Kinderen uit m'n klas

Part 10

Chapter 103,874 wordsPublic domain

Ze regeerde de heele klas. Zoowel voor en na schooltijd als in 't speelkwartier ordonneerde ~zij~, wat er gespeeld moest worden, kortaf zonder eenig amendement te dulden; en wie er mee mochten doen, met één blik van haar pientere oogen: „jij, jij, jij.... jij niet!” En aan dat vonnis viel dan ook niet meer te tornen, zelfs niet door mij.

Voor de aardigheid heb ik 't wel eens geprobeerd.

„Zeg Mien—tegen zoo'n rondzwervend eenlingetje met haar treurig verongelijkt snoetje—waarom doe je niet met de andere kinderen mee?”

Even een groote blik: „'k Mag niet meedoen van Engelientje!”

„Kom, dat heeft ze niet zoo gemeend. Ga maar mee, dan zal ik 't nog eens voor je vragen”.

„Kinderen, Mientje zegt, dat ze niet met jullie mee mag doen. Dat 's toch een vergissing, he?”

Algemeen verlegen stilzwijgen, stomme blikken naar Engelientje. Maar die aarzelt geen oogenblik, ze zal me 't geval wel even uitleggen. „Ja, siet u, juffrau, se het soo'n lange jurk en die sliert aldoor in 't touw.”

„Nou, maar dan zal ze d'r jurk wel goed omhoog houden, nietwaar Mien?”

En meteen duw ik haar in het kringetje.

„Nau, fruit dan maar; achteran!” snauwt m'n Engeltje, terwijl haar oogen vonken schieten.

Geen vijf minuten later zwerft Mientje weer alleen; ze is er handig en netjes door haar tegenstandster uit gewerkt.

Als ik er dan weer op af ga, heet het, dat ze „falsch dee”, of dat ze „sellef nie meer wou” of doodbedaard, dat ze „af is!” Mensch, wat wil je, zoo zijn nu eenmaal de regels van 't spel.

Maar nu zet ik door: „Mientje speelt mee en daarmee uit!”

'k Heb m'n hielen nog niet gelicht, of Engelientje verklaart: „'k Doen 't niet meer!” verzamelt een stuk of wat gunstelingen om zich heen, (waaronder natuurlijk de eigenares van het touw) en laat de rest van het troepje in diepe verslagenheid achter, als schapen zonder herder.

Daar komt ze bedaard en triomfantelijk aanwandelen, ter weerszijden geflankeerd door twee trouwe trawanten. Napoleon zelf zou trotsch op zoo'n dochter geweest zijn.

Waag ik het dan nog te vragen: „Waarom springen jullie geen touwtje meer?” dan kan ik ten antwoord krijgen: „We wiere dr soo heet fan, en dan krijge me sukke natte hande en dan kenne me strakkies niet netjes schrijve!” Alles zonder blikken of blozen.—

Maar in de klas erkende ze zonder morren de onaantastbaarheid van m'n macht: ze wist wel, dat er dan niet mee te spotten viel. Zelfs was ze niet eens een onplezierige leerling: schrander, altijd vol aandacht en belangstelling en—verzot op een pluimpje! Als ik zei: „Nee maar, wat heb jij je sommen vlug af”, of „Wat heb jij keurig geschreven vandaag”, dan glom ze.

't Eenige, waar ik me met groote angstvalligheid voor moest hoeden, dat was: haar aan 't woord te laten komen. Verdiende ze een keertje ook eens straf, zat ze b.v. al een poos met haar buurvrouw te kribben en bleef m'n verbieden zonder uitwerking, dan kende ik precies m'n weg: „Annie en Engelientje, kom allebei maar hier!” Ik zette de eene links, de andere rechts van me: „Wie 't mooiste stilstaat, mag 't eerst weer naar z'n plaats”.

Nu ben ik in 't geheel geen voorstandster van lange predicaties en uitleggingen aan kinderen. Je hebt er trouwens op school geen tijd voor, maar ze zijn ook absoluut overbodig. Een kind, dat iets doet, wat niet mag, ~weet~ het. En als het er zelf op een oogenblik even geen erg op had, dan ~herinnert~ het 't zich onmiddellijk weer, zoodra je het aankijkt, of z'n naam noemt. En neem nu het uitzonderingsgeval, dat een kind werkelijk in heilige onwetendheid zondigt, dan is diezelfde blik of dat noemen van z'n naam volkomen voldoende, om het hem te doen ~begrijpen~. Heusch, kinderen zijn knap genoeg in 't maken van logische gevolgtrekkingen. Zelfs maak ik me sterk, dat zoo'n kind zonder een woord van verdere explicatie met zichzelf door-redeneert: „Zoo, mag dat niet? Waarom dan niet?” en zoo voor zichzelf ook de ~reden~ van dit nieuwe verbod vaststelt.

Dit alles neemt echter niet weg, dat je een kind voor z'n eigen gevoel van rechtvaardigheid toch graag even z'n zaak laat verdedigen: „Vertel me toch es, waarom zitten jullie zoo te kribben samen?” Maar bij Engelientje wist ik vooruit, dat ik zóó overstelpt zou worden met „en-toe-see-ik”s en „en-toe-see-sij”s, dat ik er dan maar de voorkeur aan gaf, aanklacht en verdediging over te slaan en dadelijk over te gaan tot het uitspreken van het vonnis.

Ja, dat mondje, dat mondje! Met een veertje had je 't open en nog met geen ankerketting snoerde je 't weer dicht. „Of ze niet heel voorlijk met praten was geweest?” informeerde ik daarom eens bij haar moeder, toen die me op een middag na vieren opwachtte, om te vragen „hoe ze 't op school maakte.”

Maar moeder ging er ernstig op in. „Nee, dat kon ze zich niet meer zoo precies herinneren. Wel met tanden krijgen!” Wat ik met een wijze hoofdknik verklaarde, ook best te kunnen aannemen.

Dochterlief stond intusschen ongeduldig aan moeders hand te trekken: „Nou Moe, ga nou mee!” Toen tegen 't oudere broertje, die er ook bij kwam: „En ikke mag toch lekker met Moe naar Opoe, en jij lekker niet!”

Moeder keek me eens veelbeteekenend aan en maakte haar hand los: „Ga zoolang nog maar effe spele.” Ze moest haar overkropt gemoed eens lucht geven.

„Zoo'n kleine sallemander, he! Ja, de juffrouw ziet het natuurlijk ook wel! En me drie jonges zulke lobbesse! Pietje het ook nog bij u gezete, nietwaar?—Ja, dan is een mensch niet tevreje, je zou ook zoo graag een meissie hebbe. Gunst, as ik toch nog bedenk, hoe mal of me man met dat kind was! Zoo'n sacht meissie, zee die, dat zou nou onze troost worre, voor onze ouwe dag!—Hoofdschuddend hield ze even op.—En wil u wel geloove, dat 'k al meer spul met die eene gehad heb, as met de drie groote same?”

„Misschien verandert ze nog wel, als ze wat ouder wordt”, troostte ik, tegen beter weten in.

Maar de moeder schudde mismoedig 't hoofd. „'t Zit er in geboren”, legde ze me uit. „Tege me man kan 'k dat zoo niet zegge—'t bloed kruipt toch, waar 't niet gaan kan, he?—maar ik zie d'r precies me man's moeder in. O, dat 's ook zoo'n kernalje, as u die es bijwoonde! Dr eige groote zoons zou ze nog wel op dr lui kop wille zitte—en mijn dr bij, as ik 't me maar liet doen! En nou die kleine kattekop hier—met een zijdelingsche blik naar haar luid kakelende spruit—da's krek dr lieve Opoe! En as dat dr eenmaal inzit, dan ransel je 't er niet meer uit—weet u, wat die Ka zeit, as 'k maar effe naar dr wijs? „En dan gaan ik lekker schreeuwe, dat al de buren 't kenne hoore!” Zoo'n feeks, hè? En van dr vader krijgt ze nog altijd gelijk ook, da's 't ergste.—Ze zuchtte eens.—Nooit hebben we anders een woord, daar ken u navraag na doen, maar om dat kind, zou je de oorlog in huis krijge!—Maar 'k staan u maar op te houwe, u zal dr in school ook genoeg mee te stelle hebbe....”

„Lief duifje in onze ark, uw mondje bracht den vrede”, citeerde ik bij mijzelf, terwijl ik verder ging.

* * * * *

En nu, wat ik van Engelientje geleerd heb?

Kijk, je hoeft nog maar heel kort voor de klas te staan, of je merkt al wel, dat je 't met kalmte en zelfbedwang 't verste brengt. „Nur die Ruhe kann's bringen.” Hoe vaker je je opwindt, hoe kwajer je je maakt, hoe driftiger je wordt,—hoe verder je je doel voorbijschiet. Ten eerste verstoor je den geregelden gang van de les, ten tweede plant je de onrust van je eigen ziel ook op de kinderen over. Een deel wordt bang voor die booze stem en die groote oogen van de juffrouw, een deel ook amuseert zich kostelijk als bij een vertooning van de poppenkast (daar immers is 't kijven en ruzie-maken ook altijd 't allermooiste) en de rest luistert heelemaal niet en zoekt z'n amusement maar zoolang op z'n eigen houtje. Van verbetering van den bewusten zondaar (of zondaars—hoe meer je er tegelijk „en gros” wilt bemoraliseeren, hoe kleiner de resultaten) natuurlijk geen sprake.

Zooals ik zei, dat weet je al heel gauw. Maar tusschen dat weten en het in-praktijk-brengen ligt nog een heele stap. Een mensch is maar een mensch, nietwaar? En de kinderen zijn wel eens woelig en je bent zelf wel eens moe—en 't lucht je zoo heerlijk op, eens goed uit te razen! Maar na zoo heerlijk uitgeraasd te zijn, gun ik geen een onderwijzeres een Engelientje in haar klas te hebben, dat dan in 't speelkwartier op den onzaligen inval komt, „schooltje” te willen spelen.

Ze speelde graag schooltje. En dan natuurlijk zij „de juffrouw”. (Zoodra een ander zich voor die rol opwierp, verdijde zij het, langer mee te doen). Trouwens, ze was er geknipt voor. Regeeren, bazen, 't was haar lust en leven. Hoe meer kinderen er tegenover haar op 't hekje zaten, waar ze tegen schreeuwen en kijven kon, hoe beter ze in haar element kwam. Want schreeuwen en kijven moest het worden, natuurlijk, dat vertegenwoordigde in haar oogen het baantje van „schooljuffrouw.” Wat was er voor plezier aan, de passieve rol van „juffrouw” te spelen, als de kinderen gehoorzaam aan 't leeren waren? Nee, stout moesten ze wezen, dan kon je zoo „echt” tegen ze opspelen en ze straf geven en naar hartelust plukharen!

„Kindere, nou allemaal oplette! Ik gaan somme opgeve!”—Ze komt vlak voor het rijtje staan en wijst beurtelings kind voor kind aan.—„Hoeveel is 2 en 2? 3 en 3? 4 en 4?.... Wat! weet je dat niet? Suffert! Ga maar in den hoek staan. Om twaalf uur al je somme overmake! Nou jij! 5 en 5?.... Luilak, kom maar hier, je het ook niet opgelet!”—Hardhandig wordt het slachtoffer door mekaar gerammeld. 't Heele troepje giert, heeft uitbundig plezier, het slachtoffer zelf 't allermeest.—„Wat kwaje meid, mot jij lache? Vóór je kijke! Hoor je niet, wat ik seg?”—Pats, pats, links en rechts; de kinderen bezwijken haast van 't lachen.—„Brutale meide, ik sal jullie, pas op, as ik nog één van jullie hoor, dan gaat-ie in 't hok tot fenavend an toe....”

En zoo ging het door. Als in een lachspiegel, verminkt en verwrongen, maar voor mezelf toch heel duidelijk te herkennen, hield ze me het beeld voor van m'n eigen tekortkomingen. En als iets me geleerd heeft, me voor de klas te beheerschen, dan is het zeker in de eerste plaats de vrees geweest, om toch vooral niet te lijken op Engelientje, als ze schooltje speelde!

JASSIE.

Eigenlijk heette hij Eleazar en zoo had de onderwijzeres, bij wie hij 't eerste halfjaar in de klas had gezeten, hem ook genoemd. Maar toen ik hem bij de zittenblijvers kreeg, en van dien langen plechtigen naam op de lijst voor mij naar dat kleine onooglijke kereltje keek, kon ik mij niet weerhouden, te vragen: „Hoe noemt moeder je eigenlijk?”

Hij werd rood en bleek en begon te hakkelen. Dat deed hij altijd, als hij zenuwachtig of opgewonden was, geen wonder dus nu, zoo'n eersten dag bij een nieuwe juffrouw. „Eel,... Eele... Elejaasr,” bracht hij er met veel moeite uit.

„Ja,” zei ik, „zoo heet je, dat weet ik wel. Maar noemt moeder je ook zoo, zoo heelemaal voluit?”

Ja—knikte hij stom, met 't hoofd omlaag.

„Weet je wat,” zei ik toen, „de dagen zijn tegenwoordig zoo erg kort voor zoo'n langen naam, dan zal ik maar Elie tegen je zeggen.”

Nu, daar had hij blijkbaar niets tegen. En zoo bleef het dan ook. Maar een paar dagen later hoorde ik luidkeels over de speelplaats schreeuwen: „Jassie! (eigenlijk riepen ze „Jessie”) kom dan hierau! Je mag majdoene!” En daar kwam hij aanstormen, dolblij dat hij „majdoene” mocht.

Sedert hoorde ik hem geregeld Jassie noemen door de andere kinderen. En op een morgen kwam ook z'n oudste broertje bij me: „Juffrouw, Jassie het vannacht zoo gehoest, dat Moeder hem maar thuis gehouwe het.”

'k Vond het zoo'n allerleuksten, origineelen naam en zoo geknipt voor dit eigenaardige ventje, dat ik, toen hij weer op school kwam, 't ook eens waagde, hem zoo te noemen.

Maar dat viel niet in goede aarde. Even keek hij me van opzij aan. 'k Zag z'n oogen nijdig vonken, toen deed hij net, of hij heelemaal niet begreep, dat 'k hem bedoeld had. Een paar dagen later herhaalde ik de proef—met 't zelfde resultaat. 't Was zoo klaar als de dag: Thuis en voor de kinderen op school wou hij Jassie heeten, voor de juffrouw niet.

Natuurlijk heb ik mij verder overeenkomstig z'n wensch gedragen. Maar hier, Jassie—ik kan 't heusch niet helpen en je moet er ook niet driftig om worden—hier wil ik je bij je waren naam noemen. Want Jassie heette je toch en onder dien naam ben je ook in m'n herinnering blijven voortleven.

* * * * *

Als 't waar is, wat de theosofen beweren, dat onze ziel meermalen op deze aarde wederkeert, dan had ik Jassie wel graag eens in z'n vorig leven willen bijwonen. Vast en stellig moet hij een heel voornaam personage zijn geweest, een Turksch grootvizier of een Oostersche prins of misschien wel de onbeperkte alleenheerscher over een onmetelijk rijk, in ieder geval dus iemand, die gewend was te bevelen en gehoorzaamd te worden. Want het commandeeren zat hem in 't bloed en tegenspraak kon hij niet velen. Haast onverdraaglijk was 't hem, iemand boven zich te dulden en eerbied of ontzag kende hij niet. Kon hij 't helpen, dat hij, met dien heerschersaard, geboren was als nummer zooveel in een ongelukkig gezin, waarvan de vader op een gegeven oogenblik „er vandoor was gegaan”, moeder met 't heele nest onverzorgde jongen achterlatend? Dat hij van z'n geboorte af niets dan armoede en ontbering had gekend, bleek en bloedeloos was gebleven, een min, klierachtig kereltje in gelapte havelooze kleeren, wiens voorkomen nederigheid en deemoed deed verwachten? En dat die markante tegenstelling tusschen z'n ingeboren aard en de positie waarin 't noodlot hem geplaatst had, telkens weer aanleiding gaf tot tragi-komische conflicten?

Thuis was hij haast niet te regeeren en meermalen kwam z'n moeder, een mager afgebeuld sloofje, me haar nood klagen. „'t Is een baasspeler, juffrouw; als de groote jongens niet naar z'n pijpen dansen, dan maakt hij spektakel; nou, u begrijpt, dan lachen ze 'm in z'n gezicht uit en dan zou hij ze kunnen vermoorden! 'k Hou soms me hart vast, want zoo'n kind zou z'n eige in z'n drift nog een ongeluk aandoen, nietwaar? En dan soebat en smeek ik de andere jongens maar om 'm een beetje z'n zin te geven. Maar 't is wel es een heele toer, om den vrede met 'm te bewaren, dat kan ik u verzekeren.”

De school met z'n kille, starre tucht en orde, met z'n eeuwenoud prestige, dat al zooveel ontembare, drukke kinderen gebiologeerd heeft, zooals de gapende muil van de slang het 't vogeltje of 't konijntje doet,—die school imponeerde ook kleine Jassie ondanks hemzelf en daaraan had ik 't ongetwijfeld te danken, dat hij nog zoo ten naastebij deed, wat ik zei. Soms had hij zelfs een overdreven ijver in 't gehoorzamen. Als ik ze dan b.v. aan de sommen liet beginnen, dan trok hij met een vaart z'n lei uit z'n kastje en keek gebiedend om zich heen, alsof hij zeggen wou: „Vooruit, slaven, wie is er nog niet aan den arbeid? Ik, de rechterhand en vertrouwde raadsman van ons aller vorstin en gebiedster verwaardig mij nog wel, eigenhandig aan jullie werk deel te nemen. Laat ieder zich dus beijveren, mijn voorbeeld te volgen!”

Maar al te vast moest ik niet bouwen op die gehoorzaamheid, vooral niet, als 't meneer eens een dag niet zinde. En vaak genoeg heb ik al m'n beleid noodig gehad, om mezelf een eervollen terugtocht te verschaffen.

Zoo gingen z'n broertjes en hij alle dagen even voor twaalven uit school, want het lokaal, waar ze ritueel bereid middageten kregen, was een minuut of tien bij ons vandaan. Een van de broertjes kwam dan aan de deur kloppen en dan mocht Jassie mee. Maar op een dag, dat hij eens heel dwars en ongezeglijk was geweest, had ik de onvoorzichtigheid om te zeggen: „Hoor eens, als je nu niet beter oppast, dan zeg ik straks aan je broertje, dat je nog niet mee mag gaan.”

Er kwam een groen licht in z'n oogen; toen hakkelde hij, dol van drift: „Dan k.kom ik te laat en dan k.krijg ik n.niks meer.”

„Doe dan nog maar goed je best,” zei ik kalmeerend, „dan hoeft het niet.”

Maar hij was door 't idee alleen zóó overstuur, dat hij nu heelemaal niet meer opletten kon. En af en toe hoorde ik hem de vreeselijkste bedreigingen mompelen: hij zou me wel dit en hij zou me wel dat en ik moest het maar eens probeeren, hem ~niet~ naar de eetzaal te laten gaan.

Toen eindelijk 't broertje aanklopte, zat hij me aan te kijken in zoo'n hevige spanning, dat ik de wijste partij koos en zei: „Nu, je hebt het gelukkig nog verdiend, ga maar gauw.” Waarop hij snel naar de deur liep met een gezicht van „'t was je anders ook geraje geweest.”

Maar niet altijd was 't me mogelijk, conflicten met m'n kleinen grootvizier te vermijden, en dan had ik soms m'n handen vol met hem. Maar was de scène eenmaal achter den rug, dan bleef hij ook sans rancune en waren we weer beste maatjes. Dan kon hij me b.v. zoo'n zelfden middag na vieren voor de school opwachten: „'k gaan een endje met u mee.” En dan slofte hij op z'n groote afgetrapte schoenen (afleggertjes van z'n moeder) gemoedelijk naast je voort. 't Is wel eens gebeurd, dat ik bij den hoek van de straat gekomen, tegen hem zei: „Ziezoo, ga nu maar gauw naar je moeder, maar pas op voor de trams.” Daar moet nu niemand iets onvriendelijks van denken, maar die straat kwam uit op een van onze groote pleinen en Jassie met z'n verfomfaaide, rafelige pruik ongekamd haar, z'n altijd druipend neusje, z'n havelooze kleedij en veel te groote schoenen, waarvan de leege punten als van een schaats omhoog staken, Jassie was heusch een cavelier, waarmee je bekijks had bij 't oversteken van een druk plein. Maar hij liet zich niet afpoeieren, keek me eens beschermend aan en zei dan: „ik bring u eerst nog een endje.” En ik had niet het hart, er iets verder van te zeggen, want dan zou ik hem doodelijk beleedigd hebben.

Dom was hij lang niet, en ik heb nooit begrepen, waarom m'n collega hem had laten zitten-blijven. Z'n werk was wel altijd slordig, maar wie kan van een kind dat altijd slordigheid en onzindelijkheid vóór zich gezien heeft, dat nog nooit van z'n leven goed-schoone handen en heldere passende kleeren gehad heeft, verwachten, dat het onberispelijk werk zal afleveren? Ook was het lezen een struikelblok, z'n stotteren werd natuurlijk nog eens zoo erg, als hij z'n eigen stem zoo alleen over de klas hoorde. Maar voor de rest kon hij best mee en sommen maken deed hij zelfs graag en goed. Als hij maar niet zoo'n ongelukkige driftige bui had, was hij heusch geen naar kind in de klas, want hij was levendig en altijd vol belangstelling. Ook had hij beslist een hartelijken aard en zelf ook veel behoefte aan hartelijkheid. 't Was soms zelfs aandoenlijk om te zien, hoe hij aansluiting zocht bij de andere jongens, die hem meden om z'n buitenissigheid en z'n onredelijke driftbuien. 't Meest speelde hij ook met een paar van de suffigsten, waar hij naar hartelust baas over speelde. Maar mocht hij eens een keertje met de groote troep meedoen, dan straalde hij van plezier—tot plotseling een werkelijke of vermeende grief hem in woede deed losbarsten. En dan had je 't lieve leven gaande.

't Beetje ontzag, dat de school hem nog inboezemde, raakte bij zoo'n echte driftbui ook in de verdrukking. Autoriteit bestond dan eenvoudig niet meer voor hem. Zoo herinner ik me, dat hij eens rood en bleek, huilend van drift, stond te stampvoeten naast z'n bank, toen ik opeens in 't lokaal naast het onze het Hoofd gewaar werd.

„Jongen!” riep ik, hopend hem te intimideeren, „hou je toch stil! Als de bovenmeester je hoort, komt hij je nog halen en dan stopt hij je misschien wel in 't kolenhok!”

„De b.bofemeester!” smaalde hij en toen opeens, woest: „de b.baufemeester k.kàn me!”

Nog sterker was 't een anderen keer, met de prijsuitdeeling. Dat is altijd een heel evenement voor de kinderen en 't lid van de schoolcommissie, dat die kostbare geschenken van zes of zeven stuivers—de kleintjes krijgen zelfs een lor van zes heele centen—komt uitreiken, wordt aangestaard als een wezen van hooger orde. Toen dan ook bij zoo'n gelegenheid Jassie weer eens extra woelig en onrustig was, waagde ik m'n hoogste troef: „Denk er om, de dame van de prijsuitdeeling kan ieder oogenblik binnenkomen.” Maar m'n jeugdige khalif van drie turven hoog, verklaarde onomwonden, dat hij „m.maling had aan dat pr.praasewaaf!”

Vaak heb ik het kind met zorg er op aangekeken en bij mezelf gedacht: „Stumper, wat moet er van jou terecht komen? Hoe zul jij je ooit door 't leven slaan?” Dan probeerde ik mezelf wijs te maken, dat hij zich nog wel zou leeren beheerschen en zich aanpassen zou aan de wetten der maatschappij. Maar in m'n hart zag ik z'n leven steeds weer eindigen met de gevangenis of de eene of andere inrichting voor zenuwlijders.

Intusschen, de Voorzienigheid had 't beter met hem voor, wist een wijze oplossing voor het raadsel.

't Was wel vreeselijk snel in zijn werk gegaan en daarom schrok ik wel heel erg, toen een van de broertjes 't mij 's morgens voor schooltijd kwam vertellen. Keelontsteking was 't geweest. Pas drie dagen was z'n plaatsje leeg; z'n griffels lagen nog in z'n laatje, op z'n lei stonden de laatste sommen nog.

'k Heb uit de stapels schriftjes al de zijne bijeengezocht en ze meegegeven voor z'n moeder. Hij had er vaak zoo bloedig z'n best op gedaan, 't leek me een roerende gedachtenis aan z'n heldhaftig streven met zoo gering resultaat!

Kleine Jassie, ik beklaag je niet. 't Leven is voor geen van ons allen gemakkelijk, maar voor jou had 't onvermijdelijk slechts ramp en teleurstelling gebracht.

En misschien—misschien hebben de theosofen gelijk. In een volgend leven wil ik mij je zoo graag voorstellen als een gezond, krachtig kind uit een beter milieu, waar je karakter zich in de goede richting kan ontplooien. Dan zou je met je goed verstand, je warm hart, je sterken wil en je zucht tot heerschen een groot man kunnen worden, misschien zelfs een van de o, zoo weinigen, die de Menschheid een klein stapje verder voeren op haar moeizamen weg naar het verre Geluk.