Part 14
~Achterhalen~ is: door grootere snelheid, dan het vooruitgekomene heeft, dit bereiken, meestal met vijandige bedoeling: _Een dief ~achterhalen~._ ~Inhalen~ is: door langer loopen of werken, of wegens de langzaamheid of 't oponthoud van 't vooruitgekomene, dit bereiken: _een wandelaar ~inhalen~. Een mede-leerling in de klas ~inhalen~._
199. Ontwaken--wakker worden.
_Uit den slapenden toestand in dien van waken overgaan._
~Ontwaken~ ziet op 't ophouden van den slaap; ~wakker worden~ is het beginnen van den wakenden toestand. Men kan dus niet »_wakker worden_ uit den slaap", maar wel »_ontwaken_ uit den slaap".
200. Vlieden--vluchten.
_Zich snel verwijderen van iets, dat gevaarlijk is._
~Vlieden~ is: vol angst zich snel verwijderen en is hoofdzakelijk tot den verheven stijl beperkt. ~Vluchten~ heeft meer de bijgedachte van in veiligheid trachten te komen.
201. Kosten--gelden.
_Een zekere waarde hebben._
~Gelden~ ziet op den eenheidsprijs (marktprijs), ~kosten~ let meer op hetgeen men voor iets betaalt, dus boven of beneden den marktprijs, of wel voor iets in zijn geheel. _De tarwe ~geldt~ f 7. Mij ~kost~ deze koffie maar f 1; zij ~geldt~ anders f 1.20 (per K.G.).--Deze voorraad koffie ~kost~ f 25. Dit huis ~kost~ f 15000._
Figuurlijk is ~gelden~: waarde hebben, waard zijn; ~kosten~: betalen met; bijv.: _Een ~geldige~ stem.--Dat zal moeite ~kosten~._
202. Leugen--onwaarheid.
_Iets, wat niet waar is._
~Onwaarheid~ zegt in 't algemeen, dat iets niet is, zooals men beweert; er behoeft dus aan geen kwade bedoeling gedacht te worden: _Hij zegt, dat Urk onbewoond is; maar dat is een ~onwaarheid~._ ~Leugen~ is een opzettelijke afwijking van de waarheid.
203. Nazetten--vervolgen.
_Iets, wat aan 't vluchten is, trachten in te halen._
~Vervolgen~ zegt dit in 't algemeen; ~nazetten~ voegt er de gedachte bij, dat het met groote snelheid geschiedt.
204. Rust--stilte.
_Zonder beweging of geluid._
~Rust~ is de toestand, die intreedt, als een beweging of werking ophoudt; ~stilte~ is de toestand na 't ophouden van een heftige, van geluiden vergezeld gaande beweging, of wel: de afwezigheid van elk geluid. Vergelijk: _Een welverdiende ~rust~. Een rollend lichaam komt eindelijk tot ~rust~.--De ~stilte~ na den storm. De ~stilte~ des grafs (des doods)._
205. Sturen--zenden.
_Iets (iemand) ergens heen laten gaan._
~Sturen~ ziet vooral op het verwijderen: _een bedelaar ~wegsturen~; ~stuur~ de meid weg, zij beluistert ons_; bij ~zenden~ denkt men meer aan een bepaald doel: _Een afgevaardigde ~zenden~. Een boek op zicht ~zenden~._ (Evenwel wordt ~zenden~ in de spreektaal meer door ~sturen~ vervangen.)
206. Schuldeloos--onschuldig.
_Zonder schuld._
~Schuldeloos~ behoort meer tot den verheven stijl en beteekent: geheel zonder schuld of zonde zijn (dus meer in den zin der H. Schrift); ~onschuldig~ wil zeggen: geen schuld aan een bepaalde misdaad hebbende: _Een ~onschuldige~ veroordeelen_; verder beteekent het: menschelijkerwijze gesproken nog vrij van zonden of eenig kwaad: _Een ~onschuldig~ kind._
207. Verdraagzaam--vreedzaam.
_Bereid of geneigd om vrede te houden._
~Vreedzaam~ zegt, dat dit geschiedt zelfs met eenige opoffering van eigen rechten; ~verdraagzaam~ heeft de bijgedachte, dat men vrede houdt, door de meening van anderen te eerbiedigen.
208. Voorlooper--voorbode.
_Een persoon of zaak, die op iets naderends wijst._
~Voorbode~ is die- of datgene, uit welks verschijnen men tot het naderen van iets anders mag besluiten; ~voorlooper~ is de persoon, die de komst en het werk van een ander voorbereidt en mogelijk maakt.
209. Getuige--zegsman.
_De persoon, die de bewering van een ander bevestigt._
~Getuige~ is hij, die bij het voorval tegenwoordig was, en dus het beweerde heeft gezien of gehoord. ~Zegsman~ onderstelt, dat wij voor de waarheid van het beweerde zelf niet kunnen instaan, maar ons beroepen op den persoon, die het ons verzekerd heeft.
210. Betreffen--raken--aangaan.
_Met iets te maken hebben._
~Aangaan~ onderstelt, dat ons belang er mee gemoeid is evengoed als van een ander. _Wacht, ik zal goed luisteren, want wat de spreker daar zegt, ~gaat~ ook mij ~aan~.--Loop maar door, het ~gaat~ jou niet ~aan~._--~Betreffen~ is als 't ware meer een treffen, een mikken, een raken op iemand, al schijnen ook anderen bedoeld: _Die vermaning ~betreft~ mij._ (Wat de spreker daar zegt, gaat niet anderen aan, maar bepaaldelijk _mij_; hij vermaant mij persoonlijk, al zegt hij het niet uitdrukkelijk.) ~Raken~ is de platte uitdrukking voor _aangaan_: _~Raakt~ jou dat? Dat ~raakt~ je niet._
211. Aanprijzen--prijzen--aanbevelen.
_De voortreffelijke eigenschappen van iets of iemand opnoemen._
~Prijzen~ zegt, dat dit in woorden geschiedt en als gevolg van groote tevredenheid: _hij ~prijst~ zijn knecht altijd_. ~Aanprijzen~ heeft het bijdenkbeeld, dat men den hoorder gunstig wil stemmen om hem tot koopen of aannemen aan te sporen. _Zijn waren ~aanprijzen~._
~Aanbevelen~ heeft de bijgedachte, dat men voor de aanbeveling zich op eigen ondervinding of inzicht mag beroepen, en zich eenigszins borg stelt: _Een onderwijzer ~aanbevelen~.--Een plan ~aanbevelen~._
(In de uitdrukking: _~Prijs~ den Heer!_ is _prijzen_ meer: _lofzingen_; en _aanbevelen_ kan ook beteekenen: iemands gunst of zorgen inroepen: _Ik ~beveel~ mijn zoon in uw hoede ~aan~._)
212. Bevrijden--verlossen--redden.
_Uit een neteligen toestand vrij maken._
~Bevrijden~ en ~verlossen~ wijzen er op, dat het vrijgemaakte voorwerp door iets anders wordt vastgehouden; verlossen zegt dit in sterkere mate dan bevrijden. Immers _bevrijden_ onderstelt wel, dat de vrijheid is verloren, maar dat de gevangen persoon zich binnen de bepaalde ruimte nog vrij bewegen kan: hij is dus alleen zijn _vrijheid_ kwijt. Hij kan dan ook, krachtens die vrije beweging, _zich zelf bevrijden_, terwijl _zich zelf verlossen_ onbestaanbaar is. Immers _verlossen_ onderstelt een _gebonden_ zijn, zoodat behalve de vrijheid ook elke beweging gemist wordt. (Verlossen = _los_ maken, n.l. de banden of boeien.)
~Redden~ ziet op het vrij maken uit een groot gevaar, waarin men anders zou omkomen: _van den dood ~redden~; uit den brand ~redden~_.
~Verlossen~ ziet alleen op menschen, ~bevrijden~ op alle levende wezens, en ~redden~ ook op zaken.
213. Gedenkwaardig--merkwaardig--belangrijk.
_In hooge mate de aandacht waard._
~Merkwaardig~: wat zich in dit opzicht bijzonder van andere gelijksoortige dingen (menschen) onderscheidt en daarom licht onthouden (»gemerkt") wordt: »_~Merkwaardige~ personen uit ons verleden_".--~Gedenkwaardig~ is datgene, wat wegens zijn groote beteekenis onze aandacht verdient en daarom waard is herhaaldelijk herdacht te worden: _De ~gedenkwaardige~ slag bij Waterloo._ (Alleen van zaken!) ~Belangrijk~ is alles, wat van veel belang is vooral in de gevolgen en daarom niet over 't hoofd gezien mag worden: _De ~belangrijkste~ feiten opnoemen._
214. Wildernis--woestijn--woestenij.
_Een onbewoonde landstreek._
Een ~woestijn~ is een landstreek zonder bewoners of plantengroei tengevolge van watergebrek; een ~wildernis~ is een onbewoonde streek, waarin alles in natuurstaat wild dooreengroeit; zij kan zeer wel vruchtbaar en dus voor ontginning geschikt zijn: _de ~wildernissen~ van Afrika_; en ~woestenij~ onderstelt, dat de plek grond vroeger bebouwd was, maar thans verwilderd is: _Duitschland geleek na den 30-jarigen oorlog op vele plaatsen een ~woestenij~._
215. Zwoel--warm--heet.
_Een hoogen temperatuurgraad hebbende._
~Warm~ zegt dit in 't algemeen, vooral van een aangename temperatuur: _'t Is hier lekker ~warm~._ ~Heet~ is veel sterker, en ~zwoel~ is: afmattend, drukkend warm. (~Zwoel~ wordt alleen van de lucht gezegd.)
216. Versagen--wanhopen--vertwijfelen.
_Alle hoop opgeven._
~Versagen~ is: zijn hoop in moeilijke omstandigheden verliezen door gebrek aan moed en daardoor het begeerde doel laten varen: _Komt, mannen, niet ~versaagd~, den vijand aangevallen!_--~Wanhopen~ is: geen of weinig hoop meer hebben op een goeden uitslag, niet door gebrek aan moed, maar door tegenwerking: _Ik ~wanhoop~ aan den goeden afloop._--~Vertwijfelen~ is veel sterker; het heeft de bijgedachte: door het ongeluk als gebroken zijn, verward en zonder overleg handelen en zich zelf in het gevaar storten, daar men zich geheel verloren waant.
217. Oud--bejaard--bedaagd--afgeleefd.
_Reeds lang bestaan hebbende._
~Bejaard~ en ~bedaagd~ worden alleen van menschen gezegd; ~oud~ en ~afgeleefd~ ook van dieren, en ~oud~ óók van dingen. ~Oud~ drukt dan ook het genoemde begrip het algemeenst uit; ~bejaard~ is niet zoo sterk als ~bedaagd~[1], terwijl ~afgeleefd~ meer doet denken aan groote uitputting (niet altijd echter door ouderdom).--
[1] Ik vermoed, omdat een oud mensch reeds de _dagen_ gaat tellen, in plaats van de _jaren_.
218. Aandeel--deel--gedeelte--stuk.
_Wat met andere te zamen het geheel uitmaakt._
~Deel~ stelt vooral de tegenstelling met het geheel op den voorgrond: _dat is maar een ~deel~ van de waarheid; het zesde ~deel~_. Bij ~gedeelte~ denkt men meer aan een bepaald deel in tegenstelling met een ander: _Het eerste ~gedeelte~ van den weg is zonnig; het volgende ~gedeelte~ niet._ ~Stuk~ zegt, dat iets van 't geheel is losgemaakt, 't zij door toeval of met opzet: _een ~stuk~ van een vaas; een ~stuk~ vleesch_. ~Aandeel~ beteekent het deel, dat iemand toekomt, en onderstelt dus een verdeeling onder twee of meer personen.
219. Bezigheid--arbeid--werk--werkzaamheid.
_De verrichting van een werking._
~Arbeid~ gaat gepaard met de inspanning van onze krachten, om iets, waaraan veel moeite verbonden is, tot stand te brengen: _Een vermoeiende ~arbeid~._--~Werk~ eischt niet bepaald groote krachtinspanning maar onderstelt meer kunst, vaardigheid of overleg: _zijn verbeelding is weer aan 't ~werk~; dat is het ~werk~ zijner verbeelding; dagelijksch ~werk~; de drooglegging der Zuiderzee is een grootsch ~werk~_ (overleg: 't overwinnen van vele hinderpalen door 't menschelijk vernuft).--Arbeid en werk hebben betrekking op een tijdelijke werking; bezigheid en werkzaamheid (gewoonlijk meervoud) zien meer op een telkens terugkeerende handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een voortdurend werken zonder zware inspanning: _hij zoekt ~bezigheid~_; ook wordt het gezegd van het werk, dat ambt of beroep meebrengt: _wegens ~ambtsbezigheden~ verhinderd_. ~Werkzaamheid~ is sterker en onderstelt meer een bedrijvig werken: in 't enkelvoud meer den lust tot werken; in 't meervoud de handelingen zelf.
220. Uitvoeren--volvoeren--volbrengen--voleindigen.
_Een werking ten einde brengen._
~Uitvoeren~ zegt, dat alles, wat tot de werking behoort, gedaan wordt, om het beoogde doel te bereiken: _een plan ~uitvoeren~_. ~Volbrengen~ en ~volvoeren~ wijzen meer op het algeheele beëindigen van het werk: ~volbrengen~ let daarbij meer op de werkzaamheid van den bewerker: _de aarde ~volbrengt~ haar loop om de zon in een jaar_, terwijl ~volvoeren~ meer het welslagen van een moeilijk werk op den voorgrond stelt: _Een grootsch werk ~volvoeren~._ ~Voleindigen~ beteekent: het werk ten einde brengen en het tevens den hoogst mogelijken graad van volkomenheid geven: _Na twee jaar had de schilder het altaarstuk ~voleindigd~._
221. Uitleggen--verklaren--verduidelijken--uiteenzetten.
_De beteekenis van iets, dat onduidelijk is, volkomen duidelijk maken._
~Uitleggen~ is: de beteekenis in woorden aangeven: _droomen ~uitleggen~; een tekst ~uitleggen~_ (als 't ware de deelen uiteen-leggen en ze goed bekijken); ~verklaren~ is: wat niet helder of klaar is en dus moeilijk begrepen kan worden, duidelijk maken: _Het ontstaan van dag en nacht ~verklaren~. Den oorlog ~verklaren~_ (= de redenen duidelijk maken). ~Verduidelijken~ zegt meer, dat iets al wel duidelijk is, maar dat men het toch nog duidelijker wil maken: _Een voordracht door lichtbeelden, een beschrijving door afbeeldingen ~verduidelijken~._--
~Uiteenzetten~ is: de deelen van een ingewikkelde zaak, te groot om voor 't eerst in ééns te worden overzien, uit elkaar zetten en den onderlingen samenhang verklaren, zoodat men een juist begrip van het geheel verkrijgt; letterlijk: _een stoommachine ~uiteenzetten~_; fig.: _de beteekenis van een historisch feit ~uiteenzetten~_ (= de oorzaken aangeven, andere er mee in verband staande feiten noemen, de gevolgen opsommen, enz.).
222. Baan--weg--straat--pad.
_De ruimte, waarlangs men zich van de eene plaats naar de andere begeeft._
~Weg~ zegt dit in 't algemeen; figuurlijk is het ook op de wijze, waarop men iets bereikt of tracht te bereiken. ~Straat~ is een geplaveide weg met eenige breedte; ~pad~ is een smalle weg, vooral voor voetgangers. ~Baan~ is een weg, die voor het verkeer geen hindernissen, bijv. door oneffenheden, rotsblokken, enz. oplevert; het is dus een geëffende weg: _kolfbaan, huwelijksbaan, glijbaan; een ~weg~ door de sneeuw ~banen~_. Ook is ~baan~ de vaste weg van hemellichamen.
223. Afnemen--vervallen--verminderen.
_Kleiner worden._
~Verminderen~ ziet op het kleiner worden van omvang of grootte, vergeleken bij een _vroegeren_ toestand en heeft meer bepaald op één geval betrekking: _Door den brand is zijn rijkdom ~verminderd~._ ~Afnemen~ is het langzaam minder worden en stelt vooral dat minder worden _op dit oogenblik_ op den voorgrond: _zijn aanzien ~neemt af~_. ~Vervallen~ is: de vroegere kracht of beteekenis verliezen, zoodat de ondergang onvermijdelijk wordt: _~Verval~ van krachten; een ~vervallen~ grootheid._
224. Uitstaan--doorstaan--verdragen--lijden--dulden.
_Iets onaangenaams zonder verzet (passief) ondervinden._
~Lijden~ zegt dit op de meest algemeene wijze: _pijn ~lijden~, dorst ~lijden~_. ~Dulden~ heeft de bijgedachte, dat men het onaangename wel gelaten, maar toch met eenigen tegenzin ondervindt: _Moet ik dat lasteren nog langer ~dulden~?_ ~Verdragen~ wijst er op, dat men iets, wat zwaar op ons drukt (vandaar: dragen!), meer gewillig duldt. _Gelaten ~verdroeg~ hij den smaad, waarmee men hem overlaadde._--~Uitstaan~ ziet op den vasten wil, waarmee men iets pijnlijks of onaangenaams duldt, terwijl ~doorstaan~ beteekent, dat men het onaangename (kwaad, leed, gevaar enz.) tot het einde toe verdraagt en er niet onder bezwijkt. _Hevige pijnen zonder smartkreten ~uitstaan~; een zware ziekte, de vuurproef ~doorstaan~._
225. Geven--mededeelen--schenken--vereeren--aanbieden--verleenen.
_Iets in het bezit van een ander brengen._
~Geven~ is vooral: iemand iets overhandigen en het volle gebruik er van afstaan. ~Mededeelen~ is: iets, wat men bezit, met een ander deelen. ~Schenken~ is: iets kosteloos geven, soms met de bijgedachte, dat het voor den ontvangende vereerend is: _Ik ~schenk~ u dit boek op uw verjaardag. Hij ~schonk~ mij zijn vertrouwen._ ~Vereeren~ is: schenken in de laatste beteekenis met de bijgedachte van daardoor zijn achting of vereering te toonen: _De koning ~vereerde~ den dichter met een bezoek._ ~Verleenen~ zegt, dat men iets uit hooge gunst schenkt: _De koning ~verleende~ den veroordeelde gratie._ ~Aanbieden~ is: iets willen geven, zonder te weten of het aanvaard zal worden.
226. Ontvluchten--ontgaan--ontkomen--ontloopen--ontsnappen--ontwijken.
_Zich van iets, wat onaangenaam is, verwijderen._
~Ontkomen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; de overige synoniemen geven ook het middel aan, waardoor men ontkomt. ~Ontwijken~ zegt, dat men uitwijkt, uit den weg gaat, dus een ontmoeting vermijdt. ~Ontvluchten~ is: zich door groote snelheid (loopen, rijden, enz.) in veiligheid brengen, of aan de macht van een meerdere ontkomen: _het gevaar ~ontvluchten~; het ouderlijk huis ~ontvluchten~_. ~Ontloopen~ is ontvluchten en wel bepaaldelijk door snel ~loopen~. _De deserteur ~ontliep~ zijn vervolgers._ ~Ontgaan~ zegt, dat het ontkomen meer kalmer geschiedt, nl. door ~gaan~, bijv. door eenvoudig weg te gaan. _De dichter vertrok naar 't buitenland, om alle huldebetoogingen op zijn 70sten verjaardag te ~ontgaan~_; of meer door een toeval: _Door 's Konings dood ~ontging~ de veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~ is een snel en behendig ontkomen aan iemand (iets), die ons reeds in zijn macht heeft, zonder dat de tegenpartij het nog tijdig merkt: _Hij ~ontsnapte~ uit de gevangenis_ (de bewaker zag het niet).
227. Gering--klein--weinig--nietig.
_Geen aanzienlijke grootte hebbende._
~Klein~ let hierbij vooral op de afmetingen; ~gering~ op de waarde, 't aanzien of 't belang; ~weinig~ op de hoeveelheid, terwijl ~nietig~ beteekent: zoo klein, dat het bijna niet opgemerkt wordt.
228. Bemiddeld--gegoed--vermogend--welgesteld--rijk.
_In het bezit van veel geld of goed zijnde._
~Bemiddeld~ beteekent: van vele middelen voorzien, om een gemakkelijk leven te kunnen leiden. ~Gegoed~ wil zeggen: _veel goed bezittende_ (nl. roerende en onroerende goederen), zoodat men meer bezit, dan men noodig heeft; het is dus sterker dan bemiddeld. ~Welgesteld~ is hij, die zooveel bezit, dat hij wèl (ruim) kan leven (hij is wèl gesteld = goed geplaatst in de maatschappij); het is nog iets sterker dan gegoed. ~Rijk~ is: een grooten overvloed van iets bezittende, ook fig.: _een ~rijke~ oogst, ~rijk~ aan verstand_. ~Vermogend~ zegt, dat men een groot vermogen (kapitaal) bezit. (Het kan ook beteekenen _veel invloed uitoefenende_, doch dan is 't afgeleid van _vermogen_ = _kunnen_: _een ~veelvermogend~ minister_.)
229. Begeeren--verlangen--wenschen--smachten--haken--reikhalzen.
_Gaarne in het bezit of genot van iets komen._
~Begeeren~ zegt, dat men naar dat bezit of genot vrij sterk streeft: _Gij zult niet ~begeeren~ uws naasten huis_[1]. ~Verlangen~ heeft de bijgedachte, dat iets nog ver is, en dus op dit oogenblik nog niet vervuld kan worden (_langen_ is: naar iets reiken): _hij ~verlangt~ er nu reeds naar, om naar 't vaderland terug te keeren_. (Zie ook een andere beteekenis in no. 183.) ~Wenschen~ is: iets gaarne willen hebben, zonder te weten of de vervulling wel mogelijk is: _hij ~wenscht~ in het vaderland te sterven_. ~Smachten~ is zeer sterk verlangen, zoodat het min of meer onaangenaam valt, evenals iemand, die naar water smacht: _Zij ~smachten~ naar het uur, waarop zij henensnellen_ (Tollens: Nova-Zembla); vandaar ook: _~smachten~ van ~verlangen~_. ~Haken~ is een sterk verlangen om iets naar zich toe te halen, als met een haak: _hij ~haakt~ naar eer en roem_. ~Reikhalzen~ is een min of meer _ongeduldig_ sterk verlangen; het wachten valt bijna te lang (men rekt den hals uit om iets eerder te kunnen genieten): _hij ziet ~reikhalzend~ naar uw komst uit_.
[1] ~Geeren~ is: op één punt uitloopen, hier ons streven.
230. Bijdragen--helpen--bevorderen.
_Meewerken, dat iets zijn doel nader komt._
~Bevorderen~ heeft de bijgedachte, dat de medewerking geschiedt om het doel zoo spoedig of volkomen mogelijk te bereiken (vorderen = verder gaan). ~Helpen~ is meer zijn kracht met die van een ander vereenigen; op den uitslag wordt niet zoo zeer gelet. ~Bijdragen~ beteekent bij de reeds gebruikte middelen nog een ander voegen: _»Op alle wijzen moest dus de vorst de studie der rechtswetenschap ~bevorderen~." Matigheid ~bevordert~ de gezondheid. Ik zal u gaarne bij dat werk ~helpen~. »De partijschap doofde allengs uit, waartoe de nieuwe regeeringsvorm niet weinig ~bijdroeg~."_
231. Afstamming--geslacht--afkomst--geboorte.
_Bloedverwantschap in betrekking tot de voorouders._
~Geslacht~ is de geheele reeks van afstammelingen van den stamvader der familie tot op heden toe.--~Afstamming~ is de verbinding met voorouders door tusschenleden: _Kent gij de ~afstamming~ onzer Koningin van Willem van Oranje?_--~Afkomst~ beteekent de afstamming in betrekking tot den rang of stand van zijn stamvader of ook van zijn vader of moeder; ~geboorte~ heeft alleen betrekking op zijn ouders of ook op de plaats (of het land), waar men ter wereld gekomen is.
Vergelijk: _Iemand, die van ~geboorte~ van adel is, kan van moederszijde van burgerlijke ~afkomst~ zijn. Een Nederlander van ~geboorte~ kan van Duitsche ~afkomst~ zijn, als zijn voorouders of zijn ouders Duitschers zijn en bij zijn geboorte in Nederland woonden. Zijn ~afstamming~ kan hij misschien tot in de middeleeuwen nagaan, en hij kan wellicht tot een beroemd ~geslacht~ behooren._
232. Omweg--zijweg--uitweg.
_De weg, die van den gewonen of hoofdweg afwijkt._
~Uitweg~ is een weg, die men meer toevallig nog ontdekt om op den hoofdweg te komen, als men op een min of meer afgesloten plaats is geraakt; zonder dien uitweg, zou men er dus moeten blijven; vandaar fig. het middel om zich uit een neteligen of gevaarlijken toestand te redden: _In een dicht bosch een ~uitweg~ zoeken. Dit is de eenige ~uitweg~ voor hem, om zich nog te redden._--~Zijweg~ is de weg, die van den hoofdweg afvoert; er is weinig of geen verkeer, zoodat men niet of zoo goed als niet gezien wordt; vandaar: _langs ~zijwegen~ zijn doel bereiken_ (men wil het doel verborgen houden). Vaak ook is aan ~zijweg~ het begrip verbonden, dat hij op een dwaalspoor brengt, men slaat n.l. den zijweg in, in plaats van den hoofdweg te houden: _de politie op ~zijwegen~ lokken_. Een ~omweg~ voert ten slotte wel evenals de hoofdweg naar het verlangde doel, maar eerst na veel langeren tijd. Kiest men zulk een omweg, dan heeft het voor den oningewijde allen schijn, dat men een ander doel dan het verlangde wil bereiken; in zoover brengt men een ander daarmee, evenals door een zijweg, óók op een dwaalspoor; men geeft echter op een omweg een ander doel voor, terwijl men het op een zijweg meer geheim houdt: _Langs ~omwegen~ achter het geheim komen._
233. Aantal--getal--tal--menigte--hoeveelheid.
_Begrippen van veelheid._
Denkt men aan een verzameling van gelijksoortige eenheden, die men nog niet geteld heeft, dan zegt men: ~hoeveelheid~. Is de hoeveelheid geteld en kan zij dus bepaald worden uitgedrukt, dan spreekt men van ~getal~.--De drie andere woorden geven niet-getelde, dus onbepaalde hoeveelheden te kennen. ~Aantal~ kan zoowel veel als weinig aanduiden en vat meer elk voorwerp afzonderlijk in het oog: _een groot ~aantal~ werkloozen trokken_ (liefst meerv.!) _door de straten_. ~Menigte~ daarentegen drukt een groote hoeveelheid uit en stelt deze meer als een samenhangende massa voor: _Een dichte ~menigte~ wachtte op de komst des konings._--Het woord ~tal~ beteekent een groot aantal: _De jenever maakt ~tal~ van slachtoffers._
234. Branden--flikkeren--laaien--gloeien--glimmen.
_Onder lichtverschijnselen verbranden._
~Branden~ zegt dit vooral met de bijgedachte, dat er tevens warmte ontwikkeld wordt; dus ook fig.: _~brandend~ heet_. ~Flikkeren~ ziet op het heen en weer bewegen van de vlam; zijn de vlammen zeer groot en hoog, dan spreekt men van ~laaien~: _een ~laaiende~ brand_; ~gloeien~ is vurig, maar zonder vlam lichten, ook als het niet van vuur afkomstig is; soms ziet het op het pijnlijk warmtegevoel: _een ~gloeiend~ voorhoofd_.--~Glimmen~ is zwak gloeien: _~glimmende~ kolen, een ~glim~worm_.
235. Onstuimig--heftig--wild.
_Een hooge mate van kracht uitende._
~Heftig~: de snelle, opgewonden, soms toornende beweging; ~onstuimig~: een groote kracht op heftige wijze laten voelen; ~wild~: tevens ruw en zonder regelmaat handelend.
236. Vertalen--overzetten--vertolken.
_In een andere taal overbrengen._
~Vertalen~ zegt dit wel in 't algemeen (_uit het Fransch in het Duitsch ~vertalen~_), doch heeft meestal de bijgedachte: uit een vreemde taal in de moedertaal overbrengen, of omgekeerd: _Een roman uit het Duitsch ~vertalen~_ (dus in 't Nederlandsch). ~Overzetten~ is gewoonlijk hiervoor 't deftige woord: »_Het N. T. getrouwelijk in de Nederduitsche taal ~overgezet~_".--~Vertolken~ onderstelt feitelijk een tusschenpersoon, een tolk, die voor een ander het gesproken woord vertaalt. Vandaar figuurlijk: _iemands gevoelen ~vertolken~; de tranen ~vertolkten~, wat er in zijn hart omging_ (de tranen zijn de tusschenpersoon, de tolk).
REGISTER.
$(De cijfers wijzen het nummer der reeksen aan; de schuingedrukte woorden komen in het Aanhangsel voor.)$
A.
_aanbevelen_, 211.