemming, die van het groote, in avondschemering gehulde bosch uitgaat, het gevoel van hulpeloosheid en angst voor allerlei dreigende gevaren zoo reëel is, dat het ons volwassenen nog, den adem kan doen stokken.
Daarom weid ik bij die episode altijd wat langer uit; de donkere schaduwen, de krakende tak, de geluiden in de verte, het fladderen van den nachtuil, alles krijgt z'n beurt, totdat we ten slotte allemaal met verademing het roode lichtje tusschen de donkere stammen zien verschijnen, en met een diepe zucht de huivering van ons afschudden, de huivering, die toch zoo'n genot was.
Alleen die eene klas, waartoe Elsje hoorde, die heeft Klein Duimpje niet gehad, zooals 't behoort. Toen ik voelde, hoe die ijskoude handjes trilden, hoe het lieve kopje zich in namelooze angst tegen mij aandrukte, alsof 't bij mij bescherming zocht, toen heb ik het roode lichtje maar gauw laten verschijnen, veel te vroeg eigenlijk. En de vrouw van den reus is dat keer een allerbeminnelijkste gastvrouw geweest en de reus zelf een beetje brommerige, maar toch niets kwaadsbedoelende opa. De vreugde van de behouden thuiskomst echter, die heb ik met de el uitgemeten.
En toch was die heele water-en-melk Klein Duimpje nog veel te gepeperde kost voor m'n kleine, lieve Elsje. Want nooit zag ik gevoeliger kindje.
Ik weet nog, dat ik eens een jongen zijn griffels afnam, waarmee hij, na herhaalde waarschuwingen, toch weer zat te spelen. 'k Was zelf nog jong en streng en ik wou de straf eens terdege indrukwekkend maken. Daarom zei ik: „En nu krijg je ze ook niet terug. Ik weet nog wel heel arme kinderen, die altijd goed oppassen. Aan die zal ik ze geven.”
„O juffrouw,” kwam daar opeens het hooge stemmetje van Elsje, „geeft u ze aan arme kindertjes? Mag ik er dan ook een paar bij doen; ik kan er best wat missen.”
Met een handjevol griffels kwam ze uit haar bank gestapt, en—weg was het indrukwekkende van m'n straf. Het leek eerder een belooning nu, iets uitverkorens, dat mogen geven aan „arme kindertjes.”
Lief klein ding! Tegelijk met je mooiste griffels heb je me toen een paedagogische les gegeven, die ik nooit heb kunnen vergeten!
* * * * *
Door den invloed van de school en den omgang met de andere kinderen leerde ze zich op den duur wel wat beheerschen. Maar een overgevoelig zieltje was en bleef ze. Toch was 't geen moeilijk kind in de klas, want met een blik was ze te regeeren.
Soms kon ze wel eens opgewonden of luidruchtig zijn en moest ze zich uiten in gebabbel of gelach. Maar als ik dan zei, met een tikje verwijt in stem en blik: „Zeg Els, hoe heb ik het nu met je, vandaag? Je maakt het me zoo lastig!” dan kreeg ze een kleur als vuur en probeerde dadelijk weer kalm en oplettend te worden.
Het moederlijk gevoel was ook vroeg bij haar ontwikkeld: het liefst speelde ze met de allerkleinsten. En werd zoo'n nieuwelingetje op de speelplaats soms eens omver geloopen, dan was zij de eerste die het zag en te hulp snelde. Met de grootste zorg werd het kleintje dan opgeraapt en afgeveegd, getroeteld en getroost. En kreeg ze dan nog de vereerende opdracht, om hem onder de kraan wat af te wasschen, dan stapte zij heen met haar beschermeling aan de hand en 't was, als liep zij over rozen.
Maar o wee, als er eentje wat hard te vallen kwam, en het werd een buil, een geschaafde knie of een bloedneus! Dan had ik alle moeite, haar in 't spoor te houden. Meest redde ik den toestand met een grapje: „Kind, bewaar je tranen nog even, morgen gaat hij pas dood.” Of: „Straks komt de zieken-auto voor. Els mag meerijden op den bok, maar eerst moet ze even lachen.”
Een blikken keteltje was ze: gauw heet en gauw koud.
* * * * *