Part 9
Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
Seksagadagee, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort „grouse”.
Skooktum, skoek’-tum, de forel.
Tookhees, tok’-ies, de boschmuis.
Umquenawis, um-kwie-na’-wiz, de eland.
Unk-Wunk, unk’-wunk, het stekelvarken.
Upweekis, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx.
Whitooweek, wit’-oe-wiek, de houtsnip.
AANTEEKENINGEN
[1] Zie blz. 158, onder Mitches. In Long’s boeken is steeds sprake van den boschvogel, niet van onzen patrijs der vlakte.
[2] I Kon. 21 : 4.
[3] Een soort Centrarchidae.
[4] Job 39 : 12.
[5] Felis Concolor.
[6] Canadeesche gaai; Perisoreus Canadensis.
[7] Een der Noordamerikaansche Staten.
[8] Een vischje, dat een en al stekels is en gromt bij ’t aanpakken.
[9] Mannen, die er in Amerika een beroep van maken, dieren in vallen en strikken te vangen, om hun pelzen te verkoopen.