Part 12
~Terughouden~ wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen. _Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van die dwaze onderneming ~terug te houden~._
~Tegenhouden~ ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg legt (bij _~afhouden~_ en _~terughouden~_ gebruikt men meer dwang of overreding), evenals ~verhinderen~ (van _hinder_), zoodat men hem tracht te noodzaken van zijn plan af te zien; ~tegenhouden~ wordt van den persoon zelf gezegd, terwijl ~verhinderen~ meer slaat op de daad, die men wil voorkomen. _Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den weg gelegd werden, niet ~tegenhouden~, zijn plan te volvoeren.--De veldheer wist te ~verhinderen~, dat de vijand hem in den rug aanviel._
Terwijl ~tegenhouden~ en ~verhinderen~ onderstellen, dat iemand reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere voortzetting wordt gestuit, wijst ~beletten~ er op, dat hem zelfs die poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste twee. _De veldheer wist te ~beletten~, dat de vijand hem in den rug aanviel._
* * * * *
Na lang praten gelukte het ons, hem van zijn voornemen, om naar Amerika te vertrekken, --.
Ga gerust uw gang, niets -- u, die reis naar Indië te doen.
Te Marseille gekomen werd hij --, zijn reis naar Indië voort te zetten.
Doordat de onzen tijdig waren gewaarschuwd, werd de vijand -- de stad te verrassen.
Door het dappere gedrag van den Kroonprins bij Quatre-Bras werd het Fransche leger een dag in zijn opmarsch --.
Door hem nog tijdig gevangen te nemen, heeft de politie hem -- te ontvluchten.
Door de ingevallen koude werd hij -- nog tijdig de vergadering te bereiken.
Zijn verkoudheid -- hem niet uit te gaan.
Men moet den dronkaard van den ondergang, dien hij tegemoet gaat, --.
Wij hebben hem gelukkig nog bijtijds --, dat hij er met ons geld van doorging.
De voorzitter wilde het voorstel liever niet in stemming brengen, maar hij was door de oppositie niet in staat de stemming --.
170. Bestendig--duurzaam--onveranderlijk--standvastig--langdurig.
_Deze woorden geven te kennen, dat iets ~blijft~ bestaan, zooals het is._
~Bestendig~ is alles, wat uit zijn aard niet _verandert_: _bestendig_ weder (d.w.z. het blijft onafgebroken, zooals het is).
~Duurzaam~ is alles, wat uit zijn aard niet _ophoudt_: een _duurzame_ vrede. (~Bestendig~ ziet dus op het innerlijk vermogen om niet te veranderen, ~duurzaam~ wijst op de innerlijke eigenschap, dat iets niet ophouden, geen einde nemen zal.)
~Onveranderlijk~ drukt uit, dat iets door invloeden van buiten niet veranderd kan worden: _Gods besluiten zijn ~onveranderlijk~_ (d.w.z. geen invloed buiten God kan er verandering in brengen).
~Standvastig~ ziet uitsluitend op personen en duidt aan, dat iemand blijft standhouden niettegenstaande allerlei tegenwerking. Het wordt steeds in gunstigen zin gebruikt in tegenstelling met halsstarrig. _Hoewel men den gezant met allerlei schoone beloften zocht tevreden te stellen, ja zelfs met straf dreigde, bleef hij ~standvastig~ aandringen op het voldoen aan zijn eisch._
~Langdurig~ wijst aan, dat iets door invloeden van buiten lang duurt (dus meer toevallig) in tegenstelling met duurzaam, dat op een innerlijk vermogen wijst. _Een ~langdurige~ oorlog. De onderlinge naijver tusschen de beide volken scheen geen ~duurzamen~ vrede te voorspellen. Eikenhout is ~duurzaam~._--(Waarom niet: _langdurig_?)
* * * * *
»Ach, wij vinden, waar wij staren, niet -- hier beneên."
»Gij hebt Uw troon op -- recht gebouwd."
Na een -- onderzoek kwam men eindelijk den dader op het spoor.
Hoezeer men hem zocht te verleiden, zijn partij afvallig te worden, was hij toch -- genoeg, zijn eenmaal gegeven woord getrouw te blijven.
Wat ook om ons heen moge wankelen, God alleen is --.
Door zijn -- verblijf in den vreemde heeft hij veel ervaring opgedaan.
Men heeft den dichter een standbeeld in -- brons opgericht.
Hij viel in een -- ziekte, die zijn krachten sloopte.
Willem van Oranje's zinspreuk was: »-- te midden der woelige golven." (Is hier het bedoelde woord letterlijk of figuurlijk gebruikt?)
»Niet steeds is de liefde -- van duur, hoe snel zij den boezem deed jagen." (Tollens.)
171. Buit--prijs--prooi--roof--vangst.
_Hetgeen men met geweld in zijn bezit brengt._
Is dit geweld onrechtvaardig, dan spreekt men van ~roof~: kerkroof, zeeroof.--Is het geweld door het oorlogsrecht (tusschen twee partijen) gewettigd, dan spreekt men van ~buit~: _Met grooten ~buit~ beladen keerden de soldaten naar huis._--~Vangst~ zegt men van hetgeen de jacht of de visscherij oplevert; daar men het vangen (d.i. grijpen) moet, heeft het woord alleen betrekking op levende wezens. Oudtijds, toen de gevangenen nog als slaven werden verkocht, konden zij onder den _buit_ gerekend worden; thans moet men zeggen: _De slavenhalers hebben een goede ~vangst~ gehad._
~Prooi~ noemt men de vangst, waarmee de verscheurende dieren zich voeden; in figuurlijke beteekenis kent men een ~prooi~ toe aan de hevige hartstochten of aan de geweldige werkingen der natuur, die men met verscheurende dieren gelijkstelt. _Het huis is een ~prooi~ der vlammen geworden._
~Prijs~ (van 't Fransche _prise_, d.i. de daad van het nemen) wordt hoofdzakelijk in oorlogstijd gezegd van goederen, die de vijand in zijn bezit krijgt, door ze meer zich toe te eigenen dan te veroveren; bijv. de lading van koopvaardijschepen, die zich niet verdedigen kunnen, wordt door den vijand _prijs_ gemaakt. Men zegt dan meestal: _prijs verklaard_ of _voor goede prijs_ (v.) _verklaard_, dit laatste om het goed recht als oorlogsbuit des te beter te doen uitkomen. (Het woord _verklaard_ wijst dan aan, dat er geen gevecht behoefde geleverd te worden!)
* * * * *
Oudtijds kregen de soldaten een vast soldij benevens een aandeel in den --.
Daar stond de lichtzinnige jongeling, thans ten -- aan hevig zelfverwijt.
De dieven brachten hun -- zoo spoedig mogelijk in veiligheid.
Een groot getal koopvaardijschepen werd door den vijand -- verklaard.
De koopvaardijvloot werd door eenige oorlogsbodems verdedigd, maar ten laatste grootendeels door den vijand -- gemaakt.
De visscher heeft een slechte -- gehad.
De politie heeft deze week een goede -- gedaan; zij legde de hand op »Rooie Kees", die wegens -- en doodslag terecht moest staan, maar nergens te vinden was. (Verklaar het figuurlijke der beteekenis van 't eerste woord!)
Zes schipbreukelingen werden een -- der woedende golven.
172. Bedenkelijk--zorgelijk--hachelijk--gevaarlijk.
_Deze woorden geven te kennen, dat een toestand of omstandigheid gevaar oplevert._
~Gevaarlijk~ zegt dit zonder eenige nadere aanwijzing. _Hij lijdt aan een ~gevaarlijke~ ziekte._
~Bedenkelijk~ drukt alleen uit, dat de toestand ons tot nadenken, tot ongerustheid stemt, hoewel een gunstige afloop nog niet uitgesloten is. _De toestand van den zieke is wel ~bedenkelijk~, maar de geneesheer geeft nog alle hoop._
~Zorgelijk~ geeft te kennen, dat het gevaar groot is; het maakt ons bezorgd (bevreesd), dat de afloop ongunstig zal zijn. _De zieke heeft reeds verscheidene dagen lang hevige koorts, zoodat zijn toestand ~zorgelijk~ is._
~Hachelijk~ zegt, dat de kans op een ongunstigen afloop grooter is dan die op een gunstigen uitslag. (Men zegt ook vaak ~kritiek~.) _Toen de Republiek in 1672 door vier mogendheden te gelijk werd aangevallen, was de toestand zeer ~hachelijk~._
* * * * *
In den Franschen tijd was het hoogst --, afkeurend over Napoleon te spreken.
De toestand van den zieke is --: men heeft reeds de bloedverwanten ontboden.
Het is een -- verschijnsel, dat de weelde ook in de lagere standen zeer toeneemt.
Toen de onzen reeds voor den vijand begonnen te wijken, verloor de veldheer in dit -- oogenblik zijn bezinning niet; kort en krachtig sprak hij zijn manschappen toe en wist ze met nieuwen moed te bezielen. Een schitterende overwinning bekroonde hun moed.
Het kan -- zijn, vruchten, die men niet kent, te eten.
Het was een -- waagstuk, met een klein bootje het Kanaal over te steken.
Hoewel de man -- ziek ligt, geloof ik toch, dat zijn toestand niet zoo -- is, als gij meent.
173. Dapper--moedig--stout--onbevreesd--onverschrokken--onversaagd.
_Geen gevaar ontziende._
~Moedig~ geeft te kennen, dat men overtuigd is van eigen kracht, om het gevaar te overwinnen. _Een ~moedig~ gemzenjager klimt langs afgronden, om zijn doel te bereiken._
~Dapper~ is hij, die vooral in den strijd onversaagd is en stand houdt, waar anderen liever wijken. _Het kleine, maar ~dappere~ leger versloeg den veel sterkeren vijand._
~Stout~ (of stoutmoedig) is hij, die het gevaar minacht, hetzij uit onbekendheid, hetzij om een andere reden: hij onderneemt daden, die ons vaak gewaagd of onuitvoerbaar toeschijnen. Een onervaren soldaat, die overigens misschien minder moedig is dan zijn oudere krijgsmakkers, zal soms lichter dan zij zich tot een stoute onderneming laten verleiden. _Het was een ~stoute~ daad van Jan Haring op Bossu's schip over te springen en de vlag naar beneden te halen._
~Onbevreesd~ is hij, die geen vrees kent, zoodat hij zich niet laat afschrikken, om zich moedig te gedragen. _~Onbevreesd~ wachtte hij den vijand af._
~Onverschrokken~ is hij, die zich door niets laat verschrikken, maar zelfs het gevaarlijkste durft wagen. _Kapitein 't Hoen was een ~onverschrokken~ vrijbuiter, die meermalen dwars door den vijand heen levensmiddelen binnen Haarlem bracht._ (Hij was misschien wel niet altijd onbevreesd, maar hij liet zich door die vrees niet terugschrikken.)
~Onversaagd~ is hij, die niet aarzelt, als het gevaar moet getrotseerd worden, en volhardt, als er tegenspoed komt. _~Onversaagd~ viel de ~onverschrokken~ held den vijand aan, toen deze een uitval waagde._
* * * * *
Bij die schipbreuk wierp zich de strandvoogd -- in de woedende golven en zwom naar het schip. (Dezen zin kan men met vier woorden invullen; doe het en geef telkens de veranderde beteekenis op.)
De vader, wiens kind door den arend was geroofd, klom -- den roover na. (Men wil aanduiden, dat de vader niet aarzelde en zich door niets liet tegenhouden, totdat hij het nest bereikt had.)
Bij het gezicht van den vijand zag men den bevelhebber slechts even verbleeken; toen viel hij -- het vijandelijke leger aan. (Onbevreesd was hij dus zeker niet.)
Na een -- gevecht van een paar uren sloeg men den vijand op de vlucht.
Hoewel hij wist, dat het zijn meerdere onaangenaam zou zijn, heeft hij dezen toch -- de waarheid gezegd.
Onze geschiedenis is rijk aan -- mannen, die zich in menig gevecht -- hebben gedragen; sommige zelfs hebben hun naam door een -- daad vereeuwigd.
De jager naderde -- het hol van den leeuw. (Welke woorden kunt gij invullen? Geef daarvan rekenschap.)
174. Spijt--leedwezen--berouw--wroeging.
_Het onaangename gevoel, dat zich van ons meester maakt, wanneer wij tot het besef komen, verkeerd gehandeld te hebben._
~Spijt~ drukt dit het zwakst uit; het geldt dan ook hoofdzakelijk van minder belangrijke daden. _Ik heb er ~spijt~ van, dat ik dit boek gekocht heb._
~Leedwezen~ is sterker; het onderstelt een daad, waardoor wij ons zelven of anderen verdriet of nadeel berokkend hebben. _Hij gaf mij zijn ~leedwezen~ er over te kennen, dat hij mij had moeten teleurstellen._
~Berouw~ is weer sterker dan leedwezen; het duidt aan, dat wij een misslag of misdaad begaan hebben, waarover wij een aanhoudend leedwezen gevoelen. Bovendien drukt het uit, dat wij dien misslag of die misdaad gaarne ongedaan zouden maken, en laat meestal doorstralen, dat wij een mogelijke herhaling wenschen te voorkomen. _Over de grievende beleediging, die hij zijn besten vriend had aangedaan, voelde hij diep ~berouw~._
~Wroeging~ is de hoogste trap van berouw over een gepleegd kwaad. Het is de foltering, die de misdadiger voelt, doordat zijn geweten hem niet met rust laat. _Uit ~wroeging~ over zijn misdaad verviel hij tot wanhoop._
* * * * *
Nu het vandaag zulk prachtig weer is geworden, heb ik er -- van, dat ik van morgen niet op reis ben gegaan.
Tichelaar werd op zijn ouden dag overal vervolgd door de -- van zijn knagend geweten.
Ik heb er nog steeds -- over, dat ik in mijn jeugd niet beter geleerd heb.
Tot zijn -- bemerkte hij, dat hij zijn bediende onschuldig had aangeklaagd.
Uit -- over zijn misdaad stierf hij reeds na korten tijd.
De moordenaar toonde niet het minste -- over zijn afschuwelijke daad.
Tot mijn -- moet ik u berichten, dat ik aan uw verzoek niet kan voldoen.
175. Eigenzinnig--stijfhoofdig--hoofdig--koppig--halsstarrig--hardnekkig.
_Niet geneigd naar anderen te luisteren._
~Stijfhoofdig~ is hij, die zijn eigen hoofd wil volgen, zelfs al moet hij erkennen, dat anderen het beter weten. ~Hoofdig~ en ~koppig~ drukken hetzelfde iets minder sterk uit; ~koppig~ wordt ook van dieren gezegd en heeft bovendien het nevenbegrip van onhandelbaar. _De jongen is ~stijfhoofdig~ genoeg, om toch de aangegeven fouten niet te willen verbeteren. Wat ben je van daag weer ~hoofdig~. Een ~koppige~ ezel._
~Eigenzinnig~ komt ook wel met stijfhoofdig overeen, maar drukt nog het bijdenkbeeld uit, dat men uit gehechtheid aan het oude of aan eigen inzicht voor geen reden vatbaar is: men doet zijn _eigen zin_. _Hoewel iedereen hem aanraadde, zijn melk aan de boterfabriek te leveren, was de boer ~eigenzinnig~ genoeg, zelf te blijven karnen._
~Halsstarrig~ (d. i. een stijven hals hebbende) en ~hardnekkig~ (d. i. een harden, stijven nek hebbende) gebruikt men om aan te duiden, dat iemand een onbuigzamen wil heeft en zich daarom blijft verzetten. ~Hardnekkig~ kan ook in goeden zin voorkomen, wat bij ~halsstarrig~ nimmer het geval is. _Na een ~hardnekkigen~ tegenstand moesten de Boeren zich eindelijk onderwerpen. Hij weigert ~halsstarrig~ zich met zijn buurman te verzoenen._
* * * * *
Bokken zijn meestal -- dieren.
Die jongen is vreeselijk --; hij weet, dat hij nablijven moet, als hij zijn werk niet netter maakt en toch zit hij weer te knoeien.
De Atjehers boden een -- tegenstand, zoodat de onzen een moeilijke taak hadden.
Kent gij het gedicht »De -- boer" van Staring?
Hij houdt maar -- vol, dat hij niet gestolen heeft, en toch is de schijn sterk tegen hem.
Sommige landbouwers zijn zoo --, dat zij met de nieuwste uitkomsten der landbouwkunde blijven spotten.
Hoewel ik hem meermalen mijn hulp heb aangeboden, blijft hij die -- weigeren.
Na een -- gevecht moest de vijand eindelijk het veld ruimen.
Niettegenstaande ik hem meermalen heb aangetoond, dat hij de studie op een andere wijze moet aanvatten, is hij toch -- genoeg om op den ouden weg voort te gaan.
176. Gedachtenis--nagedachtenis--aandenken--herinnering.
_De bewustgeworden voorstelling van hetgeen vroeger geweest is._
~Herinnering~ wijst het vermogen aan, om zich het verledene weer voor den geest terug te roepen, of wel het is de werking zelf. Slechts in dit laatste geval is het synoniem met andere woorden en duidt dan alleen het bloote bewustworden aan. _In dagen van verdriet valt de ~herinnering~ aan gelukkiger tijden ons dubbel zwaar._
~Gedachtenis~ wijst aan, dat iemand of iets in onze gedachten blijft en dus niet vergeten wordt. Het ziet dus op een voortduren. _Houdt dat in uw ~gedachtenis~._
~Nagedachtenis~ heeft alleen betrekking op overleden personen, zelfs van een ver voorgeslacht (dus niet op gebeurtenissen) en duidt het voortleven in onze gedachten aan. _Tot zijn ~nagedachtenis~ werd voor hem een gedenkteeken onthuld._
~Aandenken~ drukt uit, dat aan het vroegere (personen of zaken) vaak gedacht wordt, bijv. hoe de persoon leefde, zoodat hij in levendige herinnering blijft. _Hij zal in gezegend ~aandenken~ blijven voortleven._
Opmerking verdient, dat herinnering, aandenken en gedachtenis ook een voorwerp kunnen aanduiden, waardoor de herinnering, het aandenken of de gedachtenis wordt levendig gehouden. _Mag ik u dit geschenk tot een ~aandenken~ aan dezen feestdag aanbieden?_ (Zoek ook een voorbeeld van herinnering en van gedachtenis.)
* * * * *
Wij zullen van ons verblijf in Zuid-Limburg een aangename -- meenemen.
De overledene bleef wegens zijn weldadigheid in gezegend -- voortleven.
Ter -- aan de troonsbestijging der Koningin heeft men op verschillende plaatsen een linde geplant.
Deze dichter heeft aan de -- van den zeeheld een schoon gedicht gewijd.
Ontvang dit als een -- aan uw eerste bezoek.
Zijn verblijf aldaar liet zoo weinig -- bij de bewoners achter, dat het weldra uit hun -- verdween.
Dit horloge is nog een -- van mijn overleden oom.
De -- van dezen weldoener der menschheid wordt nog steeds geëerd.
177. Bekwaam--geschikt--kundig--knap.
_De vereischten bezittende, om iets naar behooren te verrichten._
~Kundig~ onderstelt veel theoretische kennis door ijverige studie van een zeker vak opgedaan. _Hij is een ~kundig~ rechtsgeleerde._
~Bekwaam~ wijst aan, dat men aan kennis ook practische ervaring paart, zoodat men degelijk werk kan leveren of voor een of andere betrekking als aangewezen is. _Hij is een ~bekwaam~ timmerman; een ~bekwaam~ onderwijzer._
~Geschikt~ wil zeggen, dat men wegens het bezit van de vereischte vaardigheden voor een of andere handeling of betrekking bijzonder bruikbaar is. _Ik weet een ~geschikte~ dienstbode voor u._
~Knap~ duidt aan, dat iemand veel geleerd heeft, hetzij in 't algemeen of in een bepaald vak: _Hij is een ~knap~ man.--Mijn broer is zeer ~knap~ in de geschiedenis._ Een onderwijzer kan knap en toch niet bekwaam voor zijn betrekking zijn. In den regel is ~knap~ tot de spreektaal beperkt en behoort ~kundig~ meer tot de schrijftaal.
* * * * *
Een -- werkman vindt overal werk.
In uw geval zou ik een -- advocaat raadplegen.
Wij hebben een -- kindermeisje gevonden.
Wie is de -- van deze jongens?
Johan de Witt was een -- rechtsgeleerde en een -- staatsman, die zeer -- was om de buitenlandsche zaken te leiden.
Die man ziet er wel onnoozel uit, maar voor schaapherder is hij nog wel --.
Hij is een -- godgeleerde, maar wegens zijn schorre stem is hij voor predikant niet --.
Ik geloof niet, dat deze schoenmaker erg -- in zijn vak is, maar voor verstelwerk is hij wel --.
Deze hoogleeraar is een -- oriëntalist.
Om dit oude gebouw naar behooren in den ouden stijl te herstellen moet gij een -- architect zoeken.
178. Draaien--keeren--wenden--wentelen.
_Een beweging maken, die van de rechte lijn afwijkt._
Bij een cirkelvormige beweging--om een vast punt dus--spreekt men van ~draaien~: _het wiel ~draait~_.
Om aan te duiden, dat het voorwerp door de beweging een tegengestelden stand krijgt, gebruikt men ~keeren~: _het schip ~keert~_ (waar dus de voorsteven was, komt nu het roer).
Is de verandering van stand niet zoo groot, dan spreekt men van ~wenden~ (oorspronkelijk: zijwaarts doen gaan; vergelijk _wand_ = zijde): _het schip ~wendt~ het roer_.
Een herhaald wenden wordt letterlijk door ~wentelen~ aangeduid (frequentief); het komt dus veel met draaien overeen, maar heeft de bijgedachte, dat het voorwerp niet alleen voortdurend van stand maar ook van plaats verandert. _Het zwijn ~wentelt~ zich in het slijk_ (d.i. letterlijk: wendt zich voortdurend in het slijk en komt tevens op een andere plaats). _De aarde ~draait~ om haar as en ~wentelt~ om de zon._ (Waarom niet _~wentelt~_ om haar as, of _~draait~_ om de zon?)
* * * * *
Pas op, de straat is hier te nauw om er met je fiets te --.
De wielen met gummi-banden -- bijna onhoorbaar over den weg.
Je kunt je overjas nog best laten --. (Hoe verklaart gij, dat de Duitscher hier _wenden_ gebruikt?)
Als gij olie in de as gedruppeld hebt, moet gij het wiel een paar minuten snel laten --.
Toen hij zijn vijand op straat tegenkwam, -- hij het hoofd naar rechts.
Hij -- maar in een cirkeltje rond, je wordt er niets wijzer door.
Wij zullen het eens over een anderen boeg --.
Gij moet dit vat olie voorzichtig naar de schuur --.
De wandelaar stond even stil en -- toen op zijn schreden terug.
De orgelman -- de voorzijde van het orgel naar ons huis en begon er toen lustig op los te --.
De vrouwen zagen den steen van Jezus' graf --.
179. Lomp--onbeleefd--onbeschoft--ongemanierd.
_Zonder fatsoen._
~Onbeleefd~ wijst aan, dat men de regels der wellevendheid uit het oog verliest. _Het is ~onbeleefd~ een dame naar haar leeftijd te vragen._
~Ongemanierd~ zegt, dat men onbeleefd in zijn manieren, in zijn handelwijs is, zoodat men in den regel ergernis verwekt. _Het is hoogst ~ongemanierd~ aan tafel het zout met zijn vingers aan te vatten._
~Lomp~ wil zeggen, dat men de regels der wellevendheid niet kent en er dus vaak lijnrecht mee in strijd handelt. _De ~lompe~ boer sprak den Burgemeester met jij aan._
~Onbeschoft~ wijst aan, dat men wel de regels der wellevendheid kent, maar ze opzettelijk overtreedt, met het doel iemand daardoor te beleedigen. _Door zulk een ~onbeschoft~ antwoord van den boer werd de Burgemeester woedend._
* * * * *
Zooveel beleefdheid had ik van dien -- boer niet verwacht.
Foei jongen, wat zit je bij het eten van je boterham -- te smakken.
De landlooper werd ten laatste zoo --, dat hij mij allerlei vuile scheldwoorden naar het hoofd wierp.
Zorg er voor, Frits, dat je dadelijk voor de dames een voetenbankje haalt, anders zou je -- zijn; misschien zouden ze je wel voor een -- jongmensch houden.
De -- boer hield zijn pet in de kamer op; hij werd zelfs zoo --, dat hij tot den advocaat zeide: »Je kinderen lieken krek apen."
180. Ochtend--morgen--dageraad--het krieken van den dag.
_Het begin van den dag._
~Dageraad~ en ~krieken~ wijzen op het begin van het licht, ~ochtend~ op het begin van den tijd of den dag. Zoo zegt men: _men staat op met ~het krieken van den dag~ of met den ~dageraad~_, d. w. z. bij het licht worden.--»_Sta gauw op, het is al ~ochtend~_" (d. w. z. de dag is al begonnen, de nacht is voorbij).
~Morgen~ ziet meer op de eerste uren, het eerste gedeelte van den dag: _Dezen ~morgen~ heb ik in den tuin gespit._ Soms gebruikt men ook _ochtend_, waar _morgen_ bedoeld is: _Gisteren~ochtend~ deed ik een frissche wandeling._--Daar _ochtend_ slechts een oogenblik is, wenscht men elkander geen _goeden ~ochtend~_, maar een _goeden ~morgen~_ ('t eerste gedeelte van den dag). Zoo zegt men wel: _ochtendstond_ en _morgenstond_, maar niet: _de ~ochtend~stond heeft goud in den mond_, men bedoelt immers: de morgen_tijd_.
* * * * *
Ik wensch u goeden --.
Reeds bij -- stond er iemand voor onze deur.
Morgen -- moet gij niet te lang slapen.
Het --rood voorspelt mooi weer.
Nauwelijks begon de -- te lichten, of wij verlieten ons huis.
Ik laat mij elken -- om vijf uur wekken en werk dan den geheelen -- tot acht uur door.
»O welkom, schoone --, Die uit een gulden kamer gaat Met glans en heldre stralen." (Luiken.)
»De --ster drijft voor zich henen De benden van het hemelsch heir." (Vondel.)
181. Dalen--vallen--storten--zinken--zakken.
_Een beweging naar beneden._
~Dalen~ wijst op een langzame beweging naar beneden toe, in tegenstelling met rijzen, terwijl ~vallen~ aanduidt, dat die beweging sneller gaat tengevolge van de aantrekkingskracht der aarde (het voorwerp heeft dus geen ondersteuning meer). _Men liet gas uit de ballon ontsnappen om op de heide neer te ~dalen~.--Een der mannen boog zich te ver over het schuitje en ~viel~ naar beneden._ Geschiedt dit vallen van een aanzienlijke hoogte of onverwacht, dan spreekt men van ~storten~. _De Alpenjager verloor het evenwicht en ~stortte~ in een afgrond._