Part 9
~Altoos~ en ~altijd~ zeggen dit zoowel van het verledene als van het toekomende: _Hij is ~altijd~ een braaf man geweest en zal het ~altoos~ blijven._ Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt ~altoos~ meer het begrip van herhaling, en ~altijd~ dat van voortduring aan te duiden. _Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt ~altoos~ weer terug. Ik zal u ~altijd~ dankbaar blijven._ Bovendien begint _altoos_ meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.
Evenals ~altijd~ ziet ook ~steeds~ op een onafgebroken voortduring zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door ~altijd~ vervangen wordt, is het toch iets sterker dan ~altijd~. Het is n.l. met de bijwoordelijke _s_ afgeleid van 't oude bijv. nw. _stede_ (verwant met _stad_), dat ~vast~, ~bestendig~ beteekende. Vandaar geeft ~steeds~ een onafgebroken voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid, duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in _goeden_ zin gebezigd. _Hij was mij ~steeds~ getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~ ontrouw_). Dit is dus iets sterker dan: _Hij was mij ~altijd~ getrouw_, daar _steeds_ de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.
~Immer~ ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: _Ik zal u ~immer~ getrouw blijven._
~Gedurig~ duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en is dan minder sterk dan altoos. _Hij komt ~gedurig~ hier._
Wij zien dus, dat met uitzondering van ~gedurig~ in zijn tegenwoordige beteekenis het woord ~altijd~ in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk daaraan bij de volgende zinnen.
* * * * *
Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het -- weer.
Ik zal mijn woord -- gestand doen.
Ik vind het vervelend, dat hij mij -- lastig komt vallen.
In dien storm heb ik -- aan u gedacht.
Men moet -- zijn plicht doen.
Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij -- eens opzoeken.
Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch -- aan u denken.
Als ik hem iets vraag, geeft hij mij -- een norsch antwoord.
Hij vatte -- weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.
Ik heb het -- wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.
De koning was -- door een drom laaghartige vleiers omringd.
136. Intrekken--afschaffen--herroepen.
_Een bestaande verordening of gewoonte te niet doen._
Geschiedt de tenietdoening door een bepaald persoon of door de overheid, dan gebruikt men ~intrekken~ of ~herroepen~, terwijl ~afschaffen~ aanduidt, dat vooral de veranderde tijdsomstandigheden veel invloed op het te niet doen uitoefenen. Men gebruikt daarom ~afschaffen~ vooral van gebruiken, gewoonten of instellingen, die verouderd zijn. _De Oudhollandsche kermis wordt meer en meer ~afgeschaft~._ Daarentegen gebruikt men ~intrekken~ en ~herroepen~ van wetten, besluiten, woorden, enz., waarbij een bepaalde persoon betrokken is. ~Herroepen~ onderstelt vaak (niet altijd) een dwang van anderen, terwijl ~intrekken~ meer een handeling uit eigen beweging aanduidt; bovendien wordt intrekken steeds gebezigd van voorstellen, die nog niet tot wet verheven zijn. ~Herroepen~ wijst er op, dat iets vroeger is uitgeroepen, luide verkondigd, wat ~intrekken~ niet onderstelt. _Hij moest zijn lasterlijke beschuldiging openlijk ~herroepen~. Bij de troonsbestijging van Karel II werd de Acte van Seclusie ~ingetrokken~._ (Zij was vroeger in 't geheim uitgevaardigd, niet openlijk afgekondigd.)
* * * * *
Na de bevrijding van de Fransche overheersching werd de censuur weer --.
Men wilde hem dwingen zijn leerstellingen te --.
De voorgestelde wet op het lager onderwijs zal worden --.
Het zoogenaamde »plukgeld" (opcenten bij verpachtingen) is reeds in vele streken --.
Uit eigen beweging heeft hij zijn lasterlijke woorden --.
Door den graaf werden bij de aanvaarding van zijn regeering verscheidene privilegies --.
Men dwong den lasteraar openlijk zijn beschuldiging te --.
Na de -- van het Edict van Nantes kwamen zich hier vele vluchtelingen vestigen.
Bij de komst der Franschen werd de pijnbank --.
De hinderlijke bepalingen op het wielrijden werden --.
137. Achteloos--onachtzaam--onoplettend--slordig.
_De noodige zorg missende._
~Achteloos~ en ~onachtzaam~ geven aan, dat men op zijn zaken of plichten niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een _fout_, terwijl achteloos op een gewoonte, een _gebrek_ wijst. _Uit ~onachtzaamheid~ stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo ~achteloos~ als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten._
~Onoplettend~ is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet; hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over heen. _Als hij zoo ~onoplettend~ werkt, zal hij zich voortdurend vergissen._
Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem ~slordig~; het is nog sterker dan achteloos. _Deze ontvanger is een ~slordig~ administrateur: zijn boeken zijn nooit in orde._
* * * * *
Als gij zoo -- met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn.
De cipier was zoo --, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen.
Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd; hij is er -- genoeg voor.
Uit zijn -- kleeding blijkt voldoende, dat hij -- van aard is.
Hij heeft zoo -- toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte.
Waarom zijt gij zoo -- geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt gesloten?
138. Afgunst--wangunst--nijd--naijver.
_Leedgevoel over het geluk van anderen._
~Naijver~ drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers heeft, die men voorbij wil streven. _In zijn ~naijver~ op den bijval, dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een gevaarlijken sprong in den circus verleiden._
~Afgunst~ duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of ontvangt, terwijl ~wangunst~ bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.
~Nijd~ is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk: brood~nijd~!)
_Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor de ~afgunst~ der overige hovelingen opwekte._ Sterker zou in dezen zin _nijd_ zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen. _Wangunst_ zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats wilden komen.
* * * * *
De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie pop gekregen had; uit -- greep hij de pop af en wierp ze in het water.
Uit -- over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de winkelier hem van vervalsching der waren betichten.
Uit -- sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens klanten afhandig te maken.
De onderlinge --, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid.
139. Laken--berispen--gispen--vitten--bedillen.
_Een afkeurend oordeel vellen._
~Laken~ zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. _Zijn onbetamelijk gedrag werd door ieder ~gelaakt~._
~Berispen~ heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. _De onderwijzer ~berispte~ den leerling over het slordige werk._
~Gispen~ (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. _Het opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem ~gegispt~._ (Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)
~Bedillen~ wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. _Zijn afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen bekend als iemand, die iedereen wil ~bedillen~._
Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van ~vitten~. _Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan ~vitten~: hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt._
* * * * *
Het valt zonder twijfel in hem te --, dat hij zijn ouders niet beter ondersteunt.
De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door zijn patroon ernstig --.
Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen -- en heeft op alles wat te --.
In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur ernstig --.
De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft hem eerst openlijk --.
Als gij zoo gaat --, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft.
140. Bedaard--rustig--bezadigd--kalm.
_De toestand, waarin de hartstochten geen heerschappij voeren._
~Rustig~ is hij, die weinig beweging maakt, die niet opgewonden is, die zoowel innerlijk als uiterlijk rust geniet; hij acht zich geheel veilig en leeft in dat bewustzijn stil voort. _Een ~rustige~ slaap; een ~rustig~ leven._
Wie ~bezadigd~ is, windt zich niet spoedig op; de omstandigheden hebben weinig invloed op zijn gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de zaken na te denken en laat zich niet door zijn hartstocht verblinden. _Hij heeft in een ~bezadigd~ artikel zijn meeningen uiteengezet, zoodat zelfs zijn tegenpartij het met waardeering bespreekt._
~Kalm~ doet denken aan het water, dat niet door storm opgezweept of bewogen wordt. Het duidt een rustige gemoedsgesteldheid aan als gevolg van het zwijgen der hartstochten, zoodat alle heftigheid verre blijft. _Hij ontsliep zacht en ~kalm~_ (d.i. zonder heftigheid van den doodstrijd). _Hij dacht ~kalm~ na, over hetgeen hem na die ramp te doen stond._
~Bedaard~ is hij, die evenals de natuur na een storm of onweer tot rust gekomen is, bij wien de hartstochten hebben uitgewoed; alle heftigheid is voorbij, zijn uiterlijk en zijn doen teekenen rust. _In een vloed van scheldwoorden gaf hij zijn gemoed lucht; daarna wandelde hij ~bedaard~ verder. Mijn oom is nu een ~bedaard~ mensch, maar vroeger was hij altijd druk en opgewonden._--Soms wijst ~bedaard~ niet op een voorafgaande heftigheid, doch drukt men er mee uit, dat iemand op bewonderenswaardige wijze zijn hartstochten weet te bedwingen. _Hij hield zich ~bedaard~, hoezeer het in hem kookte._ (~Kalm~ is hier niet op zijn plaats; de hartstocht der woede immers beroerde wel degelijk zijn gemoed; kalm was hij dus niet, maar wel bleef hij ~bedaard~.)
Wat is nu het verschil tusschen deze zinnen: »_~Kalm~ hoorde hij de beleediging aan_" en »_~Bedaard~ hoorde hij de beleediging aan_"?
* * * * *
De zieke genoot een -- slaap.
Ik heb hem als een -- man leeren kennen, hoezeer men hem als een vurig ijveraar had afgeschilderd.
In die -- omgeving zal hij wel spoedig -- worden.
Als gij u -- houdt, wil ik u alles mededeelen, wat hij heeft gezegd.
In den politieken strijd laat men zich licht opwinden, en toch is het noodig, dat men -- blijft om -- over zijn tegenpartij te kunnen oordeelen.
Zijn hoonende woorden griefden mij zóó, dat het mij moeite kostte -- te blijven.
Gij moet een -- en -- leven leiden, of uw kwaal zal spoedig verergeren.
Toen de leeuw zijn vervolgers bemerkt had, liet hij een doordringend gebrul hooren; daarna wachtte hij -- hun nadering af.
141. Barst--scheur--spleet--kloof.
_De verbreking van den onderlingen samenhang._
~Barst~ duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. _Een ~barst~ in een glas._
Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen getrokken, dan ontstaat een opening, een ~scheur~: _een ~scheur~ in een jas; een ~scheur~ in het ijs_.
Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending dan scheuren, dan spreekt men van ~spleet~; een spleet is dus grooter, wijder dan een scheur. _Een diepe ~spleet~ in de rots._
~Kloof~ geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: _een breede rots~kloof~_.
~Scheur~ zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een ~scheur~ in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; ~kloof~ en ~spleet~ alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl ~barst~ gebruikt wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van papier, linnen, enz.
* * * * *
Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een -- is.
Het ijs toonde wel eenige --, maar het was toch wel te berijden.
De -- in het ijs zal men van nacht moeten volgieten.
De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke --.
De berg zat vol overlangsche --.
De vluchteling verschool zich in een diepe --.
De muur van dit huis vertoont bedenkelijke --.
Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een -- heeft.
142. Ambacht--beroep--bedrijf--handwerk--nering.
_Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden._
~Beroep~ is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer hebben dus een beroep. (Zie ook 143.)
~Ambacht~, ~bedrijf~ en ~handwerk~ duiden meer lichamelijken arbeid aan. Bij ~handwerk~ denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen, klompenmaken, nettenbreien.--~Ambacht~ onderstelt, dat men een zekere bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.--Een ~bedrijf~ onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het boerenbedrijf.
~Nering~ ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals bijv. bij kruideniers.
Soms heeft ~beroep~ ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.; bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning, die wij hierboven een beroep noemden, een ~ambt~ geheeten. (Zie no. 143.)
* * * * *
Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een fabrikant van diamanten.
143. Ambt--waardigheid--bediening--post.
_Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is aangesteld._
~Ambt~ onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht toe benoemd.--~Bediening~, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.--Bij het woord ~waardigheid~ denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin bekleeden een waardigheid.--~Post~ ziet meer op een betrekking, waarbij het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk met ambt genomen: _Hij bekleedde jarenlang een eervollen ~post~._ Soms stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: _Een vette ~post~._
* * * * *
Een griffier bekleedt een --.
De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een --.
De Rijksontvanger bekleedt een -- of --.
De predikant neemt een -- waar of bekleedt een --.
De familie-regenten schonken alle voordeelige -- aan hun verwanten. (Waarom hier niet waardigheid of ambt?)
De notaris werd uit zijn -- ontzet.
Aan den Prins werden alle -- zijner voorvaderen erfelijk opgedragen.
144. Wachten--verwachten--afwachten--verbeiden.
_Op dezelfde plaats of in denzelfden toestand blijven, totdat iets gebeurt._
~Wachten~ geeft dat blijven op dezelfde plaats zonder nadere aanduiding aan. _Ik ~wachtte~ voor het hek, tot de trein voorbij was._
~Verwachten~ onderstelt, dat men met zekere belangstelling (verlangen, vrees) uitziet, naar hetgeen gebeuren zal en dat men daarop min of meer stellig rekent. _Ik ~verwacht~ ieder oogenblik mijn vader. Ik ~verwacht~ een ongeluk._
~Verbeiden~ drukt hetzelfde uit, maar geeft tevens nog aan, dat men met innig verlangen de gebeurtenis tegemoet ziet; het behoort alleen tot den deftigen stijl. _De ~langverbeide~ dag was eindelijk gekomen._ (Waarom kan men dus niet zeggen: De langverbeide _ramp_ was eindelijk gekomen?)
Bij ~afwachten~ denkt men aan wachten, tot iets komt of iets gebeurt en wel met eenige zekerheid. Wanneer men een bezoek _afwacht_, wacht men zonder iets anders te doen, totdat de bezoekers komen, om op dat oogenblik gereed te zijn en hen naar behooren te ontvangen. _Verwacht_ men bezoek, dan ziet men gedurig (met belangstelling) eens uit, of de gasten komen, terwijl men op hun bezoek rekent, door zich bijv. behoorlijk te kleeden, maar men blijft niet (zooals bij afwachten) op hen zitten wachten, daar men niet volkomen zeker van hun komst is.--~Afwachten~ wijst, figuurlijk gebruikt, op een geduldig wachten tot het einde toe, terwijl ~verwachten~ meer op het vooruitzien zelf slaat. _Gij moet altijd kalm den uitslag ~afwachten~: dikwijls is hij gunstiger, dan gij hadt durven ~verwachten~._
Ook heeft ~afwachten~ soms de beteekenis van _zich laten welgevallen_ of _verdragen_: _Uw bevelen verkies ik niet ~af te wachten~._
* * * * *
Laten wij hier zoolang --, tot de bui overgetrokken is.
Laten wij hier de bui --, wij blijven er droog.
Hoelang hebt gij op mij --?
O zaal'ge stond, zoo lang --!
De stoutmoedige jager waagde het, de nadering van den leeuw kalm --.
Ik had --, dat hij boos op mij zou zijn.
Heel het volk -- de ure, die de verlossing brengen zou.
Eens voor al gezegd: ik wil geen complimenten --.
Gij kunt gerust komen, ik zal uw bezoek gaarne --.
Toen ik daar op den trein stond te --, om de komst van den vorst --, had ik niet --, dat uw broer er ook zijn zou.
145. Afkeeren--afleiden--afwenden--aftrekken.
_Van richting doen veranderen._
~Afkeeren~ onderstelt, dat de richting veranderd wordt, doordat men het naderende voorwerp weet te doen _keeren_, d.i. draaien in tegengestelde richting. Ook _wenden_ beteekent wel keeren of draaien, maar meer in een zijdelingsche richting. _Een gevaar ~afkeeren~_ wil dus zeggen: maken, dat het zich weer in tegengestelde richting van ons verwijdert, of dat het teruggaat; _het gevaar ~afwenden~_ beteekent: het gevaar een andere, zijdelingsche richting geven, zoodat het niet ons, maar mogelijk wel een ander treft. ~Afkeeren~, dat dus een rechtstreeksch optreden, een afdoenden maatregel onderstelt, is derhalve sterker dan ~afwenden~; hierbij toch blijft feitelijk het gevaar bestaan.
~Afleiden~ is ook wel een andere richting aan iets geven, doch wijst een langzame, bijna ongemerkte richting aan; de beweging blijft wel bestaan, doch men leidt ze, zooals men ze verlangt. _Toen zij in haar onderhoud die onaangename zaak dreigde aan te roeren, wist hij behendig het gesprek daarvan ~af te leiden~._
~Aftrekken~ is sterker dan afleiden; het wijst niet alleen aan, dat de richting geheel wordt verlaten, maar ook, dat dit met meer of minder kracht geschiedt. (Denk aan _trekken_!) _Hij heeft zich van de wereld ~afgetrokken~, om zich aan godsdienstige overpeinzingen te wijden._
* * * * *
Het gevaar voor een vijandelijken inval werd --, doordat de regeering de grenzen geducht liet versterken.
Het gevaar, dat ons huis door de vlammen zou worden aangetast, werd --, doordat de wind draaide.
Mijn aandacht werd door dit tooneel zoo --, dat ik niet meer op mijn gezelschap lette.
Om verdere overstrooming te voorkomen, zal men een een gedeelte van het rivierwater --.
Gij moet trachten zijn treurige gedachten wat --.
Na zooveel ondankbaarheid van zijn gunsteling te hebben ondervonden, heeft de vorst zich geheel van hem --.
Het voetvolk -- den aanval der ruiterij af, doch hiermee was alle gevaar voor het leger niet --.
146. Afschrijven--naschrijven--overschrijven--uitschrijven.
_Een afschrift maken of copiëeren._
Bij ~afschrijven~ denkt men aan het maken van afschriften van belangrijke geschreven of gedrukte stukken; ~naschrijven~ wijst aan, dat gedeelten van geschreven of gedrukte werken door een auteur worden overgenomen, om ze als eigen werk uit te geven (plagiaat); ~overschrijven~ gebruikt men voor het in het net schrijven van hetgeen men reeds in klad heeft gemaakt, of niet netjes genoeg heeft geschreven. ~Uitschrijven~ ziet op het overnemen van belangrijke gedeelten uit een boek of handschrift, om er later zoo noodig gebruik van te maken. (In de schoolwereld gebruikt men vaak het woord, als een leerling een gedeelte uit een boek moet copiëeren, hetzij tot straf, hetzij om zuiver te leeren schrijven.)
* * * * *
De kantoorklerk moest de koopakte tweemaal --, daar elk der beide partijen een copie wilde hebben.
Men beschuldigt dezen auteur, dat hij wel het derde deel van zijn boek heeft --.
Ik vind deze studie van prof. Fruin zoo belangrijk, dat ik er een groot deel van heb --.
Deze jongen had zijn werk zoo slordig gemaakt, dat hij het moest --.
Je zoudt me een groot pleizier doen, als je dit oude handvest (privilegie) voor mij woordelijk in Latijnsche letters wilde --; ik kan het Gotisch schrift moeilijk lezen.
De leerling had de regels voor de vervoeging zoo slecht geleerd, dat hij ze tienmaal moest --.
147. Aantreffen--ontmoeten--tegenkomen--vinden.
_De aanwezigheid van iets of iemand opmerken._