Part 2
_Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden._
~Klooven~ duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan, terwijl ~klieven~ onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich spoedig weer vereenigen; ~klooven~ geschiedt daarom alleen met vaste, ~klieven~ met vloeibare of luchtvormige stoffen. ~Klooven~ ziet meer op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan, terwijl ~klieven~ meer let op het voorwerp, dat de werking verricht. Men zegt dus: _de arbeider ~klooft~ het hout_; 1º. is de verbreking der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het _doel_ der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: _het schip ~klieft~ de baren_, immers 1º. is de verbreking der deelen van voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf, door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt.
* * * * *
Ruwe diamanten moeten meestal -- worden.
De blanke duiven door-- de stille avondlucht.
De ridder reed op zijn vijand toe en -- hem met één slag van zijn zwaard den kop.
De wind is gunstig, en vroolijk -- het ranke schip de baren.
18. Stomp--bot.
_Wat niet scherp is._
~Stomp~ zegt men meer van een punt, ~bot~ van de snede: _Een ~stompe~ naald; een ~bot~ mes._ In figuurlijken zin beteekent ~bot~: niet scherp van verstand, niet snedig, dus dom. _Hij is een ~bot~ mensch, een botterik._ ~Stomp~ beteekent in overdrachtelijken zin: traag van begrip of van oordeel, suf. _Door het lange peinzen was hij geheel ~verstompt~._
* * * * *
Dit potlood heeft een -- punt.
Een -- hoek is grooter dan een rechte.
Ik heb mij daarop -- gedacht.
»Hij zwaait het vreeslijk treffend zwaard, door duizend slagen --geschaard."
De jenever had hem geheel --.
19. Behandelen--bejegenen.
_Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen._
~Bejegenen~ onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen betrekking op personen. _Hij heeft mij op straat onheusch ~bejegend~._
~Behandelen~ geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der werking. _Zulk een ~behandeling~ laat ik mij niet wel gevallen._ (_Zulk een ~bejegening~_, zou slechts op één geval zien.) _Men moet de dieren goed ~behandelen~._ (De werking wordt voortdurend herhaald.)
* * * * *
Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk --.
Als gij deze plant niet goed --, zal zij spoedig sterven.
Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te --.
Deze patroon -- zijn bedienden goed; de sollicitanten -- hij steeds voorkomend.
20. Toonen--wijzen.
_Laten zien._
~Toonen~ drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl ~wijzen~ de bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. _~Toon~ mij den brief en ik zal u ~wijzen~, hoe gij dien verbeteren moet. ~Wijs~ hem den weg eens._
~Wijzen~ kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: _hij ~wees~ met den vinger naar ons; zij ~wees~ op haar stoel_.
~Toonen~ komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. _Zij ~toont~ weinig verstand van de zaak te hebben._
* * * * *
Ik zal u even --, hoe de weg loopt.
Om hem te --, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde hulp verleend.
Wanneer gij hem uw overmacht --, zal hij zich wel laten gezeggen.
Hij -- zich met het geschenk niet tevreden.
Ik zal u mijn opstel --, maar dan moet gij mij --, hoe ik de fouten moet verbeteren.
De zieke zeide niets, maar -- voortdurend op zijn voorhoofd.
21. Dompelen--doopen.
_Nederwaarts in een vloeistof drukken._
~Dompelen~ duidt aan, dat het voorwerp geheel in de vloeistof wordt gedrukt, ~doopen~ dat dit slechts gedeeltelijk geschiedt. _Een lichaam, dat men in het water ~dompelt~, wordt lichter. Men ~doopt~ zijn vingers in het water om er iets mee te besprenkelen._ (Vandaar de tegenwoordige beteekenis van doopen in kerkelijken zin; vroeger was het werkelijk een in- of onderdompelen.)
Waarom zegt men wel: in rouw _dompelen_, en niet: in rouw _doopen_?
* * * * *
Voor gij gaat zwemmen, moet gij u eerst geheel in het water --.
Deze beschuit is voor het kind te hard, -- ze daarom in de melk.
22. Zich vernederen--zich verlagen.
_Alle gevoel van eigenwaarde afleggen._
~Vernederen~ zegt dit in gunstigen of ongunstigen zin. _Hij ~vernederde~ zich voor God._ (In deze beteekenis kan men ook _zich verootmoedigen_ gebruiken.) _Het kostte den trotschen ridder van voorheen groote moeite zich te ~vernederen~ tot het verrichten van veldarbeid._
~Verlagen~ heeft altijd een ongunstige beteekenis en is veel sterker dan vernederen; het duidt aan, dat iemand alle gevoel van menschelijkheid of zedelijkheid op zij zet. _Hoe hij zich heeft kunnen ~verlagen~ voor een handvol goud zijn besten vriend te verraden, kan ik mij niet begrijpen._
* * * * *
Wie zich zelven verhoogt, zal -- worden.
De echtgenoote van Oldenbarnevelt wilde zich niet -- om genade voor haar man te vragen.
De dronkenschap kan niet anders dan den mensch --.
Gij moet u niet zoo -- om met zulk slecht gezelschap om te gaan.
Door louter hebzucht gedreven, -- hij zich zijn vaderland te verraden.
23. Danken--wijten.
_Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen._
~Danken~ heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, ~wijten~ daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. _Ik heb u mijn bevordering te ~danken~. Zijn armoede heeft hij zich zelf te ~wijten~._
(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te _danken_ hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te _wijten_ hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets _dank ~weten~_, aanleiding tot deze vergissing.)
* * * * *
Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te --.
Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te --.
Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te --.
De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te --.
De overwinningen van Maurits waren grootendeels te -- aan zijn uitnemende veldheerstalenten.
24. Hoedanigheid--eigenschap.
_Wat aan iets eigen is of het kenmerkt._
Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan spreekt men van ~hoedanigheid~; is dat kenmerkende aan het bestaan der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard, dan gebruikt men ~eigenschap~. Als een blad papier dik of dun, goed beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers zonder die »hoedanigheid" zou het postpapier niet kunnen dienen.
* * * * *
Steenkolen hebben de --, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de verbranding weinig roet, dan is dat een goede --.
Een bol heeft de --, dat hij rond is.
In zijn -- als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd.
Deelbaarheid is een algemeene -- der lichamen.
Deze dienstbode bezit vele goede --, en daarom kan ik haar wel aanbevelen.
25. Aanwezig--tegenwoordig.
_Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende._
~Aanwezig~ zegt dit zonder eenig bijbegrip; ~tegenwoordig~ onderstelt, dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. _Hoewel ik in de zaal ~aanwezig~ was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister ~tegenwoordig~._
* * * * *
Bij den hevigen brand was ik wel in de stad --, maar ik ben bij het onheil niet -- geweest.
Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas --?
Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden --.
Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna alle leden --; ook was er veel publiek op de tribune --.
Gij moest ook op ons feestje -- zijn, wij zouden het zeer op prijs stellen.
Er is nog een groote voorraad van dit papier --.
26. Aansprakelijk--verantwoordelijk.
_Verplicht zijn de gevolgen van een daad op zich te nemen._
Men is ~verantwoordelijk~ wegens bestuur, men is ~aansprakelijk~ wegens bezit. Het doel der verantwoordelijkheid is rechtvaardiging, aansprakelijkheid verplicht tot schadevergoeding.
* * * * *
Je mag mijn fiets wel gebruiken, maar je bent er voor --.
De ministers zijn -- voor hun besluiten.
Als de kooper zijn verplichtingen niet kan nakomen, zijn de borgen --.
Gij zijt nu oud en wijs genoeg, om -- voor uw daden te zijn.
De notaris is -- voor de beleende gelden; hij is -- voor de fout in deze koopacte.
De voorzitter dezer vergadering is -- voor de goede orde; de penningmeester is -- voor de gelden.
27. Opmerken--aanmerken.
_Zijn gedachten of zijn meening over iets te kennen geven._
~Aanmerken~ veronderstelt een afkeurend oordeel. _Ik heb zooveel op den inhoud van dit boek ~aan te merken~, dat ik het werk niemand kan aanbevelen._
~Opmerken~ heeft een meer gunstige beteekenis; het onderstelt, dat men op iets opmerkzaam maakt, hetgeen een ander over 't hoofd ziet en toch van min of meer belang is. _Mag ik even ~opmerken~, dat men op dien datum het schoolfeest niet kan houden, daar die dag een R.-K. feestdag is._
~Opmerken~ veronderstelt meestal scherpzinnigheid, ~aanmerken~ een gezond oordeel en grondige kennis.
* * * * *
Men had zooveel op zijn plan --, dat hij het opgaf.
Wie een schrijver van een aardrijkskundig werk er op attent maakt, dat hij een voornaam dorp heeft vergeten, heeft iets --; wie een groote onjuistheid kan aanwijzen, heeft iets --.
Op het karakter van dit jongmensch valt zooveel --, dat ik hem u niet kan aanbevelen.
Omtrent het karakter van dit jongmensch moet ik u --, dat hij zich spoedig door anderen laat verleiden.
Men spreekt van een gegronde -- en een snuggere --.
28. Afgelegen--eenzaam.
_Wat buiten het gewone verkeer is._
~Afgelegen~ duidt aan, dat een of andere plaats moeilijk te bereiken is, doordat zij ver van alle verkeerswegen ligt. _Hij woont in een ~afgelegen~ hoekje van Drente._
~Eenzaam~ wil zeggen: zonder gezelschap of bezoek. Op een afgelegen plaats is ook weinig verkeer en is het er dus tevens eenzaam, daar men er afgezonderd moet leven. Toch behoeft eenzaam niet altijd met het begrip van afgelegen verbonden te zijn; iemand kan te midden van een drukke stad toch een eenzaam leven leiden.
* * * * *
Hij werd tot straf naar een -- eiland verbannen.
Ik vind den weg naar dit dorpje zeer --.
Ik mag gaarne over de -- heide dwalen.
Hoe meer buurtsporen worden aangelegd, hoe meer de -- streken van voorheen bezocht worden.
Hoewel hij een -- leven leidde, gevoelde hij zich toch niet alleen, daar hij in zijn boeken zijn beste vrienden vond.
»De leeuwerik zingt op de -- heide."
29. Oorzaak--reden.
_De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft._
~Oorzaak~ zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is; zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: _de ~oorzaak~ der aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd_, of in omstandigheden, waarop wij geen invloed hebben: _de ~oorzaak~ van den brand is onbekend_.
Ook wordt ~oorzaak~ gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: _zijn verkwistende levenswijze is ~oorzaak~, dat hij arm is geworden_ (hij was n.l. niet opzettelijk verkwistend om arm te worden).
De ~reden~ is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en beweegt hem tot een daad. _Wat is de ~reden~, dat gij boos op hem zijt?_ (Die reden _beweegt_ u boos te zijn.)
~Opmerking.~ _Waardoor?_ vraagt naar een oorzaak; _waarom?_ naar een reden. _Waardoor_ stijgt een luchtballon omhoog? _Waarom_ hebt gij uw woord gebroken?
* * * * *
De -- van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.
Kent gij de --, waar-- hij als lid der vereeniging bedankt heeft?
Kent gij de --, waar-- hij zoo ongelukkig is geworden?
Wat is de --, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?
De hooge vloed is --, dat dit eiland voor bedijking rijp is.
30. Naderen--genaken.
_In de nabijheid komen._
~Naderen~ wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende voorwerp komt dus dichterbij. _De trein ~nadert~.--Het schip ~nadert~ de reede._
~Genaken~ is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins mogelijk is: men wil het (of hem) _bereiken_. _Door de hitte van het brandende huis kon men de deur niet meer ~genaken~._
* * * * *
Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te --. (De klippen liggen nog vóór de kust.)
Door de hevige branding kon het schip de kust niet --. (Het schip wilde op de kust landen).
Als er gevaar --, moet gij dubbel op uw hoede zijn.
Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te -- is.
De cholera -- al meer en meer ons land; men dient dus reeds voorbehoedmiddelen te nemen.
God geve, dat u geen leed zal --.
31. Ongerust--rusteloos--onrustig.
_Geen rust hebbende._
~Rusteloos~ duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden voortduurt. _~Rusteloos~ arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort._
~Onrustig~ wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid aanwezig is: _Een ~onrustige~ slaap. Met ~onrustige~ blikken zag de schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden._ Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.
~Ongerust~ wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. _Ik maak mij over zijn lang uitblijven zeer ~ongerust~._
* * * * *
Zijn -- geweten joeg den moordenaar -- voort van de eene plaats naar de andere.
De -- ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer --.
Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had gelaten, keek hij toch nog langen tijd -- om zich heen.
Onvermoeide vlijt en een -- arbeid komen vele hinderpalen te boven.
Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden wij zeer --.
32. Ontwennen--afwennen.
_Langzamerhand van een gewoonte afstand doen._
~Afwennen~ en ~ontwennen~, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt en dus met _hebben_ vervoegd, verschillen hierin, dat ~afwennen~ aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af te leggen, terwijl ~ontwennen~ dit als meer toevallig, onwillekeurig voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. _Op raad van den dokter heb ik mij het rooken ~afgewend~. De reizigers in een vreemd werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ~ontwend~._--Van slechte gewoonten zegt men uitsluitend ~afwennen~: _Jongen, je moet dat stotteren ~afwennen~_ (niet: ontwennen; de werking geschiedt opzettelijk!).
Worden ~ontwennen~ en ~afwennen~ intrans. gebruikt (dus met _zijn_ vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval niet opzettelijk geschiedt; alleen is ~afwennen~ dan sterker, doordat het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan, wat bij ~ontwennen~ niet het geval is. _Hij is het schaatsenrijden geheel ~afgewend~_, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet aanleeren; _hij is het schaatsenrijden ~ontwend~_, wanneer hij het in langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal vallen.
* * * * *
Gij moet u --, van iedereen kwaad te willen spreken.
Hij is het Duitsch spreken wel wat --, hoor maar, hoe moeilijk het hem valt.
Ik ben het kortschrift geheel --, het zal mij heel wat moeite kosten het opnieuw aan te leeren.
Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de geriefelijkheden der beschaafde maatschappij --.
Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht geheel -- is.
33. Gehecht--verkleefd--verknocht.
_Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden._
~Gehecht~ heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel zou doen ontstaan. _Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer ~gehecht~; de hond is aan zijn meester ~gehecht~_, en omgekeerd: _de meester is aan zijn hond ~gehecht~_.
~Verkleefd~ wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van onwankelbare trouw, waarmede men zijn ~meerdere~ aanhangt. _Het volk gevoelde zich ~verkleefd~ aan den vorst._
~Verknocht~ drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat hij niet kan verbroken worden. _Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan het Huis van Oranje ~verknocht~._
* * * * *
Hij is zoo aan zijn geboorteplaats --, dat hij nergens anders wil wonen.
De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres --.
Door de teederste banden aan hun vorstin --, grepen de Hongaren naar de wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.
De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten --.
Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland --.
34. Loochenen--ontkennen.
_Staande houden, dat iets niet zoo is._
~Ontkennen~ drukt dit zonder meer uit. _Deze schrijver ~ontkent~, dat Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.--De beschuldigde ~ontkent~, dat hij gestolen heeft._
~Loochenen~ heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets ontkent, dus dat men met opzet liegt. _Hij ~loochent~ wel dit stuk geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem._
* * * * *
Hoewel hij uitdrukkelijk --, dat hij de schrijver van dit artikel is, wordt hij er toch algemeen voor gehouden.
De dief -- eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis.
Hardnekkig -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist.
Ten stelligste -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had.
35. Onpartijdig--onzijdig.
_Niet voor de eene of andere partij vooringenomen zijn._
~Onzijdig~ zegt, dat men in het geheel geen partij kiest (althans niet openlijk); de onzijdige laat dus uit niets blijken, 't zij door woorden of daden, welke partij zijn sympathie heeft. _In den strijd tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten hield prins Maurits zich eerst ~onzijdig~._
De ~onpartijdige~ kiest wel partij, d.w.z. geeft wel aan de eene of andere partij zijn voorkeur, maar hij doet dit uit volle overtuiging, zonder zich door vrees, omkooperij, winstbejag of andere onedele drijfveeren te laten leiden; het is hem alleen om de waarheid te doen; daarbij wil hij ook gaarne het goede in zijn tegenpartij erkennen. _Deze geschiedschrijver staat bekend als een ~onpartijdig~ man._
Waarom kan men wel van een _onpartijdige_ uitspraak (vonnis), maar niet van een _onzijdige_ uitspraak spreken?
* * * * *
In den Fransch-Duitschen oorlog hield ons land zich --.
Ik heb hem als een -- beoordeelaar leeren kennen en waardeeren.
Bij een twist tusschen man en vrouw blijve men liefst --.
Deze courant geeft een -- voorstelling, van hetgeen in die vergadering gebeurd is.
Men heeft wel eens de -- van Oldenbarnevelts rechters in twijfel getrokken; maar de geschiedenis van zijn rechtspleging weerlegt die beschuldiging ten volle.
36. Talmen--dralen.
_Traagheid betoonen._
~Dralen~ doet hij, die door zijn weifeling of vrees tot geen besluit komt en dus met het werk niet begint.--~Talmen~ doet hij, die wel met het werk begonnen is, maar er geen voortgang mee maakt, doordat hij òf te traag van aard is, òf zich te zwak voor de opgenomen taak gevoelt.
* * * * *
Je moet niet zoolang --, begin maar terstond.
Hij -- zoo vreeselijk met zijn werk, dat er van opschieten geen sprake is.
De veldheer -- tot den slag over te gaan, daar hij met de stellingen van den vijand niet goed bekend was.
De vijand -- met het beleg der stad zoo zeer, dat deze zich nog voldoende kon voorbereiden.
Door het lange -- met de toezending der vereischte sollicitatiestukken heeft hij den vastgestelden termijn laten verstrijken.
Komt mannen, niet --! vol moed den vijand aangevallen.
37. Ontdekken--uitvinden.
_Van een onbekende zaak kennis krijgen._
Men ~ontdekt~, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: _Columbus ~ontdekte~ Amerika_ (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land voor Europa verborg, wegnemen).
~Uitvinden~ heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. _De ~uitvinding~ van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven._
(De uitdrukking: »Ik zal den dader wel _uitvinden_", die men tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn gebracht, zooals uitvinden onderstelt.)
* * * * *
Tot zijn schrik -- de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had.
Door de -- van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur --.
Het geheim wist ik spoedig te --.
Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft --?
Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger --.
Door de -- van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt.
Wie heeft de slingerwetten --?
38. Plagen--kwellen.
_Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken._
~Plagen~ onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl ~kwellen~ aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet. _Je mag den hond niet zoo ~plagen~, maar nog minder mag je hem ~kwellen~._--~Plagen~ wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood, pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods worden aangemerkt. _Het land werd met hongersnood ~geplaagd~._ (Denk ook aan de plagen van Egypte!)
* * * * *
De reiziger werd door een hevigen dorst --.
Gij moet de meid niet zoo --, door haar telkens om een wissewasje binnen te laten komen.
Wie de dieren --, heeft ook voor de menschen geen goed hart.
Gij moet dat kleine kind niet zoo --.
Karel V werd vaak door jicht --.
Mijn broer -- mijn zuster altijd met haar dwazen hoed.
Zijn knagend geweten -- hem dag en nacht.
39. Overeenkomen--overeenstemmen.
_Bijna geheel aan elkander gelijk zijn._
~Overeenkomen~ drukt dit zonder nadere aanduiding uit. _De bouw van deze beide kerken ~komt~ met elkander ~overeen~._ ~Overeenstemmen~ ziet uitsluitend op meeningen, gevoelens of gedachten. (De letterlijke beteekenis duidt aan: dezelfde _stem_ of toon hebben.) _Wij ~stemmen~ in onze politieke gevoelens volkomen met elkander ~overeen~._ Men kan dus niet zeggen: _de bouw van deze kerken ~stemt overeen~_.
* * * * *
De Veluwe -- in vele opzichten met Drente overeen.
De getuigen -- niet met elkander overeen.
De beide steden -- in handelsbeweging vrij wel overeen.
Bij de keuze van een nieuwen president kon men niet gemakkelijk tot -- geraken.