Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.

Part 7

Chapter 73,477 wordsPublic domain

~Sterven~ drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. _Deze man is van hartzeer ~gestorven~._

~Doodgaan~ wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in ruwe of platte taal ook van menschen.

~Overlijden~ heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (_Lijden_ van oudtijds _gaan_; vergelijk _verleden_ of _vergangen_ week.) Het stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der achterblijvenden.

Ook ~ontslapen~ zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus eveneens het begrip van sterven.

* * * * *

Na het -- van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren broeder te zorgen.

Het grootste deel van het leger -- van honger en gebrek.

Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en Heiland zacht en kalm --.

Die plant zal wel --; je hebt haar niet goed behandeld.

Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd --.

Zalig zijn de dooden, die in den Heer --.

108. Vlijtig--ijverig--naarstig--nijver.

_Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot stand te brengen._

Bij ~ijverig~ denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs aan de vurigheid, waarmee men werkt. _Een ~ijverig~ leerling tracht ook de moeilijkste les te leeren._ (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te studeeren.)

~Vlijtig~ duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. _Hij zit ~vlijtig~ te studeeren_ (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn, zooals een ~ijverig~ student.)

~Naarstig~ komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen, die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan, dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. _Zoo traag deze jongen is, zoo ~naarstig~ is zijn zuster. Dat meisje is een ~naarstig~ kind; zij zit daar al weer te breien._

~Nijver~ wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. _De ~nijvere~ bijen_ verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. _het ~nijvere~ Twente_.

* * * * *

Als gij -- doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn.

Gij moogt wel wat -- (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij er weinig lust in hebt.

Zij is een -- kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten.

De -- landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond.

Van deze zaak is hij een -- voorstander.

Een -- hand met een sparigen tand koopt anderlui's land.

In die streek woont een -- bevolking.

109. Afslaan--afweren.

_Een aanval tegengaan._

~Afweren~ geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.

Bij ~afslaan~ denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.--Figuurlijk gebruikt komt alleen ~afweren~ voor, bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_; _iemands liefkoozingen ~afweren~_.

* * * * *

De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd krachtig --.

Hij heeft den doodelijken slag --, door zich nog tijdig met het schild te dekken.

De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de manschappen ternauwernood tijd hadden dien --.

Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook niet alleen --, maar zelfs met kracht --.

Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te danken, dat de oorlog nog -- werd.

110. Alom--overal--allerwegen.

_Op alle plaatsen._

~Alom~ wijst de ruimte in haar geheel aan. _De tijding verspreidde zich ~alom~_, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.

~Overal~ ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die ruimte denkt. _De tijding drong ~overal~ door_: d.w.z. op alle plaatsen, geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.

~Allerwegen~ wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij uitbreiding op alle plaatsen. ~Overal~ kan een werking zóó voorstellen, dat zij _achtereenvolgens_ iedere plaats bereikt, geen enkele uitgezonderd; ~allerwegen~ wijst meer aan, dat de werking _gelijktijdig_ op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats (niet aan de _wegen_ gelegen) overgeslagen. _~Allerwegen~ heerschte er een bedrijvige drukte._--Worden ~overal~ en ~allerwegen~ voor elkander gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is ~overal~ sterker, daar het geen uitzondering duidt. _Ik heb hem ~overal~ gezocht, maar nergens gevonden.--Deze gewoonte vindt gij anders ~allerwegen~._

* * * * *

God is -- tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan _overal_?)

Op bergen en in dalen, Ja -- is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen! Waarom gebruikt men niet _allerwegen_?)

Het feest van 's konings troonsbestijging werd -- in den lande met opgewektheid gevierd.

Er heerschte -- in de stad een feestelijke stemming.

Deze plant vindt gij -- verspreid.

De mare van zijn heldenfeit was spoedig -- verspreid.

Hij staat -- bekend als een eerste kaatser.

Langs de kaden van Rotterdam heerscht -- een ongekende bedrijvigheid.

Hij volgt mij --, waar ik ga.

111. Aankondigen--voorspellen--voorzeggen.

_Iets toekomstigs te kennen geven._

~Aankondigen~ is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. _De plotselinge daling van den barometer ~kondigt~ storm ~aan~._ Soms is het begrip van tijd zoo goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent: bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. _De heraut ~kondigde~ met trompetgeschal de komst des konings ~aan~._

~Voorspellen~ duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. _De waarzegger ~voorspelt~ de toekomst. Een goed notenjaar ~voorspelt~ een strengen winter._

~Voorzeggen~ beteekent: vooruit _zeggen_, dat iets zeker gebeuren zal, en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met _aankondigen_ en _voorspellen_ wel het geval is, bijv. een daling van den barometer kan niet _voorzeggen_.) _De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang ~voorzegd~_ (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen stijl gebruikt.

* * * * *

Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente --.

Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan --.

Drie harde slagen op de deur --, dat er iets bijzonders gebeurd was.

»O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang --!"

Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan --.

Zijn gefronst gelaat -- weinig goeds.

Het kanongebulder -- de geboorte van een prins aan.

Een kring om de maan -- regen en wind. (Niet _zeker_!)

Jezus had Zijn dood en verrijzenis aan Zijn discipelen --.

112. Buitenlandsch--uitheemsch--vreemd.

_Wat buiten onze grenzen thuis behoort._

~Buitenlandsch~ noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft, als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met binnenlandsch; bijv. het _buitenlandsch_ verkeer; de _buitenlandsche_ handel; _buitenlandsche_ berichten; _buitenlandsche_ onlusten.

~Uitheemsch~ is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij, dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: _uitheemsche_ gebruiken. (»Uitheemsche" handel kan niet, immers in ons land is óók wel handel.)--Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: _Gij moet nooit ~uitheemsche~ dingen navolgen._

~Vreemd~ beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. _Dit is een ~vreemde~ soort aardappel._

Verder kan ~vreemd~ nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze familie: mijn zoon bracht een _vreemden_ gast mee; onbekend: zij is mij geheel _vreemd_; ongewoon: een _vreemd_ geval; zonderling: een _vreemde_ kleeding; enz.

* * * * *

De minister van -- zaken heeft zijn ontslag genomen.

Deze -- plant schijnt hier goed te tieren.

Dat is een -- plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.

Wat heeft die mijnheer -- gewoonten.

Wij zullen de volgende week een -- reisje maken.

In den Dierentuin vindt men prachtige -- gewassen.

In dien -- oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.

Er heerschen in dat land -- zeden.

Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot -- verwikkelingen!

113. Bekennen--belijden.

_Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen._

~Bekennen~ duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt wordt. _De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn misdaad wel ~bekennen~._

~Belijden~ ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis: _Ootmoedig ~beleed~ hij zijn schuld._ Het wordt ook ten opzichte van godsdienstige gevoelens gebruikt: _Zijn zonden ~belijden~._

* * * * *

Hij wil zijn ongelijk nog niet --, maar wij zullen er hem wel toe brengen.

Met een verslagen hart -- hij voor God zijn schuld.

Ik moet eerlijk --, dat ik hierin misgetast heb.

Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, -- hij zijn schuld.

_Gebruik ook in zinnen:_ Bekentenis en belijdenis.

114. Aanroepen--bidden--smeeken.

_Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen._

~Aanroepen~ gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn voorzienigheid verlaat. _~Roep~ Hem ~aan~ in den dag der benauwdheid en Hij zal u ruste geven._

~Bidden~ onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan helpen) om hulp vraagt, terwijl ~smeeken~ een vuriger en dringender bede te kennen geeft. _De voorganger ~bad~ God om een voorspoedigen oogst.--Hij ~smeekte~ Hem, het leven der kranke vorstin te sparen._

* * * * *

De blinde -- om een aalmoes.

De ter dood veroordeelde -- om genade.

De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God --.

Ik -- u met een berouwvol hart om vergiffenis.

In alle kerken werd voor het behoud van den vrede --.

De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en -- hem haar kind niet te dooden.

Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, -- hij God om een voorspoedige reis.

115. Afstand--verte--verwijdering.

_De ruimte tusschen twee voorwerpen._

~Verwijdering~ drukt uit, dat die tusschenruimte vroeger niet bestond. Hoe meer men bijv. de stad achter zich laat, hoe grooter dus eigenlijk de verwijdering wordt. Het gebruik wil echter, dat dit woord thans alleen figuurlijk voorkomt. _Sedert er tusschen deze twee vrienden ~verwijdering~ is ontstaan, gaat ieder zijns weegs._

~Afstand~ duidt eenvoudig aan, dat er tusschen twee voorwerpen een zekere ruimte bestaat als gevolg van den stand, dien zij ten opzichte van elkander innemen. _De ~afstand~ tusschen Amsterdam en Baarn bedraagt 36 K.M._ (Waarom is hier _verwijdering_ niet gebruikelijk?)

~Verte~ wijst alleen het tegengestelde van nabijheid aan en duidt dus altijd op een eenigszins grooteren afstand. Men kan dan ook niet zeggen in _een_ verte, maar wel in _de_ verte, terwijl afstand wel degelijk het lidwoord van onbepaaldheid kan hebben.

* * * * *

Wanneer men een plaats al wandelend verlaat, neemt bij iedere schrede de -- (het oorspronkelijke woord!) toe, d.w.z. men bevindt zich bij iederen stap op grooteren -- van de stad, totdat men haar ten laatste nog slechts in de -- kan zien.

Hij bleef steeds op een eerbiedigen --. (Waarom niet _verte_?)

Na den slag bij Nieuwpoort ontstond tusschen Maurits en Oldenbarnevelt de eerste --.

De visschersvrouw staarde in de --, of zij het schip van haar man kon ontdekken.

De -- tusschen vrijen en onvrijen werd vroeger streng bewaard.

De verschillende belangen, die deze twee vrienden hebben, deden langzamerhand een -- ontstaan. Zij behandelen elkander nu altijd op eenigen --.

116. Eeuwig--eindeloos--oneindig.

_Wat geen einde heeft._

~Eeuwig~ drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: _God is ~eeuwig~._--Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest, maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: _het ~eeuwige~ leven_. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te duiden, gebruikt men ~eeuwig~ ook figuurlijk van zaken, waaraan feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan uitgesloten: _het ~Eeuwig~ Edict_. (Het duurde toch maar 5 jaren!)

~Eindeloos~ wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl ~eeuwig~ meer op den _tijd_ ziet, vestigt ~eindeloos~ meestal de aandacht op de _ruimte_. _Een ~eindelooze~ vlakte lag vóór mij._ (Voor mijn blik had die vlakte geen einde; misschien was er wel een eind aan!)

Men spreekt van Gods _eeuwige_ liefde, omdat deze _ten_ _allen tijde_ zal voortduren; ook spreekt men van Gods _eindelooze_ liefde tot de zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?)

~Oneindig~ duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen einde is, bijv. _de rij der getallen is ~oneindig~_. Hieruit ontwikkelde zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van graad: Een _oneindig_ groot verschil. Een _oneindig_ klein getal. Wat beteekent nu: _Gods ~oneindige~ liefde_?

Waarom kan men niet spreken van een _oneindige_ vlakte? Waarom niet van een _eeuwige_ vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den _Eindelooze_ heeten?

Een _eindeloos_ krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een _eeuwig_ krakeel ziet er op, dat er _ten allen tijde_ getwist wordt, dus wijst meer een tijdsbegrip aan.

* * * * *

Onze blikken zwierven door de -- ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel).

Wij lieten onze blikken over de -- heide dwalen.

Ik zal u -- beminnen.

In de wereld van het -- kleine treft men ook wonderen aan.

De zon is op een -- afstand van ons verwijderd.

De gewesten der Unie besloten ten -- dage verbonden te blijven.

Ik ben dat -- gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken.

Er bestaat een -- groot verschil tusschen deze beide karakters.

Hij bleef maar tot in het -- doorredeneeren.

Hij zwierf reeds jaren op de -- baren.

117. Begrijpen--beseffen--bevatten--verstaan.

_Duidelijke kennis van iets hebben._

~Verstaan~ drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde, gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. _Druk je wat duidelijker uit, ik ~versta~ je niet._ (Letterlijk zegt _verstaan_: bij iets blijven staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed hooren: _Nog op grooten afstand kon men den spreker ~verstaan~._)

~Bevatten~ en ~begrijpen~ hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen, dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet bezitten. ~Bevatten~ duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te _groot_ is, dat men ze kan _omvatten_, terwijl ~begrijpen~ er op wijst, dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen _grijpen_, m.a.w. dat zij voor ons verstand niet te _hoog_ gaat. _Ik ~begrijp~ maar niet, dat hij zich tot dien stap heeft laten overhalen_ (dat gaat _boven_ mijn begrip). _Niemand kan de wijsheid des Scheppers ~bevatten~_ (in al haar omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). _Bevatten_ is dus sterker dan _begrijpen_.

~Beseffen~ wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. _Hij ~besefte~, welk een verplichting hij op zich genomen had_, d.i. hij is er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd.

* * * * *

Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet --.

Hij -- zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen.

Al -- wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden.

Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te --.

Ik -- zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt, al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet --.

Hij -- maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat.

Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan --.

118. Driftig--oploopend--opvliegend.

_Spoedig zijn kalmte verliezend._

~Driftig~ duidt aan, dat men licht in drift geraakt (zie $Drift$); de gemoedsbeweging is echter van geen langen duur.

~Opvliegend~ en ~oploopend~ wijzen er op, dat men van nature geneigd is, spoedig in groote drift (d.i. toorn) te ontsteken; het is dus meer een karaktertrek. Hierbij heeft ~opvliegend~ meer kracht dan ~oploopend~; vliegen is immers sterker dan loopen. Wie dus dikwijls en om geringe oorzaken driftig wordt, is oploopend of opvliegend.

Waarom kan men wel zeggen: hij _wordt_ driftig, maar niet hij _wordt_ oploopend of opvliegend?

* * * * *

Bij het hooren van die tijding, maakte hij zich vreeselijk --.

Mijn neef heeft een -- karakter: bij de minste oorzaak stuift hij geweldig op.

Ik ga niet graag met zulk een -- mensch om.

Hoewel hij kalm van aard is, wordt hij toch ook wel eens --.

Een onderwijzer, die -- van natuur is, is weinig geschikt voor zijn betrekking.

119. Bedroefd--droevig--treurig--bedrukt.

_Het tegengestelde van blijde, opgewekt._

~Bedroefd~ wijst aan, dat de oorzaak der droefheid buiten ons ligt. _Hij is zeer ~bedroefd~ over het verlies van zijn vader._

~Droevig~ en ~treurig~ laten in het midden, of de gemoedstoestand door oorzaken van buiten teweeg gebracht wordt, dan wel een gevolg is van innerlijke gesteldheid. Den ~bedroefde~ kan men van zijn smart bevrijden door hem het verlorene terug te geven, of wel die smart kan door troostwoorden eenigszins gelenigd worden; de ~droevige~ of ~treurige~ is eigenlijk niet voor troost vatbaar (men weet immers de oorzaak niet!), hij kan alleen opgevroolijkt worden.--~Droevig~ verschilt hierin van ~treurig~, dat het een kortstondiger toestand dan treurig aanwijst; treurig is dus sterker. _Hij is reeds lang ~treurig~ gestemd; het wordt tijd, hem op te vroolijken.--Haar ~droevige~ stemming van gisteren is weer geheel geweken._

~Droevig~ en ~treurig~ worden ook van zaken gebezigd, om aan te duiden, dat zij door een droevige of treurige stemming gekenmerkt zijn, of zulk een stemming veroorzaken. _Het waren ~treurige~ dagen, toen de oorlog het land verwoestte en den grond met bloed drenkte.--Het was een ~droevig~ oogenblik, toen hij bij zijn vertrek naar de Oost van zijn oude moeder afscheid moest nemen.--Onlangs is hier een ~droevig~ ongeluk gebeurd._ (Een _treurig_ is sterker!)

~Bedrukt~ wijst aan, dat iemand door zijn droefheid wordt terneergedrukt en dit niet verbergt, zoodat zijn droefheid uit zijn houding blijkt, of op zijn gelaat staat te lezen. _Toen ik hem ontmoette, zag hij zeer ~bedrukt~, zoodat ik aanstonds een onheil vermoedde._

* * * * *

Het was voor ons een -- tijd, toen onze vader van oneerlijkheid verdacht werd.

Hij was zoo -- over den dood zijner vrouw, dat men voor verstandsverbijstering vreesde.

Het is een -- gezicht, als men op een blindenschool het jonge volkje ziet zitten.

Het is --, dat Christenen elkander nog den oorlog aandoen.

Aan zijn -- gelaat zag ik reeds, dat hij niet geslaagd was.

Hij was zoo -- te moede, dat hij in niets belang stelde.

In Friesland heerschen nog -- toestanden. (Waarom niet _droevig_?)

Hij was zoo -- over het slechte gedrag van zijn zoon, dat hij oud werd voor zijn tijd.

Zulke -- verhalen passen niet voor de dartele jeugd.

Huibert kwam, -- van zinnen, Moeder Duifkes woning binnen.

120. Aanvaarden--aannemen--op zich nemen--ontvangen.

_In het bezit van iets komen._

~Aannemen~ en ~ontvangen~ onderstellen, dat de zaak ons door een ander wordt overgedragen; _aannemen_ drukt evenwel uit, dat men vrijwillig van het voorwerp bezit neemt (actief), terwijl _ontvangen_ meer een lijdelijk in bezit komen onderstelt. Men _ontvangt_ een wonde, maar men _neemt_ ze niet _aan_. Men _ontvangt_ onderwijs (lijdelijk), maar men _neemt_ iemands leerstellingen _aan_ (actief). Tegenover _ontvangen_ staat dus _geven_, tegenover _aannemen_ kan men _aanbieden_, _overdragen_ stellen.

~Aanvaarden~ geeft evenals aannemen ook wel een vrijwillig inbezitnemen te kennen, maar wijst er tevens op, dat die aanvaarding zekere plichten van ons eischt, bijv. de regeering _aanvaarden_. Zoodra men dus de verantwoording voor die plichten op zich neemt, zoodra men derhalve de betrekking of waardigheid _begint_ uit te oefenen, _aanvaardt_ men haar. _Hij heeft zijn benoeming tot voorzitter wel ~aangenomen~, maar de functie nog niet ~aanvaard~._ Daar dit aanvaarden gewoonlijk met eenige officiëele plechtigheid gepaard gaat (inhuldiging der Koningin, installatie van een burgemeester), gebruikt men ~aanvaarden~ ook wel in de beteekenis van aannemen, doch met het bijdenkbeeld van eenigszins op plechtige wijze; wat aanvaard wordt, moet dus een zaak van belang zijn, zoodat het in dit geval sterker of beleefder is dan aannemen. _~Aanvaard~ dit geschenk mijner hoogachting. Ik ~aanvaard~ uw erkenning van schuld._--Een geheel andere beteekenis heeft het woord in zinnen als: een reis ~aanvaarden~, d.w.z. beginnen te ondernemen.

~Op zich nemen~ duidt aan, dat men zich verbindt iets te doen en de verantwoordelijkheid daarvan voor zijn rekening neemt; het bepaalt zich meestal tot het volbrengen van een enkele daad, terwijl ~aanvaarden~ een voortdurende verantwoordelijke werkzaamheid onderstelt. _Hij ~nam op zich~, de verzoening tusschen de beide partijen tot stand te brengen._ (Na de verzoening was zijn taak afgeloopen.)

* * * * *

Hebt gij mijn rekening wel --?

Hebt gij den brief, met strafporto belast, --?

Zou hij het beschermheerschap onzer vereeniging willen --?

De nieuw gekozen voorzitter -- de benoeming aan en -- terstond zijn functie; ook heeft hij --, eenige nieuwe leden aan te werven.

Ik verzoek u wel dit klein bewijs mijner erkentelijkheid te willen --.

Bij dien volksoploop -- menigeen een sabelhouw.

Ik --, u in zes maanden voor dat examen klaar te maken.

Het was van hem een edele daad, geheel alleen de verantwoordelijkheid voor het tekort --.

Wanneer zullen wij den tocht --?

Hij heeft een opdracht van de regeering --, om een onderzoek naar den oorsprong dezer ziekte in te stellen, maar men gelooft, dat hij die opdracht niet zal --.

De secretaris --, den president bij de -- van diens waardigheid te complimenteeren.

121. Zwerven--dolen--dwalen.

_Heen en weer gaan of trekken._