Part 6
Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het werd echter slechts »onder voorbehoud" opgenomen, daar men mij als een onbekende --.
Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te --.
De staatsman stond onder --, dat hij met den vijand was gaan heulen; daarom -- men alles, wat hij aanried.
Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem te --, -- ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.
93. Argwaan--achterdocht--kwaad vermoeden.
_Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt._
Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen wil. ~Argwaan~ duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands karakter. ~Achterdocht~ onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van ~kwaad vermoeden~. Een gierigaard koestert tegen iedereen _argwaan_; hij wordt _achterdochtig_, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent--in zijn gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan--en hij vat een _kwaad vermoeden_ tegen iemand op, als hij dezen _meent_ betrapt te hebben op een oneerlijkheid.
* * * * *
Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, --.
Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond -- tegen hem op.
Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem -- rees.
94. Arm--armoedig--behoeftig--nooddruftig.
_Gebrek aan het noodige hebbend._
~Arm~ duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan: _arm_ aan woorden, _arm_ aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van ~armoedig~. _Een ~armoedige~ hut, een ~armoedig~ gekleed man._
~Behoeftig~ duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl ~nooddruftig~ aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist. Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord, nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is.
* * * * *
Wie rijk is aan goederen, is soms -- aan geluk.
Al zijn deze menschen ook --, toch zien zij er niet -- uit.
In den winter lijden de -- veel gebrek. Dan echter gaat de engel der weldadigheid in stilte rond, om de -- te helpen.
Soms treft men in een -- hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis.
De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens -- is geweest; vaak is hij hardvochtig genoeg om de -- ongetroost weg te zenden.
95. Afnemen--afbeuren--aflichten--afzetten.
_Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen._
~Afnemen~ heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de bedoelde werking plaats heeft: _den hoed ~afnemen~_.
~Afbeuren~ onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling dus moeite kost: _een zak koren van de weegschaal ~afbeuren~_; bij ~aflichten~ is dat niet het geval: bijv. _den hoed ~aflichten~_. ~Afzetten~ onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft: _hij ~zette~ den hoed ~af~ en hing hem aan den kapstok_; ~licht~ men den hoed ~af~, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed ~afnemen~ laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel eenigen tijd in de hand houdt.
* * * * *
Help de meid even het stof --!
De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk alleen --.
Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even --.
Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed --.
Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en -- uw hoed af.
Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig de pendule er --.
Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes --.
96. Pracht--praal--pronk--luister.
_Uiterlijk vertoon van grootheid._
Bij ~pracht~ staat vooral het denkbeeld van rijkdom of kostbaarheid op den voorgrond. _Het paleis werd met groote ~pracht~ opnieuw gemeubeld.--In dezen tuin vindt men een ~pracht~ van bloemen._
~Luister~ geeft te kennen, dat de glans of schittering ieders bewondering afdwingt of (zooals bij ceremoniën) opzettelijk moet afdwingen. _De generaal werd met grooten ~luister~ begraven._
~Pronk~ is een opzienbarende vertooning van pracht of luister met het doel boven anderen te willen uitsteken; de pronkzuchtige wil bijv. zijn meerdere in uiterlijk vertoon nadoen, om evenzeer bewondering af te dwingen; het is derhalve een teeken van ijdelheid. _Ik had niet gedacht, dat hij zoo op ~pronk~ gesteld was: ik hield hem altijd voor een nederig en eenvoudig man._ Als voorwerpsnaam beteekent het meer sieraad: _Dit gebouw is de ~pronk~ der stad._
~Praal~ ziet vooral op uiterlijk vertoon; het is een luister, waaraan de ijdelheid niet vreemd is. _De altijd zoo ijdele familie liet zelfs dit ongelukkige kind met groote ~praal~ begraven._
* * * * *
Karel de Stoute spreidde bij zijn aanstaande kroning te Trier een groote -- ten toon. Het was duidelijk te zien, dat hij --ziek van aard was.
De -- van een ware heldendaad gaat nooit verloren.
Dit dienstmeisje is blijkbaar zeer op -- gesteld.
Hang uw hart niet aan 's werelds --, maar streef naar ernstiger dingen.
Met veel -- werd de bruiloft van het adellijke paar gevierd, niettegenstaande beide partijen weinig ten huwelijk brachten.
De zomerzon straalt thans in haar vollen --.
»Zulk een deken is een -- voor uw bed." (Advertentie.)
De -- der Alpenmeren laat zich niet beschrijven.
De 25-jarige regeering van den vorst werd in de residentie met groote(n) -- gevierd.
»Ziet gij ginds dien -- der dalen, dien verheven eikeboom?"
97. Barsch--stug--stuursch--norsch.
_Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen._
~Stug~ is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. _Een ~stugge~ Fries._
~Stuursch~ is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden van zijn karakter zulks meebrengen. _Hij ziet altijd even ~stuursch~._ Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men ~norsch~. _Hij behandelt zijn bedienden altijd even ~norsch~._
~Barsch~ duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. _Hij is wel wat ~barsch~ in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet._
* * * * *
De Veluwsche boer is meestal -- in den omgang.
Hij sprak op zulk een -- toon, dat de kleinen bang voor hem werden.
Wat is hij vandaag weer --: op iedereen heeft hij wat aan te merken.
Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo -- ziet; ik heb haar toch niets misdaan.
Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een -- antwoord, alsof ik hem diep beleedigd had.
Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen weer -- en -- zijn.
Hoewel hij er -- uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig.
98. Afslaan--afhakken--afhouwen--afkappen.
_Met kracht een deel van het geheel scheiden._
~Afslaan~ gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). ~Afhakken~, ~afkappen~ en ~afhouwen~ onderstellen, dat de werking met een scherp werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. ~Afhakken~ duidt aan, dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl ~afhouwen~ aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij ~afkappen~ ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen van het voorwerp worden gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_.
* * * * *
Wie heeft de vergulde knoppen van het hek --?
In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers --.
Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde het hoofd --.
Gij moet deze dikke takken laten --, zij benemen u te veel licht.
Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels --.
Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen moedwillig te hebben --?
99. Gooien--werpen--smijten.
_Iets met kracht van zich slingeren._
~Werpen~ behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl ~gooien~ en ~smijten~ gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. ~Werpen~ heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; ~gooien~ en ~smijten~ daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. ~Gooien~ en ~smijten~ geschieden uitsluitend met de hand, ~werpen~ kan ook plaats hebben met werktuigen.
~Gooien~ en ~smijten~ verschillen onderling zeer weinig en worden dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt ~smijten~ minder onbesuisd te zijn dan ~gooien~ (met _gauw_ verwant), en nadert het dus eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: _Hij heeft mij een beleediging voor de voeten ~gesmeten~._
Daar ~werpen~ meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het in vele uitdrukkingen voor, waar ~gooien~ en ~smijten~ gebruikt moesten worden.
* * * * *
Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd --.
Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in--.
De golven -- een lijk aan het strand.
Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar --.
Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe--.
Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog bezetting --.
De ouden -- met blijden groote steenen in de stad.
Van kwaadheid -- hij mij de trappen af.
Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis --.
Hij heeft den boel in het honderd --.
Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen --?
Men moet geen goed geld naar kwaad geld --.
100. Voorgeven--beweren--voorwenden.
_Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de waarheid, van hetgeen een ander zegt._
~Beweren~ geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden; zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als waarheid aannemen. _Hij ~beweert~, dat hij in een half uur van Baarn naar Amersfoort kan fietsen_ (d.w.z. ik beschouw het wel niet als onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van 12 K.M. in een half uur gedaan heeft). _De dagbladen ~beweren~, dat de vrede gisteren geteekend is_ (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid, zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).
~Voorgeven~ drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij onwaarheid spreekt. _Zij ~gaf voor~, hoofdpijn te hebben en mij daarom niet te kunnen ontvangen._
Zegt men van iemand, dat hij iets ~voorwendt~, dan geeft men te kennen, dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken; hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. _Zij ~wendde~ hoofdpijn ~voor~, teneinde mij niet behoeven te ontvangen._
~Beweren~ onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is, ~voorgeven~, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en ~voorwenden~, dat de waarheid geheel buitengesloten is.
* * * * *
Ik hoorde zooeven --, dat het ministerie zal aftreden.
Dit dagblad --, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is uitgevonden.
Deze dame --, nog geen 25 jaren oud te zijn.
De koning heeft een lichte ongesteldheid --, om van de feestelijkheden bevrijd te zijn.
De moordenaar bleef --, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd.
Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet voldoen onder --, dat hij zelf kort bij kas was.
Al zijn kwalen zijn slechts --, om van werken ontslagen te zijn.
101. Regeeren--besturen--heerschen.
_Gezag over een ander uitoefenen._
~Heerschen~ duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op »heer" zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan handelen. _God ~heerscht~ als aller koning. De Czaar ~heerscht~ onbeperkt._
~Regeeren~ is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het gezag-uitoefenen van vorsten (_rex_, 2e naamv. _regis_ = koning). In figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: _Deze vrouw ~regeert~ haar man._
~Besturen~ doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten. _Jan de Witt ~bestuurde~ de Republiek met groot beleid._ Overdrachtelijk duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: _Deze vrouw ~bestuurt~ haar man_ = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: _Deze vrouw ~regeert~ haar man_).
Waarom zegt men: _de pokken ~heerschen~_? en niet: _regeeren_ of _besturen_?
Vergelijk nu: heerschappij--bestuur--regeering.
* * * * *
Onder de -- van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.
De mazelen -- epidemisch.
Men moet -- over zijn hartstochten hebben.
De Burgemeester -- de gemeente.
Men zegt wel eens: Het blinde toeval -- de wereld.
Er -- over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.
Deze vereeniging wordt goed --.
In Rusland -- een vastlandsklimaat.
102. Aandachtig--oplettend--opmerkzaam.
_Zijn gedachte op iets gevestigd hebben._
~Aandachtig~ zegt eenvoudig, dat men zijn gedachten bij de zaak heeft, dat men dus niet aan iets anders denkt.
~Oplettend~ is men, als men niet vluchtig over het gehoorde heenloopt, maar zich moeite geeft het te overwegen; het onderstelt dus altijd eenige inspanning van den geest, wat bij aandachtig niet direct noodig is.
_Men luistert ~aandachtig~ naar een verhaal_, d.w.z. men heeft zijn gedachten er bij, men denkt niet aan iets anders. _Men is ~oplettend~, als er iets geleerd moet worden_; d.w.z. men is ook wel aandachtig, maar men geeft zich tevens moeite de zaak te overdenken, om ze te begrijpen.
~Opmerkzaam~ wijst aan, dat men de zaak zoo goed mogelijk tracht te begrijpen, door al haar kenmerken in hun onderling verband na te gaan, opdat het gehoorde of gelezene in onzen geest worde opgenomen en verwerkt. Men zoekt als het ware ~merk~teekens, die ons later den gang der zaak gemakkelijk doen terugvinden.
De _aandachtige_ luistert; de _oplettende_ tracht het gehoorde te begrijpen; de _opmerkzame_ neemt het in zijn geest als eigendom op. De _aandachtige_ wordt bijv. door een sprookje of een muziekstuk geboeid en vergeet alles om zich heen; de _oplettende_ tracht bijv. de verklaring van een natuurverschijnsel goed te begrijpen; de _opmerkzame_ zal bijv. een schilderij zoo nauwkeurig en met allerlei onderlinge vergelijkingen beschouwen, dat hij haar uit het hoofd kan nateekenen.
* * * * *
De vergadering luisterde -- naar de voorlezing der notulen.
Hij beschouwde het gebouw zoo --, dat hij er thuis een welgelijkende schets van maakte.
Hij bekeek het gebouw zoo --, dat hij niet eens mijn nadering bemerkte. (Hier wordt dus blootweg te kennen gegeven, dat al zijn gedachten op het gebouw gericht waren.)
Het kenmerk van deelbaarheid, dat ik thans zal bewijzen, is vrij ingewikkeld; gij moogt dus wel -- zijn.
Toen ik met hem voor het eerst door het bosch wandelde, keek hij zoo -- rond, dat hij den volgenden keer alleen den weg kon vinden.
Hij was onder de rede van den voorzitter zoo -- geweest, dat hij haar bijna woordelijk kon opzeggen.
103. Bouwen--opslaan--oprichten--stichten.
_Uit bouwstoffen een geheel vormen._
~Oprichten~ (letterlijk »omhoog heffen") gebruikt men, om aan te duiden, dat iets uit den horizontalen in den verticalen stand moet komen: _een standbeeld ~oprichten~_.--~Opslaan~ zegt men van tijdelijke verblijven, die licht en dicht zijn en weinig moeite vereischen: _tenten ~opslaan~_.--~Bouwen~ gebruikt men van blijvende woningen, die uit duurzamer stoffen en met grooter zorg worden samengesteld: _een school ~bouwen~_.--~Stichten~ zegt men van nog duurzamer en hechter gebouwen: _een kerk ~stichten~_. (Een _stift_, d.i. _sticht_, heet een groot gebouw voor geestelijken: klooster, abdij, enz.) Figuurlijk bezigt men ~stichten~ ook voor grondvesten: _een stad ~stichten~, een fonds voor ouden van dagen ~stichten~; liefdadige ~stichtingen~_. Van vereenigingen zegt men meer ~oprichten~.
* * * * *
Toen de cholera uitbrak, werden ijlings ziekenbarakken --.
Ons huis is in 1870 --.
De Handelsmaatschappij werd in 1824 --.
Jan van Riebeek heeft de volksplanting aan de Kaap --.
Ter eeuwige gedachtenis heeft men op de plaats, waar de koning sneuvelde, een gedenkteeken --.
De beroemde Aya Sophia (de prachtige moskee te Konstantinopel en door onzen dichter Schaepman meesterlijk bezongen) is door keizer Justinianus --.
Jan van Nassau heeft de Unie van Utrecht --.
d' Aertsbouheer uit den stam Van Campen rust hieronder, Die 't raedhuis t' Amsterdam -- heeft, 't achtste wonder.
104. Befaamd--beroemd--berucht--vermaard.
_Overal bekend._
~Berucht~ is: ongunstig bekend staan; ~beroemd~ daarentegen heeft altijd een gunstige beteekenis: het beteekent bekend zijn tot zelfs bij het nageslacht door edele daden, door kunst, door wetenschap, enz. ~Vermaard~ is: van groote bekendheid zijn wegens een of andere bijzonderheid, dus uitstekende of opvallende onder zijns gelijken. _De echo van Muiderberg is ~vermaard~. De bokking van Harderwijk was vroeger ~vermaard~._ De vermaardheid behoeft echter niet aan het nageslacht overgeleverd te worden.
~Befaamd~ kan zoowel in goeden als kwaden zin gebruikt worden, maar is minder sterk dan beroemd of berucht. Het onderstelt in den regel een »eigenaardige" bekendheid. _Het ~befaamde~ Staphorster boertje._
~Befaamd~ komt af van Faam, Fama, de godin, die met een bazuin door de lucht vliegt om de daden der groote mannen bekend te maken; zij woonde in een paleis met 100 openingen en van klinkend metaal gemaakt. (Verklaar het zinnebeeld!)--~Berucht~ komt van rucht, dat weer gevormd is van _roepen_, evenals _kocht_ van _koopen_; er gaat dus een roep van iemand uit. Oorspronkelijk kon dit ook een _goede_ roep zijn: »_Beruchte_ Oranjeheld!" maar thans heeft het uitsluitend betrekking op den _slechten_ roep.--~Vermaard~ komt van _mare_ = tijding, bericht.
* * * * *
Friesland is -- om zijn heerlijke boter.
Sommige stegen en achterbuurten van Amsterdam zijn -- om het gespuis, dat er woont.
Onze schilders Rembrandt, Jan Steen, Potter e.a. zijn --.
De -- Amersfoortsche keitrekking had plaats op 28 Mei 1903. (Een »eigenaardige" bekendheid.)
Haarlem is -- om zijn bloembollen.
Jack the Ripper was een -- vrouwenmoorder.
De Nederlanders zijn als waterbouwkundigen alom --.
Sommige kuststreken van Italië zijn -- om hun moeraskoortsen.
De -- vaster Succi kon het 40 dagen zonder eten uithouden.
»Ginds prijkt dat grootsch gebouw, als achtste wonderwerk door heel Europa --". ('t Stadhuis van Amsterdam.)
»Allen zijn er het over eens, dat de jaren tusschen den zevenjarigen oorlog en den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, de -- eerste regeeringsjaren van Willem V, voor de Republiek de vette jaren bij uitnemendheid zijn geweest". (Prof. Brugmans. Die eerste regeeringsjaren van Willem V hebben een »eigenaardige" vermaardheid gekregen!)
105. Bedriegen--misleiden--verschalken--foppen.
_Veroorzaken dat het onware voor waar wordt gehouden._
~Misleiden~ zegt letterlijk: op een verkeerden weg brengen en daardoor dwaling veroorzaken; het wordt steeds figuurlijk gebruikt. _Door het klatergoud liet de jongen zich ~misleiden~; hij dacht een gouden ring gekregen te hebben en bemerkte later, dat het slechts een koperen was._ (Het blinkende klatergoud bracht hem op een dwaalspoor; hij meende met goud te doen te hebben en zag eerst later zijn dwaling in.)
~Bedriegen~ onderstelt schending van vertrouwen met het doel zichzelf te bevoordeelen: _De boekhouder ~bedroog~ zijn patroon_; of wel, het geeft een teleurstelling aan in hetgeen men verwacht had: _Hij schreef mij zelf te zullen komen, maar hij ~bedroog~ mij._--De Grieksche kunstenaar Zeuxis wist de natuur zoo getrouw na te bootsen, dat de vogels op zijn geschilderde druiven kwamen afvliegen. Hij ~misleidde~ de dieren, doordat hij ze op een dwaalspoor bracht (nl. de onechte druiven werden voor echte gehouden) en hij ~bedroog~ ze tevens, doordat hij hun verwachting, om er van te kunnen eten, teleurstelde.
~Verschalken~ heeft de bijbeteekenis, dat een list wordt aangewend; het wordt gebruikt, wanneer de eene partij de andere door zulk een list tracht te overwinnen of te verzwakken. _De vogelaar ~verschalkt~ de kwartels_ (hij spant een net met lokaas).
~Foppen~ heeft dezelfde grondgedachte als bedriegen, maar wordt alleen van onschuldige handelingen gebezigd; bovendien is het bijna uitsluitend tot de spreektaal beperkt.
Als ik mijn makker een steentje in de hand stop, in plaats van bijv. een appel, dan ~fop~ ik hem. Vandaar ook: _fopspeen_.
* * * * *
Laat u niet door den uiterlijken schijn --.
De schipper Van Bergen wist de bezetting van 't kasteel van Breda te --.
De rentmeester heeft den graaf op een schandelijke wijze --.
Ik dacht hem mooi te zullen --, maar de oolijkerd was mij te slim af.
Men moet dieven met dieven --.
Door schoone beloften heeft hij zich tot dien stap laten --.
Koop dat paard niet van hem, hij wil u blijkbaar --.
De commiezen wisten de smokkelaars op slimme wijze te --.
106. Babbelen--praten--kouten--snappen--kakelen.
_Weinig beduidende dingen zeggen._
~Snappen~ zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen hebben en dat snel en zonder ophouden doen.
~Babbelen~ wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd; soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer kwaadspreken aan. _Zij is een eerste ~babbelaarster~: vertrouw haar geen geheim toe._
Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men ~kakelen~. _Hoor die vrouw daar eens staan te ~kakelen~, mijn ooren tuiten er van._--~Praten~ doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken, meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men _spreken_. _Kom eens bij me ~praten~. Is mijnheer te ~spreken~?_)--~Kouten~ onderstelt, dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.
* * * * *
Hoor die kleine meid eens --, haar mondje staat geen oogenblik stil.
Niemand mag onder de les --; dat is veel te hinderlijk.
Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te --, dat zij aan geen tijd meer dachten.
Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het -- is geweest.
De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te --: meermalen steeg er een hartelijk gelach op.
Trijn is verkouden, schor en heesch. »Nog wil 't wijf --", zegt Kees. Dat 's een van d'ellendigste gebreken: Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken.
107. Sterven--overlijden--doodgaan--ontslapen.
_Ophouden te leven._