Keukenboek

Part 5

Chapter 54,122 wordsPublic domain

33. Witte kool. De kool wordt in stukken gesneden, in kokend water, ongedekt, zoo schielijk mogelijk afgekookt en dan op een doorslag geschept. Dan zet men ze te stoven met zout, reuzel en aardappelen onder in de pan, die er later worden doorgeroerd, of, desverkiezende zonder aardappelen en met boter; in allen geval strooit men er eenige gestampte nagelen tusschen.--Witte kool kan ook, nadat zij is afgekookt, bij half gaar pekelvleesch worden gevoegd en als men haar dan daarbij, tegelijk met kleine aardappelen, verder gaar laat koken, is dit een smakelijk geregt.

34. Jagerkool. De witte kool wordt als roode gesneden en afgekookt; men braadt spek uit en bindt die saus met wat meel, kruidt ze goed met peper en voegt er wat azijn bij. Dan zet men aardappelen met weinig water en wat zout te koken, en als zij goed aan de kook zijn, legt men de kool er boven op, aan de kanten iets hooger dan in het midden, met het noodige zout er op gestrooid; midden in giet men dan de speksaus en laat alles goed toegedekt koken, tot men denkt dat de aardappelen geheel gaar zijn. Als men bij het nazien ontdekt dat alles wel gaar is, maar dat er nog te rijkelijk nat op is gebleven, laat men de pan op een levendig vuur, open staan, om te verdampen. Dan wordt de kool met de aardappelen dooreengeroerd en met versche braadworst opgedischt.

35. Gevulde kool. Men neemt groote bladeren van witte kool, snijdt er de zwaarste ribben uit en kookt ze af; dan legt men op een schoonen doek de bladeren in het rond, vrij dik op elkander; daarop kalfs-, varkens-, of rundergehakt en weder wat koolbladeren, zoo, om en om voortgaande, tot men het fatsoen van eene groote kool heeft verkregen. Daarop bindt men den doek om alles heen digt en zet de kool in bouillon, of bij gebrek daarvan in water met zout, zoodat zij onderstaat, gedurende 2 uren te koken. Bij het opdoen neemt men haar voorzigtig uit den doek en zet haar op den schotel met de saus er over gegoten, die men op de volgende wijze gereedmaakt: Men brandt wat meel en boter in de koekepan en roert dit in het nat, waar men de kool heeft uitgenomen, voegt er wat notemuskaat of foelie en een paar citroenschijven bij en bindt ten slotte de saus met eenige eijerdoijers.

36. Gestoofde selderij. De knollen worden goed gewasschen, dan in schijven gesneden en afgekookt, daarna stooft men ze in bouillon, met zout, boter en notemuskaat, en om er eene schoone kleur aan te geven, roert men ten slotte wat gebruind meel door de saus. Zij zijn in 1 1/2 uur goed.

37. Gevulde selderij. Men rigte zich hierbij naar het recept van gevulde rapen (zie No. 23).

38. Gestoofde uijen. De uijen moeten worden geschild, maar niet gesneden en half gaar gekookt, zoodat men er het overtollige nat kan afgieten. Vervolgens worden zij te stoven gezet (liefst in eene aarden pan) met bouillon, boter, zout, foelie en gestooten beschuit; naar verkiezing kan men er ook citroensap bijvoegen. Zij zijn in vijf kwartiers gereed en worden zeer goed gepresenteerd bij rolpens.

39. Gefarceerde uijen. Uijen van de allergrootste soort schilt men en snijdt er eene schijf af, die er als zij gevuld zijn, weder op gebonden kan worden; zij worden half gaar gekookt en moeten goed afdruipen. Men holt dan de uijen voorzigtig uit en vult ze met fijn geprepareerd gehakt, waarna men ze toebindt. Zij worden vervolgens even in gefruite boter gesmoord, en na verloop van 5 minuten, voegt men daarbij bouillon, wat zout, peper, nagelen, een stukje foelie, een paar laurierbladen en citroenschijven, benevens gestooten beschuit, waarmede men ze te stoven zet, tot de farci gaar is, waarvoor omstreeks een uur vereischt wordt. Dan worden de draden doorgesneden en de uijen in de saus opgedaan.

40. Prei. Om prei te stoven handele men even als bij gestoofde uijen is opgegeven (zie No. 38). Men kan ze ook gekookt geven, met rundvleesch en aardappelen door elkander. Het vleesch moet in dobbelsteenen worden gesneden en in kort nat 3 uren koken; gedurende het laatste uur voegt men de prei, met de aardappelen en het noodige zout, er bij.

41. Prei met saus. De prei wordt in kleine stukken gesneden en, goed gewasschen zijnde, in water met zout gaar gekookt en afgegoten. Dan opgedaan met de volgende saus er over gegoten: Voor eene portie van 5 personen neemt men 2 eijerdoijers, een goed stuk boter, een lepel meel, even zooveel melk, wat notemuskaat en zout; men klopt dit alles door elkander tot het fijn en gelijk is en lengt het vervolgens aan met vijf maatjes water; men voegt er voor den smaak eenige druppels azijn bij, en roert het op het vuur tot het dik is. Het mag niet koken.

42. Prei met zuring. Men stooft de zuring volgens No. 10; de prei wordt gekookt en afgegoten, en daarna laat men beide groenten te zamen nog wat doorstoven. Indien men de zuring met eijerdoijers wil binden, mag dit eerst op het laatste oogenblik, vóór het opdoen, geschieden.

43. Prei met brood. De prei wordt afgekookt en goed uitgedrukt; dan legt men ze in een schoteltje, om en om, aan laagjes, met gesmeerde sneedjes brood om te stoven. Men strooit er zout, peper en notemuskaat tusschen en gestampte beschuit er overheen. Dit is een van die huiselijke geregten, die op tafel worden gebragt in denzelfden schotel, waarin zij zijn gestoofd.

44. Andijvie. De gele bladeren worden aan stukken gesneden, goed gewasschen, ruim afgekookt en goed uitgedrukt. Dan zet men ze te stoven met boter, of jus, zout en notemuskaat. Men presenteert er citroen bij, en kan deze groente geven bij alle fijne vleeschsoorten.

45. Kropsalade. De salade wordt goed gewasschen ruim afgekookt, daarna, als zij niet zeer jong meer is, een uur lang in koud water gezet, droog uitgedrukt en fijn gehakt. Men kan ze vervolgens stoven met boter, zout en een weinig melk; men kan er ook zuring doorstoven, of ze ook aan kropjes voordienen. Hiertoe plukt men de buitenste bladen van de krop af en laat de hartjes in hun geheel afkoken. Men maakt dan de binnenste bladeren een weinig los, legt in ieder kropje een balletje kalfsgehakt, en zet ze vervolgens in een schoteltje langzaam te stoven, met bijvoeging van jus, boter, zout en notemuskaat; ook strooit men er gestampte beschuit over. Naar verkiezing brengt men ze in denzelfden schotel op tafel, of doet ze op.

46. Komkommers. Men neemt gave komkommers, schilt ze, snijdt ze aan niet al te kleine stukken, neemt het zaad er uit, en laat ze dan gaar worden in water met zout, dat men aan de kook heeft gemaakt. Dan legt men ze op een vergiet, bruint wat meel met boter, roert er een weinig melk en wat noot door en laat hierin de komkommers nog een kwartier stoven.--Ook kan men ze stoven in bouillon met bijvoeging van wat boter, foelie, en gestooten beschuit, die in de koekepan gefruit is.

47. Champignons. Als de champignons volgens A, No. 12 zijn schoon gemaakt, zet men ze, in een aarden pot, met wat bouillon, boter en notemuskaat op het vuur, en laat ze, goed toegedekt, een half uur langzaam koken. Dan brengt men ze aan het stoven met een gestooten beschuit, wat citroensap en een weinig aardappelmeel er doorgeroerd, men bindt de saus later met een eijerdoijer. Bij wit vleesch en gevogelte te geven.

48. Gebraden champignons. Uit de goed gewasschen champignons wordt de stengel genomen, en in de opening die daardoor ontstaat, wordt een kluitje boter met wat peper en zout gestoken; men braadt ze daarop eenige minuten lang in boter.

49. Winterwortelen. Deze worden niet geschrapt, maar dun geschild en aan reepjes gesneden; men fruit eenige uijen in de koekepan, roert daar een lepeltje meel door en het noodige zout, voegt het bij de wortelen en giet er een weinig kokend water op. Zoo laat men ze goed gaar koken, en schudt er bij het opdoen boter en gehakte pieterselie door.

50. Winterwortelen met appelen. De gesnipperde wortelen zet men met een weinig kokend water te vuur, laat ze half gaar worden, en voegt er dan zout en reuzel bij, benevens eenige zure appelen, waar de klokhuizen goed uitgesneden zijn, en een weinig suiker. Daarmede laat men de wortelen geheel gaar stoven. Tegen 5 of 6 deelen wortelen neemt men 1 deel appelen.

51. Hutspot. De wortelen worden aan stukken gesneden en met weinig kokend water half gaar gekookt; dan doet men er fijn gesneden uijen, aardappelen, boter, of reuzel en zout bij en laat alles, door elkaâr geroerd, een uur stoven.

52. Bieten. De bieten moeten worden afgeboend en de bladeren er afgesneden, zonder den wortel zelven te kwetsen. Men hangt ze met koud water op en laat ze 1 1/2 uur goed koken; dan giet men ze, met het kokende nat er bij, in een pot, dien men goed sluit en waarin zij verder moeten gaar broeijen; men laat ze er geheel koud in worden.

53. Bieten met uijen. De bieten gekookt zijnde, zoo als in No. 52 is gezegd, worden aan stukken gesneden; groote uijen worden insgelijks aan schijven gesneden, en men legt beiden, laag om laag, in een schoteltje, met bijvoeging van zout, peper, boter en wat azijn, zoo laat men het stoven en brengt het in denzelfden schotel op tafel.

54. Uijen met aardappelen. De uijen worden gesneden en afgekookt; als zij afgegoten zijn, zet men ze te stoven, met aardappelen, reuzel of boter, peper, zout en azijn.

55. Ingemaakte groote boonen. Zij worden den avond vóór dat men ze gebruiken wil, in water gezet, en dit moet men 's ochtends nog een paar malen ververschen. Men kookt ze dan af in water en melk; zij worden voorts gestoofd als versche boonen en zijn daarvan als zij gereed zijn, naauwelijks te onderscheiden.

56. Gele herfstrapen. Zij worden gesnipperd, afgekookt en dan langzaam gestoofd met boter, zout, wat melk en een weinig suiker; bij het opdoen raspt men er notemuskaat over.

57. Lange fransche rapen. De rapen worden geschild en aan stukken gesneden; men behoeft ze niet af te koken, maar zij kunnen met een weinig water te vuur worden gezet. Als zij half gaar zijn, voegt men er aardappelen bij en stooft alles te zamen met boter en wat melk. Bij het opdoen raspt men er notemuskaat over.

58. Zoesterknollen worden even als fransche rapen behandeld.

59. Capucijner erwten kookt men als doperwten, met dit onderscheid, dat men het zout er bij kan koken.

60. Molsla, of paardenbloemen worden, naar verkiezing, al of niet afgekookt, en dan met boter en notemuskaat langzaam gestoofd.

61. Suikerijlof wordt als molsla behandeld.

62. Rhabarber. Van de rhabarberplanten kan men drieërlei geregten maken: vooreerst zijn de jonge bladeren als spinazie te gebruiken en worden evenzoo bereid; ten andere kan men van de bladstelen een moes maken, dat zeer gelijkt op gestoofde kruisbessen, maar veel lekkerder en zachter is. Men haalt van de stelen het buitenste dunne schilletje af en snijdt ze aan stukken, waarop men ze, bijna zonder water fijnkookt en er dan eijerdoijers en suiker doorstooft. Eindelijk zijn de bloemknoppen, vóór dat de stengel opschiedt, zeer goed om als bloemkool te koken en met saus te eten.

63. Zuurkool. De kool wordt voorzigtig uit het vat gehaald en, hetgeen langs den rand soms niet frisch mogt zijn, er afgenomen; dan drukt men de pekel er stevig uit, en als de kool reeds wat oud is, wascht men ze af in warm water. Vervolgens wordt zij met weinig water opgezet, en als zij half gaar is, voegt men er het noodige zout en de boter bij; ook kan men er dan desverkiezende, aardappelen bij in de pan leggen, die er later worden doorgeroerd.--In plaats van boter, is het ook zeer smakelijk om een stukje pekelspek in de zuurkool mede te koken.--Eene andere goede manier om zuurkool klaar te maken, is, dat men ze laag om laag, met schijven aardappelen en braadworst in een schotel laat stoven: zij moet in dien schotel op tafel komen.

64. Ingemaakte andijvie wordt gewasschen, den vorigen avond afgekookt, daarna een paar malen ververscht en dan gestoofd met boter. Men raspt er notemuskaat over.

65. Ingemaakte snijboonen worden eerst behandeld als de ingemaakte andijvie en dan gestoofd met boter of reuzel. Men kan er witte boonen, die een nacht in water geweekt zijn, of aardappelen doorstoven; ook worden de witte boonen somtijds afzonderlijk gekookt en bij het opdoen als een krans op de groene snijboonen gelegd.

66. Ingemaakte heerneboonen worden geheel als ingemaakte snijboonen behandeld.

67. Ingemaakte raapstelen behandelt men als ingemaakte andijvie, maar stooft ze ook wel met aardappelen door elkander.

68. Gedroogde heerenboonen. Men wascht de boontjes in warm water en zet ze met kokend water op, waarmede men ze een half uur laat koken; dan giet men dit er af en vervangt het door versch kokend water, waarin zij geheel gaar moeten worden; vóór het laatste half uur moet het zout er in worden gedaan. Als de boonen gaar zijn, worden zij op een doorslag geschud en als versche slaboonen gestoofd, of ongestoofd met zure saus gegeten.

69. Gedroogde snijboonen worden even als gedroogde heerenboonen afgekookt en vervolgens met reuzel en, al of niet, met bijvoeging van aardappelen of witte boonen gestoofd. Men legt soms een rook- of braadworst als krans op den schotel.

70. Gedroogde groene en graauwe erwten worden gewasschen, een nacht in water geweekt en met hetzelfde water gaar gekookt. Men dient de groene erwten voor met pieterseliesaus en de graauwe met jus.

71. Witte en bruine boonen behandelt men als gedroogde erwten. Men gebruikt de witte boonen met pieterselie- of zure saus en de bruine met jus.

72. Aardappelen. Bij het koken van aardappelen wordt dikwijls te weinig oplettendheid gebruikt, en toch hangt het smakelijke van dit geregt evenveel af van de zorg die men er aan besteedt, als van de soort der aardappelen zelf. Zij moeten terstond bij het schillen in koud water worden geworpen, gewasschen en in water blijven staan, tot men ze kookt. Men hangt ze in een ruimen ijzeren pot te vuur, met zooveel water dat zij goed onderliggen; voor versche aardappelen neemt men het kokend, voor oude koud, en in ieder geval zorge men voor een levendig vuur, zoodat zij spoedig gaar zijn. De tijd van koken hangt af van de soort en van den ouderdom der aardappelen; versche zijn in 20 minuten gaar en oude hebben op het laatst wel drie kwartier uurs noodig.--Als men nu, door er met eene vork in te prikken, ontdekt dat zij gaar zijn, giet men de aardappelen zoo droog mogelijk af; men hangt den pot nog eenige minuten weder over het vuur en schudt hem dan goed heen en weder om de aardappelen geheel droog te krijgen, die dan kunnen worden opgedaan en, liefst in een overdekten schotel, ter tafel gebragt. Wanneer men, b. v. op een souper, aardappelen bij fijne groenten wil laten rondgaan, dan kan men ze, gekookt zijnde, in de schaal met gewelde boter overgieten, er noot over raspen, en ze zoo, goed toegedekt, gedurende een half uur op een komfoor laten staan.

73. Gebakken aardappelen met worst. Men fruit fijn gesneden uije met meel en boter in de koekepan, kruidt dit met zout en peper, voegt er wat bouillon of jus bij, en bakt de worst, aan schijven gesneden, daar even mede op. Men neemt ze er daarop uit en laat dan groote, aan schijven gesneden en vooraf gekookte aardappelen ook een weinig daarin bakken, maar zij moeten zacht blijven. Vervolgens besmeert men een schotel met boter, bestrooit dien met geraspt wittebrood, en legt de aardappelen en de worst, laag om laag, er in; op de aardappelen strooit men telkens wat geraspt brood en legt er kleine stukjes boter op. Men laat het zoo in den oven bruinen en keert den schotel bij het opdoen op een anderen om.

74. Aardappelen met appelen en varkenskarbonaden. Men zet de karbonaden ter helft met water bedekt en met wat zout, op een zacht vuur, dekt de pan en laat ze een goed uur koken; dan legt men kleine aardappelen onder in de pan, strooit er zout over en legt het vleesch er boven op, dat men vervolgens weder bedekt met aan vierdeparten gesneden zure appelen; dan giet men er een kopje water bij en laat alles te zamen gaar smoren. Bij het opdoen legt men het vleesch midden op den schotel, de appelen er over heen en de aardappelen rondom langs den rand.

75. Aardappeltaart met ham. Van een ham, die niet oogelijk meer is om op tafel te zetten, kan men een zeer smakelijk geregt bereiden op de volgende wijze: De afgesneden stukken worden fijn gehakt, gekookte aardappelen tot moes gewreven, en dit, dooreengeroerd, in een vorm of schotel gelegd, dien men met boter besmeerd en met gestampte beschuit bestrooid heeft; telkens legt men er wat boter of kleine stukjes versch spek tusschen, en men kan er naar verkiezing ook gehakte uije bijvoegen. Zoo zet men het drie kwartier lang in een heeten oven. Als de vorm is omgekeerd, giet men de volgende saus over de taart: Op eene portie voor 4 personen neemt men 4 eijeren, goed geklopt en aangemengd met melk, zout en notemuskaat.

76. Gestoofde aardappelen. Men kan spek uitbakken en in dat nat of in rundervet de aardappelen stoven, met gesneden uijen, peper, zout en een paar laurierbladen. Bij het opdoen giet men er een scheut azijn door.

77. Gebakken aardappelen. Om groente of vleesch netjes op te doen, legt men er dikwijls gebakken aardappelen omheen op den schotel; b. v. bij lamsbout of biefstuk is dit zeer gebruikelijk. Men zoekt daarvoor kleine aardappelen uit, kookt ze met water en zout half gaar en giet ze zeer droog af. Dan bruint men boter in eene vlakke pan en legt de aardappelen daarin, naast elkander; men laat in de toegedekte pan eerst de onderste helft lichtbruin worden en keert ze vervolgens om, zoodat de andere helft onder komt te liggen. Hiervoor gebruike men echter geene vork, omdat de aardappelen gaaf op tafel moeten komen. Het vuur mag niet te heet zijn.

78. Geroerde aardappelen. De aardappelen worden gaar gekookt, fijn gemaakt, door eene zeef gewreven en dan door elkaâr geroerd met melk, boter, zout, peper en notemuskaat; men bestrooit ze bovenop met gestooten beschuit en laat ze in den oven bruinen.--Als men ze uit den schotel wil opdoen moet hij met boter besmeerd en met beschuit bestrooid zijn.

79. Aardappelen met appelen. De aardappelen worden zeer gaar gekookt, fijn gestampt en dan door elkaâr geroerd met tot moes gekookte zure appelen en een goede hoeveelheid boter. Men kan, als de massa te stijf is, er een weinig kokend water bijgieten, en ingeval de appelen bijzonder zuur zijn, moet er wat suiker worden bijgevoegd. Er wordt gestooten beschuit over den schotel gestrooid en dan laat men het in den oven bruinen.--Men kan in dit geregt ook peren in plaats van appelen gebruiken.

80. Aardappelballetjes. De aardappelen worden met het noodige zout gaar gekookt, droog afgegoten en zeer fijn gewreven; dan klopt men eenige eijeren met boter, melk en notemuskaat, en roert dit door de aardappelen, waarvan men balletjes maakt, die men in gestooten beschuit wentelt en daarna in de koekepan met boter bakt. Men presenteert ze bij salade.

81. Aardappelbollen. Men legt een soepbord vol fijngemaakte gekookte aardappelen op eene taartenplank, doet er 4 eijeren, met het wit, 4 lepels melk, 4 lepels gesmolten boter en een theelepeltje zout bij, benevens wat tarwemeel. Dit alles kneedt men door elkander, en voegt er zóólang meel bij, tot het een goed, rekbaar deeg is, waarin, als men het doorsnijdt, zich geene gaatjes vertoonen. Hiervan maakt men bollen als groote aardappelen, die men ongeveer tien minuten in water met zout laat koken en dan afgegoten, in de koekepan met boter bruin bakt. In den slagttijd, kan men de bollen in rollennat koken en daarna met reuzel bakken.

82. Aardappelen in de schil. Men kan de aardappelen, die goed afgeboend en gewasschen moeten zijn, met zout in water koken, dan droog afgieten en ze in eene toegedekte terrine op tafel brengen; de schil laat er zich dan gemakkelijk aftrekken, en men eet ze met koude boter. Echter kan men ze, desverkiezende, ook braden; men zet ze dan, met zout bestrooid, in een ijzeren pot droog te vuur en sluit het deksel stevig, zoodat de wasem niet kan ontsnappen; zoo moeten zij braden tot zij geheel gaar zijn en een ligt korstje hebben gekregen. Men neemt hiervoor kleine aardappelen, zoogenaamde poters.

D. VLEESCHGEREGTEN.

1. Algemeene regelen. Rund- en schapenvleesch moet, als men het braden wil, niet te versch geslagt, maar eenige dagen oud zijn; het is dan malscher. Kalfsvleesch kan minder lang goed blijven. Wil men het vleesch echter voor soep of farci gebruiken, dan geeft men de voorkeur aan zeer versch.--Het vleesch moet slechts luchtig worden afgewasschen en mag volstrekt niet in water blijven staan, omdat er dan te veel kracht uittrekt.--Alle vleeschsoorten, wild en gevogelte natuurlijk uitgezonderd, winnen zeer aan malschheid en smakelijkheid, als men ze onmiddellijk vóór het gebruik klopt. Ten dien einde droogt men het vleesch na het wasschen af, legt het op een schoon hakbord en slaat er met een dik, rond, glad klophout aan alle kanten zoo lang en zoo hard op, tot het op het gevoel eenigzins week is; dit kloppen moet echter altijd met overleg geschieden, zoodat het vleesch niet uit het fatsoen raakt.--Gezouten en gerookt vleesch zet men best met kokend water op; het wordt dan spoediger gaar, dan wanneer men koud gebruikt, en de kracht blijft er beter in. Wat bij versch vleesch voor soep moet worden in acht genomen, vindt men onder A, No. 1 vermeld.--De kooktijd hangt af van de zwaarte, die een stuk vleesch heeft; bij gerookte ham rekent men een kwartier koken voor ieder pond gewicht.--Gerookt vleesch moet den avond vóór het gebruik in koud water worden gezet.--Hazen en gevogelte zijn het lekkerst als men ze in een aarden pan braadt.--Alle gebraad moet gestadig worden bedropen en mag niet langer te vuur staan dan tot het gaar worden noodig is; te weinig gebraden is het vleesch zonder geur, en te veel gebraden is het droog en onsmakelijk.--Moet men zich van ijzeren braadpannen bedienen, dan is het zeer noodzakelijk om ze iederen keer na het gebruik te laten uitschuren en ze op eene drooge plaats te bergen; ook moet men ze telkens, vóór dat het vleesch er wordt ingedaan, met koud water opzetten en ze, als het warm is, goed omwasschen en uitdroogen, ten einde zeker te zijn dat het vleesch geen onaangenamen vetachtigen smaak krijge, dien eene ijzeren pan er zeer ligt aan geeft.--Om den jus lekker te maken, moet men, als het gebraad uit de pan genomen is, den jus nog even over een levendig vuur hangen, een kopje water er bij gieten en met een kleine garde, die men alléén dáárvoor gebruikt, het aangezette gedeelte uit de pan losroeren; ook is het zeer aan te bevelen om er dan ten slotte een kopje melk bij te voegen, waardoor de jus zeer gebonden wordt.--De schotels moeten bij het opdoen worden warm gemaakt.--Zoodra het vleesch van de tafel wordt genomen is het zaak om het in eene vliegenkast te zetten, ten einde het voor bederf te bewaren.

2. Ossenrib. Men kan een ossen-ribstuk naar verkiezing aan het spit, in den oven, of in een ijzeren spit braden; er behoort een stuk van den haas in te zijn gestoken. Het stuk wordt in elk geval behandeld volgens No. 1, dan met zout bestrooid en, indien het aan het spit wordt gestoken, onder gestadig bedruipen met gesmolten boter en niervet, gedurende 2 of 3 uren, naarmate het stuk zwaar is, gebraden. In den oven bereidt men het als volgt: Als het een groot stuk vleesch is, laat men 5 ons niervet een nacht in water staan, snijdt het dan in dobbelsteenen en smelt het in eene braadpan. Men legt het vleesch dan ook in de pan, met een stuk boter en de helft van het gesmolten vet er boven op; daarop zet men het onbedekt in den heetgestookten oven, opdat het spoedig toeschroeije, en laat het daarna, onder gestadig bedruipen, wat zachter braden, zonder het om te keeren; zoo dikwijls als het noodig is, giet men er een kopje kokend water bij, altijd langs de kanten van het vleesch. Het niervet maakt het gebraad bijzonder sappig, en wint zooveel in smaak, dat men het later even goed als boter in groente kan gebruiken.