Part 11
~Tegenzin~ gebruiken we, als iets ons niet aanstaat, of wanneer het betrekking heeft op een handeling, die wij tegen onzen zin verrichten. Van personen wordt het woord zelden gebezigd.--Maakt iemand een ongunstigen indruk op ons, al is 't ook zonder dat we daarvoor een bepaalde reden weten op te geven, zoodat we hem liefst vermijden, dan hebben wij een ~weerzin~ tegen hem.--Is dat gevoel sterker, zoodat het ons noopt ons van iemand of iets af te keeren en wij er dus niet mee te doen willen hebben, dan spreekt men van ~afkeer~; weerzin en afkeer nopen alleen tot ontwijken en zetten niet aan tot daden. Passen wij beide begrippen toe op spijzen en dranken, dan komt ~walging~ met afkeer overeen en duidt het gevoel aan, dat ons onpasselijk zou maken; in figuurlijken zin gebruikt men daarvoor ~walg~.--Wordt de afkeer bij ons opgewekt door een persoon, die een hoogst ongunstig voorkomen heeft,--door een voorwerp, dat ons door zijn leelijke gedaante vrees inboezemt,--of door een handeling, waartegen ons gevoel in opstand komt, dan spreken wij van ~afschrik~.--Het onweerstaanbaar gevoel, dat ons overmant, wanneer wij bij het hooren of zien van iets door angst en huivering worden aangegrepen en waarvan we reeds gruwen, als wij er aan denken, noemen wij ~afschuw~. Is het gevoel van huivering of ontzetting, waarmee de afschuw gepaard gaat, zeer sterk, dan spreekt men van ~afgrijzen~.
* * * * *
Slechts met -- heb ik uw opdracht vervuld.
Deze man met zijn vleiende stem wekt altijd mijn -- op, zoodat ik liefst niet met hem te doen heb.
Ieder weldenkend mensch heeft een -- van den verrader.
Met -- vernam men den verschrikkelijken moord in koelen bloede gepleegd.
Ik heb altijd een -- van mosselen en paddestoelen gehad.
De meeste vrouwen hebben een -- voor spinnen en padden.
Van onzindelijkheid heeft ieder een --.
De landlooper boezemde ons zulk een -- in, dat wij terstond op onze schreden terugkeerden.
Heb een -- voor het liegen en een -- voor de zonde.
Men kon zien, dat hij tegen dien man een -- gevoelde, zoodat hij hem met blijkbaren -- ontving.
De onmenschelijke wreedheden, door den vijand in dien oorlog gepleegd, las ieder met --, ja met --.
Gebruik nu in zinnen: afkeerig, walgelijk, afschuwelijk, afgrijselijk.
159. Arglistig--listig--bedriegelijk--loos--slim--sluw.
_Geneigd of geschikt, om op behendige wijze een ander te misleiden._
~Bedriegelijk~ drukt dit begrip het algemeenst uit; het zegt, dat de persoon of zaak iemand bedriegen wil, maar laat in 't midden, op welke wijze dit geschiedt.--~Listig~ was vroeger schrander en had toen steeds een gunstige beteekenis; ook nu nog kan het een onschuldige, maar schrander bedachte handeling aanduiden; de listige tracht partij te trekken van zijn kennis en ervaring om zijn doel te bereiken, 't zij om zich uit moeilijkheden te redden, 't zij langs slinksche wegen te verkrijgen, wat hij langs den gewonen weg niet zou hebben bereikt. Toch heeft het woord altijd het bijdenkbeeld van _onoprecht_. _Hij redde zich op een ~listige~ wijze uit het gevaar._--Is het zijn bedoeling om iemand in het ongeluk te storten en handelt hij dus met een boosaardig doel, dan spreekt men van ~arglistig~ (arg = erg, boos).--~Loos~ is hij, die door een zekere behendigheid onder bepaalde omstandigheden iets weet te verkrijgen; die behendigheid is vooral het gevolg van veel ondervinding en niet zoozeer van scherpzinnigheid; de loosheid openbaart zich door het aanwenden van kleine middelen, die een weldenkende meestal beneden zich acht. De vos, die de kaas van de raaf wil hebben en den vogel niet bereiken kan, gaat het dier vleien; zijn ondervinding zegt hem, dat men door vleierij veel kan verkrijgen, maar ...... een weldenkende wil van zulk een middel geen gebruik maken.--De ~slimme~ gaat met overleg te werk, daar hij aan loosheid ook scherpzinnigheid paart; hij ontwerpt een weldoordacht plan, waarbij hij maatregelen neemt om allen tegenstand zooveel mogelijk te ontgaan. Bepaald oneerlijke handelingen behoeft hij niet te verrichten, ja men moet hem soms bewonderen om de scherpzinnigheid, die hij aan den dag legt.--~Sluw~ is degene, die zijn bedoelingen en de aangewende middelen behendig weet te verbergen, zoodat de benadeelde volstrekt niet vermoedt, dat hij bedrogen wordt. Aan zijn slimheid paart dus de sluwe nog een meesterschap in het veinzen of in het verbergen van zijn plannen. Sluw is dus nog sterker dan slim, maar heeft een ongunstige bijbeteekenis.
* * * * *
In onderstaande zinnen kan meestal meer dan één woord worden ingevuld. Geef in dat geval telkens de veranderde beteekenis op.
Op een -- wijze heeft hij het gezelschap een tijd langer bij zich gehouden, dan het wilde; hij had nl. de klok bijna drie kwartier teruggezet.
Hij wist de stem van mijn buurman -- na te bootsen; ieder verkeerde dan ook in den waan, dat buurman ons riep.
De valschaard was -- genoeg, om niet te rusten, vóór hij mij in het ongeluk gestort had.
Het was werkelijk een -- zet van onzen vriend, dien wij allen moesten bewonderen.
De domme jongen bleek toch nog -- genoeg, om van den vreemdeling, wien hij den weg had gewezen, een goede fooi los te krijgen.
Hij wist zich op -- wijze het vertrouwen der oude dame te winnen, om haar later des te gemakkelijker te kunnen oplichten.
Aan de -- staatsmanskunst van Jan de Witt was het te danken, dat Lodewijk XIV in zijn heerschzuchtige plannen gedwarsboomd werd.
160. Kracht--macht--sterkte--vermogen.
_Het bezit van de voorwaarden, om een werking te verrichten._
~Vermogen~ duidt eenvoudig aan, dat men in staat is de werking te verrichten, zonder daarom nog tot de uitvoering over te gaan. _De mensch bezit het ~vermogen~ om te denken._ Soms beteekent het ook invloed: _zij heeft veel ~vermogen~ op haar man_.
~Kracht~ is de oorzaak, die een werking teweeg brengt of wijzigt: de _zwaarte~kracht~_, de _span~kracht~_, de _~kracht~ van den storm_. _Zijn lichaams~kracht~ is verbazend groot._
~Sterkte~ is het vermogen om aan een kracht weerstand te bieden. _De ~sterkte~ van den dijk heeft de ~kracht~ der golven weerstaan. De ~sterkte~ van onze landsverdediging_ (d.i. dus het vermogen om aan de kracht van den vijand weerstand te bieden) _ligt grootendeels in onzen weeken bodem in verband met de onderwaterzettingen.--Zijn ~sterk~ gestel weerstond den invloed van het ongezonde klimaat._ Men wenscht iemand bij een ziekte _sterkte_ toe, om het verloop der ziekte te weerstaan; men hoopt, dat de herstellende weer spoedig zijn _krachten_ zal herwinnen, n.l. om zijn dagelijksch werk te kunnen verrichten.
~Macht~ is het vermogen, om invloed uit te oefenen, vooral--hoewel niet uitsluitend--door zijn maatschappelijke positie. _De ~macht~ des konings is niet onbeperkt. De ~macht~ van het woord is vaak grooter, dan men denkt._ Soms beteekent macht (van mogen) lichamelijk vermogen: _uit alle ~macht~ schreeuwen_.
_Vergelijk nu_: ~sterk~, ~krachtig~ en ~machtig~. Wat beteekent _vermogend_?
* * * * *
Hij was niet -- genoeg en bezweek voor de verleiding.
De raadspensionaris Schimmelpenninck bezat een koninklijke --.
Door den schrik verloor hij zijn spraak--.
De -- der gewoonte is vaak een tweede natuur geworden.
Zelfs -- muren kunnen de -- van het geschut niet weerstaan.
Hij liep uit alle --, om zich nog te redden.
Hij bezit het benijdenswaardig --, iedereen voor zich in te nemen.
Deze -- spijs zal den zieke goed doen.
Het fort was niet -- genoeg, om den vijand af te wachten en werd daarom ontruimd.
De -- van ons voorbeeld moet men niet onderschatten.
Het zijn -- beenen, die de weelde kunnen dragen.
Ik zal naar mijn beste -- aan uw opdracht voldoen.
De benoeming voor deze vacature staat niet aan mij; ik heb het dus niet in mijn -- u aan te stellen.
De benoeming is reeds geschied; tot mijn leedwezen staat het dus niet in mijn -- u nog aan te stellen.
161. Bekomen--krijgen--ontvangen--behalen--verwerven.
_Bezitter van iets worden._
~Bekomen~, ~behalen~ en ~verwerven~ wijzen aan, dat men moeite doet, om in het bezit te geraken. ~Behalen~ geeft dit in sterker mate aan dan ~bekomen~, terwijl ~verwerven~ nog grooter moeite (soms ook grooter eer) onderstelt dan behalen. _Waar zijn deze waren te ~bekomen~? Hij heeft daarmee veel roem ~behaald~. Hij heeft eindelijk een voordeelige positie ~verworven~._ In de uitdrukking _straf bekomen_, onderstelt men dus, dat de schuldige alles deed, waardoor hij die straf heeft gekregen, al was natuurlijk die straf niet het _doel_ van zijn handelen.
~Krijgen~ en ~ontvangen~ geven te kennen, dat men ook zonder zijn toedoen of inspanning in het bezit van iets komt. _De boomen ~krijgen~ bladeren; hij ~ontving~ een berisping._ ~Ontvangen~ onderstelt, dat hetgeen men ontvangt, door iemand gegeven is en door ons (actief) wordt aangenomen: _Ik heb het geld ~ontvangen~._ Bij ~krijgen~ daarentegen behoeft men niet altijd aan geven te denken, men kan hierbij ook meer passief zijn. _Hij heeft de koorts ~gekregen~._
Uit de vergelijking der vier woorden volgt, dat ~krijgen~ het aangeduide begrip (bezitter van iets worden) op de meest algemeene wijze (d.i. zonder eenige nadere bepaling) aanduidt; het komt dan ook het meest in de dagelijksche spreektaal voor.
* * * * *
De knecht heeft zijn loon --.
Frederik Hendrik heeft met de inneming van Den Bosch veel roem --.
Hij mocht de gunst des konings --.
Wat heeft hij voor zijn moeite --?
Uw brief heb ik in goede orde --.
In plaats van een goede belooning heeft hij straf --.
Dit werk is in alle boekwinkels te --.
Door vlijt en inspanning heeft hij zich een aanzienlijk vermogen --.
Wanneer zal ik het boek --, dat je me al zoo lang beloofd hebt?
162. Barmhartig--deelnemend--mededoogend--medelijdend.
_Gevoel hebbende voor het leed van anderen._
~Barmhartig~ is het edelst. Het wijst niet alleen aan, dat men met het lijden van anderen begaan is, maar dat men ook bereid is, dat leed te verzachten.
~Deelnemend~ is men, wanneer men deel neemt in het leed van anderen, d. w. z. het leed gedeeltelijk ook tot het onze maakt; wij gevoelen dus hetzelfde verdriet. (Soms beteekent het ook: deelnemen in het _geluk_ van anderen.)
~Medelijdend~ is men, wanneer wij het leed van anderen mede-lijden, meegevoelen, zoodat wij begaan zijn met hun ongelukkig lot en wij hen dus beklagen willen. Dit gevoel behoeft ons evenwel niet te brengen tot het verleenen van hulp, gelijk de barmhartige doet.
~Mededoogend~ is hetzelfde als medelijdend (doogen = lijden), maar wordt alleen in deftigen stijl gebruikt.
* * * * *
Gij kent zeker wel de schoone gelijkenis van den -- Samaritaan.
Gij kunt u verzekerd houden, dat ik hartelijk -- in het verlies, dat u getroffen heeft.
»Sla, o God vol --! Sla Uw oogen Nu genadig op ons neer." (Gez. 94.)
Op -- toon vraagde hij het arme kind, waarom het schreide; toen hij hoorde, dat de ongelukkige knaap geen vader of moeder meer had, was hij -- genoeg, hem tot zich te nemen.
Met -- belangstelling vraagde hij, hoe de zieke het maakte.
God is een -- Vader.
163. Beven--trillen--sidderen--rillen--bibberen.
_In een snel golvende beweging zijn._
~Trillen~ is de zwakste aanwijzing voor dit begrip: _de snaar ~trilt~_.
~Beven~ is sterker en bij levenlooze voorwerpen zelfs de hoogste graad van golvende beweging. _Zijn hand ~beefde~ van aandoening.--De aarde ~beeft~._
~Sidderen~ wordt alleen van levende wezens gezegd en is sterker dan beven; het wijst vooral op een hevige innerlijke aandoening. _Hij ~sidderde~ van angst._
~Rillen~ is een trillen, veroorzaakt door verlaging der lichaams-temperatuur: _hij ~rilde~ van kou_; het wordt dus alleen van levende wezens gezegd, evenals ~bibberen~, dat een aanhoudend ~rillen~ aanduidt en daarom sterker is: _Hij ~bibberde~ van de kou._ Het behoort meer tot de gewone spreektaal.
Waarom kan men wel zeggen: _zijn stem ~trilde~ of ~beefde~_, en niet: _zijn stem ~sidderde~, ~rilde~ of ~bibberde~_?
* * * * *
Het riet -- in de avondkoelte.
Bij dat gezicht -- wij van ontzetting.
De arme bedelaarster -- van koude.
Het is in deze kamer kil; ik begin te --.
Zijn hart --, toen hij den dief zag naderen.
Ik -- als een blad op den boom.
Door de sterke -- der lucht dreunden de ramen.
Hij -- van vrees, toen hij den vijand tegemoet moest treden.
Van zulk een verhaal zou men -- en --.
164. Zien--kijken--staren--gluren--turen.
_Door middel van het gezicht iets waarnemen._
~Zien~ laat in het midden, of dit met opzet of meer toevallig geschiedt. _Men ~ziet~ daar soms meer, dan ons lief is_ (toevallig).--_Hij ~ziet~ verlangend mijn komst tegemoet_ (met opzet). Het duidt soms ook het bloote vermogen aan, dat men door 't gezichtszintuig iets kan waarnemen: _Deze man kan niet meer ~zien~._
~Kijken~ onderstelt meer opzettelijk het oog op iets richten: _~Kijk~ eens, of hij er aankomt.--Hij ~kijkt~ naar de sterren._
~Staren~ (star = stijf) beteekent met strakke, groote oogen naar iets zien, meestal zonder doel en onwillekeurig, soms ook van verbazing, schrik, enz. _Hij ~staarde~ mij verwonderd aan._
~Turen~ is met inspanning van 't gezicht naar iets kijken (dus met opzet!), 't zij uit nieuwsgierigheid, 't zij om nauwkeurig waar te nemen. _Hij ~tuurt~ met zijn kijker naar het stipje in de verte._
~Gluren~ beteekent hetzelfde als turen, maar met de bijgedachte, dat dit in het geheim geschiedt. _Hij ~gluurde~ door een kiertje van de deur, om te weten, wie er binnen was._
* * * * *
Wat -- gij voor bijzonders aan deze schilderij?
Sommigen meenen, dat de mol niet -- kan; maar dat is een dwaling.
Waarom -- gij mij zoo aanhoudend aan?
De visschersvrouw zat op het duin en -- peinzend over de groote watervlakte.
De visschersvrouw klom op het duin en -- naar het puntje aan den horizon, of dat soms het schip van haar man was.
De jongen was zóó nieuwsgierig, dat hij door het sleutelgat --.
Mijnheer B. zal toch niet overleden zijn, daar ik hem in langen tijd niet -- heb.
Als gij goed uit uw oogen --, zult gij de fout in uw opstel wel --.
Van ontzetting -- zij wezenloos voor zich uit.
De matroos zat in het topje van den mast te --, of hij het land al -- kon.
Ik -- wel, dat gij door uw vingers zit te --.
Als gij lang op hetzelfde punt --, begint het te wemelen.
Gij moet eens in de courant --, of de dichter nog leeft. (Opzettelijk.)
Daar -- ik in de courant, dat de dichter gestorven is. (Toevallig.)
165. Aangenaam--liefelijk--behaaglijk--bekoorlijk--bevallig.
_Wat ons met zeker welgevallen vervult._
~Aangenaam~ drukt dit zonder meer uit; het kan zoowel van gewaarwordingen als van personen of zaken gezegd worden. Een _aangenaam_ gevoel.--Een _aangenaam_ mensch. Een _aangename_ lectuur.
~Liefelijk~ geeft een edeler, fijner gevoel aan, inzonderheid van het gezicht en gehoor. Een _liefelijk_ geluid.--»Die in een _liefelijke_ streek Bij 't ruischen van een klare beek Zijn landhuis sticht en akkerwoning, Wat is dat een gezegend koning." (Vondel.)
~Behaaglijk~ ziet alleen op innerlijke aandoening en wordt dus nooit op iets buiten ons toegepast. Een _behaaglijk_ gevoel van zelfvoldoening.
~Bekoorlijk~ stelt vooral op den voorgrond, dat iets onze begeerte opwekt of onze zinnen streelt. Een _bekoorlijk_ landschap.
~Bevallig~, van personen gezegd, wordt gebruikt, om aan te duiden, dat hun houding of manieren ons gezicht aangenaam aandoen. Een _bevallige_ buiging. Van zaken gezegd (vooral voor wat men in de natuur opmerkt, of van vormen) duidt het aan, dat ons gezicht aangenaam wordt aangedaan, doch niet zoo innig als _liefelijk_ onderstelt. _Haarlem's ~bevallige~ omstreken. ~Bevallige~ lijnen._
* * * * *
Het was mij zeer --, dat gij mij hebt uitgenoodigd.
Gij hebt hier in den tuin een -- plekje uitgezocht.
Wat heeft dit -- meisje een -- stem.
Door haar -- manieren weet zij spoedig iedereen voor zich in te nemen.
De nachtegaal is de -- van onze zangvogels.
Zij had zich in een -- rust op het zachte mos neergevlijd.
Dat is een -- man in den omgang.
In een -- houding bood het bloemenmeisje de Koningin een bloemtuil aan. H. M. was over deze -- verschijning blijkbaar getroffen.
In een -- dal stroomde met -- gekabbel een helder beekje.
Ik heb u een -- tijding mee te deelen.
Met -- wendingen zweefde de danseres op de tonen der muziek door de zaal.
De rozen verspreiden een -- geur.
In -- zwier reed zij over het ijs.
166. Angst--bangheid--vrees--schroom--schrik.
_Het onaangename gevoel van beklemdheid, door een naderend gevaar opgewekt._
~Schroom~ is het zwakst; het geeft vooral te kennen, dat men tegen iets opziet: door een moedig besluit is de schroom gemakkelijk te overwinnen. Het woord is meer tot den deftigen stijl beperkt. _Met ~schroom~ naderde hij den vorst._
~Angst~ duidt vooral het beklemmend gevoel aan, dat ons overmeestert; het kan zoowel door iets buiten ons, als door eigen voorstellingen of gedachten verwekt worden. _Plotseling overviel hem midden in het bosch een hevige ~angst~, daar hij den weg niet meer wist._ (Oorzaak buiten hem!)--_Toen hij aan roovers dacht, overviel hem plotseling een hevige ~angst~._ (Oorzaak in hem!)
~Bangheid~ is zwakker dan angst; het heeft soms iets min of meer belachelijks. _Toen de vrouw alleen in huis was, sloot zij uit ~bangheid~ alle deuren en ramen._
~Vrees~ wordt steeds door iets buiten ons opgewekt en heeft dus altijd op een ander voorwerp of gebeurtenis betrekking, die steeds genoemd worden. Terwijl ~angst~ (dat bovendien sterker aandoening dan ~vrees~ aanwijst) vooral ziet op den toestand van 't gemoed, wijst ~vrees~ meer aan, dat men het naderend gevaar niet durft afwachten of iemands macht niet durft trotseeren, zoodat in den regel de vrees tot een of andere handeling voert. _De ~vrees~ voor spoken heeft tot menige dwaasheid aanleiding gegeven. De ~vrees~ voor het uitbreken der cholera deed menigeen verhuizen. ~Vrees~ den Heer_ (leef dus naar Zijn wetten, om Zijn toorn te ontgaan).
~Schrik~ is de hevige ontroering, die iemand plotseling overvalt bij het onverwacht gewaar worden van iets, dat vrees of angst verwekt. _Op het onverwachte gezicht van den leeuw werd hij zóó door ~schrik~ bevangen, dat hij zijn tegenwoordigheid van geest verloor._ Soms wordt het gebruikt van iemand, die schrik verwekt: _Hij is een echte kinder~schrik~._
* * * * *
In radelooze -- liep de achtergelaten schepeling langs den oever heen en weer.
Met -- zag hij, dat de bliksem in zijn woning was geslagen.
Hij neemt altijd met eenige -- het woord in deze vergadering.
Alva verspreidde door zijn streng optreden alom -- in den lande.
Het scheen, of de --, die hem aangreep, zijn krachten verdubbelde.
De -- voor straf hield hem van de misdaad terug.
Ik moet altijd lachen over de -- van dezen jongen.
Door een hevigen -- bevangen, stond hij als aan den grond genageld.
De --, dat men hem zijn geld zou ontstelen, liet den vrek geen oogenblik met rust.
De Ruyter had den bijnaam van »de -- van 's vijands vloten".
Naarmate het kind langer uitbleef, klom de -- der ouders.
Door zulk een strafoefening sloeg den opstandelingen de -- om het hart.
167. Beducht--bevreesd--bekommerd--bezorgd--beangst.
_Door een gevoel van vrees of angst beklemd._
~Bevreesd~ duidt aan, dat iemand vrees koestert. (Zie no. 166.) _Hij was ~bevreesd~, zijn geld te verliezen._
~Beangst~ is sterker. (Zie no. 166.) _De ouders waren ~beangst~, dat zij kun kind zouden verliezen._
~Beducht~ wijst er op, dat men over den afloop of den uitslag bevreesd is; het behoort hoofdzakelijk tot den deftigen stijl. _Gij behoeft voor zijn lot niet ~beducht~ te zijn._
~Bezorgd~ is men, als men zorg, onrust over iets heeft. _Ik ben ~bezorgd~ over het behoud van zijn leven._
~Bekommerd~ is veel sterker; het wijst op groote en drukkende onrust of verdriet. _De vader zat ~bekommerd~ neer bij het ziekbed van zijn kind._
* * * * *
_Als er in de volgende zinnen meer woorden ingevuld kunnen worden, geef dan telkens de schakeering in de beteekenis op._
De moeder was zeer --, dat haar zoon iets zou ontbreken.
Met een -- gelaat zag de ongelukkige ons aan.
Hij maakte zich bij het geritsel in de takken zoo --, dat het zweet hem uitbrak.
Niet ten onrechte maakte de vorst zich -- over den toenemenden opstand. Hij was --, dat hij dien niet zou kunnen onderdrukken.
De veldheer was slechts een oogenblik -- den vijand te ontmoeten; spoedig vermande hij zich en gaf bevel tot den aanval.
Met een -- hart wachtten de ouders tevergeefs op de terugkomst van hun zoon.
De dokter is -- over de wending, die de ziekte neemt.
Gij behoeft niet -- te zijn, dat hij u zal verraden; hij is in alle opzichten te vertrouwen.
Toen de onweersbui boven hem losbrak, werd hij zeer --.
Met een -- gemoed was hij gekomen; met een verlicht hart verliet hij ons weer.
168. Bewaren--behoeden--beschermen--beschutten--beveiligen.
_Zorgen, dat geen kwaad iemand of iets kan deren._
De beide eerste woorden worden alleen gebruikt, om aan te wijzen, dat er gevaar dreigen _kan_, de overige drie onderstellen, dat er werkelijk gevaar dreigt.
~Bewaren~ is zorgen, dat iets in ongeschonden staat blijft, dat dus geen schadelijke invloeden op iets kunnen werken, m. a. w. dat het gevaar verre blijft. _~Bewaar~ dit boek goed.--Moogt gij voor zulk een ramp ~bewaard~ blijven!_ d. w. z. moge zulk een ramp verre van u blijven.
~Behoeden~ onderstelt ook wel hetzelfde als bewaren, maar voegt er tevens bij, dat men op zijn hoede is, dus dat men voortdurend het ons toevertrouwde in het oog houdt; dientengevolge is het sterker dan bewaren. _God ~behoede~ u op uw verren tocht!_
~Beschermen~ en ~beschutten~ duiden beiden aan, dat er een _middel_ gebruikt wordt, nl. een scherm en een schut, om het gevaar te keeren. Een scherm houdt de _uitwerking_ van iets tegen (vuurscherm), een schut moet meer den _aanvaller_ afweren. _De Alpen ~beschutten~ de Povlakte tegen de noordenwinden.--De duinen ~beschermen~ ons land tegen de zee_ (nl. haar overstrooming). Het gebruik wil echter, dat ~beschutten~ meer op schadelijke invloeden en ~beschermen~ meer op gevaren ziet: _Gij moet u tegen den kouden wind ~beschutten~.--Ik zal u tegen dit gevaar ~beschermen~._
~Beveiligen~ wijst aan, dat iets in veiligheid komt of blijft, terwijl beschermen en beschutten nog altijd eenig gevaar onderstellen. _In zijn afzondering was hij volkomen ~beveiligd~ tegen zijn vijanden._--Het is dus sterker dan beschermen of beschutten.
* * * * *
Het was de moederliefde, die u in uw jeugd tegen velerlei gevaren heeft --.
Door de goede zorgen van den archivaris werden deze perkamenten oorkonden voor ondergang --.
Op het stadhuis waren eertijds de oorkonden in ijzeren kisten vrij goed --.
De bliksemafleider heeft den toren opnieuw --.
Het is guur weer; gij moogt u wel wat tegen den noordenwind --.
In de haven waren wij eindelijk -- tegen de aanvallen der roovers.
Wien God --, is wel --.
Een sterk geleide moest den koenen ontdekkingsreiziger in de binnenlanden tegen de wilde stammen --.
Door de uitvinding van het buskruit waren de ridders niet langer op hun sterke kasteelen tegen de aanvallen der poorters --.
De voortdurende waakzaamheid der poortwachters heeft de stad voor haar ondergang --.
De duinen worden thans met helm beplant, om ze tegen verstuiving te --.
De koning wist het land voor een omwenteling te --.
Onder het dichte loover waren wij tegen de brandende zonnestralen uitstekend --.
169. Beletten--verhinderen--tegenhouden of weerhouden--afhouden--terughouden.
_Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten._
~Afhouden~ zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet met zijn daad kan beginnen. _Wij hebben hem van dit dwaze plan ~afgehouden~._