Part 13
~Zakken~ en ~zinken~ duiden aan, dat de stof, waarop iets moet rusten (water, modder, sneeuw, enz.), niet voldoende ondersteuning biedt. Verdwijnt het voorwerp geheel in die stof, zoodat het niet meer zichtbaar is, dan spreekt men van ~zinken~. _Wij ~zakten~ tot de enkels in de modder.--Het schip kreeg een lek en ~zonk~ in de diepte._ (Waarom kan men niet zeggen: de jager _zakte_ of _zonk_ in den afgrond?) Soms ook duidt ~zakken~ alleen aan, dat het voorwerp een lageren stand dan te voren inneemt: _de ballon ~zakte~_. Van het water kan men zeggen, dat het _daalt_, _valt_ en _zakt_. ~Dalen~ duidt eenvoudig aan, dat de waterspiegel lager wordt, vooral in tegenstelling van rijzen: _Vroeger schijnt de zee meermalen gerezen en weer ~gedaald~ te zijn._ ~Vallen~ zegt, dat de lager geworden waterstand met een bepaald peil wordt vergeleken: _de rivier is van nacht 2 cM. ~gevallen~_.--~Zakken~ zegt eenvoudig, dat het peil in betrekking tot een vroeger merk lager is geworden: _Het water is vannacht ~gezakt~._ (Waarom kan men hier niet spreken van _zinken_?)
* * * * *
Bij eb -- het water, bij vloed rijst het.
Wij -- tot de knieën in de sneeuw.
De arme man sloeg over boord en -- in de diepte.
De bloesems -- als een zachte regen neder.
Groote hagelsteenen -- uit de lucht.
De moed is hem in de schoenen --.
De sterke drank doet menigeen in het ongeluk --.
Wacht een poosje, tot zijn drift wat -- is.
Hij is in ongenade --.
Een huis, dat --, moet nieuwe fundamenten hebben; een huis, dat --, verdwijnt weldra geheel in den lossen grond.
Hij was niet standvastig genoeg en -- voor de verleiding.
»'k Zie de starren -- aan den stillen trans."
182. Hoogmoedig--hoovaardig--grootsch--trotsch--ijdel--fier--prat.
_In groote mate met een gevoel van eigenwaarde bedeeld._
~Hoogmoedig~ zegt, dat men in het besef zijner meerderheid met verachting op anderen neerziet. _Sedert hij burgemeester van dat dorp geworden is, is hij zeer ~hoogmoedig~ geworden._
~Hoovaardig~ is sterker, het drukt uit, dat men zich nog grooter (rijker, enz.) wil voordoen, dan men is: _ik begrijp niet dat hij nu zoo ~hoovaardig~ is geworden, vroeger was hij zoo nederig_.
~Grootsch~, van zaken gebruikt, geeft het denkbeeld van grootte, ruimte, eerbiedwaardigheid, voortreffelijkheid: _een ~grootsch~ gebouw, een ~grootsche~ gedachte_;--van personen gezegd is het ongunstig van beteekenis: het wijst dan aan, dat men met ingebeelde grootheid of voortreffelijkheid is bezield en in uiterlijken pronk behagen schept. _Zie dat meisje eens ~grootsch~ zijn op haar mooie kleeren._
~Trotsch~, in goeden zin, is: vol van grootmoedig zelfvertrouwen of een gepast gevoel van eigenwaarde. _Uw ~trotsch~ geslacht verwacht rechtschapen loten uit zijn stam_ (Vondel); ook mag iemand, waar het een gepast gevoel van eigenwaarde geldt, gerust zeggen: »_Ik ben er ~trotsch~ op zóó gehandeld te hebben._" Meestal evenwel ontstaat trotschheid uit verkeerde zelfverheffing en daarmee gepaard gaande verachting van anderen; de trotsche vermijdt dan ook angstvallig alles, wat hem quasi zou vernederen en neemt een houding aan, die stuitend, zelfs beleedigend voor anderen is. _Sedert hij burgemeester is geworden, is hij te ~trotsch~ om met ons om te gaan._ Van zaken gebezigd, komt ~trotsch~ eenigszins met grootsch overeen, en wordt dan gebruikt, niet zoozeer om de grootte, als wel om de hoogte uit te drukken: _~Trotsche~ bergen_ (geen »grootsche" bergen).
~Prat~ is hetzelfde als trotsch, maar er wordt steeds de reden bijgevoegd: _~Prat~ op zijn afkomst._ Het woord is echter tot de schrijftaal beperkt.
~Fier~ (van Franschen oorsprong) drukt altijd een gepast gevoel van eigenwaarde uit. _Met ~fieren~ blik trad hij voor zijn laaghartige beschuldigers._
~IJdel~ duidt aan, dat men zich gaarne bewonderd en gevleid ziet. _Hij was ~ijdel~ genoeg, om de vleierij van zijn vrienden voor goede munt aan te nemen._ (IJdel kan ook beteekenen: 1º. zonder grond: ijdele hoop; 2º. van geen langen duur: ons ijdel leven; 3º. aardschgezind: ijdele lieden denken niet aan het leven hiernamaals; 4º. nutteloos: al zijn pogingen waren ijdel.)
* * * * *
De -- raaf liet zich geducht door den vos beetnemen.
Met -- opgeheven hoofd trad de mishandelde zijn beulen onder de oogen.
Zijn -- hart heeft alle gevoel van vriendschap gebluscht.
De -- schouwburg heft zijn kap en gaat tot aan de sterren pralen. (Vondel.)
Elkeen bewonderde hem over de uitvoering van dit -- denkbeeld.
Van oudsher was de Nederlander -- op zijn voorrechten.
Wij mogen er -- op zijn, dat hier reeds eeuwen vrijheid van geweten bestaat.
God wederstaat den --, maar den nederige schenkt Hij genade.
Niemand kan dezen parvenu uitstaan, daar hij in 't oogloopend -- op zijn rijkdom is.
Hoe -- draaft het paard daarheen, als het zijn meester draagt.
Toen de -- veldheer zich door zoo velen gevleid zag, werd hij --.
Hij behoeft waarlijk niet zoo -- te zijn op zijn afkomst; zijn ouders zijn maar eenvoudige lieden.
Dat schijnt me een -- nufje toe.
De pauw is een -- dier.
Vroeger was hij vreeselijk --, maar het lot heeft hem nederig gemaakt.
Ons loflied prijst den Schepper van het -- heelal.
De -- eik werd door den bliksem getroffen.
Hij was te --, om gebedeld brood te eten, zoolang hij nog werken kon.
Deze schrijver is zoo --, dat hij niet de minste aanmerking op zijn werk kan verdragen.
Paul Kruger blijft een -- verschijning in de geschiedenis van Zuid-Afrika.
Toen de leeuw zich zag ingesloten, richtte hij zich -- op, alsof hij den dood verachtte.
De prachtige St.-Janskerk in Den Bosch is een -- gebouw.
183. Eischen--vorderen--vergen--verlangen.
_Iets met aandrang vragen._
~Eischen~ drukt uit, dat men de gedachte aan een weigering uitsluit, daar men van zijn recht overtuigd is of dat een plicht of een gelofte tot gehoorzamen bindt. _Ik ~eisch~ het geld terug, dat gij van mij geleend hebt. De wet ~eischt~ gehoorzaamheid aan haar bepalingen._
~Vorderen~ onderstelt wel, dat weigeren mogelijk is, maar toch niet verwacht wordt, hetzij omdat degene, van wien men iets vordert, door innerlijken drang weerhouden wordt te weigeren, hetzij hij bevreesd is door dwangmiddelen tot het voldoen van het gevorderde gebracht te worden. _Men ~vordert~ van een welopgevoed man, dat men hem op zijn woord mag gelooven.--Ik ~vorder~ van hem schadevergoeding_ (d.w.z. weigert hij soms, dan stel ik bij rechterlijk vonnis een _eisch_ tot schadevergoeding in).
~Verlangen~ duidt aan, dat men iets met zeer sterken aandrang vraagt, maar dat men niet zeker is, of het verlangde zal worden toegestaan: het laat in het midden, of men al dan niet recht op het gevraagde heeft. _De minderjarige jongeling ~verlangde~ zijn vaderlijk erfdeel om de wereld in te trekken._ (Ware hij meerderjarig geweest, dan had hij het kunnen _eischen_ of _vorderen_.)--_Wij ~verlangden~ van onzen vriend nadere opheldering van zijn gedrag._ (Een onderwijzer _eischt_ opheldering van zijn leerling.)
~Vergen~ (metathesis van vragen) duidt aan, dat men te veel verlangt. _Hij ~vergt~ van mij, dat ik dat alles voor niets zal doen._
* * * * *
De onderwijzer --, dat zijn leerlingen stipt op tijd komen; hij --, dat zij jegens iedereen beleefd zullen zijn; hij mag niet --, dat er onder schooltijd voortdurend een doodsche stilte heerscht.
Ik -- oogenblikkelijk binnengelaten te worden. (Meer woorden?)
Deze arbeid -- veel tijd. (Figuurlijk.)
Hij had reeds te veel van mijn geduld --.
De regeering -- onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de wet.
Ik mag van u niet --, dat gij mij voor niemendal zult helpen.
Hij -- van mij, dat ik mijn verontschuldiging zal aanbieden, maar hij vergeet, dat ik de beleedigde ben.
Welken prijs -- gij voor deze boeken?
De ouders -- van hun kinderen, dat zij zich behoorlijk in huis zullen gedragen.
Indien het niet te veel van uw goedheid -- is, zou ik u dit gaarne verzoeken.
184. Aarzelen--schromen--weifelen--in twijfel staan--zich bedenken.
_Geen vast besluit kunnen nemen._
~Aarzelen~ duidt oorspronkelijk een achterwaartsche beweging aan, het wil dus zeggen: voor het besluit of de handeling terugdeinzen, doordat men zich te zwak gevoelt. _Als men mij die betrekking aanbood, zou ik ~aarzelen~ ze aan te nemen._
~Schromen~ duidt aan, dat schroom (zie No. 166) de oorzaak is, waardoor men niet tot een besluit kan komen. _Ik was hem al zoo dikwijls lastig gevallen, dat ik ~schroomde~ alweder zijn hulp in te roepen._
~Weifelen~ duidt aan, dat men niet tot een besluit kan komen, doordat men geen wilskracht, geen doortastendheid bezit. _Door zijn ~weifelen~ in het beslissende oogenblik is de onderneming mislukt._
~In twijfel staan~ beteekent: tusschen twee zaken niet kunnen kiezen, daar het vóór en tegen vrijwel tegen elkander opwegen. _Ik ~stond~ langen tijd ~in twijfel~, of ik zou schrijven dan wel zelf zou gaan._ (Twij = twee.)
~Zich bedenken~ gebruikt men, als men zijn te nemen besluit vooraf nog eens in ernstige overweging wenscht te nemen. _Ik kan mijn toestemming nu nog niet geven, ik moet ~mij~ eerst nog eens terdege ~bedenken~._ Soms beteekent het ook: op zijn reeds genomen besluit door nadenken terugkomen. _In mijn eerste opwelling van woede besloot ik hem een beleedigenden brief te schrijven, maar bij nader inzicht ~bedacht~ ik ~mij~ gelukkig nog._
* * * * *
Wie buiten zijn toedoen in armoede vervalt, behoeft niet te -- om ondersteuning te vragen.
De bevelhebber -- tot den aanval over te gaan, daar hij een heftigen tegenstand vermoedde.
Langen tijd heb ik --, of ik voor arts dan wel voor notaris zou studeeren.
Ik hoor, dat hij plan heeft zijn geld in die gewaagde onderneming te steken; voor hem hoop ik, dat hij -- zal.
Hoewel gij er soms iemand onaangenaam door moet zijn, moogt gij niet --, naar plicht en geweten te handelen.
De koning had met een weinig toegeven den opstand nog kunnen voorkomen, maar daar hij in het beslissende oogenblik -- tot zulk een verzoenende daad over te gaan, verloor hij zijn laatste vrienden.
Gij weet, op welke wijze gij zijn vriendschap behouden kunt; waarom -- gij dan nog daartoe over te gaan?
Gerust moogt gij --, vóór gij hem uw vriendschap opzegt, maar is uw besluit genomen, -- dan ook niet het ten uitvoer te brengen.
Door de -- houding, die ons land bij de voorgestelde alliantie aannam, liet het de gelegenheid, om bondgenooten te winnen, voorbij gaan.
185. Blijdschap--vreugde--vroolijkheid--genoegen--verrukking.
_Aangename aandoening van ons gemoed._
~Blijdschap~ ziet meer op een enkel geval en wordt door geringere oorzaken teweeggebracht dan ~vreugde~, die dieper en langduriger aandoet. Bovendien verschillen beide woorden ook hierin, dat ~blijdschap~ zich op 't gelaat afspiegelt, terwijl ~vreugde~ zich niet noodzakelijk behoeft te uiten. Het goed gedrag van den zoon geeft den vader vreugde; zijn thuiskomst na een korte afwezigheid veroorzaakt blijdschap. (De vreugde duurt langer en uit zich wellicht niet; de blijdschap was van voorbijgaanden aard en straalde misschien van 't gelaat van den vader.) Geeft de blijdschap zich lucht ook door woorden, lachen of gebaren, dan spreekt men van ~vroolijkheid~. Zijn vreugde kan men verbergen, zijn vroolijkheid niet; blijdschap kan stil zijn (stille blijdschap), vroolijkheid niet, bijv.: zij waren uitgelaten van vroolijkheid.
~Genoegen~ is minder sterk dan blijdschap; het is eigenlijk de toestand van voldaanheid met hetgeen men wenscht of bezit. _Hij smaakte het ~genoegen~, de acte te behalen. Het doet mij ~genoegen~, dat gij komt._ (In beide gevallen wijst het dus aan, dat de wensch vervuld werd.) Tegenwoordig komt het soms ook overeen met vermaak: _Ik wensch u veel ~genoegen~ op uw reis_ (wat eigenlijk beteekent: ik hoop, dat gij al uw wenschen bevredigd zult zien, n.l. uw wenschen naar genot en vermaak op uw reis). _Hij schept veel ~genoegen~ of vermaak in het lezen van romans. Met ~genoegen~ neem ik uw uitnoodiging aan_ (het zal mij een vermaak zijn, bij u te komen). Genoegen kan ook nog beteekenen: de oorzaak of het middel, dat ons vermaak verschaft: _ook de winter heeft zijn ~genoegens~_. Verder moet er nog op gewezen worden, dat genoegen en vermaak in de gewone spreektaal dikwijls vervangen worden door het Fransche woord »pleizier".
De hoogste trap van vreugde of blijdschap is ~verrukking~: de aangename toestand, waarin alle andere gevoel in dat der vreugde opgaat.
* * * * *
De geboorte van den prins werd met groote -- begroet.
Op de zilveren bruiloft heerschte er in dit huisgezin groote --.
Het is mij altijd een -- door de geurende bosschen te dwalen.
Die jongen heeft er altijd -- in, kleine kinderen te plagen.
Met -- beschouwde de daglooner den grooten schat, dien hij had gevonden.
De zieke had het --, nog voor zijn dood al zijn kinderen om zich te zien.
Het verdere van den feestavond werd in uitgelaten -- doorgebracht.
Wie al te veel allerlei -- najaagt, verzuimt dikwijls zijn eerste plichten.
Het is mij een -- u te kunnen helpen.
De -- der ouders, toen zij hun verloren gewaand kind terugvonden, is niet te beschrijven.
Tot algemeene -- begon onder de deftige toespraak van den voorzitter plotseling een ezel te balken.
Moge uw huwelijk u een bron zijn van ongestoorde --.
Het bestuur dezer badplaats zorgt in den zomer voor allerlei --.
Toen hij het langgewenschte portret zijner moeder vond, geraakte hij in --.
Met -- vernam men, dat de Koningin een bezoek aan de stad zou brengen.
»Wat heilig vuur, doortintelt al mijn ad'ren! -- sleept mij onweerstaanbaar mee!"
186. Boosheid--drift--toorn--woede--razernij.
_De gemoedstoestand, waarin men alle kalmte verliest._
~Boosheid~ duidt aan, dat men misnoegen gevoelt, maar niet in zulke sterke mate, als bij ~toorn~ het geval is. Verliest de toornige zijn heerschappij over het verstand, dan spreekt men van ~woede~. Gaat deze woede met groot getier of heftige bewegingen gepaard, dan gebruikt men ~razernij~.--~Drift~ is een snel opkomende opwelling van toorn, die evenwel spoedig weer voorbij gaat.
* * * * *
In zijn -- had hij bijna zijn besten vriend vermoord.
Hij wilde uit -- niet met ons meespelen.
In zijn -- wierp hij mij een beleediging naar het hoofd, maar hij had er spoedig groot berouw over.
Hij ging in zijn -- zoo geweldig te keer, dat de menschen op straat bleven staan luisteren.
Spreek uw nieuwen patroon nooit tegen en doe stipt, wat hij zegt; want, als gij zijn -- opwekt, jaagt hij u misschien wel de deur uit.
Bij die grievende beleediging, zijn vader aangedaan, ontstak de zoon in zulk een --, dat hij bijna een ongeluk had begaan.
Zeg maar niets tegen hem; zijn -- zal wel spoedig gezakt zijn.
Met verbeten -- stond de koopman het aan te zien, hoe zijn concurrent al de klanten wist te lokken.
187. Omslachtig--breedvoerig--uitvoerig--omstandig--wijdloopig.
_Het tegengestelde van beknopt._
~Omslachtig~ duidt aan, dat men veel _omslag_ maakt, d.i. een grooten omhaal van woorden bezigt; men geeft dus veel meer in zijn verhaal, dan noodig is.
~Omstandig~ heet het verhaal, waarin alle voorname bijzonderheden vermeld worden, alsof een omstander het feit vertelde.
~Uitvoerig~ ziet op de redeneering of het verhaal, waarin niets gemist wordt, wat voor het onderling verband noodig is.
Wil men in een verslag de omstandigheden niet enkel noemen, maar ook nader ontvouwen, om voor hem, die niet geheel op de hoogte is, des te duidelijker te zijn, dan spreekt men van ~breedvoerig~. In een breedvoerig betoog worden dus de verschillende onderdeelen van het onderwerp nader uiteengezet en verklaard. Wie hierbij echter onnoodig zaken aanroert en behandelt, en dus zijn redeneering of bewijsvoering noodeloos rekt, wordt ~wijdloopig~.
~Omstandig~ en ~uitvoerig~ zijn dus goede hoedanigheden van een spreker of schrijver, soms moet hij ook ~breedvoerig~ zijn; maar ~omslachtigheid~ en ~wijdloopigheid~ zijn steeds af te keuren.
* * * * *
De rechter verlangt van de getuigen wel een --, maar geen -- verhaal.
Deze -- uiteenzetting van het onderwerp was noodig, omdat anders het publiek den spreker moeilijk had kunnen volgen.
Van den toestand onzer koloniën komt in dit blad een -- verslag voor, dat een helder licht op vele zaken werpt.
In zijn ijver, om de onschuld van den beklaagde te doen uitkomen, hield de advocaat zulk een -- betoog, dat het geduld van zijn toehoorders op een te zware proef werd gesteld.
De tijd ontbreekt mij om u een -- verslag van die vergadering te geven.
188. Beleedigen--bespotten--hoonen--krenken--kwetsen--verguizen--smalen--smaden.
_Iemand op grievende wijze behandelen._
~Beleedigen~ zegt dit in het algemeen, zonder dus nader aan te duiden, waarin de beleediging bestaat. _De gezant werd op straat ~beleedigd~._
~Bespotten~ wijst aan, dat de beleediging met spottende woorden of gebaren geschiedt; men bespot dus iemand (of iets) door hem belachelijk te maken. _Gij moogt nooit de godsdienstige gebruiken van andersdenkenden ~bespotten~._
Bij ~hoonen~ wordt de beleediging door vernedering en schande aangedaan. _Met ~hoonend~ gelach werd de spreker, die in zijn rede bleef steken, begroet._
Bij ~smaden~ denkt men meer aan verachting. _Uit de ~smadelijke~ uitroepen van het volk kon de minister duidelijk merken, dat hij zijn aanzien verloren had._
~Verguizen~ is de hoogste trap van smaden of hoonen. _Geen rechtgeaard vaderlander laat zijn geboortegrond ~verguizen~._
~Krenken~ duidt aan, dat men iemand grieft, door hem in zijn eer of rechten aan te tasten, terwijl ~kwetsen~ meer ziet op het beleedigen van het gevoel. _Dat hij achteruitgezet werd, ~krenkte~ hem zóó, dat hij ontslag aanvroeg. Deze plaat ~kwetst~ den goeden smaak._
~Smalen~ beteekent: zich minachtend en geringschattend over iemand (of iets) uitlaten, door diens verdiensten of deugden met opzet te verkleinen; soms heeft het de bijgedachte, dat de werking uit nijd of afgunst geschiedt. _Hoezeer sommigen ook ~smaalden~ op het langzame voortrukken van ons leger, de uitkomst bewees, dat de aanvoerder daarmee goed had gedaan._
* * * * *
De gemalin van prins Willem V achtte zich zwaar --, toen zij op haar reis naar Den Haag werd tegengehouden; zij achtte zich in haar eer -- en liet haar broeder voldoening eischen.
Het geeft altijd een bewijs van slechte opvoeding, als men iemand om zijn lichaamsgebreken --.
Hij liet zich -- over het schilderij uit, omdat hij blijkbaar zijn mededinger het behaalde succes niet gunde.
Men moet nimmer een ander in zijn godsdienstige overtuiging --.
Toen de arme stierenvechter het ongeluk had mis te stooten, werd hij door het publiek met een -- geroep begroet.
Liever dan de vaderlandsche vlag te laten --, vloog Van Speyk de lucht in.
Door zulk een miskenning van zijn verdiensten ten zeerste --, verliet hij 's lands dienst.
De Fransche koning achtte zich door het slaan van den gedenkpenning op den vrede zwaar -- en eischte voldoening.
Het is wel gemakkelijk op den afloop te --, maar de beste stuurlui staan altijd aan wal.
Ten diepste -- over de geleden nederlaag verviel Karel de Stoute in een toestand van zinsverbijstering.
Eindelijk brak het uur aan, dat den zoo lang -- man de waardeering te beurt viel, waarop hij recht had.
Dit boek, dat de goede zeden --, is op last der regeering verboden.
»Triumf! de Nederlandsche Taal Is van het Fransche juk ontheven, En zal, hoezeer de nijd ook --, Haar ouden luister doen herleven!"
AANHANGSEL.[1]
[1] In dit aanhangsel zijn nog 50 reeksen zoo beknopt mogelijk behandeld. Het is voor den belanghebbende een goede oefening zelf voorbeelden ter verduidelijking of ter toetsing te zoeken.
189. Opbeuren--troosten.
_Opnieuw moed en vertrouwen inboezemen._
~Troosten~ is het geleden verlies helpen verlichten en vertrouwen op de toekomst opwekken; ~opbeuren~ (omhoog heffen): een door diepe droefheid terneergeslagen gemoed met nieuwen levensmoed bezielen.
190. Oponthoud--vertraging.
_Wat een werking in haar voortgang hindert._
~Oponthoud~ is een hindernis, die de werking tijdelijk doet ophouden, stil doet staan; ~vertraging~ is alles, wat de werking trager, langzamer doet gaan.
191. Verlichten--beschaven.
_Verstand en gemoed ontwikkelen en veredelen._
~Verlichten~ is: lichter maken wat duister was, dus duidelijke begrippen aanbrengen om daardoor 't verstand en de kennis te vergrooten en tevens dwaalgrippen en bijgeloof te doen verdwijnen. ~Beschaven~ is: minder ruw, fijner, zachter maken, dus den geest in _elk_ opzicht ontwikkelen, niet alleen in betrekking tot helderheid van kennis en denken, maar vooral ook met het oog op veredeling van zeden, smaak, gevoel en wellevendheidsvormen.
191_bis_. Geheim--heimelijk.
_Wat voor anderen verborgen moet blijven._
~Geheim~ is alles, wat de niet-ingewijde niet weet, wat met opzet verborgen wordt gehouden: een _geheime_ vergadering; een _geheime_ samenzwering. ~Heimelijk~ ziet op de wijze, de middelen, waarop of waarmee men iets geheim houdt: een _heimelijke_ samenkomst (men komt zóó samen, dat het niet gezien wordt); zich _heimelijk_ uit de voeten maken.
192. Achten--waardeeren.
_De waarde van iemand of iets erkennen._
~Waardeeren~ zegt men van alles, wat waarde voor ons heeft, wat men op prijs wil stellen: _iemands moeite ~waardeeren~; gij moogt dit mooie weer wel ~waardeeren~_. ~Achten~ doet men alleen menschen en wel om hun zedelijke waarde of maatschappelijke betrekking. _Men ~waardeert~ een hond om zijn waakzaamheid; men ~acht~ hem niet._
193. Uitdeelen--verdeelen.
_In deelen splitsen._
~Verdeelen~ zegt dit meer in 't bijzonder: _de erfenis wordt ~verdeeld~_ (komt dus niet aan één persoon); _een boek in hoofdstukken ~verdeelen~; appels onder de kinderen ~verdeelen~_. ~Uitdeelen~ ziet op het uitreiken der deelen, waarin het geheel eerst verdeeld is: _de aandeelen in de erfenis ~uitdeelen~_; of waarin het geheel meer toevallig gesplitst wordt: _in 't wilde ~uitdeelen~; aalmoezen ~uitdeelen~_.
194. Vermeesteren--bemachtigen.
_In zijn macht brengen._
~Bemachtigen~ zegt dit in 't algemeen; ~vermeesteren~ onderstelt uitdrukkelijk strijd en geeft tevens te kennen, dat men over iets meester wordt en dus naar willekeur er mee kan handelen. _Een plaatsje ~bemachtigen~. Een stad ~bemachtigen~_, en ook: _~vermeesteren~_ (verschil!).
195. Bezitten--hebben.
_Beide woorden beteekenen, iets in eigendom hebben._
~Hebben~ zegt dit in 't algemeen, zonder meer, terwijl ~bezitten~ gezegd wordt van redelijke wezens, om te kennen te geven, dat zij over hun bezitting vrijelijk kunnen beschikken en anderen daarvan uitsluiten. _Een boom ~heeft~ bladeren.--Deze dame ~bezit~ veel huizen._
196. Bloem--bloesem.
_Het deel der plant, dat bloeit._
~Bloesem~ zegt dit met het oog op de later voort te brengen vruchten; ~bloem~ is de bloesem, die door bijzondere schoonheid, geur of kleur zich onderscheidt en vooral daaraan zijn waarde ontleent, zoodat de vrucht niet de hoofdzaak is.
197. Eer--roem.
_De gunstige meening van iemands voortreffelijkheid._
~Eer~ geniet men als men door zijn medeburgers om zijn voortreffelijkheid hooggeacht wordt en daarom met onderscheiding wordt behandeld; ~roem~ is de bekendheid, die men om zijn groote daden of andere voortreffelijkheden geniet, tot zelfs in het buitenland en vaak nog bij het nageslacht. (In de uitdrukking: _~Eere~ zij God_ beteekent _eer_ meer: _lof_, _lofprijzing_.)
198. Ontberen--missen.
_Iets niet bezitten, wat men noodig heeft._
~Missen~, dat van menschen en dingen wordt gezegd, onderstelt, dat men vroeger het gemiste gehad heeft; ~ontberen~, dat alleen van belangrijke zaken wordt gebruikt, heeft de bijgedachte, dat het gemis zwaar gevoeld wordt, zoodat het soms gebrek-lijden beteekent.
198_bis_. Achterhalen--inhalen.
_Iets bereiken, wat vooruitgekomen is._