Keur van Nederlandsche Synoniemen Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.

Part 10

Chapter 103,421 wordsPublic domain

~Vinden~ zegt meestal, dat men opzettelijk naar die aanwezigheid zocht. _Na lang zoeken, heb ik hem eindelijk ~gevonden~._ Soms is ook de bijgedachte van zoeken geheel verdwenen. ~Aantreffen~ geeft meer een toevallig samentreffen aan: _Ik dacht hem in het bosch te vinden en ik ~trof~ hem op het station ~aan~._ Duidelijk komt het verschil uit in een zin als deze: _Ik heb hem den geheelen dag gezocht en ik ~trof~ hem bij zijn oom ~aan~._ (Hier had ik hem niet verwacht te vinden.) _Ik heb hem den geheelen dag gezocht en hem eindelijk bij zijn oom ~gevonden~._ (Hier wordt gezegd, dat ik ook nog ten laatste bij zijn oom ging zoeken.)--~Ontmoeten~ duidt aan, dat beide personen van verschillende zijden samenkomen. Het kan zoowel toevallig als opzettelijk zijn: _Ik ~ontmoette~ hem toevallig bij het aangaan der kerk. Wij hebben afgesproken elkaar om zeven uur bij de kerk te ~ontmoeten~._ Bij ~ontmoeten~ bestaat de mogelijkheid, dat één der samenkomenden zich bij de ontmoeting in rust bevindt; wil men uitdrukken, dat beiden in beweging (in tegengestelde richting) zijn, dan gebruikt men ~tegenkomen~. _Op zijn wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij mijn neef ~tegen~._ (Deze wandelde op dat oogenblik dus ook; misschien gingen beiden later verder huns weegs; maar zij kunnen ook verder bij elkander gebleven zijn.) ~Aantreffen~ verschilt hierin van tegenkomen of ontmoeten, dat de aangetroffene niet van plaats verandert, dus in een toestand van rust verkeert. _Op den weg naar A. ~trof~ ik hem in het hotel ~aan~._ In fig. zin worden ~vinden~, ~ontmoeten~ en ~aantreffen~ ook toegepast op personen en zaken, die zich ergens bevinden en wier aanwezigheid men moet of kan opmerken: _In Zwitserland ~vindt~ men hooge bergen, ~treft~ men hooge bergen ~aan~. In dit boek ~ontmoet~ men vele onjuistheden._

* * * * *

Als gij oplettend toeziet, zult gij de fout wel --.

Ik -- niet graag menschen, die zichzelf altijd op den voorgrond stellen.

In Friesland worden uitmuntende weilanden --.

Tot mijn groote verrassing heb ik mijn vriend dit jaar in de badplaats --, terwijl ik hem in Zwitserland zou gezocht hebben.

Dit gedicht schijnt mij bekend toe; ik heb het zeker vroeger al eens --. Ik zal eens zoeken, bij welken dichter ik het -- kan.

Schrijf mij eens, waar ik u in de stad -- kan.

Op mijn fietstocht ben ik mijn vriend in de auto --.

Men -- in de wereld meer leeds dan liefs.

Na lang zwerven -- de karavaan eindelijk een oase.

Volgens afspraak dacht ik mijn neef op zijn thuisreis in Utrecht te --, maar hij heeft mij teleurgesteld.

Op onze wandeling naar Soestdijk -- wij de Koningin.

148. Aanstonds--dadelijk--terstond--weldra--spoedig--gauw.

_Deze woorden duiden aan, dat een handeling in zeer korten tijd afloopt._

~Terstond~ en ~aanstonds~ geven te kennen, dat de handeling op hetzelfde oogenblik (stonde) plaats heeft. ~Aanstonds~ evenwel onderstelt nog een kleine tusschenruimte van tijd. _Nauwelijks had ik hem geroepen, of ~terstond~ kwam hij binnen. Even geduld, ik zal je ~aanstonds~ helpen._

~Dadelijk~ komt zeer veel met terstond overeen: het wijst aan, dat men tot de ~daad~ overgaat zonder uitstel, zonder woordenwisseling, zonder bedenking. _Ik vroeg hem mij te helpen en ~dadelijk~ was hij daartoe bereid._ Als bijwoord is het meer tot de spreektaal beperkt; als bijvoegelijk naamwoord komt het daarentegen uitsluitend in de schrijftaal voor: _zonder de ~dadelijke~ hulp van den arts was de gewonde zeker verloren geweest_.

~Spoedig~ en ~gauw~ zeggen, dat de handeling met snelheid wordt uitgevoerd en dus weinig tijd vordert. Er moet derhalve wel aan eenig tijdsverloop gedacht worden. ~Gauw~ ziet meer op de vlugheid of snelheid van beweging (»gauw" als water), terwijl ~spoedig~ meer aanduidt, dat er spoed, voortgang gemaakt wordt. Gewoonlijk is in gemeenzame taal ~gauw~ gebruikelijker dan ~spoedig~. _Hij heeft mij ~spoedig~ geholpen. Men had ~spoedig~ een veldtent opgeslagen. Die boodschap heb je ~gauw~ gedaan._ Soms ook is bij ~spoedig~ en ~gauw~ het denkbeeld van snelheid der handeling geheel op den achtergrond gedrongen en wordt alleen aan het korte tijdsverloop gedacht. In dit geval komen zij meer met aanstonds, dadelijk, terstond overeen, maar wijzen dan een eenigszins grootere tijdruimte aan. _Hij zal ~spoedig~ hier zijn. Hij is ~gauw~ jarig._ In deze beteekenis kan ook ~weldra~ gebruikt worden, maar dit woord komt bijna uitsluitend in de schrijftaal voor. _Men mag ~weldra~ de indiening van het wetsontwerp verwachten._

* * * * *

Wie -- helpt, helpt dubbel.

Als ik je roep, moet je -- komen.

Je hebt veel te -- geschreven, ik kan er haast niets van lezen.

Men verwacht algemeen, dat de vrede -- geteekend zal zijn.

Dank zij de -- toegeschoten hulp, werd de brand nog tijdig gebluscht.

Hij is zoo -- als water; houd hem dus goed in het oog.

Ik zal -- komen; eerst moet ik nog dit briefkaartje schrijven.

Hij was op mijn verzoek -- bereid het boek af te staan.

Als de warmte eenigen tijd aanhoudt, zal men -- kunnen oogsten.

(Verklaar, waarom men soms meer dan één woord kan invullen.)

149. Dom--onwetend--onkundig--onnoozel.

_Weinig verstand of kennis bezittend._

~Dom~ zegt men van iemand, die een zeer traag verstand bezit, die vele zaken niet of zeer moeilijk kan begrijpen en daardoor in het algemeen weinig kennis zal bezitten. _Hij is veel te ~dom~ om voor dokter te studeeren. Hij is nog te ~dom~ om in de volgende klasse te komen._ Soms beteekent het ook gebrek aan doorzicht: _hij heeft een ~dommen~ streek uitgehaald_.

~Onnoozel~ duidt aan, dat iemand slechts zwakke geestvermogens en daardoor een zeer beperkt verstand bezit, zoodat hij geen blijken kan geven met oordeel te handelen. _Die jongen is ~onnoozel~. De ~onnoozele~ hals geloofde alles, wat wij zeiden._

~Onkundig~ en ~onwetend~ wijzen beide op gemis aan kennis, zonder daarbij op den natuurlijken aanleg te letten. ~Onkundig~ heeft meer betrekking op de kennis van een bepaalde zaak, ~onwetend~ ziet meer op het ontbreken van algemeene kennis. _Men liet de vrouw lang ~onkundig~ van den dood harer zuster.--Hij is wel vlug van begrip, maar hij heeft weinig onderwijs genoten, zoodat hij zeer ~onwetend~ is._

* * * * *

Het -- volk beschuldigde de geneesheeren, dat zij de cholera-lijders vergiftigd hadden.

Zij was -- genoeg te meenen, dat men op haar gezelschap gesteld was.

De regeering is nog -- van de samenzwering, die er dreigt.

Hij is in vele dingen nog zoo --, dat men hem gemakkelijk bedriegen kan.

Al mag die jongen ook niet -- zijn, hij ziet er toch in elk geval zeer -- uit.

150. Dartel--speelsch--speelziek--uitgelaten.

_Tot vroolijkheid geneigd._

Openbaart zich deze neiging als gevolg van levenslust in vlugge bewegingen of in scherts en luim, dan spreekt men van ~dartel~. _Die jongen is zoo ~dartel~, dat hij mij bij mijn werk hindert._ Uit zich de dartelheid bij jonge kinderen vooral in den lust om te spelen in plaats van te leeren, dan spreekt men van ~speelsch~. _Dit ventje is nog te ~speelsch~ om lang achter elkander stil te zitten leeren._ Wordt deze speelschheid bij grootere kinderen aangetroffen, zoodat zij hun werk veronachtzamen, dan noemt men hen ~speelziek~. _Als die jongen zoo ~speelziek~ blijft, zal hij niet kunnen overgaan._ (~Speelziek~ heeft dus een ongunstige beteekenis, wat bij ~speelsch~ niet het geval is.) Wordt de dartelheid bij ouderen door een of andere blijdschap sterk overdreven, dan spreekt men van ~uitgelaten~. (Het beeld is ontleend aan het jonge vee, dat men uit den stal laat en dat zijn vroolijkheid door dartel springen aan den dag legt.) _De studenten waren zoo ~uitgelaten~, dat men ze al van verre kon hooren._ ~Dartel~ te zijn ligt meer in iemands karakter, terwijl ~uitgelaten~ meer op een enkel geval ziet.

* * * * *

De kinderen huppelen -- de weide rond.

Dit hondje is nog zoo --, dat het alles, wat los en vast is, beetgrijpt.

Foei, je moest je schamen, zóó oud en nog zóó --.

Zij waren zoo -- van blijdschap, dat zij de allerzotste dingen deden.

»Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig! Het -- windje kwijnt."

151. Mat--moe--vermoeid--afgemat--loom.

_Ongeschikt tot krachtsinspanning._

~Mat~ is men door een oorzaak _buiten_ ons, bijv. _~mat~ van de warmte_; het komt dus eenigszins met ~loom~ overeen, d.w.z. traag van beweging. (Schaak~mat~ is de koning, als hij zich niet meer bewegen kan; ~mat~ is dus sterker dan loom.) Van kleuren gezegd beteekent _mat_ zooveel als dof: _matblauw_.

~Moe~ duidt eenvoudig den toestand aan, waarin men zich na zwaren arbeid bevindt, terwijl ~vermoeid~ ook let op de oorzaak der vermoeidheid en tevens grootere moeheid aanwijst: _Hij is erg ~moe~ en mag wel wat uitrusten. Hij is door het onbesuisde fietsen zeer ~vermoeid~._

~Afgemat~ is nog sterker dan vermoeid; meestal is deze graad van vermoeidheid op het gelaat te zien of aan mindere helderheid van geest te bemerken.

Opmerking. Het woord ~mat~ wordt gewoonlijk alleen in de alliteratie: _mat en moe_ gebruikt.

* * * * *

Ik ben wat -- van de wandeling en blijf dus liever thuis.

Zij was van de lange reis zoo --, dat zij wel twee dagen te bed moest blijven.

Bij zulk een hooge temperatuur gevoelt zich ieder --.

Wordt gij soms -- van dit werk?

Door het lange spreken was hij zoo --, dat hij verder van het woord afzag.

»O van uit die groene zoden, Waar zij rusten -- en --, Ruischt er van mijn lieve dooden 't Blijde wederzien mij toe."

Door de wekenlange inspanning zag hij er zeer -- uit.

Een flinke jongen, als jij bent, moet niet zoo gauw -- worden.

Er lag een -- tint over het landschap.

Naar lichaam en geest -- viel zij in een zware ziekte.

Er lag iets drukkends, iets -- over de feestelijke stemming. (Verklaar dit fig. gebruik.)

152. Klimmen--klauteren--stijgen--rijzen.

_Zich in de hoogte begeven._

~Stijgen~ kan met een enkelen stap geschieden: _hij ~stijgt~ te paard_, terwijl ~klimmen~ altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer moeite gepaard gaat: _hij ~klimt~ den berg op_. Heeft men bij het klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van ~klauteren~; dit gaat dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: _hij ~klauterde~ tegen de rots op_. ~Rijzen~ sluit alle begrip van inspanning uit: _het water ~rijst~_, _de zon ~rijst~_, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar nooit klauteren, bijv.: »_de lofzang ~klimt~ uit Sions zalen_".

* * * * *

Laten wij op dezen heuvel --, dan hebben wij een ruim uitzicht.

De prijs van het koren is --.

Bij het -- zijner jaren verloor hij zijn levenslust niet. (Hier is ~klimmen~ beter, om het trapsgewijze stijgen sterker aan te duiden.)

De barometer is sedert gisteren een weinig --.

De matrozen -- als katten in het want.

Uit duizend kelen -- een donderend hoera! op.

Het water -- aan zijn lippen.

Van uur tot uur -- onze ongerustheid. (Denk aan het trapsgewijze rijzen!)

Hij is van een geringe afkomst tot een hoogen staat --.

De dieven -- tegen den tuinmuur op en -- daarna het achterraam binnen.

153. Aandoen--treffen--roeren--schokken.

_Meer of minder sterk op het gemoed werken._

~Aandoen~ wijst op het teweegbrengen van een gevoel van droefheid of van medelijden; soms ook van vreugde. _Bij het afscheid was hij zeer ~aangedaan~. Deze hulde ~deed~ den jubilaris zoo ~aan~, dat hij niets kon zeggen._

~Treffen~ is sterker, daar het als een schot dieper in ons gemoed doordringt. _Het was ~treffend~ te zien, hoezeer de gelukkige moeder den redder van haar kind met dankbetuigingen overlaadde._

~Roeren~ is een aandoen, dat in ons binnenste de teederste snaren aanroert; het is dus inniger dan aandoen. _De omstanders waren ~getroffen~, toen zij zagen, hoe ~roerend~ de moeder den redder van haar kind dankte._

~Schokken~ duidt aan, dat men plotseling als door een schok getroffen of geroerd wordt; het heeft dus altijd eenigszins de bijgedachte van schrik. _De plotselinge dood van haar vader heeft haar diep ~geschokt~._

* * * * *

Onder het lezen van dit droevig verhaal werd hij zeer --.

Door zooveel blijken van innige deelneming diep --, had hij moeite zijn dank uit te spreken.

Het onverwachte verlies van zijn vermogen heeft hem zoo --, dat men voor zijn leven vreest.

De diepbedroefde vrouw gaf haar boezem lucht in een -- smeekbede om gratie voor haar echtgenoot.

Het »Haantje van den Toren" kan niemand lezen, zonder -- te worden; vele passages zijn zoo fijngevoelig geteekend, dat zij ons diep --; het -- ons, dat de zieke steeds zoo vol hoop blijft, al staat de dood voor de deur en, het -- ons bijna, als wij lezen, dat op haar begrafenis eindelijk de zoo lang verbeide zoele zuidenwind waait.

154. Verwonderen--verbazen--bevreemden--verrassen.

_Deze woorden duiden aan, dat iets ons vreemd toeschijnt._

Wat anders uitkomt, dan wij verwacht hadden, of wat nieuw, onbegrijpelijk of onverwacht voor ons is, ~verwondert~ ons. _Het ~verwondert~ mij, dat hij met zulk weer nog gekomen is._ (Het is anders, dan wij verwacht hadden.) _Het ~verwondert~ een kind, dat de magneetnaald altijd naar het noorden wijst._ (Een natuurkundige vindt het zeer gewoon, maar een kind begrijpt het niet.) _Het ~verwonderde~ hem, zijn vriend daar aan te treffen._ (Het was voor hem onverwacht.)

Is onze verwondering zeer groot, dan spreekt men van ~verbazen~. _Hij had mij stellig beloofd thuis op mij te wachten; het ~verbaasde~ mij dan ook niet weinig, dat hij bij mijn komst reeds vertrokken was._

Is er in hetgeen ons verwondert, iets vreemds (onverklaarbaars of raadselachtigs) gelegen, dan gebruikt men ~bevreemden~; het heeft dus in den regel een onaangename bijbeteekenis. _Het ~bevreemdde~ mij zeer, dat hij zoo teruggehouden tegenover mij was; ik kon ten minste niet vermoeden, dat ik hem iets misdaan had._

~Verrassen~ daarentegen gebruikt men, als het onverwachte ons aangenaam aandoet. _De onverwachte bevordering heeft mij zeer ~verrast~._ (Men zegt wel: _de dieven werden ~verrast~_, maar dan heeft verrassen de beteekenis van overvallen, en is dus geen synoniem van de bovenstaande woorden: zie no. 81.)

* * * * *

Het -- ons dikwijls, dat ontwikkelde menschen nog zoo vaak bijgeloovig blijken.

Met zulk een practisch geschenk zult gij hem zeker --.

Het -- ons, dat in dat dorp alle huizen van hout waren.

Het geheimzinnig gedrag van onzen vriend -- ons.

Het bezoek van mijn vader heeft mij niet weinig --.

Heeft het u ook niet --, dat iemand, die zoo lang ons vertrouwen genoot, ons zoo schandelijk heeft bedrogen?

Heeft het u ook niet --, dat hij die betrekking gekregen heeft?

Het -- iedereen, dat de vijanden zich eensklaps zoo gewillig onderwierpen; niet ten onrechte vermoedde men, dat er een adder onder het gras school.

Het -- mij, dat de hagel niet meer schade heeft aangericht.

155. Beheerschen--betoomen--beteugelen--bedwingen.

_Met kracht iemand of iets in zijn vrije beweging tegengaan._

~Beheerschen~ duidt aan, dat men zulks doet door de macht, waarover men beschikt; het wijst er door zijn afleiding op, dat men ~heer~ is, dat men doet gehoorzamen niet door leiding of bestuur, maar uitsluitend door zijn gezag, dat men weet uit te oefenen, of door de macht, die men bezit. _Deze volksleider bezit zulk een redenaarstalent, dat hij de geheele vergadering weet te ~beheerschen~._

~Bedwingen~ wijst aan, dat men dwang gebruikt en onderstelt dus een tegenstand, waarop het gezag door dwang zegeviert. Door ~bedwingen~ wordt dus iets onderdrukt. _In korten tijd had de veldheer door krasse maatregelen den opstand ~bedwongen~._ Hoe verklaart gij nu de fig. beteekenis van: _zijn lachen ~bedwingen~_?

Beheerschen en bedwingen kunnen betrekking hebben op een rust; ~beteugelen~ en ~betoomen~ doen denken aan hollende dieren, wier te snelle loop met kracht wordt tegengehouden en geleid of bestuurd. In letterlijken zin is betoomen sterker dan beteugelen, daar het eerste is afgeleid van toom, het geheele hoofdstel, en teugel alleen de riem of den band aanwijst. ~Betoomen~ is dus eigenlijk meer het geheele bestuur onder zijn macht brengen en dus meester van de leiding te worden; terwijl ~beteugelen~ meer slaat op de werking van terug houden of stuiten; wat beteugeld wordt, komt dus tot stilstand, wordt geheel en al te keer gegaan. Toch wordt dit verschil niet altijd in acht genomen. _Het is goed zijn hartstochten te ~betoomen~_, d.w.z. onder zijn bestuur, in zijn macht te krijgen en ze dus in hun snellen loop tegen te gaan. _Het is noodzakelijk zijn blinde driften te ~beteugelen~_, m.a.w. in te houden, te onderdrukken, zoodat zij niet meer werken.

* * * * *

Hij kon van aandoening zijn tranen niet --.

De dronkaard moet trachten zijn zucht naar sterken drank te --.

Bijna had ik uit verontwaardiging hem een grove beleediging naar het hoofd geslingerd, maar gelukkig wist ik mij zelf nog te --.

Door het aanplanten van jonge denneboomen tracht men de zandverstuivingen te --.

Hij wist door zijn krachtig optreden spoedig de brooddronkenheid der soldaten te --.

Gij moet uw sterke begeerte naar allerlei zinsgenot zooveel mogelijk --.

De marktprijs wordt -- door vraag en aanbod.

156. Aanklagen--beschuldigen--betichten--aangeven--aanbrengen.

_Kenbaar maken, dat iemand iets onbehoorlijks heeft verricht._

~Beschuldigen~ wijst in het algemeen aan, dat men op iemand de schuld van iets legt, terwijl ~aanklagen~ bovendien uitdrukt, dat zulks geschiedt voor een macht, die de bevoegdheid bezit den schuldige te straffen. De aanklager neemt tevens de verplichting op zich, de aanklacht door bewijzen of getuigen te staven. ~Aanklagen~ verlangt dus een straf voor de misdaad, wat ~beschuldigen~ niet doet. Laat men het onderzoek en de opsporing der bewijzen aan de rechterlijke macht over, dan gebruikt men ~aangeven~ of ~aanbrengen~. Aanbrengen onderstelt tevens, dat men uit wraak of uit zucht naar gewin een strafbare daad ter kennisse van de overheid brengt, terwijl aangeven die onedele drijfveer niet aanneemt. Wordt iemand valschelijk en met een boosaardig opzet een zware misdaad ten laste gelegd, dan gebruikt men ~betichten~. Ook lette men er op, dat van ~beschuldigen~, ~aanklagen~ en ~betichten~ het lijdend voorwerp een persoonsnaam is, terwijl ~aangeven~ en ~aanbrengen~ de misdaad tot lijdend voorwerp hebben.

_Men ~beschuldigde~ den knecht algemeen, dat hij het huis in brand had gestoken_; d.w.z. men gaf hem de schuld er van.

_De boer ~klaagde~ den knecht ~aan~, toen deze den brand had gesticht_; d.w.z. de boer diende een aanklacht bij den rechter in, en had er bewijzen of getuigen voor.

_De moord werd bij de justitie ~aangegeven~_; d.w.z. men stelde de justitie er van in kennis en liet aan haar het verdere onderzoek over.

_De werkvrouw ~bracht~ alles van de dienstboden bij Mevrouw ~aan~_; d.w.z. om een plasdankje of wat ook te verdienen, verklapte zij alles. (In de kinderwereld »verklikken".)

_De hovelingen ~betichtten~ den schatmeester van diefstal_; d.w.z. zij zochten hem uit wraakzucht ten val te brengen en klaagden hem valschelijk aan.

* * * * *

Oudtijds gold de regel, dat de -- zijn eedhelpers moest meebrengen.

Tichelaar -- Cornelis de Witt, dat deze den Prins naar het leven stond.

De dierenvriendin zag, hoe een koopman zijn hond mishandelde, en draalde niet, dit bij de politie --.

De minderheid in die vergadering -- den voorzitter, dat hij opzettelijk van het reglement van orde afweek, ten einde de aanneming van zijn voorstel door te drijven.

De soldaat heeft zijn meerdere van machtsmisbruik --.

Het kan niet anders, of een zijner vijanden moet zijn misslag bij de autoriteiten hebben --.

Welk onderscheid is er tusschen: _Zijn geweten ~beschuldigde~ hem_, en: _zijn geweten ~klaagde~ hem ~aan~_?

157. Gierig--vrekkig--karig--hebzuchtig--schraapzuchtig--inhalig.

_Overdreven begeerig, om geld en goed te bezitten._

~Hebzuchtig~, ~schraapzuchtig~ en ~inhalig~ duiden aan, dat men zijn bezit wil vermeerderen, een »nemen"; ~vrekkig~, ~gierig~ en ~karig~ geven te kennen, dat men zijn bezit zooveel mogelijk tracht te behouden, een »niet-missen."

~Hebzuchtig~ is hij, die alles zelf wil hebben ten koste van anderen, en wien het leed doet, dat hij niet alles heeft; ~inhalig~ wijst aan, dat men zooveel mogelijk naar zich toe tracht te halen. ~Hebzuchtig~ ziet meer op een eigenschap van het karakter; ~inhalig~ doelt meer op een daad, waaruit die hebzucht spreekt. Die daad op zich zelf is wel niet noodzakelijk onrechtvaardig, maar wordt toch zeker niet geprezen. De inhalige zal bijv. op ieder halfcentje zien, waar een ander dat zou schenken; hij laat zich een rekening van bijv. f 15.25,5 ook met dat halfje betalen. Bij een erfenis zal hij dingen van geen of weinig waarde nog willen verkoopen, om zooveel mogelijk »binnen te halen".

De ~schraapzuchtige~ is ook hebzuchtig; hij wil overal nog iets van afschrapen, wat een ander niet doen zou, doordat het de moeite niet loont. Hij verbiedt bijv. den armen drommel op zijn landgoed een paar takkenbossen te sprokkelen: hij verlangt er geld voor.

~Karig~, ~gierig~ en ~vrekkig~ duiden aan, dat men zoomin mogelijk wil missen van zijn overvloed. ~Karig~ drukt dit het minst sterk uit; wie karig is, geeft weinig, en wat hij geeft, geeft hij slechts noode. ~Gierig~ en ~vrekkig~ zijn veel sterker en duiden bovendien aan, dat men door hebzucht gedreven wordt, wat karig niet onderstelt. Bij een gierigaard klopt een hulpbehoevende te vergeefs aan. Wordt de gierigheid zoover gedreven, dat men hard en onbillijk wordt tegenover anderen, ja--dat men ook zich zelf niet meer het noodige gunt, dan spreekt men van ~vrekkig~.

* * * * *

Wie bij alles toont, zichzelf het eerst en het meest te willen bedenken, is --.

Wie bij een inzameling voor een watersnood van zijn schatten slechts weinig offert, is --; wie niets wil geven, is --; wie daarbij de inzamelaars nog onheusch bejegent en over dat »eeuwig gebedel" lamenteert, is --.

De rijkaard, die te midden zijner schatten vrijwillig half gebrek lijdt, is --.

Wie de appels, die van zijn boom in buurmans tuin vallen, nog laat oprapen, is --.

De boer, die zijn armen daglooner nog een kan karnemelk laat betalen, is --; als hij den knecht wegens ziekte een halven dag loon kort, is hij --.

De natuur heeft dit land -- bedeeld. (De natuur wilde zoo min mogelijk van haar overvloed voor dit land missen.)

158. Afkeer--afgrijzen--afschrik--afschuw--walg--tegenzin--weerzin.

_De onaangename gewaarwording, teweeggebracht door iets dat ons mishaagt._