Part 3
De berichten over sommige feiten uit onze geschiedenis -- niet altijd overeen.
40. Schaarsch--zeldzaam--zelden.
_Weinig voorkomende._
~Zeldzaam~ duidt aan, dat iets slechts bij uitzondering gezien wordt, doordat er zeer weinig van die voorwerpen bestaan. _Voor dezen ~zeldzamen~ postzegel heb ik drie gulden betaald._
~Schaarsch~ wil zeggen, dat van iets op een gegeven tijdstip minder voorraad is, dan men verwacht had, zoodat er een tijdelijke behoefte aan bestaat. _Daar de aardappelen dit jaar ~schaarsch~ zijn, besteedt men hooge prijzen._
~Zeldzaam~ en ~schaarsch~ zijn bijvoeglijke naamwoorden, ~zelden~ is een _bijwoord van tijd_ en beteekent _bijna nooit_. _Hoe komt het toch, dat wij je tegenwoordig zoo ~zelden~ bij ons zien?_
* * * * *
Dat is een -- exemplaar van Vondels werken.
Door de invoering der muntgasmeters zijn in sommige steden de 2½-centstukken -- geworden.
Rijkdom en geluk vindt men -- vereenigd.
De berichten van het oorlogsveld zijn zeer --.
Bij Baarn groeit aan de Eembrug een -- plant; men ziet die plant maar -- in de tuinen.
Nu de aardappelen zoo -- zijn, eten wij maar veel meelspijzen.
Haastige spoed is -- goed.
De gastvrijheid onzer voorvaderen is -- geworden.
Het is een -- genot dezen vioolspeler te hooren.
41. Nijgen--buigen.
_Een vooroverwaartsche beweging maken._
~Nijgen~ is: slechts even buigen, liefst met een bevallige beweging, zoodat het vooral van vrouwen gebruikt wordt.
~Buigen~ onderstelt, dat de beweging sterker is; als teeken van nederigheid of onderdanigheid is het dus van meer kracht dan ~nijgen~. _Zij ~neeg~ het hoofd tot een beleefden groet. Hij ~boog~ het hoofd in het bewustzijn van zijn schuld._
* * * * *
De vorstin werd luide toegejuicht; vriendelijk -- nam zij die hulde in ontvangst.
De deputatie -- zeer diep voor den koning.
Met een bevallige -- nam de zangeres de bloemen aan.
Na den stormachtigen bijval -- de acteur naar alle zijden.
Hij moest voor de overmacht --.
42. Overdrijven--vergrooten.
_Iets grooter voorstellen dan het is._
~Overdrijven~ geschiedt meer uit hartstochtelijkheid, uit zucht om iets van grooter gewicht te doen schijnen, dan het in werkelijkheid is; het geschiedt dus niet uit boos opzet. _Dat er bij dit ongeval verscheidene menschen verongelukt zijn, laat zich denken; doch dit getal op 200 te stellen is zeker ~overdreven~._
~Vergrooten~ daarentegen onderstelt een bepaald opzet; men wil n.l. door dat vergrooten een of ander doel des te gemakkelijker bereiken. _Om hun zoon van zijn vertrek naar Indië terug te houden, hebben zijn ouders hem de bezwaren van het Indische leven zeer ~vergroot~ voorgesteld._
* * * * *
Kinderen zijn geneigd, hetgeen hun wedervaren is, te --.
De vijand heeft de verliezen aan onze zijde zeer -- opgegeven, om zich zelf des te meer roem toe te kennen.
Het is begrijpelijk, dat een moeder de deugden van haar kind vaak --.
Sommige couranten, die belang hadden bij den val van het ministerie, hebben de beteekenis van deze gebeurtenis zeer --.
»Ook 't goede kan men --, zoodat het ophoudt goed te zijn."
Om hem van de sollicitatie terug te houden, heeft men de eentonigheid van deze standplaats zeer --.
Dat zij van opschik houdt, is waar, maar dat zij daardoor haar man arm zou gemaakt hebben, is --.
43. Reis--tocht.
_Het trekken van de eene plaats naar de andere._
~Tocht~ onderstelt, dat er moeilijkheden te overwinnen zijn, terwijl ~reis~ meer op den verren afstand ziet. Zoo spreekt men bij het leger van veld_tochten_, niet van veld_reizen_. Waarom is het beter te zeggen een _plezierreisje_ dan een _pleiziertochtje_?
* * * * *
Op hun huwelijks-- naar Zwitserland hebben zij prachtig weer gehad.
De kruis-- hadden ten doel het Heilige Land te veroveren.
Op onze -- door Duitschland hebben wij den Harz bezocht.
Napoleons -- naar Rusland was het begin van het einde.
De -- van den koning naar St.-Petersburg zal een week worden uitgesteld.
Maurits' -- naar Duinkerken is niet geslaagd.
»Als iemand verre -- doet, dan kan hij wat verhalen."
44. Stom--sprakeloos.
_Niet in staat te spreken._
~Sprakeloos~ wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte, hetzij door hevige gemoedsaandoening. _Hij stond ~sprakeloos~ van schrik._
~Stom~ wijst op een aangeboren gebrek: _een ~stom~ kind_; of wel op het natuurlijk onvermogen om te spreken: _het ~stomme~ vee_.
Soms staat ~stom~ gelijk met _zwijgend_: _een ~stomme~ rol_, of wordt ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan sprakeloos: _Hij was ~stom~ van ontzetting._
* * * * *
Het geld, dat -- is, maakt recht, wat krom is.
Door den hevigen schrik was zij langen tijd --.
Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij -- van ontzetting.
Het front van dit orgel bevat verscheidene -- pijpen.
Die man is wel ongelukkig: hij is -- en blind.
Door een verlamming van de tong is zij -- geworden (was zij eenige dagen --).
45. Vatbaar--geschikt.
_De noodige eigenschappen voor iets bezittende._
~Vatbaar~ zegt, dat iemand in staat is tot het vatten of ontvangen van invloeden buiten hem. _Hij is erg ~vatbaar~ voor allerlei ziekten._
~Geschikt~ duidt aan, dat iemand door zijn bekwaamheid of aanleg in staat is, om iets te doen. _Hij is om zijn welsprekendheid zeer ~geschikt~ voor president dezer vereeniging._
* * * * *
Die jongen is niet -- voor goede indrukken.
Zulk een bedaard mensch is niet -- om als matroos te varen.
Deze tuinman is ook -- voor koetsier.
Ik geloof niet, dat deze booswicht voor verbetering -- is.
Van Wassenaar-Obdam was niet -- voor vlootvoogd.
Michiel de Ruyter was volstrekt niet -- voor vleierij.
De commissaris van politie is zeer -- om het onderzoek te leiden.
46. Wijzigen--veranderen.
_Iets anders maken._
~Wijzigen~ heeft betrekking op kleine veranderingen, die aan de hoofdzaak weinig afdoen; ~veranderen~ onderstelt, dat iets, wat vorm of strekking betreft, geheel anders wordt, en is dus veel sterker dan ~wijzigen~. _Ik zal den titel van dit boek: »Verhalen voor Jong-Holland" ~wijzigen~ in: »Verhalen voor de Jeugd".--Ik zal den titel van dit boek: »Verhalen voor Jong-Holland" ~veranderen~ in: »Vertelselboek voor 't Jonge Volkje"._ Evenzoo beteekent: _de wet ~wijzigen~_, daarin slechts kleine veranderingen aanbrengen, terwijl _de wet ~veranderen~_ beteekent: er een geheel andere strekking aan geven, 't zij door nieuwe toevoegsels, 't zij de bestaande artikels door geheel andere te vervangen.
* * * * *
Gij moet dezen zin in uw brief eenigszins --, want zoo is hij niet al te duidelijk.
Deze zin in uw brief bevat eigenlijk een beleediging; gij moet hem dus noodzakelijk --.
Hij -- zijn kleeding om zich onkenbaar te maken.
De Minister heeft met de wenschen der Kamer rekening gehouden en een -- wetsontwerp ingediend.
Deze bewering in uw opstel is geheel onjuist; gij moet dus dit gedeelte --.
De keizer heeft het doodvonnis van den moordenaar -- in levenslange opsluiting.
De richting van de spoorlijn is met een kleine -- door de Kamer goedgekeurd.
47. Verwelken--verdorren.
_Zijn frischheid verliezen._
~Verdorren~ wil zeggen: alle levenssappen verliezen, zoodat het sterven noodzakelijk moet volgen. _Deze boom is bijna ~verdord~._
~Verwelken~ ziet meer op het verliezen van frischheid, kleur of geur. _Een ~verwelkte~ bloem. De bladen ~verwelken~ bij droog weder, en, als zij niet begoten worden, ~verdorren~ zij ten laatste._
* * * * *
Deze plant staat te --; zij moet noodzakelijk water hebben.
Door den invloed van de nabijgelegen gasleiding schijnt deze beuk te --.
De koolplanten staan reeds te --; als het niet spoedig regent, zullen zij moeten --.
Deze zangeres is een -- schoonheid.
48. Verzamelen--vergaderen (of vergaren).
_Bijeenbrengen._
~Vergaderen~ duidt op het bijeenbrengen of bijeenkomen van gelijksoortige zaken of personen, die bij elkander behooren, terwijl ~verzamelen~ gezegd wordt van ongelijksoortige dingen, die men bijeenbrengt. _De gemeenteraad zal morgen ~vergaderen~_ (de leden behooren bij elkander, om een eenheid te vormen).--_Op de markt hadden zich vele menschen ~verzameld~, om Uilenspiegel te zien vliegen._ (Deze menschen behoorden niet bij elkander: er was oud en jong, rijk en arm, aanzienlijk en gering bijeen.)--Eindelijk ziet ~verzamelen~ soms vooral op hetgeen verstrooid was en weer bijeengebracht wordt: _De veldheer wist zijn gevluchte manschappen weer tot een nieuwen aanval te ~verzamelen~._ Vergelijk nu: _verzameling_ en _vergadering_.
* * * * *
Dit museum bevat een -- van incunabelen of wiegedrukken (boeken, vóór 1500 in ons land gedrukt).
De bijen -- ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.)
In de zaal werd een -- van schilders gehouden.
Wie den armen geeft, -- zich een schat in den hemel.
Hij -- zijn krachten tot een laatst verweer.
Mijn vriend doet veel aan het -- van prentbriefkaarten.
Deze vereeniging -- elken laatsten Vrijdagavond der maand.
Hij -- al zijn moed om tot dien stap over te gaan.
49. Week--zacht.
_Niet hard._
~Week~ duidt aan, dat iets gevoelig is voor indrukken: de _weeke_ klei; een _week_ gemoed.
~Zacht~ stelt meer het aangename gevoel, dat de aanraking geeft, op den voorgrond: het _zachte_ fluweel, een _zacht_ gemoed (d.i. aangenaam in den omgang).
* * * * *
Een -- windje lispelde door de bladeren.
Ik wist niet, dat hij zoo -- van hart was, zoodat hij geen lijden kan zien.
»En Neerlands -- grond hijgde onder 't wicht van wee."
Wij hebben dit jaar een -- winter gehad.
De boter is door de warmte erg -- geworden.
Een dokter moet niet --, wel -- van gemoed zijn.
50. Breed--ruim--wijd.
_Het tegengestelde van bekrompen._
~Ruim~ wil zeggen, dat men zich naar _alle_ zijden gemakkelijk kan bewegen, terwijl ~breed~ dit alleen van één afmeting zegt. Een _breede_ gang, een _ruime_ kamer.
~Wijd~ geeft hetzelfde als breed aan, maar heeft de bijbeteekenis, dat er veel of zelfs te veel plaats is voor een of ander voorwerp: een _wijde_ mouw, den havenmond _verwijden_.
* * * * *
Men heeft op dezen berg een -- vergezicht.
Hij vat zijn taak -- op.
Die jas is u wel wat --.
Hij heeft een -- inzicht in die zaak.
Iets in den -- uitmeten.
Een oneerlijk mensch heeft een -- geweten: »men kan er met paard en wagen in omdraaien."
Vele bewandelen den -- weg der zonde.
»Het -- hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid."
Van zulk een inkomen kan men -- leven.
Hij verliet met zijn vaderlijk erfdeel het ouderlijk huis en trok de -- wereld in.
51. Zeggen--spreken.
_Zich in woorden uiten._
~Spreken~ duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de beteekenis of den inhoud der woorden te letten. _De mensch kan ~spreken~._
~Zeggen~ heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. _Hij ~zeide~, dat hij spoedig terug kwam._ Vandaar komt ~zeggen~ altijd overgankelijk voor, terwijl ~spreken~ ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: _Hij ~sprak~ zeer lang in die vergadering_ (d.w.z. hij voerde lang het woord). _Men kan veel ~spreken~ en toch weinig ~zeggen~._
* * * * *
Ik zal je later wel eens --, waarom ik niet meega.
De redenaar -- zeer mooi.
Ik heb hem over die zaak --.
Ik heb hem het mijne van de zaak --.
Bij het -- moet gij niet te veel uw keel gebruiken.
Dat is een -- voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).
Hij -- met luider stemme: »Blijf, waar gij zijt!"
Toen ik hem naar de reden vroeg, -- hij geen woord.
Toen ik met hem in den trein zat, -- hij geen woord.
(Welk verschil is er tusschen: _Hij ~sprak~ geen woord_, en _Hij ~zeide~ geen woord_?)
52. Schrik--ontzetting.
_Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends._
~Schrik~ geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien of hooren als 't ware opspringt (_schrikken_ = springen; vgl. _schrikkel_jaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen). Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen.
Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan spreekt men van ~ontzetting~. (Zie No. 44.)
(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van ~ontstellen~.)
* * * * *
Van -- stond hij aan den grond vastgenageld.
Van -- rezen hem de haren te berge.
Met -- bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had.
Met -- bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was.
Met -- zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde.
Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, -- deze.
Van -- kon hij geen woord uitbrengen.
Ieder vernam met --, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden.
53. Beloonen--vergelden.
_Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft._
~Beloonen~ (soms _loonen_) geschiedt als een bewijs van goedkeuring (door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks (meest geld) te geven. _De vader ~beloont~ zijn kind. De eerlijke vinder zal goed ~beloond~ worden._
~Vergelden~ onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd worden. _Het kind ~vergold~ door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner ouders._
Bovendien ziet ~beloonen~ op den persoon (het _kind_ werd beloond), en ~vergelden~ op de zaak (de _zorgen_, niet de _ouders_ werden vergolden). Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in ongunstige beteekenis voorkomen: _Het kwaad ~loont~ zijn meester._ (Waarom niet _vergeldt_?)--_Kwaad met kwaad ~vergelden~._ (Waarom niet _beloonen_?)
* * * * *
Moge God u voor al uw zorgen --. Moge God u al uw zorgen --.
De onderwijzer -- den leerling voor zijn goed gedrag.
De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim -- geworden.
Het kwaad -- steeds zich zelf.
Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd --.
Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd --.
54. Slot--einde.
_Het laatste gedeelte van een zaak of handeling._
~Einde~ zegt dit in het algemeen, ~slot~ onderstelt het einde van een geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een ~einde~, maar geen ~slot~; daarentegen heeft een brief wel een ~slot~, doordat de brief een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het ~einde~ van de bladzijde, niet het ~slot~. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt worden; het ~einde~ vindt men na den laatsten regel, het ~slot~ ziet op de laatste zinnen: _Dat boek bevat een pakkend ~slot~. Ik las dit boek van het begin tot het ~einde~, maar vond niet het bewuste woord._
(Waarom zegt men wel _slot-zin_ en niet _einde-zin_?)
* * * * *
Aan het -- van dezen zandweg woont een jager.
Het -- van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht.
Aan het -- der volgende week hoop ik u te bezoeken.
Tot -- gaf de spreker nog een gedichtje ten beste.
De vergadering werd aan het -- rumoerig.
Het -- zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan.
Aan het -- zijner redevoering verhief zich een daverend applaus.
Vergeet niet het -- van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven.
De brief was zoo lang, dat er geen -- aan scheen te komen.
55. Hooren--luisteren.
_Door het gehoor iets waarnemen._
~Hooren~ drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin kan geschieden: _Wij ~hooren~ altijd het geloop op de verdieping boven ons._
~Luisteren~ drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of iemand hoort en is dus veel sterker. _De keukenmeid ~luisterde~ aan de deur, wat er binnen gesproken werd._
* * * * *
Wat -- ik, ga je vertrekken?
-- eens, wat die man te vertellen heeft.
De reiziger -- een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en --, wat het zijn mocht.
De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan --.
In die vergadering -- men soms rare dingen.
De geheele vergadering -- met gespannen aandacht naar den spreker.
Ik heb wel --, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar -- om het u over te vertellen.
56. Frisch--versch.
_Nog onbedorven, niet oud._
~Versch~ duidt aan, dat iets nog alle eigenschappen bezit, die het gevolg zijn van zijn nog kort bestaan. _Dit vleesch is nog ~versch~_ (het is nog niet bedorven of oud; het bestaat n.l. nog pas, d.w.z. de koe is pas geslacht); _een ~versch~ ei_.
~Frisch~ duidt aan, dat iets er jong of jeugdig uitziet, zonder het daardoor nog te zijn; het nadert zoodoende de beteekenis van: sterk, vol leven, gezond. _Na een rustigen slaap gevoelt men zich weer ~frisch~.--Een ~frissche~ kleur; ~frissche~ rozen._--Soms ook is het synoniem met verkoelend: _een ~frissche~ wind_.
* * * * *
Een glas -- melk is een gezonde drank. Een glas -- water is in den zomer aangenaam.
De veldheer liet -- troepen aanrukken.
Die man ziet er nog -- uit, al is hij reeds op jaren.
Hier heb ik een bouquet -- bloemen.
Dit vleesch schijnt mij niet -- meer.
Al is in den winter -- lucht soms ook wat --, zij is daarom toch onmisbaar.
Op den wand zag men een -- gemetselde plek, waarachter de huisheer zijn geld verstopt had.
Er woei een -- koelte.
Een glas citroen is 's zomers een -- drank.
57. Verwaarloozen--verzuimen.
_Nalaten, wat men behoorde te doen._
~Verwaarloozen~ beteekent: niet meer voor iets zorgen, zoodat het bederft of onbruikbaar wordt. _Hij heeft zijn tuin zoo laten ~verwaarloozen~, dat er haast niets meer dan onkruid in groeit._
~Verzuimen~ ziet op het nalaten van een of andere plicht. _Gij hebt zeker weer ~verzuimd~ den brief te frankeeren._
* * * * *
De regenten lieten de vestingen zoo --, dat de grachten dichtgroeiden en de kanonnen op de wallen verroestten.
Ik heb schandelijk --, u van mijn vertrek in kennis te stellen.
Wat ziet dat kind er -- uit.
Men beschuldigde de Gouvernante, dat zij opzettelijk de vloot liet --, om ons land des te gemakkelijker aan Engeland te kunnen overleveren. Deze valsche beschuldiging, dat zij haar plicht --, griefde haar diep.
Gij hebt heel wat --, door de uitvoering niet bij te wonen. (Het was dus uw plicht geweest te komen.)
58. Haast--spoed--ijl.
_De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt._
~Haast~ doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt meestal overleg en nadenken. _Gij behoeft met dit werk geen ~haast~ te maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en bedaard afmaakt.--In grooten ~haast~ heb ik dit geschreven: verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift._
~Spoed~ duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. _Dank zij den ~spoed~, waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd klaar._ ~Spoed~ sluit dus evenals ~haast~ een snellen voortgang der handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. _In zijn ~haast~, om nog op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te laat._
~IJl~ heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een _ijlbode_, daar er geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden. _Ik liet hem dit in aller~ijl~ weten._
* * * * *
Hoe meerder --, hoe minder --.
Ik hoop uw opdracht met bekwamen -- te volbrengen.
Als gij zoo'n -- maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.
Ik zal zijn koffer als --goed laten bestellen.
_Gebruik nu in zinnen_: haastig, spoedig, ijlings.
59. Verwisselen--verruilen (of ruilen).
_Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen._
~Verruilen~ wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen eigenaar krijgt. _Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos ~verruild~._
~Verwisselen~ duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden. Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. _Bij vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen ~verwisseld~._ (De handeling is toevallig.)--_Kinderen, ~verwisselt~ de leien!_ (De handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent: De kinderen _verruilen_ de leien?
* * * * *
Zij -- spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon.
De beide ontvangers hebben van standplaats --.
In vroeger tijd dreef men uitsluitend --handel.
De kinderen spelen vaak »boompje --".
Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem --.
De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam --.
Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika --.
De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden elkanders kinderen --.
60. Nieuwsgierig--weetgierig--benieuwd.
_Begeerig om iets te weten._
~Weetgierig~ is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het heeft dus een gunstige beteekenis. _Deze knaap toont zich zeer ~weetgierig~, zoodat hij vol ijver studeert._
~Nieuwsgierig~ is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken, waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook een meer ongunstige beteekenis. _Deze vrouw is zeer ~nieuwsgierig~: onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren._
~Benieuwd~ ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. _Ik ben ~benieuwd~, of hij zal slagen (of hij geslaagd is)._
* * * * *
Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen --, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was, waren velen -- genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan zien. Enkelen waren zelfs -- genoeg om zijn geschiedenis uit de oude geschriften op te diepen.
Deze dienstbode is uiterst --, voortdurend staat zij aan de deur te luisteren.
Een -- jongen kan soms moeilijke vragen doen.
Een -- jongen staat met zijn neus overal vooraan.
Wij zijn --, of hij benoemd zal worden.
Gij moet uw brieven beter voor de -- blikken van anderen verbergen.
61. Nalaten--achterlaten--overlaten.
_Overblijven door het weggaan van anderen._
~Nalaten~ onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene bezat. _Hij ~liet~ slechts één zoon ~na~. Hij heeft een groot vermogen ~nagelaten~._
~Achterlaten~ onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde personen of zaken niet meeneemt. _Hij ~liet~ bij zijn ontvluchting naar Amerika zijn huisgezin ~achter~._
Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan, waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: _Hij ~liet~ een diepbedroefde weduwe onverzorgd ~achter~._