Part 1
E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | Uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~, vette | | tekst als $vet$ en onderstreepte tekst als #onderstreept#. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | »aanhalingstekens". | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN
#TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE VOOR DE HULP- EN HOOFDACTE EN OP INRICHTINGEN VOOR M.O.#
DOOR
T. PLUIM, Hoofd eener School te Baarn.
VIERDE, HERZIENE DRUK.
J. Muusses.--Purmerend.--1912.
VOORBERICHT
BIJ DEN EERSTEN DRUK.
Er is geen betere »stijloefening" dan het bestudeeren van synoniemen; hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen, waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren, dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel der levende taal bezit. Na het thans verouderde »Woordenboek" van Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende »Handboek van Ned. Synoniemen", door J. V. Hendriks (D. Mijs, f 2.50), dat verre boven onzen lof verheven is, kan echter als _eerste_ studieboek bezwaarlijk gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden.
Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien ook bij de studie voor de hoofdacte.
Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen mij steeds welkom zijn.
1904.
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De _tweede_ druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven.
Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij, van het _Woordenboek der Ned. Taal_ een ijverig gebruik gemaakt, terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers _Woordenboek_, dr. Nassau's _Geschriften_ en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig compilator, toegepast: »Je prends mon bien où je le trouve", daarbij steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles _practisch_ moest zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden wordt voor het doel, dat ik beoogde.
1907.
BIJ DEN DERDEN DRUK.
De _derde_ druk is vermeerderd met een »Aanhangsel", waarin nog een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het--bij wijze van oefening--overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.)
1909.
BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Van de welwillende opmerkingen in »De School met den Bijbel" is een dankbaar gebruik gemaakt. Ook heb ik op enkele andere plaatsen kleine verbeteringen aangebracht. Het toenemend gebruik van dit werkje is mij zeer aangenaam.
Baarn, Maart 1912. T. PLUIM.
1. Draaglijk--draagbaar.
_Wat gedragen kan worden._
~Draagbaar~ zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: _Een last van 75 K.G. is voor velen niet meer ~draagbaar~._ Soms beteekent het: verplaatsbaar, niet-vastgemaakt (portatief): _een ~draagbare~ gaskachel_.
~Draaglijk~ duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt, d.w.z. te verduren, te dulden: _Een ~ondragelijke~ hitte._
* * * * *
De zieke leed on-- pijn.
Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel --.
Je hebt daar eindelijk eens een -- opstel geschreven.
Men heeft tegenwoordig ook -- electrische lampen.
2. Kostbaar--kostelijk.
_Wat veel kost en dus hooge waarde heeft._
~Kostbaar~ wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. _De drooglegging der Zuiderzee is een ~kostbare~ onderneming._
~Kostelijk~ komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is water geen kostbare, maar wel een _~kostelijke~ drank_ (d. i. een drank, die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen).
* * * * *
De koningin droeg een -- snoer van diamanten.
Het is zonde, zulk -- eten te laten bederven.
De -- hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten.
Het was werkelijk een -- ingeving, zich zoo te kunnen redden.
3. Geestelijk--geestig--geestrijk.
_Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, ~paroniemen~ = stamverwante woorden.)_
~Geestelijk~ is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: _De ~geestelijke~ stand; de ~geestelijke~ ontwikkeling._
~Geestig~ is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: _Een ~geestig~ gezegde. Een ~geestige~ voordracht._
~Geestrijk~ wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): _~geestrijke~ dranken_.
* * * * *
Deze kinderen staan -- verre bij uw leerlingen ten achter.
Ik heb hem een -- spotprent op zijn redevoering laten zien.
Pater van Meurs, de bekende --, is vaak in zijn kleine gedichten zeer --.
»Het -- vocht der blonde druif Maakt -- op zijn tijd",
zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook oorzaak, dat men -- achteruit gaat.
4. Zorgeloos--onbezorgd.
_Geen zorg hebbende._
~Onbezorgd~ is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis. _Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een ~onbezorgden~ ouden dag kan hebben._
~Zorgeloos~ wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd een ongunstige bijgedachte. _Ofschoon hij meermalen met ontslag bedreigd is, blijft hij nog altijd even ~zorgeloos~._
* * * * *
Gij kunt -- zijn: geen kwaad zal u deren.
Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en -- leven te leiden? (Van Lennep.)
Het ergert mij altijd, dat hij zoo -- en lichtzinnig voortleeft.
Hij deed alle moeite om een opgeruimd en -- gelaat te vertoonen. (Van Lennep.)
Als gij zoo -- met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.
Zonden, ofschoon gepleegd in -- vroolijkheid, waarbij men zich zelve vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)
5. Geneigd--genegen.
_Neiging tot iets hebbende._
~Geneigd~ geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is, dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen. (_Neigen_ = overhellen.) _De mensch is ~geneigd~ tot zonde_: zijn aard brengt dat mede. _Ik ben ~geneigd~ dit toe te stemmen_: ik hel er toe over (daar ik er over nagedacht heb).
~Genegen~ ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan: _Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens ~genegen~ eenig huiswerk te verrichten_: die daar lust in heeft, er _niet afkeerig_ van is. Bovendien kan ~genegen~ beteekenen: goedgunstig gezind, liefhebbend: _De directeur is mij zeer ~genegen~._
* * * * *
Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd -- tot schertsen.
Denkt gij, dat hij -- is, mij te woord te staan?
Ik ben altijd --, het goede van iemand te denken.
Ik zou bijna -- zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen. (Inzicht, oordeel.)
Niemand der aanwezigen scheen --, in het tekort der kas te willen bijdragen.
Het geluk is mij in deze onderneming niet --.
Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid -- was, zou hij zeker de betrekking gekregen hebben.
Zoudt gij -- zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen aanvaarden?
Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur --.
6. Kinderachtig--kinderlijk--kindsch.
_Wat een kind eigen is._
~Kinderachtig~ heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als een kind hadden. _Hoe ~kinderachtig~ van haar zoo bang voor spinnen te zijn!_
~Kinderlijk~ is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel in gunstigen zin genomen. _Kinderlijke_ spelen.
~Kindsch~ geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. _Deze oude vrouw is sedert een paar jaren geheel ~kindsch~._--Een enkele maal heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: _Uit mijn ~kindsche~ jaren herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten._
(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke beteekenis heeft.)
* * * * *
Foei, wat doet die groote jongen nog --.
Met -- liefde hing de knaap zijn ouders aan.
Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard hechten: hij begint reeds -- te worden.
Zijn -- vertrouwen op God werd niet beschaamd.
Sedert mijn -- dagen ben ik daar niet meer geweest.
In zijn -- eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het maakte.
7. Buigbaar--buigzaam.
_Wat gebogen kan worden._
~Buigbaar~ duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden, terwijl ~buigzaam~ te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok is _buigbaar_, een glazen staaf niet; een stuk gummi is _buigzaam_.
Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: _Hij heeft een ~onbuigzaam~ karakter_, dat wil zeggen: hij toont in zijnen geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich _niet licht_ door een ander laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.--_Door zijn ~onbuigbaren~ trots berokkende hij zich vele vijanden_, d.w.z. zijn trots was zóó sterk, dat hij zich _door niets_ liet buigen. Gewoonlijk heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis.
* * * * *
Zijn -- koppigheid ben ik eindelijk moede.
Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, -- en rijk.
Als men een glazen buis verwarmt, is zij --.
Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen brengen: hij heeft een -- wil.
Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend: zij hoopten, dat het -- zou wezen. (Beets.)
8. Lijdzaam--lijdelijk.
_Niet op verzet bedacht._
~Lijdzaam~ beteekent geduldig, gelaten in het leed berustend, of kalm en bedaard volhardend bij het volbrengen van een moeilijke taak. _Met groote ~lijdzaamheid~ verdroeg hij de pijnen._
~Lijdelijk~ wil zeggen, dat men geen tegenstand biedt, of bij zekere gebeurtenis werkeloos blijft. _Hoe hij die beleediging zoo ~lijdelijk~ kon aanhooren, begrijp ik niet. Hij bleef bij dat afschuwelijk tooneel een ~lijdelijk~ toeschouwer._
* * * * *
Het was de politie onmogelijk, zulk een opruiende taal -- aan te hooren.
De patiënt verdroeg -- de hevige pijnen van zijn wonden.
Zoudt gij het -- kunnen aanzien, dat men uw goeden naam belasterde?
De vrome pelgrim trekt vol ijver, maar toch --, langs het onverkwikkend pad naar Jeruzalem. (Zie Da Costa's Hagar.)
9. Openbaar--openlijk.
_Voor _of_ in het algemeen._
~Openbaar~ is datgene, wat voor ieder open is, waarvan niemand is uitgesloten. Een _openbare_ vergadering; een _openbare_ wandeling. Verder duidt het woord aan, dat iets vanwege de regeering is opgericht of daartoe behoort: een _openbare_ school, een _openbare_ betrekking.
~Openlijk~ wijst aan, dat iets niet in 't geheim geschiedt, dat het dus voor niemand behoeft verborgen te worden. _Als gij niet betaalt, zet ik uw naam ~openlijk~ in de courant._
Het tegengestelde van openbaar is: particulier, besloten; van openlijk: in 't geheim, bedektelijk.
* * * * *
Ik zei hem -- de waarheid.
Wanneer men in een -- vergadering iemand iets in het oor fluistert, zegt men dat niet --. En wanneer men in een gesloten bijeenkomst iets -- mededeelt, wil men dat nog niet altijd in het -- herhalen.
De zaak zal in een -- vergadering behandeld worden.
Ik zal u -- zeggen, hoe ik er over denk.
De uitslag der vredesonderhandelingen werd door de Regeering -- gemaakt.
Van alle -- gebouwen waaide de driekleur.
Van der Duyn van Maasdam, Hogendorp en Van Limburg Styrum, in stilte werkzaam voor de bevrijding, hielden zich gereed om ook -- op te treden, zoo ras het gunstig tijdstip zou komen.
Wat verstaat men onder het -- Ministerie?
10. Ontrouw--trouweloos.
_Zonder trouw._
~Trouweloos~ handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet, valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in ziet. _Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet, dat hij zóó ~trouweloos~ was._
~Ontrouw~ ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten; van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor een bepaald geval. _Hij is mij ~ontrouw~ geworden_ wil zeggen: hij heeft mijn partij verlaten--hoewel hij mij trouw beloofd had--maar hij kan daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.
* * * * *
Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij Nancy -- verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst -- en liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.
De -- dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens vijanden over.
Hij werd het oude geloof zijner vaderen --.
Zou hij zoo -- zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?
11. Innerlijk--inwendig--innig.
_Wat zich van binnen bevindt._
~Inwendig~ is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de buitenzijde of de oppervlakte behoort: De _inwendige_ deelen van ons lichaam.
~Innerlijk~ ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit een voorwerp bestaat, in tegenstelling van _uiterlijk_, dat meer let op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen min of meer verborgen worden. De _innerlijke_ waarde van een stalen horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen), al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde) ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in tegenstelling met den lichamelijken vorm. _Uiterlijk is hij voorkomend en vriendelijk, maar ~innerlijk~ is hij valsch en vol bedrog.--Hij werd ~innerlijk~ bewogen_ (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te zien was).
~Innig~ geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een _innige_ liefde.
* * * * *
In het -- van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt.
Hoewel hij -- spijt had, liet hij het aan niets merken.
Hij stortte zijn hart uit in een -- gebed.
De appel was -- verrot, hoe mooi hij er uitzag.
Zijn -- kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd.
De -- samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht.
De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn -- godsvrucht.
12. Wettig--wettelijk--wettisch.
_Volgens de wet._
~Wettig~ duidt aan, dat iets geheel overeenkomstig de bepalingen der wet is, bijv. een _wettig_ huwelijk: bij het huwelijk is aan al de bepalingen der wet voldaan. De _wettige_ erfgenamen zijn die erfgenamen, die volgens of krachtens de bepalingen der wet aanspraak op de nalatenschap hebben.
~Wettelijk~ is datgene, wat bij de wet voorgeschreven is en dus een uitvloeisel daarvan is. _Volgens ~wettelijk~ voorschrift moet bij besmettelijke ziekten een briefje op de deur geplakt worden._
~Wettisch~ heet iemand, die zich streng aan de wet houdt en haar in volle kracht (volgens de letter) wil toepassen.
* * * * *
Doordat ons Koninklijk Huis in de laatste regeeringsjaren van Willem III zooveel leden verloor, werd het noodig de -- bepalingen omtrent de -- erfgenamen in de grondwet nader te omschrijven.
Deze notaris is een -- man; hij staat er op, alle -- formules nauwkeurig te gebruiken, opdat het testament -- zij.
Wij zullen langs -- weg verbetering van dien toestand trachten te bewerken.
Gij hebt den -- termijn van cassatie laten verloopen, gij moet dus in het vonnis berusten.
Het salaris bedraagt 50 gld. boven het -- minimum.
13. Dagelijksch--alledaagsch--daagsch.
_Wel zijn deze woorden van ~dag~ afgeleid, maar eigenlijke synoniemen zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven._ (Zie ook no. 3.)
~Dagelijksch~ is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. _De ~dagelijksche~ beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient ruim zijn ~dagelijksch~ brood._
~Alledaagsch~ beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. _Ik dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een ~alledaagsch~ mensch te zijn._
~Daagsch~ wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: _dit is mijn ~daagsche~ hoed_ (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag).
Opmerking. _Daags_ is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon schijnt _daags_ maar 6 uur meer.--Ook _dagelijks_ is een bijwoord en beteekent: elken dag: Hij doet _dagelijks_ een wandeling. (Hij doet _daags_ een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.) _'s Daags_ beteekent _per dag_ (in een tijdruimte van een dag): _hij verdient 2 gld. 's ~daags~_.
* * * * *
In het -- leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord.
Mijn -- jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche.
Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een -- geval.
Op onze voetreis legden wij -- 8 uur af.
Ik zou niet graag mijn -- wandeling willen missen.
's Nachts loopen er vijf treinen en -- twaalf.
14. Ruiterlijk--ridderlijk.
_Openhartig._
~Ridderlijk~ doet denken aan de edelmoedigheid, welke den ridder eigen was en die zijn _eer_ het hoogste stelde. _Zoodra hij bemerkte, dat hij zijn vriend ten onrechte beschuldigd had, heeft hij ~ridderlijk~ zijn beschuldiging teruggenomen._
~Ruiterlijk~ heeft meer de bijbeteekenis van ruw, maar oprecht, zooals de oude ruiters waren, die meer den onverschrokken _moed_ hoog hielden dan de fijne ridderlijke beleefdheidsvormen. _De oude tuinman kwam er bij den graaf ~ruiterlijk~ voor uit, hoe hij over hem dacht._ (Het was den graaf misschien minder aangenaam zulk een openhartig oordeel over zijn eigen karakter te hooren, maar dat oordeel was toch oprecht gemeend en bevatte niets dan waarheid.)
* * * * *
Het is -- van hem, dat hij na de grievende bejegening, die hij van zijn besten vriend ondervond, hem toch weer in den nood bijstaat. (Het strekt hem tot _eer_!)
Het deed mij goed, dat hij zoo -- voor de waarheid durfde uitkomen. (Het getuigt van _moed_!)
De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor een schandelijke daad der Engelschen. (Het eervolle op den voorgrond stellen!)
De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor den laaghartigen aanval der Engelschen op weerlooze visschersplaatsjes. (Het moedige op den voorgrond stellen!)
15. Jong--jeugdig.
_Wat niet oud is._
~Jong~ zegt dit in letterlijken zin. Een _jong_ kind; een _jonge_ vereeniging.
~Jeugdig~ stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het vroolijke, het levenslustige, het sterke. _De grijsaard wijdde zich nog met ~jeugdigen~ ijver aan de zaak, die hij voorstond._ Verkeerd is het dus, van een _jeugdige_ vereeniging te spreken in den zin van een jonge, pas opgerichte vereeniging.
* * * * *
In zijn -- jaren was hij een liefhebber van visschen.
In -- overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.
Hij is nog betrekkelijk --, al ziet hij er oud uit.
Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog --.
16. Zuinig--spaarzaam.
_Niet verkwistend._
~Zuinig~ duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders te kort zou komen. _Wie zes gulden per week verdient, moet ~zuinig~ huishouden._
~Spaarzaam~ is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of overhouden. _Een ~spaarzame~ hand koopt anderlui's land._ Een spaarzaam mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: _Het vertrek was slechts ~spaarzaam~ verlicht._
* * * * *
Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is -- met de gelden omgegaan; er is dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort. Doordat hij -- is, heeft hij reeds een aardig sommetje bijeen.
Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts -- berichten.
Hij is van avond zeer -- met zijn woorden.
17. Klooven--klieven.