Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.

Part 8

Chapter 83,454 wordsPublic domain

~Dwalen~ duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid (vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te vinden. _Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg vergeten en heb langen tijd ~gedwaald~._

~Dolen~ wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan ~dwalen~. _Wacht u voor een ~dolenden~ gids._

~Zwerven~ wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat men geen vaste woonstede heeft. Een _zwervende_ volksstam. _Door de bosschen te ~zwerven~ is een genot._ (In dezen zin gebruikt men ook wel _dwalen_, maar dit is minder juist; immers bij _dwalen_ denkt men aan den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in _zwerven_ niet ligt opgesloten.) Verklaar nu:

Een donkre den bekroont den heuvelspits, Een trotsche boom en de eenige in den omtrek. Gelijk een vinger, wenkend wie daar _doolt_, Wijst hij den weg den _afgedwaalden zwerver_. (Hélène Swarth.)

* * * * *

Als de herder --, -- de schapen.

Een marskramer leidt een -- leven.

Don Quichot wilde evenals de -- ridder op avonturen uitgaan.

Ik geloof, dat gij op den -- weg zijt vervallen.

In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden --hof.

De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn --.

De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op de Gooische heide aan het --, zoodat de aanslag mislukte.

Ik geloof, dat gij hierin --; een ander heeft, naar ik meen, het weefgetouw uitgevonden.

122. Gemeen--laag--ruw--plat.

_Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst._

~Gemeen~ is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer gewoons of alledaagsch (een ~gemeen~ soldaat); langzamerhand heeft het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l. schurkachtig, eerloos, liederlijk. _Een ~gemeene~ kerel is tot allerlei schandelijke daden in staat._

~Laag~ is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen van eer in strijd is. Een _lage_ daad is het bijv. een vriend een geheim te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.

~Plat~ wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. _Het is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei ~platte~ uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven._ (Die uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een _gemeene_ uitdrukking daarentegen is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij _kwetst_ ons gevoel.

~Ruw~ gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos, die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven toe met den uitroep: »Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!" De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of gemeen: zij was alleen _ruw_. Gemeen of laag zouden die woorden geweest zijn, als de _rijke_ ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten aandoen.

* * * * *

Wie zijn besten vriend verraadt, handelt --.

Menig dronkaard slaat niet zelden -- taal uit.

Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook --, zij geven niet zelden blijk van echten volkshumor.

Justus van Maurik teekende meermalen een -- zeebonk, die toch ons hart weet te stelen.

Doodgaan van een mensch gezegd is --.

Een -- Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.

123. Neigen--hellen--overhellen--overhangen.

_Een schuinen stand hebben._

~Hellen~ wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten stand bestaat. _Deze muur ~helt~ naar links._

~Overhellen~ drukt het begrip iets sterker uit. _De toren begint bedenkelijk ~over te hellen~._

~Overhangen~ is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een andere plaats bevindt. _De ~overhangende~ takken zullen wij laten kappen._

Alleen ~overhellen~ wordt figuurlijk gebruikt. _In den slag bij Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de overwinning naar Maurits' zijde begon ~over te hellen~._ (Men denkt hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het beeld verder uit!)

~Neigen~ beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of buigen, en komt vooral overgankelijk voor. _De bloemen ~neigden~ haar hoofd. »~Neig~, o God, Uw gunstige ooren!"_ (De Hoogere buigt zich tot den lagere.)

* * * * *

Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een -- tak vast.

De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel --.

De berg -- zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te beklimmen is.

De dag -- ten einde.

Vroeger -- ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere gedachten gekomen.

In enkele straten -- de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te vallen.

Reeds vroeg -- zijn hart zich tot het kwade.

Kent gij de wetten van het -- vlak?

Zijn heerschappij -- ten ondergang.

124. Durven--wagen--zich verstouten--zich vermeten.

_Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen._

~Wagen~ onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. _De vluchteling stond eensklaps voor een breeden afgrond; toch ~waagde~ hij den sprong om zijn vervolgers te ontkomen._

~Durven~ wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te willen nemen. _Niettegenstaande het _»verboden toegang"_ ~durfde~ hij toch in het bosch te wandelen. Niemand ~durfde~ zich in het brandende huis te ~wagen~._ (Verklaar beide woorden: durven en wagen!)

~Zich verstouten~ wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. _Eerst ~durfde~ ik niet over de zaak te spreken, maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht._

Gaat het ~zich verstouten~ gepaard met overschatting van zijn kracht, zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men van ~zich vermeten~; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige bijbeteekenis. _Een vorst, die ~zich vermeet~, de rechten des volks met voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon._

* * * * *

Wie niet --, die niet wint.

Ik -- het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft.

Een oogenblik weifelde hij; toen echter -- hij zich eensklaps en -- den gevaarlijken sprong.

Hoe hij zich heeft -- --, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon niemand zich begrijpen.

Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming -- ik niet mee te doen.

Ik -- het, uw hulp in te roepen.

Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot hij zich eensklaps -- hen een gevoelige afstraffing toe te dienen.

Wie zou zich --, Gods wegen te willen doorgronden?

»Goed zoo, ge--! om een buil niet geven, -- maar het harte, dan volgt ook de voet!" (De Schaatsenrijder.)

125. Doorgaans--gewoonlijk--meestal.

_Wat bijna zonder uitzondering gebeurt._

~Doorgaans~ zegt, dat iets in de meeste gevallen plaats heeft, dus zonder veel uitzonderingen. _Wij logeeren ~doorgaans~ iederen zomer in Baarn._

~Gewoonlijk~ is sterker; het wijst op een gewoonte, een regelmaat, waarop zoo goed als geen uitzonderingen bestaan. _~Gewoonlijk~ ben ik 's avonds tusschen 7 en 8 het best te spreken._

~Meestal~ is het zwakst; het onderstelt wel een regel, maar voegt de gedachte er bij, dat er nog wel eens uitzonderingen voorkomen. _Hij komt ~meestal~ te laat op school._ (~Gewoonlijk~ is sterker!)

* * * * *

_Beproef, of in onderstaande zinnen meer dan één woord kan worden ingevuld en geef in zulke gevallen telkens de gewijzigde beteekenis op._

De menschen stellen -- hun eigen belang boven dat van anderen.

De vreemdelingen bezoeken -- de prachtige ruïne op den berg.

In de zomervacantie hebben wij -- elken dag regen gehad.

Na een vermoeiende reis heeft mijn zuster -- hoofdpijn.

Op een natten zomer volgt -- een mooi najaar.

Men vindt -- bij de hoogste standen het minste levensgeluk.

Bij een westenwind komt er -- regen.

Deze polders werden in den winter -- overstroomd.

De wereld wil -- bedrogen zijn.

»De ouderdom komt met gebreken, En wie zeven kruisjes telt, Weet er -- van te spreken."

126. Volledig--volkomen--volmaakt.

_Waaraan niets ontbreekt._

~Volledig~ wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat, aanwezig zijn. Een _volledige_ jaargang van »Eigen Haard". Niets is dus weg of achtergehouden.

~Volkomen~ beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en wel aanwezig zijn. Een _volkomen_ vierkant.

~Volmaakt~ is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen is _volmaakt_. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven, zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het volmaakte zeer nabij komt. Een _volmaakte_ gezondheid. Hieruit is het te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt worden: Een _volkomen_ gezondheid.

* * * * *

Dit verhaal schijnt mij niet -- toe.

Dit verhaal verdient geen -- geloof.

Hij was de -- ridder, dien men kende.

Ik heb een -- verzameling van onze postzegels.

Gij kunt -- op hem vertrouwen.

Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer --.

In deze klasse heerscht een -- orde.

Hij lijkt -- op zijn vader.

Ik ben het -- met u eens.

De dief legde een -- bekentenis af.

127. Vlieten--vloeien--stroomen.

_Beweging van niet-vaste stoffen._

~Vloeien~ duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: _Het water ~vloeit~ over den grond.--De tranen ~vloeiden~ uit zijn oogen._

~Vlieten~ wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is iets sterker dan _vloeien_ en behoort bovendien meer tot de schrijftaal. _De tranen ~vloten~ hem over de wangen._

~Stroomen~ duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van gassen gebezigd. _De tranen ~stroomden~ hem over de wangen. De rivier ~stroomt~; het beekje ~vliet~. De lucht ~stroomt~ van alle kanten toe._

Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling _vloeit_ voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken vormen.--Het volk _stroomde_ van alle zijden toe.

* * * * *

Deze bron van inkomsten houdt weldra op te --.

Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan --.

Zijn leven -- zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige uitdrukking!)

De golven -- in wilde vaart over den dijk.

Een stille traan -- uit zijn oog.

Hieruit -- nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.

Kabbelend -- het beekje tusschen groene weilanden voort.

Een dichte menigte -- naar het feestterrein.

128. Vleugel--vlerk--wiek.

_Het lichaamsdeel om te vliegen._

~Vleugel~ zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge beweging aan te duiden. _De schrik hecht ~vleugelen~ aan zijn voet.--Op ~vleugelen~ der liefde kom ik tot u._

~Vlerk~ beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk alleen van vogels gebezigd worden.

~Wiek~ is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: _Op de ~wieken~ der verbeelding._ (Alleen in enkele spreekwijzen van het dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen wieken drijven.)

* * * * *

De struisvogels hebben wel -- maar zij kunnen er niet mee vliegen.

Op de -- des winds naderde ons het heerlijke gezang.

»Bontge-- vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei."

Dedalus wilde op wassen -- naar de zon vliegen.

Wat een paar prachtige -- bezit deze vogel.

Hij verhief zich op de -- der verbeelding in hooger sfeer.

De linker -- van dezen papegaai is verlamd.

De vrees hecht -- aan haar voeten.

Hij is niet in zijn -- geschoten.

Beschermend breidde hij de -- zijner liefde over mij uit.

De linker-- van het gebouw is verwoest.

129. Vernielen--verwoesten--vernietigen.

_Een einde aan 't bestaan van iets maken._

~Verwoesten~ zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. _Het geheele land werd te vuur en te zwaard ~verwoest~.--Bij het bombardement werd de schoone hoofdkerk geheel ~verwoest~._

~Vernielen~ heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. _Dat meisje heeft al weer haar pop ~vernield~._ (Waarom niet _verwoest_? Waarom kan men niet zeggen: De stad werd _vernield_?)

~Vernietigen~ wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog _iets_ achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen. _Het verdrag is weer ~vernietigd~._ In letterlijken zin komt het bijv. voor in: _Ik heb uw brief ~vernietigd~_ (bijv. door verbranding); de brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar dat het ook soms verdelgen beteekent: _De spreeuwen ~vernietigen~ veel schadelijke insecten._

* * * * *

De hagel heeft de boekweit --.

De hagel heeft de hoop op een goeden oogst --.

De Noormannen hebben vele steden in ons land --.

De nieuwe graaf -- vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken.

Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk --.

De sijsjes -- veel kleine insecten.

Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken --.

Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken --.

De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden --.

De storm -- een groot deel der visschersschepen.

Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels --.

De jenever heeft zijn gezondheid totaal --.

130. Overeenkomst--verdrag--verbond.

_Het aangaan van wederzijdsche verplichtingen._

~Overeenkomst~ duidt aan, dat de belanghebbende partijen over de voorwaarden tot overeenstemming zijn gekomen en zich verplichten, die te zullen nakomen. _De schrijver heeft met den uitgever een ~overeenkomst~ aangegaan omtrent het copierecht van dit werk._

Wordt zulk een overeenkomst tusschen twee min of meer vijandige partijen (ook staten) gesloten, ten einde hun geschillen of belangen bij te leggen of te regelen, dan spreekt men van ~verdrag~. _Na het ~verdrag~ van Delft verloor Jacoba van Beieren allen invloed._

Wanneer personen of staten zich vereenigen om _een bepaald doel_ te bereiken met in achtneming van zekere voorwaarden, dan spreekt men van een ~verbond~. _Het Drievoudig ~Verbond~ redde ons land tijdelijk van een oorlog met Frankrijk._ (Men zou Frankrijk, desnoodig, gezamenlijk beoorlogen.)

Opmerking. ~Overeenkomst~ heet in betrekking tot personen ook wel _contract_ en in betrekking tot staten of vorsten _conventie_; ~verdrag~ noemt men ook wel _tractaat_, en ~verbond~ heet soms _alliantie_, _unie_ of _compromis_.

* * * * *

Deze makelaars hebben een -- getroffen, om een gelijk procent provisie te rekenen.

Door het -- der Edelen werd de partij van den opstand eensklaps zeer sterk.

Wij hebben met Frankrijk een nieuw handels-- gesloten.

De stedelijke regenten tijdens de Republiek hadden geheime -- aangegaan om elkanders bloedverwanten te bevoordeelen.

Na het -- van Rastadt werden de vijandelijkheden gestaakt.

Men zegt, dat deze twee staten een -- hebben gesloten om den invloed van Engeland tegen te gaan. (Doel!)

Naar men zegt, was er tusschen Engeland en Duitschland een geheime -- aangegaan, om elkanders vijanden in geenen deele te steunen.

131. Uitdenken--verzinnen--verdichten.

_Iets nieuws bedenken._

~Uitdenken~ wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het bloote toeval den uitvinder kan helpen. _De beweegkracht voor die machine is vernuftig ~uitgedacht~_ (d.w.z., uit de voorhanden gegevens, n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken gevonden).

~Verzinnen~ onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. _Het kost mij veel moeite, allerlei voorbeelden te ~verzinnen~._ Soms duidt ~verzinnen~ aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid uitgeeft, geheel onwaar is. _Dit bericht is van het begin tot het einde geheel ~verzonnen~._

~Verdichten~ wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte niet als waarheid uitgeven, zooals bij _verzinnen_ het geval is. _De hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel ~verdicht~._

* * * * *

Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben --.

De spreuk boven de deur is heel aardig --.

Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar geheel -- is.

Wat -- hij al niet, om mij zoo te belasteren!

Hij heeft een nieuw middel --, om een trein in volle vaart in een oogenblik te doen stilstaan.

In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel --.

Ik moet iets --, om mijn wegblijven te verontschuldigen.

132. Straffen--bestraffen--tuchtigen--kastijden.

_Iemand doen boeten voor bedreven kwaad._

~Straffen~ zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. _De dief werd met 3 jaren gevangenis ~gestraft~._

~Bestraffen~ zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden) wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. _Voor zijn lichtzinnig gedrag liep hij een ~bestraffing~ op._

~Tuchtigen~ en ~kastijden~ hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte wil verbeteren. ~Tuchtigen~ stelt de verbetering evenwel zoo goed als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl ~kastijden~ den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. _De roofzuchtige Kafferstammen werden door de Boeren meermalen ~getuchtigd~.--De vader ~kastijdde~ den ongehoorzamen knaap._

* * * * *

De overtreder wordt met een geldboete --.

Wie wèl bemint, -- zijn kind.

De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende --.

Sommige monniken -- zich.

Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te --.

Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg --.

133. Smart--verdriet--hartzeer--leed.

_Pijnlijke gemoedsaandoening._

~Smart~ is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig aandoet. _De ~smart~ der ouders bij het vernemen van den dood van hun kind is niet te beschrijven._ (In letterlijken zin beteekent smart: lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.)

~Verdriet~ is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt, wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een smart van langer duur. _De ouders hadden veel ~verdriet~ van hun zoon_ (hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend).

Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan spreekt men van ~hartzeer~; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. _Uit ~hartzeer~ over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een uitterende ziekte gestorven._

~Leed~ is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of langer tijd ~lijden~. _Moge God U voor dat ~leed~ bewaren_ (bijv. het verlies van een kind).

* * * * *

In diepe -- stonden de nabestaanden om het lijk geschaard.

Van -- over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven.

Het deed hem innig --, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon zijn.

Met -- hebben wij den dood van onzen vriend vernomen.

Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien, dat hij -- heeft.

Het --, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het te beschrijven.

Met stille berusting droeg hij het --, dat hem wedervoer.

Hoezeer zijn binnenste door -- verteerd werd, liet hij niets van zijn nameloos -- blijken.

Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van --.

134. Behoedzaam--voorzichtig--omzichtig.

_Met overleg te werk gaande, om gevaar (schade) te vermijden._

~Behoedzaam~ duidt aan, dat men in gevaarlijke omstandigheden op zijn hoede is om zich voor schade te vrijwaren. Men zorgt zooveel mogelijk alles te voorkomen, wat het gevaar kan doen toenemen, terwijl men gereed is om, mocht het gevaar ons naderen, het zooveel doenlijk af te weren. _~Behoedzaam~, met het geladen geweer in de hand, naderde hij het hol van den leeuw._

~Voorzichtig~ wijst aan, dat men zooveel mogelijk alle gevaren voorziet, die zouden kunnen ontstaan; daardoor kan men zijn handelingen zóó richten, dat men het gevaar tracht te ontgaan. _Hij was ~voorzichtig~ genoeg om zich niet terstond door een belofte te verbinden. Gij moet het ~voorzichtig~ behandelen_, d.i. alle voorzorgen in acht nemen, dat het voorwerp niet breekt.

~Omzichtig~ is hij, die te midden van gevaren naar alle kanten om zich ziet, of er soms gevaar dreigt. Het heeft dus eenigszins de beteekenis van behoedzaam, maar het is nog sterker.

De voorzichtige berekent vooraf de kansen, de behoedzame is zelden voortvarend, de omzichtige is vaak wantrouwend. (Verklaar de eigenschappen!)

* * * * *

De dief was -- genoeg, om zich vooraf een masker voor te doen; hij liep -- den tuin door om op alle verdachte geluiden te letten, en eindelijk klom hij -- het venster binnen.

Er waait een gure wind; gij moogt dus wel -- zijn en u warm aankleeden.

Bij het kiezen van uw vrienden moet gij -- te werk gaan.

Wij hebben de weduwe -- den dood van haar echtgenoot medegedeeld.

De sluipmoordenaar naderde -- zijn slachtoffer, om hem niet te wekken.

In gevaarvolle tijden is een -- leidsman noodig.

De orang-oetan klimt meestal langzaam en --, maar tevens met groote zekerheid. Wil hij van den eenen boom in den anderen komen, dan slingert hij zich er -- heen.

135. Altijd--altoos--steeds--immer--gedurig.

_Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt._