Part 5
Dankbaarheid is dus sterker dan erkentelijkheid; daarom zegt men in 't dagelijksch leven uit beleefdheid voor een bewezen dienst: »Ik ben u _dankbaar_"; sprak men van »erkentelijkheid", dan zou men de gedachte opwekken, dat men de bewezen goedheid wilde beloonen en daardoor zou men haar waarde verminderen.
~Verplichting~ gebruikt men, als men zedelijk tot erkentelijkheid verplicht, d.i. gedwongen is. _Daar ik aan hem zeer veel ~verplichting~ heb, wil ik hem niet in het minst tegenwerken._
* * * * *
Ik was mijn ouders zeer -- voor het fraaie geschenk.
De -- van een kind jegens zijn ouders is zeer groot.
Uit -- voor de vele diensten den lande bewezen liet de Regeering den zeeheld op 's lands kosten begraven.
-- bezielde de muis, toen de leeuw haar de vrijheid schonk; toen zij later de mazen van het net doorknaagde, bewees zij hem haar -- voor die daad.
De drenkeling besefte diep de --, die hij jegens den redder zijns levens had.
Loof den Heer met -- voor Zijn vele gaven.
Ik ben mijn leermeester nog altijd -- voor de nuttige lessen, die hij mij gaf.
Ik gevoel levendig de --, die ik tegenover mijn pleegouders heb.
Gebruik nu in zinnen: dankbaar, erkentelijk, verplicht.
78. Deemoedig--nederig--ootmoedig.
_Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen dunk van zich zelven heeft._
~Nederig~ zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat alle pracht en trotschheid verre blijft. _Hij is ~nederig~ gekleed.--In een ~nederige~ woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch paleis._
~Deemoedig~ onderstelt schuldgevoel, terwijl ~ootmoedig~ de bijgedachte heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. _Hij smeekte God ~deemoedig~ om vergeving; hij onderwierp zich ~ootmoedig~ aan Zijn wil._
* * * * *
Met een -- hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld.
Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even --; ja van zijn grootste overwinningen gaf hij Gode -- de eer.
De zondaar lag -- in het stof gebogen en bad God -- om vergiffenis.
In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: »Blijve UEd. -- dienaar".
Hij is te -- om zich zóó te laten huldigen.
Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk -- naar zijn ouders terug.
79. Dwars--scheef--schuin.
_Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen._
~Dwars~ duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander staat. _Hij zwom ~dwars~ door de gracht._
Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men van ~scheef~ en ~schuin~. Hierbij duidt men door ~scheef~ aan, dat de richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen ~schuin~ niet onderstelt. _Dit pad loopt ~schuin~ door het bosch.--Deze regel staat erg ~scheef~.--Deze letters staan ~schuin~_ (d.i. cursief) _en die staan ~scheef~_ (dus verkeerd).
* * * * *
De storm wierp den boom -- over den weg, zoodat het verkeer gestremd werd.
Pas op, de tafel staat --.
Sommige menschen hangen een schilderij -- (met een hoek voorover) om het beter te belichten.
Deze schilderij hangt iets --; hang ze dus recht.
Ik geloof, dat gij mij den voet -- wilt zetten.
Ik woon -- over den smid (n.l. recht er over) en -- tegenover den bakker.
Wat loopt hij zijn hakken --.
Hij trachtte in -- richting de kust te bereiken.
Hij heeft den hoed -- opgezet.
De stormen wierpen een zandbank -- voor de haven.
80. Overwinning--zege--zegepraal.
_De gunstige uitslag van den strijd._
~Overwinning~ ziet meer op den goeden uitslag, ~zege~ meer op het moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men ~zege~, dat meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning. _Na de ~overwinning~ keerden de onzen met grooten buit terug.--Met groote dapperheid bevochten de onzen de ~zege~._
(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning _behalen_, en de zege _bevechten_. En waarom spreekt men van een _beslissende_ overwinning en van ~zege~teekenen?)
~Zegepraal~ (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht, dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden; bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd[1]; thans duidt men met zegepraal meer den _vreugdevollen_ optocht na de overwinning aan. (Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) _Het houten paard der Grieken werd in ~zegepraal~ binnen Troje gebracht._[1]
[1] Zie uitvoeriger mijn »Wetenswaardig Allerlei".
* * * * *
De onzen behaalden een beslissende -- op den vijand.
Eindelijk werd de -- door de onzen bevochten.
De gevangen vorst werd in -- door de stad gevoerd.
Wie heeft in den wedstrijd de -- behaald?
Het zegevierend leger trok in -- naar de stad terug.
Iedere nieuwe -- vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.
Hoe harder de strijd, hoe grooter de --. (Wat merkt gij hier op?)
Sommige hovelingen waren naijverig op de -- van 's konings veldheer en gunsteling.
Onze waterbouwkundigen hebben menige -- op de zee behaald.
81. Overrompelen--overvallen--verrassen.
_Onverwachts aanvallen._
Bij ~verrassen~ komt vooral de snelheid uit, waarmee de onverwachte aanval geschiedt. In den regel wordt een of andere krijgslist gebruikt, waarop dus de vijand niet gerekend heeft, zoodat hij zich moet overgeven. (_Ras_ = snel.) _Het vijandelijk convooi werd door een paar in hinderlaag liggende Boeren ~verrast~._
~Overvallen~ ziet meer op de heftigheid, men zou haast zeggen de onbesuisdheid, waarmee de onverwachte aanval geschiedt, zoodat de aangevallene voor een goed deel weerloos is. Toch kan hij misschien nog den aanval afslaan, wat ~verrassen~ niet onderstelt. _De vijand werd bij nacht ~overvallen~ en verloor vele dooden._ Figuurlijk: _Wij werden door den regen midden op de heide ~overvallen~._
~Overrompelen~ heeft het bijdenkbeeld, dat door den onverwachten aanval verwarring ontstaat; de aangevallene weet dus niet, wat te doen, en zoo maakt de aanvaller zich des te zekerder van hem meester. _De Utrechtsche Patriotten trachten in den nacht van 29 op 30 Juli 1787 het paleis Soestdijk te ~overrompelen~, maar de bezetting werd nog tijdig gewaarschuwd._
* * * * *
De vijand heeft de vesting --. (Verklaar nu de drie schakeeringen.)
Nauwelijks was de boot in zee gekomen, of zij werd door een storm --.
De politie had zich in den boom verborgen en kon zoo gemakkelijk de dieven --.
Prins Maurits wist door middel van een turfschip Breda te --.
Ik was vast besloten mijn toestemming niet te geven, maar hij heeft mij weten te --. (Figuurlijk!)
Een zwaar gewapende bende roovers heeft de reizigers in het bosch --.
Terwijl de onzen vreedzaam in hun kamp zaten te eten, werden zij door een bende Atjehers --.
82. Overtollig--overbodig--overdadig.
_Meer dan noodig._
~Overtollig~ (van tal, tellen) is meer dan het vereischte getal, zoodat het min of meer met _nutteloos_ gelijk staat of de beteekenis van _hinderlijk_ nadert.--_Gij kunt de ~overtollige~ exemplaren van dit boekje wel behouden_ (dat zijn de exemplaren, die na de uitdeeling nog overblijven en dus voor het doel, de uitdeeling, nutteloos zijn). _Zet deze drie ~overtollige~ stoelen even de kamer uit; zij staan ons alleen maar in den weg._
~Overbodig~ noemt men alles, wat meer is dan geboden (d.i. verplicht, noodig) wordt geacht; het onderstelt dus niet, dat iets nutteloos is, maar komt vrijwel met _onnoodig_ overeen. _Ik bezit reeds een uitvoerig werk over onze geschiedenis; dit beknopt boek zou dus maar ~overbodig~ zijn._
~Overdadig~ (van overdaad) heeft een ongunstige beteekenis: het nadert den zin van _onmatig_ of _verkwistend_. _Het ~overdadig~ rooken benadeelt de gezondheid.--Zijn ~overdadige~ uitgaven zullen hem spoedig arm maken._
* * * * *
De stoommachines voeren het -- polderwater in den boezem.
Zulke plichtplegingen zijn hier geheel --.
Gij moet de -- gelden maar voor wat anders besteden.
Zijn woning is vol van -- pracht.
De meeste ophelderingen in dit boek zijn -- en hadden dus wel weggelaten kunnen worden.
Een -- gebruik van verkoelende vruchten is schadelijk voor de gezondheid.
83. Mogelijk--misschien--wellicht.
_Deze woorden geven te kennen, dat iets nog onzeker is._
~Misschien~ drukt uit, dat er nog groote onzekerheid bestaat. _~Misschien~ zal hij komen, ~misschien~ ook niet._
~Wellicht~ (of: ~licht~) nadert meer de zekerheid. _Hij zal ~wellicht~ nog komen, al is het ook regenachtig._
~Mogelijk~ onderstelt, dat de kans zeer groot is. _~Mogelijk~ zijn ze nu al in Amsterdam._
* * * * *
Zeg mij, wat u scheelt, dan kan ik u -- helpen (Troost: veel zekerheid geven!)
Ik zal eens even kijken; -- kan ik u helpen. (De waarschijnlijkheid is zeer gering!)
Ik heb zoo iets wel eens meer gedaan; -- kan ik ook u helpen. (De zekerheid is groot!)
84. Nauw--eng--bekrompen.
_Niet wijd of ruim._
~Nauw~ drukt zonder meer het tegengestelde van wijd uit: een _nauwe_ straat. Zie No. 50.
~Eng~ voegt er het begrip bij, dat iets door die nauwte bekneld wordt. _De jas is mij te ~eng~. Een land~engte~_ en in figuurlijken zin: _Een ~eng~ gevoel._
~Bekrompen~ duidt aan, dat er minder ruimte is, dan vereischt wordt: _Hij woont daar zeer ~bekrompen~_, en figuurlijk: _Een ~bekrompen~ verstand._
Wat is sterker: Iemand in de ~engte~, of iemand in het ~nauw~ drijven?
* * * * *
Deze gang is wel wat --.
Onze weg voerde door een -- pas.
Een -- corset is schadelijk voor de gezondheid.
Hij leeft in -- omstandigheden.
In zoo'n -- steeg komt nooit een zonnestraaltje.
Het werd hem -- om het hart.
Deze kamer is voor al dat huisraad veel te --.
85. Lichtvaardig--lichtzinnig--luchthartig.
_Niet geneigd tot ernstig nadenken._
~Luchthartig~ is hij, die vroolijk en onbezorgd van aard is en niet tot ernstig nadenken over zijn handelingen komt. _Hij liep ~luchthartig~ over het voorstel heen en nam het aan, zonder dat hij eigenlijk vermoedde, waartoe hij zich verbond._
~Lichtzinnig~ heeft een ongunstige beteekenis; het ziet op een karaktertrek van hem, die gebrek heeft aan den noodigen ernst en die nooit vooraf de gevolgen zijner handelingen overweegt. _Hij is ~lichtzinnig~ genoeg, om al zijn geld aan die liefhebberij uit te geven._
~Lichtvaardig~ is hij, die zich gemakkelijk door anderen laat meesleepen of verleiden, doordat hij niet zelfstandig nadenkt en overlegt. _Hij was ~lichtvaardig~ genoeg om zijn geld in die onderneming te steken._ (Hij liet zich daartoe gemakkelijk overhalen, doordat hij niet bedacht, wat de gevolgen konden zijn. _Vaardig_ komt van _varen_ = _gaan_.)
* * * * *
Het -- gedrag zal dat jongmensch eenmaal duur komen te staan.
Hij is veel te -- om zich daardoor lang uit zijn humeur te laten brengen.
Hij heeft zich al te -- laten verleiden om zijn meerdere aan te klagen.
Het leven is veel te ernstig om het -- op te vatten.
Gij moet nooit -- oordeelen over het gedrag van uw naasten (d.w.z. laat u niet verleiden door den uiterlijken schijn, maar onderzoek zelf).
Door den invloed van dat losbandig en -- gezelschap had de jonge student spoedig zijn gezondheid geknakt.
86. Duister--donker--somber.
_Gebrek aan licht hebbende._
~Somber~ geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; ~donker~ ziet meer op de onvoldoende belichting zelf. Een _somber_ vertrek heeft door zijn bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige omstandigheden _donker_ zijn. _Bij regenachtig weer is het in de kamer vroeg ~donker~._
~Duister~ duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maans_verdonkering_, maar van maans_verduistering_.
Figuurlijk gebruikt wil ~somber~ zeggen: triestig, bijv. een _sombere_ stemming; ~donker~ staat dan gelijk met zorgwekkend: een _donkere_ toekomst, terwijl ~duister~ dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv. een _duistere_ redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke beteekenis der 3 woorden.)
* * * * *
Het was zoo -- in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.
Dit museum geeft van buiten den indruk een -- gebouw te zijn.
Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk --.
Ik merkte terstond, dat hij -- gestemd was en zocht hem wat op te vroolijken.
Het volk, dat in de -- zit, zal een groot Licht zien.
In de -- dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn partijschappen te vergeten.
Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog --.
Op een regenachtigen, -- herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde besteld.
Met een -- gemoed ging hij de -- toekomst tegen.
»Uit het -- van den nacht Moet de dag eens rijzen."
87. Verlies--schade--afbreuk--nadeel.
_Alles wat niet voordeelig voor ons is._
~Verlies~ duidt een vermindering van bezit aan. _Het ~verlies~ aan dooden bedroeg aan onze zijde 500 man._
~Schade~ let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. _De ~schade~ bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed groote ~schade~ aan de dijken._ (Hun waarde als zeewering verminderde.)
~Nadeel~ is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien. _Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste ~nadeel~ gehad_ (de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv. minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van welstand). _Misbruik van sterken drank doet ~nadeel~ aan onze gezondheid_ (of: _~benadeelt~ onze gezondheid_). Men zegt: _Door ~schade~ wordt men wijs_, en niet: _door ~nadeel~ wordt men wijs_, immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden; in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen, dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: _~schade~ is altijd geen ~nadeel~_.
~Afbreuk~ is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons recht. _De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie ~afbreuk~ gedaan._ Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: _De Watergeuzen deden den Spanjaarden veel ~afbreuk~._
De overstrooming richt groote ~schade~ aan; menigeen lijdt er zware ~verliezen~ door; ook kan zij ~nadeel~ doen aan de vruchtbaarheid van den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt; ~afbreuk~ evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?)
Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers lijden ~verlies~ aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun ~schade~; en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun klanten weglokt, waarop _zij_ recht meenden te hebben, doet hij zijn collega's ook ~afbreuk~. In ieder geval is die vestiging van een concurrent een ~nadeel~ voor de reeds daar wonende winkeliers: die vestiging strijdt n.l. met hun belangen.
* * * * *
De storm deed veel -- aan de duinen.
Bij dien handel leed hij een groot -- aan kapitaal.
Aan die betrekking is het -- verbonden, dat men ook Zondags bezet is.
De --, die de koopman door het -- van zijn schip leed, wordt door verzekering gedekt.
Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot -- moeten verkoopen; doch dit --, aan de benoeming verbonden, wordt ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris.
Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel --.
De engerlingen doen groote -- aan de planten.
Men berekent het --, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden; want door de lage assurantie wordt de -- slechts gedeeltelijk gedekt.
De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel --.
88. Nadoen--navolgen--nabootsen--naäpen.
_Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan._
~Nadoen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. _Wie kan mij dat kunstje ~nadoen~? Achter zijn rug ~deden~ de deugnieten den onderwijzer alles ~na~_ (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).
Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men van ~naäpen~. _Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze ~naäperij~ opofferen._
~Navolgen~ geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is voorgegaan of voorgaat. _Deze edele zelfopoffering werd door velen ~nagevolgd~._
Terwijl ~navolgen~ uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil komen, wijst ~nabootsen~ aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). ~Navolgen~ ziet dus op het wezenlijke, het innerlijke, ~nabootsen~ meer op den schijn, het uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig. Wel zegt men: _Hij weet precies mijn stem ~na te bootsen~._
* * * * *
Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het straks eens --.
Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus --.
De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel --.
Een deugdzaam mensch mag men in alles --.
Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies zijn buurman --, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk --.
In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden --.
89. Bekoren--verrukken--vervoeren.
_Door een of andere eigenschap onder sterken invloed van een ander komen._
~Bekoren~ wil zeggen, dat de persoon (of zaak) zich geheel meester van onze zinnen maakt en wij daardoor geheel onder den invloed komen. _De arme dwaas liet zich geheel door den schijn ~bekoren~._ Het gevolg van dezen toestand wordt aangeduid door ~verrukking~ en ~vervoering~.
~Verrukken~ wijst aan, dat de bekoring ons in een hoogst aangenamen toestand brengt, terwijl ~vervoeren~ te kennen geeft, dat wij ons tot buitensporigheden laten verleiden. _Hij was geheel en al ~verrukt~ door de voorkomende behandeling.--Door zijn onbegrensde heerschzucht liet Napoleon zich ~vervoeren~ den tocht naar Rusland te ondernemen, niettegenstaande het barre jaargetijde ophanden was._
* * * * *
Wien zou zoo'n heerlijke zomeravond niet --?
In zijn ijver voor de goede zaak liet hij zich zoozeer --, dat hij onwellevend werd.
Ik was zeer -- door dit onverwachte succes.
Zulk een eenzaam leven zou mij niet kunnen --.
De vreugde over de behaalde overwinning liet hem tot allerlei dwaze dingen --.
Geheel -- staarde hij langen tijd het portret zijner moeder aan.
»Dan klimmen wij de heuvlen vroolijk op, En staren, diep --, van hunnen top."
90. Gebieden--gelasten--bevelen.
_Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich daardoor bij hun handelingen laten leiden._
~Gebieden~ wordt gezegd van den machthebber en doet dus onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. _De koning ~gebood~ den edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen._
~Bevelen~ drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt, wat zij doen moeten. _De veldheer ~beval~ zijn manschappen tot den aanval over te gaan._
~Gebieden~ is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan ~bevelen~. _Ik ~gebied~ u heen te gaan_ is sterker dan: _ik ~beveel~ u heen te gaan_. Bovendien ziet ~gebieden~ meestal op een voorschrift van blijvenden en ~bevelen~ op een van tijdelijken aard. _God heeft ons ~geboden~ niet te stelen. De veldheer ~beval~, dat de soldaten niet zouden plunderen._
~Gelasten~ onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht geeft, om dien te vervullen. _De generaal ~gelastte~ den koerier, onmiddellijk versterking te gaan ontbieden._ Ook ziet ~gelasten~ soms op bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: _De boschwachter ~gelastte~ den houtdief het gestolene af te geven._
* * * * *
De regeering heeft --, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle klokken geluid moeten worden.
De regeering heeft den burgemeesters --, ten spoedigste het aantal scholen in hun gemeenten op te geven.
Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en -- u dus voortaan buiten het hek te blijven.
De Burgemeester heeft --, dat niemand meer vuilnis op de straat mag werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding gedacht.)
De naastenliefde --, onze vijanden lief te hebben.
De heer -- den koetsier, wat zachter te rijden.
De heer -- den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen.
De onderwijzer -- den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te spelen.
De officier --, dat de troepen zich zouden terugtrekken.
De spreker wenkte met de hand en -- stilte.
91. Armzalig--ellendig--kommervol.
_In deerniswaardigen toestand verkeerende._
Bij ~ellendig~ denken wij hoofdzakelijk aan den ongelukkigen toestand, waarin iemand verkeert. _De rijke man leed aan een verschrikkelijke kwaal; eerst de dood maakte een einde aan zijn ~ellendig~ leven._ (»Ellendig" beteekent letterlijk »anderlandig", d.i. de toestand van een balling; _el_ vindt men ook nog in _elders_.)
~Armzalig~ wijst aan, dat de ellendige toestand tevens ons medelijden opwekt. _Deze arbeider slooft van den vroegen morgen tot den laten avond om zijn ~armzalig~ bestaan te rekken._
~Ellendig~ en ~armzalig~ zien op personen, zaken of toestanden, ~kommervol~ wordt uitsluitend in betrekking tot menschen gebruikt; het wijst aan, dat iemand veel kommer, veel zorg, verdriet of gebrek heeft. _Niettegenstaande al zijn goud had hij toch een ~kommervol~ leven, daar zijn eenige zoon voortdurend zijn levensvreugde vergalde._
Figuurlijk gebruikt duiden ~armzalig~ en ~ellendig~ ook personen of zaken op minachtende wijze aan. _Dat ~ellendig~ gehaspel moet nu maar uit zijn. Voor een ~armzalige~ duizend gulden heeft hij zijn vriend verraden._
* * * * *
Bij dien brand verloren drie menschen -- het leven.
Wij traden de -- hut binnen en vonden den zieke in een -- toestand.
Zijn -- leven heeft hem reeds vóór zijn jaren oud gemaakt.
Die -- kerel heeft al heel wat menschen op schandelijke wijze bedrogen.
Voor een paar -- guldens zou hij een moord plegen.
92. Mistrouwen--wantrouwen--verdenken.
_Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is._
~Mistrouwen~ wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen, daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. _»O, ~mistrouw~ 't Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!" Het is beter iemand, die men niet kent, te ~mistrouwen~ dan te vertrouwen._--
~Wantrouwen~ is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter, maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde. _Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, ~wantrouw~ ik hem._--~Wantrouwen~ en ~mistrouwen~ zien op toekomstige handelingen, ~verdenking~ daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. _Daar hij onder ~verdenking~ stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in hechtenis genomen._
* * * * *
Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid betrapt heb, -- ik hem.