Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.

Part 4

Chapter 43,516 wordsPublic domain

~Overlaten~ duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het achtergelatene ten behoeve van een ander. _De vluchteling ontdeed zich snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en ~liet~ zijn kleeding aan zijn vervolgers ~over~._ Wordt ~overlaten~ gebruikt bij een sterfgeval, dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. _Bij zijn dood heeft de verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi ~overgelaten~._

* * * * *

De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman --.

Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren --.

Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn vervolgers --.

De gierigaard heeft een groot kapitaal --.

Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd --.

Zijn daden zullen hier een aangename herinnering --.

Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste ellende --.

Bij zijn vertrek liet hij groote schulden --.

Bij zijn dood heeft hij groote schulden --.

Hij liet mij aan mijn eigen lot --.

Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een handkoffertje --.

De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf --.

62. Overtuigen--overreden--overhalen.

_Iemand tot andere gedachten brengen._

~Overreden~ wil zeggen: iemand door redeneering zoover brengen, dat hij het een of ander doet of toestaat, waarvan hij te voren niet wilde weten. _Het kostte ons veel moeite hem te ~overreden~, de benoeming van voorzitter aan te nemen._

~Overhalen~ is niet zoo sterk als overreden; het onderstelt minder klemmende redeneering en duidt meer op goed gekozen woorden of verleidelijke voorstellen. Het wordt dus meer van alledaagsche zaken gebezigd en kan ook een ongunstige beteekenis hebben. _Ik heb hem ~overgehaald~ nog een week zijn reis uit te stellen. Hij liet zich door de dieven spoedig ~overhalen~ het gestolene in zijn woning te verbergen._

~Overtuigen~ ziet niet zoozeer op de daden van iemand, als wel op zijn meening, zijn inzicht. Het wil zeggen: iemand door grondige bewijzen brengen tot de erkenning, dat hetgeen wij zeggen, volkomen waar is. Het onderstelt meestal, dat wij zijn bedenkingen eerst moeten weerleggen, alvorens hij de waarheid onzer woorden wil aannemen. _Ik heb hem eindelijk ~overtuigd~, dat zijn levenswijze zijn gezondheid moet ondermijnen in plaats van die te bevorderen._

* * * * *

De verleider wist hem spoedig --, mee te doen.

Men heeft hem reeds lang te vergeefs willen -- geheelonthouder te worden; eerst toen men hem eindelijk -- had, dat de alcohol vooral voor zijn gestel zeer schadelijk is, heeft hij zich als lid laten inschrijven.

Hoewel hij geheelonthouder is, heeft hij zich in een zwak oogenblik laten --, een glas wijn te drinken.

Men kon hem niet --, de candidatuur voor den gemeenteraad te aanvaarden. Wij trachtten hem wel te --, dat een man van zijn kennis en ervaring in den Raad onmisbaar was, maar hij bleef bij zijn voornemen.

De gevangene wist den cipier --, hem bij de ontvluchting behulpzaam te zijn.

63. Achting--eerbied--ontzag.

_'t Gevoel, dat iemands voortreffelijkheid of meerderheid ons inboezemt._

~Achting~ draagt men iemand toe, als men zijn voortreffelijke hoedanigheden erkent en hem daarom eert. _Door deze edelmoedige zelfopoffering verwierf de held zich de ~achting~ van alle medeburgers, ja zelfs van zijn vijanden._

~Eerbied~ onderstelt, dat men iemands meerderheid levendig gevoelt en hem dit door betooning van hulde en eer op eenigszins onderdanige wijze duidelijk bewijst. Een request aan regeeringspersonen begint meestal: _Geeft met verschuldigden ~eerbied~ te kennen_, enz.

~Ontzag~ is de eerbied, dien men voor zijn meerderen gevoelt; het gaat min of meer gepaard met een gevoel van vrees, daar zij ons voor onze tekortkomingen en overtredingen kunnen straffen. _Geloofd zij God met diepst ~ontzag~!_ (Waarom _diepst_, en niet _hoogst_?)

* * * * *

Gij moet den ouderdom met -- bejegenen.

Door zijn strenge straffen wilde Alva -- inboezemen.

De burgemeester verwierf zich door zijn uitstekend bestuur spoedig de -- aller ingezetenen.

Met diepen -- naderde de afgezant den koning.

Onder de zwakke opvolgers van Karel den Grooten ging spoedig het -- voor den vorst verloren.

Toen het bekend werd, dat Leicester met den vijand in het geheim onderhandelde, verloor hij weldra ieders --.

Zoodra de koning de vergaderzaal binnentrad, verhieven zich alle leden ten teeken van -- van hun zetel.

Deze leerlingen schijnen weinig -- voor hun onderwijzer te hebben; zij zouden anders ten minste met meer -- over hem spreken.

64. Betuigen--betoonen--bewijzen.

_Zijn gevoelen doen blijken._

~Betuigen~ geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door woorden. _Hij ~betuigde~ mij in hartelijke bewoordingen zijn vriendschap._

~Betoonen~ is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen, bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. _Hij ~betoonde~ mij zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken._

~Bewijzen~ komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. _Hij ~bewees~ mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te staan._

* * * * *

Hij -- wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet --.

De misdadiger was zeer bedroefd en -- daardoor berouw te hebben over het gebeurde.

Hij -- mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die hij mij aangedaan had.

Jan van Schaffelaar -- zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken van den toren te werpen.

De Tweede Kamer -- haar deelneming in het overlijden van haar medelid in een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij -- haar deelneming, door de zitting als teeken van rouw op te heffen.

De regeering --, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten.

65. Noodzaken--dwingen--dringen.

_Iemand met kracht tot een handeling bewegen._

~Dwingen~ zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt; de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. _De vijand wilde den schildwacht ~dwingen~ de wapens af te geven, maar de brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te worden._

~Noodzaken~ onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft dus niets anders over dan zich te onderwerpen. ~Dwingen~ geschiedt door machthebbende personen, terwijl ~noodzaken~ meer op de macht der omstandigheden ziet. _Doordat de proviand begon op te raken, waren de schipbreukelingen ~genoodzaakt~, zich op rantsoen te stellen._

~Dringen~ komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte menigte); bij ~dwingen~ daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de minste vrijheid meer. _De uitvoerigheid der stof ~drong~ mij mijn onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen._

* * * * *

De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood -- zich over te geven.

Doordat de weg zoo modderig was, waren wij -- van de fiets te stappen.

Ik gevoel mij --, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw medewerking.

Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden -- zijn eigen kleinzoon te bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.

Heemskerck en Barents waren -- den kouden winter op Nova-Zembla door te brengen.

Door ware vriendschap jegens u --, moet ik u ernstig tegen dezen man waarschuwen.

Door het ongunstige weer waren wij --, van de reis af te zien.

66. Tevreden--vergenoegd.

_Niet hakend naar meer._

~Tevreden~ is hij, die geen onbevredigde verlangens koestert en dus voldaan is, met hetgeen hij heeft.

~Vergenoegd~ zegt eveneens, dat men genoeg heeft, dus alles wat men verlangt, maar drukt tevens uit, dat die tevredenheid met zichtbare vreugde of blijdschap gepaard gaat.

* * * * *

Hij is -- met zijn lot en heeft daarom een gelukkig leven.

Hij ziet er vandaag -- uit.

Ik ben zeer -- over uw examen.

Deze eenvoudige en -- menschen leven -- en blij.

67. Misgunnen--benijden.

_Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien._

~Misgunnen~ duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den voorgrond. _Hij ~misgunt~ mij dit genoegen_, wil dus zeggen: hij draagt mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen smaak.

~Benijden~ onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel volstrekt nog niet te misgunnen.--Soms heeft benijden de ongunstige beteekenis verloren, bijv. _ik ~benijd~ u waarlijk uw mooien tuin_; men wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.

* * * * *

De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk was het te zien, dat hij hem dien overvloed --.

Ik -- je, dat je geslaagd bent, maar ik -- het je niet.

Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij -- ieder een vroolijken dag.

Er waren vele vrienden, die hem zijn succes --, maar nog meer vijanden, die het hem --.

68. Voorbedachtelijk--opzettelijk.

_Deze woorden geven te kennen, dat men het bepaalde voornemen heeft iets te doen._

~Voorbedachtelijk~ (of gewoonlijk: met voorbedachten rade) onderstelt meestal een slechte daad, ~opzettelijk~ daarentegen in den regel niet.

~Opzettelijk~ is het tegengestelde van toevallig; men wil dus laten blijken, dat men iets niet toevallig doet. _Ik heb hem ~opzettelijk~ opgezocht, om hem te overtuigen, dat ik niet meer boos was._ ~Voorbedachtelijk~ onderstelt, dat men vooraf middelen bedacht heeft ter bereiking van zijn doel; dit doel is bij _voorbedachtelijk_ altijd misdadig, hetgeen bij _opzettelijk_ niet het geval behoeft te zijn. _De edelen wekten Floris V met ~voorbedachten rade~ reeds spoedig uit zijn middagslaap, om hem zoodoende zonder gevolg naar de valkenjacht te laten trekken._

* * * * *

Ik heb hem -- voor dien jongen gewaarschuwd.

De dief heeft blijkbaar bij zijn inbraak -- eerst de weduwe vermoord.

In dit park heeft men -- nestkastjes geplaatst, om meer zangvogels te krijgen.

Men heeft den reiziger -- van den weg gelokt, om hem des te gemakkelijker te kunnen berooven.

Daar de rijkskanselier Bismarck gaarne den oorlog met Frankrijk wilde, beschuldigt men hem, dat hij -- het telegram van Ems zou hebben verminkt.

Ik heb u -- laten roepen, om u dit zelf te zeggen.

69. Aangezicht--gezicht--gelaat.

_Het voorste deel van het hoofd._

~Aangezicht~ is de algemeene en gewone benaming, terwijl ~gelaat~ edeler is als uitdrukking van het karakter. _Men heeft bijv. pijn in het ~aangezicht~_ en niet in het _~gelaat~. Men leest ontroering zoowel op iemands ~aangezicht~, als op zijn ~gelaat~_, hoewel dit laatste eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.

~Gezicht~ is hetzelfde als ~aangezicht~, maar behoort meer tot de alledaagsche taal: _Ik zag hem vlak in het ~gezicht~._ Het kan ook van dieren gebruikt worden: een _apengezicht_, en is daarom ook platter dan ~aangezicht~: _iemand een slag in het ~gezicht~ geven_.

* * * * *

Wie zijn neus schendt, schendt zijn --.

Het -- is de spiegel der ziel.

Hij viel op zijn -- en bad God om vergeving.

Het kind viel op zijn -- en liep een schram op.

Er lag een glans van voldoening op zijn --.

Wacht u voor iemand met twee --.

Ik ken hem alleen bij naam, niet van --.

Wat heb je toch een rood -- gekregen!

Met ontsteld -- kwam hij binnenstormen.

Je hebt je -- niet goed gewasschen.

70. Bepalen--vaststellen.

_Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven._

~Vaststellen~ doet men letterlijk iets, dat _los_ of _wankel_ staat, wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft tot twijfel. _De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G. ~vastgesteld~_ (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien nader en _vaster_ aangeven).

~Bepalen~ is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men _weet_ dan voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het _onbekende_ (niet het _twijfelachtige_) nauwkeurig wordt aangegeven. _Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur ~bepaald~._ (Het was eerst nog _onbekend_!)

~Vaststellen~ heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid weg te nemen, terwijl ~bepalen~ meer ziet op het nader aanduiden van het onbekende.

* * * * *

Geen mensch kan den loop der sterren --, wel kunnen de astronomen dien nauwkeurig --.

Mijn vertrek is eindelijk op half Maart --.

Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief --.

Het feest is op 31 Augustus --, maar het programma moet nog nader -- worden.

De erflater had --, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het weeshuis zou komen.

Hebt gij de kenmerken van deze plant al --? (Zij waren onbekend!)

De gemeenteraad heeft het percentage van de plaatselijke directe belasting op 1.5 --. (Het was nog onzeker!)

De Regeering heeft --, dat de aangeslibde gronden aan het Rijk behooren.

71. Edelmoedig--grootmoedig.

_Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan._

De ~edelmoedige~ heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn, die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen zijn.

~Grootmoedig~ drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit; de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. _De ~edelmoedige~ verdient lof en toejuiching; de ~grootmoedige~ dwingt bewondering af._

* * * * *

Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt --; is de geredde zijn vijand, dan was de redder --.

De zendeling was -- genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo --, dat hij voor zijn moordenaars bad.

De liefdezuster leidde een leven van -- zelfopoffering.

De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een -- daad.

Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen -- behandelden.

Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo --, dat hij in de ure des gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een wissen dood redde.

Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de noodlottige overstrooming -- genoeg zijn pachters kwijtschelding van de huur te verleenen.

72. Zwoegen--slooven--slaven.

_Zwaren arbeid verrichten._

~Zwoegen~ ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. _Hoezeer Eliza ~zwoegde~ onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar zoontje te redden._

~Slaven~ doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken, terwijl ~sloven~ inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van den langen en zwaren arbeid. _Menig daglooner moet heel wat ~sloven~ voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van ~slaven~._ (Psalm 104.)

* * * * *

De man -- onder een zwaren last.

Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard --.

Deze arbeider -- van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn onderhoud voorzien.

Wat -- ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee andere?)

Moege-- en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de beide andere woorden?)

Hij stierf nog jong, maar af-- vóór zijn jaren.

73. Plaats--plek--oord.

_Een deel der ruimte._

~Oord~ heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig opgeeft. _De trekvogels zoeken in het najaar een warmer ~oord~ op._

~Plaats~ ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl ~plek~ bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. _Ieder lichaam neemt ~plaats~ in_ (d.w.z. een begrensd deel der ruimte; _oord_ of _plek_ kan dus niet dienen). _In zijn ~plaats~ zou ik anders handelen._ (Hier is _~plaats~_ figuurlijk gebruikt naar aanleiding van de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) _Op de Veluwe vindt men niet vele groote ~plaatsen~. Dit ~plekje~ in het bosch is ons dierbaar_ (een kleine plaats).

* * * * *

De --, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden.

In Amerika vindt men vele onherbergzame --.

In ons land wordt nog op vele -- die gewoonte gevolgd.

O dierbaar -- grond, waar eens mijn wieg op stond.

Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger -- op te zoeken.

Hij is hier de rechte man op de rechte --.

Op deze -- moet eens een kapel gestaan hebben.

In zulk een afgelegen -- zou ik niet kunnen wonen.

Op de --, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende dorpen. (Waarom is _plek_ hier niet juist?)

74. Deftig--plechtig--statig.

_Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden._

~Deftig~ wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als van zaken gezegd. _Hij kleedt zich altijd even ~deftig~. Een ~deftig~ publiek. Een ~deftig~ huis. Een ~deftige~ begrafenis._

~Statig~ noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie) vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te wekken: _een ~statige~ tred_. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of ouderdom ontzag inboezemt: _Een ~statige~ gestalte. Een ~statige~ eik._

~Plechtig~ is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën, die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. _Een ~plechtige~ audiëntie._ Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend zijn; bijv. _een ~plechtige~ gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo ~plechtig~_.

* * * * *

Toen de koning binnentrad, heerschte er een -- stilte. Met -- tred begaf hij zich naar den troon en legde op -- toon den eed op de grondwet af.

Wie woont er in dat -- huis?

Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een -- processie gehouden.

De -- Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land.

Bij die gelegenheid had hij zich -- gekleed.

Hoe -- rijst de dagvorstin omhoog in het -- morgenuur.

De -- Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland.

Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele -- huizen.

Ik verzeker u --, die woorden nooit gesproken te hebben.

Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid.

75. Gissen--veronderstellen--vermoeden.

_Iets voor waarschijnlijk houden, hoewel men geen volkomen zekerheid heeft._

Neemt men iets als zeker aan, dat nog niet bewezen is, dan spreekt men van ~veronderstellen~, meestal om er gevolgtrekkingen uit te maken. _Daar ik ~veronderstel~, dat hij eerlijk is, durf ik hem wel in mijn dienst nemen. Men ~veronderstelt~, dat het licht een trilling van den aether is._

Heeft men eenige zekerheid omtrent de waarheid, van wat men veronderstelt, dan spreekt men van ~vermoeden~. _De geleerden ~vermoeden~, dat in den loop der tijden de bodem van ons land gedaald is; men heeft ten minste in Holland op vrij groote diepte boomen gevonden, die alleen in drogen grond konden groeien._

~Gissen~ drukt uit, dat men uit de vele veronderstellingen de waarschijnlijkste kiest. _Het bevreemdt mij wel, dat hij niet gekomen is; ik ~gis~ echter, dat hij plotseling ongesteld is geworden_ (d.i. ik heb er wel geen enkel bewijs voor, maar daar hij anders nooit wegblijft, zou ik die veronderstelling voor de waarschijnlijkste houden).

* * * * *

Ik --, dat hij wel voor zijn examen zal slagen; hij heeft althans steeds met ijver gestudeerd.

Ik --, dat hij voor het examen van onderwijzer wel zal slagen, en zal daarom reeds naar een betrekking voor hem uitzien.

Ik --, dat hij uit boosheid niet gekomen is; hij kan zich ten minste zeer driftig maken.

De aanwezigheid van de groote planeet Neptunus werd reeds lang vóór de ontdekking door een paar sterrekundigen --.

Ik -- bij mijn lezers voldoende kennis der Fransche taal om de aanhalingen onvertaald te laten.

Over het doel van de ontmoeting der beide keizers werden door de dagbladen wel allerlei -- gedaan, maar geen enkele bevredigde het publiek.

Bij een slinger moet gij --, dat hij geen gewicht heeft.

Kunt gij ook niet eenigszins --, waarom hij kwaad op mij is?

»Wie ooit de toekomst -- moog', Wat wezen zal, is voor ons oog In duistren nacht verborgen."

76. Aanhouden--volharden--volhouden.

_Een werking of toestand doen voortduren._

~Aanhouden~ drukt alleen uit, dat de werking bestendig blijft voortgaan, dus zonder tusschenpoozen of zonder vermindering van kracht voortduurt. _De regen blijft maar ~aanhouden~; ik geloof niet, dat het vandaag nog droog wordt._

~Volharden~ wijst er op, dat de werking niet wordt gestaakt ondanks de groote bezwaren, die zich voordoen of de verzoekingen, die ons aanlokken; bij volharden is dus een vaste _wil_ noodig en het kan alzoo alleen van personen gezegd worden. _De Nederlanders zijn langzaam in het ontwerpen, maar ~volhardend~ in de uitvoering_ (d.w.z. de Nederlanders _willen_ een eenmaal aangevangen arbeid niet opgeven).

~Volhouden~ duidt aan, dat men met de werking niet uitscheidt, voordat zij is afgeloopen of het doel bereikt is. Ook dit woord kan dus alleen van personen gezegd worden (of van dieren in fabels). _Hij ~hield~ zoolang ~vol~ met solliciteeren, tot hij geplaatst werd._

* * * * *

De -- wint.

De ezel stookte den vos op, om met schoppen en slaan zoolang --, totdat deze niet meer behoefde te trekken.

Hoewel velen hem tot andere gedachten zochten te brengen, -- hij bij zijn plan.

Hij heeft langen tijd met verzoeken om traktementsverhooging --, maar zijn patroon -- in het weigeren.

De -- drop holt den hardsten steen uit.

Niettegenstaande een ander reeds lang den moed had opgegeven, bleef mijn broeder -- en zag ten laatste werkelijk zijn moeite beloond.

Hoezeer men den jongen christen met den marteldood dreigde, hij -- in zijn geloof.

De vorst blijft maar --, zoodat de scheepvaart gestremd is.

77. Dankbaarheid--erkentelijkheid--verplichting.

_De uitwerking, die ontvangen weldaden op ieder rechtschapen gemoed maken._

~Erkentelijkheid~ onderstelt, dat men gaarne tot een of anderen wederdienst bereid is. _Uit ~erkentelijkheid~ voor uw medewerking bied ik u hierbij een present-exemplaar van mijn werk aan._

~Dankbaarheid~ heeft de bijgedachte, dat de weldoener voor ons te hoog staat om hem met een wederdienst te beloonen. _Men is God voor Zijn vele weldaden ~dankbaarheid~ verschuldigd._