Part 28
31. Een enkel stuk pekelvleesch. Wanneer men geene slagt aan huis bereddert, en toch tusschenbeide een stuk pekelvleesch wil hebben, kan men op de volgende wijze handelen: Men neemt b. v. een borststuk, laat daaruit alle beenderen snijden, en legt het 14 dagen in eene pekel volgens No. 30.--Als het gekookt moet worden, rolt men het stijf op, en bindt het stevig vast; dan legt men het in kokend water, met zooveel zout er in, dat het als verzoute jus smaakt, en laat het langzaam gaar koken, terwijl er niet in geprikt mag worden. Vervolgens legt men het, om koud te worden, onder een plankje, met gewigt bezwaard. Deze stukken zijn zeer voordeelig in het gebruik.--Ook is een staartstuk zeer goed. Men maakt voor 3 1/2 p. vleesch eene pekel van bijna 2 k. water, 2 1/2 o. zout, ruim 3 l. basterdsuiker, 3 w. salpeter en 2 lepels stroop. Als dit alles te zamen gekookt en geschuimd is, laat men het koud worden, en giet het over het vleesch, dat er 8 of 9 dagen in moet blijven liggen. Bij het koken wordt het stuk, om het sappig te houden, met kokend water opgezet. Deze pekel blijft lang goed, zoodat men ze nogmaals koken, schuimen en weder gebruiken kan.
32. Om pekelvleesch met houtskool te bewaren. Voor een stuk vleesch van 6 p. werpt men 2 handen vol zout in een ketel kokend water, laat het smelten, en legt het vleesch er in tot het "kruipt"; koken mag het niet. Zoo warm als mogelijk is, wrijft men het daarna zeer sterk in met 2 o. fijn zout en 1 1/2 l. gestooten salpeter; dan laat men het koud worden; bestrooit het rondom met gestampte houtskolen, en hangt het op eene drooge plaats, waar de lucht het kan bereiken. Het vleesch blijft op deze wijze zeer goed en heeft een aangenamen smaak.
33. Gerezen ganzen. Men kan de borst en de bouten van ganzen zeer goed rooken; zij worden daarvoor met zout en een weinig salpeter ingewreven en, na verloop van 3 dagen, in den rook gehangen. Zij mogen niet langer dan 8 dagen hangen blijven, en er moet in dien tijd meer lucht dan rook bijkomen. Men gebruikt dit raauw, aan dunne schijfjes gesneden, bij boterhammen. Jonge gemeste ganzen rookt men op de volgende wijze: Men haalt ze uit, snijdt de pooten, de vleugels en den hals kort af, en hakt de vogels over de lengte midden door, waarna men ze inwrijft met veel zout en, vast in elkaâr sluitend, in een zuiver vat pakt, dat daarna wordt toegedekt. Hierin laat men ze niet langer dan 3 dagen liggen, neemt dan de halve vogels er uit, zonder het nat of het zout er af te schudden, en wentelt ze in drooge zemelen, tot er niets van het vleesch meer te zien is. Daarop hangt men ze in den rook, maar zóó, dat de hitte van het vuur er volstrekt niet op werkt. Na verloop van 8 dagen neemt men ze uit den rook, hangt ze op eene luchtige plaats, en een poosje later veegt men er met een linnen lap de zemelen af.
IJ. AZIJN.
1. Vruchtenazijn. Afgevallen appelen en peren, mits zij niet zwart of rotachtig zijn (zij zouden dan een bitteren smaak aan den azijn geven), worden zoo klein mogelijk gestampt en dan in eene pers zeer droog uitgeperst. De most, dien men dus verkrijgt, wordt in open vaten gegoten, waarin hij 8 of 10 dagen blijft staan. De onzuiverheden, die door het gisten bovendrijven, worden er voorzigtig afgenomen; dan wordt de most in andere vaten overgegoten en op eene warme plaats gebragt. Nu volgt er nog eenige gisting door het opene spongat, en men moet eene flesch met most bij de hand houden om het overgeloopen vat telkens weder aan te vullen. Als er hoegenaamd geene gisting meer wordt waargenomen, bedekt men het spongat met een niet te dik stuk linnen, en laat de vaten rustig tot het voorjaar liggen, wanneer men den azijn aftapt. Het is een goed teeken, als zich op de oppervlakte een vlies vormt, en dat mag vóór het aftappen volstrekt niet worden weggenomen of zelfs gebroken.
2. Suikerazijn. Men neemt op 5 k. water 7 1/2 o. witte suiker, kookt dit een half uur, onder zorgvuldig schuimen, en giet het in een open vat. Als het bekoeld is, besmeert men eene snede wittebrood dik met gist, legt er die in, en laat het 2 dagen gisten. Daarop neemt men het brood er uit, en giet het vocht in een ander vat over, dat op eene warme, drooge plaats moet liggen, terwijl men een papier over het spongat plakt, waarin men kleine gaatjes knipt, om de lucht toegang te verschaffen. Als men den azijn eene schoone kleur, als rhijnwijn, wil geven, dan moet men tegelijk met de suiker en het water eene handvol gele sleutelbloemen (primula veris) mede laat koken.
3. Azijn van aalbessen. De bessen worden uitgeperst, en het sap den volgenden dag van het bezinksel in schoone flesschen gegoten, die men, om te gisten, open in de zon of op eene warme plaats zet. Men kurkt ze als de gisting geheel heeft opgehouden. Deze azijn geeft een fijnen smaak aan de salade die men er mede bereidt.
4. Om azijn te keuren giet men een weinig op een zilveren lepel en legt dien boven het vuur; als alles verdampt, dan is de azijn zuiver; zoo niet, dan is zij met vitriool vervalscht.
Z. AANHANGSEL.
Onder de huisvrouwen, die deze bladen in handen krijgen, zullen er zeker vele wezen, die ten volle bekend zijn met alles wat tot het dekken, schikken en bedienen van eene goede tafel behoort; maar toch ook misschien wel eenige die daarvan niet zooveel ondervinding hebben, en echter wel eens genoodzaakt kunnen zijn, om over het een en ander het oog te houden. De schrijfster heeft het daarom niet ondoelmatig geacht om, ten behoeve van deze, hier dienaangaande eenige wenken te geven.
1. Het dekken van de tafel. Indien men een groot gezelschap verwacht, zal men wel doen, met de tafel den vorigen dag reeds te dekken. Als men nieuw tafelgoed heeft, kan men dit ongezoomd gebruiken; het tafellaken moet rondom eene goede halve el afhangen en aan de punten van binnen met spelden eenigzins worden vastgestoken. De borden worden zoo ver uit elkander gezet dat elk der gasten zich gemakkelijk bewegen kan, zonder een ander te hinderen, en men beoordeelt dit het best door eenige stoelen naast elkaâr te plaatsen, en zich daarnaar te regelen. De servetten worden op de borden gelegd met de open zijde naar de linkerhand en de zelfkanten naar den rand van de tafel gekeerd; op ieder servet legt men een klein broodje, en slaat de bovenste helft daar achterover op terug, zoodat het bedekt is. Het gebruik om op de andere helft kaartjes met de namen der gasten te leggen, is niet meer zoo algemeen als vroeger, daar men het veelal aan de heeren overlaat om de dame naast zich te kiezen, waarin de gastheer hen voorgaat. De messen worden aan de regterzijde van ieder bord gelegd, met de snede naar het bord gekeerd, en daarnaast de lepels; de vorken legt men ter linkerzijde met de tanden naar onderen. Bij ieder couvert worden zoovele glazen gezet als men soorten van wijn wil schenken, niet op eene rij, maar digt bij elkander, en op de plaatsen, voor de heeren bestemd, zet men eene flesch met gewonen tafelwijn op een flesschenbakje. Voor ieder bord, of om de andere plaats, moet een klein glaasje staan waarin zout en peper is. Het midden van de tafel wordt ingenomen, hetzij door een milieu de table van zilver en kristal, waarop men bloemen zet, hetzij door eene bloemenmand, dat vooral op bruidspartijen het gebruik is. Men kan daarvoor een mandje met blikken bak nemen, waarin men afgesneden bloemen zet, en ook kan men, op een plankje, bloempotten plaatsen, die men rondom met mos bedekt, zoodat er van potten en plank niets te zien is. Ook kan men nog 2 of 4 vazen met bloemen, naarmate de tafel lang is, over de lengte verdeeld er op zetten.--Het is tegenwoordig zeer gebruikelijk om terstond het dessert op tafel te zetten en de warme spijzen van het buffet te laten voordienen, dat daarom is aan te bevelen, omdat dan alles warm op tafel komt, en in dat geval legt men bij elk bord een menu of gedrukt lijstje, waarop alle geregten, in de volgorde waarnaar zij zullen worden gepresenteerd, zijn vermeld.--Op het buffet zet men de stapels borden die ter verwisseling noodig zijn, en een komfoor om ze te warmen; de soepborden, de dessertborden, de noodige lepels, vorken en messen, de glazen voor madera en marasquin, de waterglazen en eene gevulde waterkaraf; het olie- en azijnstel en de flesschen met fijne wijnen die men droog afveegt, maar waar men vooral de étiquettes op laat blijven. Ook moet er nog eene broodmand met broodjes op staan, en men legt er een paar servetten neder. Ingeval er geen buffet in de kamer is, moet men eene afzonderlijke tafel daarvoor inrigten. Ook zet men er eene lamp.
2. Het schikken van de tafel. Zoo als reeds gezegd is, staat midden op de tafel het een of ander middenstuk van bloemen of vruchten, dat men naar verkiezing kan inrigten en met smaak versieren; als men geen gas of andere hooge verlichting heeft, moeten er in het midden ook een aantal waskaarsen tusschen die bloemen of vruchten worden aangebragt, terwijl men een paar lampen wat meer aan het einde der tafel kan zetten. Al wordt het diner à la Russe gediend, zoodat alleen het dessert op tafel komt, dan kan men toch een paar koude vleesch- of vischgeleien ook opzetten, die, als zij gepresenteerd zijn, door taarten worden vervangen. Voorts zet men vruchten op tafel, verschillende vladen en geleiën, blanc-manger, confituren, compotes en bonbons; ook vruchten in brandewijn en gember.--Verkiest men echter de warme schotels op tafel te zetten, dan moet er gezorgd worden dat die goed met elkander overeenkomen, en dat er b. v. geene twee geregten van dezelfde soort van vleesch verschijnen: als men b. v. eene ossenrib als gebraad neemt, dan kan men geene ossenhaas in gelei nemen om later te geven, en zoo met alles.--De soep wordt altijd van het buffet gediend. Als een voorbeeld dat natuurlijk ieder naar verkiezing kan wijzigen, wordt hier het volgende menu opgegeven: Eerst soep, en daarna wordt madera gepresenteerd, terwijl men, als het saizoen zulks medebrengt, voor iederen gast een bord plaatst met 6 oesters in de schelp, en de achtste part van een citroen; ook wel caviaar op geroosterd brood; anders presenteert men den eenen of anderen visch. Dit alles staat niet op tafel.--Men kan een stuk ossenvleesch tegenover ham of kalfsvleesch zetten; côtelettes, zwezerik, kleine pasteitjes en croquettes of eene timbale in vier bij elkander behoorende schaaltjes, schuin tegenover elkaâr. Voorts vier verschillende groenten (aardappelen komen niet op tafel), twee verschillende puddings en een paar soorten van fijne compotes, om bij het gebraad te presenteren, benevens eenige kleine schoteltjes met ingemaakt zuur. Nadat het groote vleesch is voorgediend, vervangt men die schotels door groot gebraad, b. v. een kalkoen en een haas; in plaats van het kleine vleesch geeft men klein wild, zoo als snippen, vinken en dergelijke soorten, ook wel ragouts. Als de puddings zijn gebruikt, zet men op die plaats de voor het dessert bestemde taarten, en de groenteschalen verruilt men voor salade en visch in gelei, b. v. paling of zalm, ook wel gekookten zalm.--De volgorde is deze: Indien men na de soep geen visch geeft, wordt er eene warme pastei gediend, of kleine pasteitjes gepresenteerd; dan ossenvleesch met aardappelen; daarop het kalfsvleesch of de ham met de eene of andere groente; vervolgens de kleine vleeschsoorten met groenten, en dan de puddings. Nadat deze gebruikt zijn, volgt het gebraad of de ragout, eerst het witte en dan het bruine, met de compotes, of, indien men geene vischgeleiën geeft, laat men bij een van deze schotels ook wel salade rondgaan; anders volgt die daarop met den visch.--Dan laat men blanc-manger, wijngelei en dergelijke zaken presenteren; vervolgens ijs, en eindelijk volgt het dessert, waar men natuurlijk, behalve een paar taarten, de vruchten geeft die het jaargetijde oplevert, met smaak geschikt, op vruchtstandaards of in mandjes, met wijngaard- of dessertbladeren er tusschen. Hiervoor voldoen bijzonder de krullende bladeren van gekleurde boerenkool, bij welke men de schoonste nuances van rood, geel en groen aantreft. Heeft men een ananas, dan wordt die in het midden op tafel in eene vaas met bloemen rondom gezet. Men bezet voorts de ledige plaatsen met zoete vladen, kleine gebakjes, confituren, beschuit, suiker, boter en kaas, benevens gember of vruchten in brandewijn. Bij minder omslagtige partijen, waar het aantal geregten minder is, blijft toch de volgorde dezelfde.--Wat den wijn betreft, laat men, zoo als gezegd is, na de soep madera schenken, bij visch presenteert men witten wijn, bij het ijs marasquin; champagne en fijne roode wijnsoorten worden door den geheelen gang van het diner geschonken, en op het dessert komt daarbij ook nog rhijnwijn.--Na afloop van de tafel wordt in eene andere kamer koffij gediend, die natuurlijk geheel gereed moet staan, en, ingeval de heeren nog aan tafel blijven zitten, wordt ook daar de koffij gepresenteerd; de ingeschonken kopjes worden op een blad gezet, met suiker, room en een klein karafje met rhum erbij. De theelepeltjes legt men bij de suiker en een dessertlepel bij den rhum.
3. Het bedienen van de tafel. Bij de best voorziene tafel kan een gastmaal zeer veel lijden door eene slechte bediening; en vooral de gastvrouw zal daarvan groote ergernis hebben; het is dus eene zaak van belang, dat men zijne bedienden, indien die niet dagelijks gewoon zijn zoo iets te verrigten, vooruit de noodige inlichtingen geve. Men zorge in de eerste plaats, dat zij behoorlijk gekleed en geschoeid zijn en witte handschoenen aantrekken.--Diegene waarop men zich het best kan verlaten, wordt belast met het voorsnijden en dienen aan het buffet, en de anderen loopen om de tafel rond. Het presenteren moet met de linkerhand, aan de linkerzijde van de gasten geschieden; het wegnemen van de gebruikte borden echter met de regterhand, aan de regterzijde. De knecht moet daarbij een blikken bak in de linkerhand hebben, waarin hij telkens de lepels, vorken en messen legt, terwijl hij de borden in den linker arm houdt; op hem die wegneemt, moet terstond een ander volgen die alles schoon weder voor de gasten nederzet. Dit verwisselen van borden geschiedt bij ieder geregt, en bij den overgang van vleesch op pudding, van pudding op visch, en dan weder op zoete schotels, verruilt men ook de vorken. De lepels, die na de soep zijn weggenomen, worden niet teruggegeven vóór dat de vladen aan de beurt zijn om gediend te worden: dan legt men een dessertlepel, die kleiner dan een gewone lepel is, op ieder bord dat men rondzet. De maderaglazen worden, gebruikt zijnde, weggenomen. Twee schotels die bij elkaâr behooren, moeten door twee bedienden, die onmiddellijk op elkander volgen, worden gepresenteerd, zoodat men b. v. bij het ossenvleesch ook terstond aardappelen, jus en ingemaakte zuren krijgt, en zoo met alle volgende zaken. Hij die de gasten bedient moet bij iederen persoon den naam noemen van het geregt dat hij aanbiedt, of den wijn dien hij schenkt, en met het presenteren niet altijd bij denzelfden gast beginnen, maar nu bij de eene dame, dan bij de andere. Bij eene zeer lange tafel moeten twee bedienden te gelijk hetzelfde geregt presenteren, en aan twee tegenovergestelde zijden van de tafel beginnen; de een moet dan regts en de andere links van den gast, bij wien hij begonnen is, vervolgen.--Tusschen het eten en het dessert gebeurt het meestal, dat het gezelschap even opstaat, en dan maken de bedienden van die gelegenheid gebruik om de tafel op nieuw in orde te brengen: de broodkruimels worden weggeschuijerd, de servetten weggenomen en de dessertborden, die kleiner dan de andere moeten wezen, voor de plaatsen der gasten neergezet; daarop wordt in plaats van het servet een zoogenaamd vingerdoekje gelegd, waar men een klein mes, met daarbij passenden lepel en vork, kruisgewijs bovenop legt; soms voegt men er ook een zeer klein broodje bij. Eenige zeer oude wijnen, die aan de flesch zijn aangezet, worden niet rondgeschonken, maar men legt er eenige op wijnsleedjes, die opgeligt worden, zoodat men den wijn kan schenken zonder de flesch te schudden. Deze plaatst men op verschillende punten van de tafel en de gasten bedienen zich zelven.
4. Déjeuner à la fourchette. De tafel wordt gedekt als voor een diner, en de geregten kunnen ook dezelfde zijn, maar op het midden van de tafel zet men soms een bowl, die des winters met warme dranken, en des zomers met kruidenwijn gevuld is; ook kan men met den wijn limonade en vruchtensappen, met water aangelengd, ronddienen.
5. Collation. De tafel gedekt als voor een diner, maar het gebraad, dat warm kan zijn, alsmede aardappelen en groenten, komen niet op tafel, doch worden van het buffet gediend.
6. Souper. Men kan daarop alles geven, wat op een diner voorkomt, maar geen soep; ook behoeven de schotels niet zoo talrijk te zijn.
7. Gewoon déjeuner. Men dekt de tafel met dessertborden, messen en vorken, zonder servetten, en plaatst er peper, zout en mosterd op. In het midden zet men eene taart die in stukken is gesneden, zonder dat het zigtbaar is; rondom schikt men boter en allerlei dat bij het brood past, b. v. rookvleesch, ossentong, gerookten zalm, hoofdkaas, gemarineerden haring, harde eijeren aan schijfjes gesneden, met gehakte pieterselie bestrooid, foie gras, verschen haring, kaas en soortgelijke zaken, zooveel men verkiest; ook vruchten. De vleesch soorten zijn gesneden, en op ieder schaaltje moet eene vork liggen. Het brood wordt aan de einden van de tafel gezet, en men plaatst er ook eenige kleine gebakjes op, zoo als soezen, spritsen, baisers, Berliner bollen, zandkoekjes of dergelijken. Men presenteert wijn, maar ook koffij en chocolade, die op eene andere tafel geschonken wordt.
8. Thé's. De thee wordt in eene andere kamer geschonken, en op groote bladen gepresenteerd met suiker, melk, rooden wijn en rhum er bij; de kopjes worden telkens omgespoeld, en tot driemalen toe gevuld binnengebragt. In de pauzen tusschen het spelen of het muziekmaken, laat men eerst kleine gebakjes presenteren; daarna eene taart; men geeft hierbij wijn, bisschop of kardinaal, ook wel ijs. Wat later presenteert men de eene of andere vlade, waarvan porties op schoteltjes zijn geschept, met een theelepeltje er bij gelegd. Daarna kan men nog eene tweede, van de eerste verschillende, taart laten rondgaan, en ten slotte, geeft men kleine broodjes met rookvleesch, kaas, of wat men verkiest in eenige soorten er op gelegd, met eene tweede soort van klein gebak, b. v. Berliner bollen of iets dergelijks.--Op een thé dansant geeft men hetzelfde, maar presenteert als dranken: wijn, limonade, orgeade en vruchtensappen, terwijl men er ook china'sappelen en appelsalade bijvoegt, en het laatst een kop bouillon.
REGISTER.
Inleiding.
Eenige berekeningen voor groote en kleinere gezelschappen. Over het gebruik van vet in de keuken. Het bewaren van allerlei voorraad voor keuken en kelder.
A. Algemeene voorbereidingsmaatregelen.
1. Iets over het vaatwerk. 2. Om aarden pannen sterk te maken. 3. Om nieuwe ijzeren potten uit te koken en roestige schoon te maken. 4. Kenteekenen van oud gevogelte. 5. Wanneer vogels het best zijn. 6. Het opmaken van de vogels. 7. Het larderen. 8. Bouillon voor witte ragout. 9. Bouillon voor bruine ragout. 10. Om morieljes te prepareren. 11. Truffels. 12. Champignons. 13. Zwezerik. 14. Kastanjes. 15. Ansjovis. 16. Bruine boter. 17. Om boter voor gebak te klaren. 18. Peterselieboter. 19. Om olie te zuiveren. 20. Engelsche soya. 21. Kruidenazijn. 22. Dragonazijn. 23. Poeder voor ragout. 24. Om mosterd te maken. 25. Om suiker te zuiveren. 26. Beslag met gist voor botergebak. 27. Beslag van eijeren. 28. Beslag van wijn. 29. Eiwit kloppen. 30. Amandelen raspen. 31. Meel branden. 32. Boter wasschen. 33. Gist wasschen. 34. Gebakken brood voor soep of spinazie. 35. Het binden met eijeren. 36. Om braise te maken. 37. Om ganzenvet lang goed te houden. 38. Om ossenvet te prepareren. 39. Haring. 40. Over het gebruik van aardappelmeel. 41. Rijstmeel. 42. Vanille. 43. Citroenen. 44. China'sappelschillen. 45. Waspapier.
B. Soepen.
1. Algemeene regelen. 2. Blanke rundersoep. 3. Om rundersoep spoedig te koken. 4. Bruine rundersoep. 5. Fransche soep. 6. Jussoep. 7. Kalfssoep. 8. Soep van kalfskop. 9. Soep van zwezerik. 10. Kippensoep. 11. Duivensoep. 12. Aal- of palingsoep. 13. Echte schildpadsoep. 14. Nagemaakte schildpadsoep. 15. Hazensoep. 16. Engelsche konijnensoep. 17. Patrijzensoep. 18. Lijstersoep. 19. Aardappelsoep. 20. Groentesoep. 21. Groene erwtensoep. 22. Witte boonensoep. 23. Zuringsoep. 24. Kervelsoep. 25. Kruidensoep. 26. Koolsoep. 27. Kerrysoep. 28. Graauwe erwtensoep. 29. Witte wijnsoep. 30. Schuimsoep van witten wijn. 31. Sagosoep met rooden wijn. 32. Soep van paarlgarst met witten wijn. 33. Griesmeelsoep. 34. Schuimende biersoep. 35. Gewone biersoep. 36. Melksoep.
C. Groenten en geregten van aardappelen.
1. Algemeene regelen. 2. Schorseneren. 3. Brusselsche spruit- of roosjeskool. 4. Boerenkool. 5. Koppen van spruit- of boerenkool. 6. Spinazie. 7. Postelein. 8. Rapenloof. 9. Melde. 10. Zuring. 11. Aspergies. 12. Sleepaspergies. 13. Aspergies met wortelen. 14. Hop. 15. Raapstelen. 16. Meirapen. 17. Julienne. 18. Doperwten. 19. Jonge wortelen. 20. Suikerpeulen. 21. Tuin- of groote boonen. 22. Koolrapen. 23. Gevulde rapen. 24. Bloemkool. 25. Artisjokken. 26. Maïs, als groente. 27. Heerenboonen. 28. Snijboonen. 29. Harlekijn. 30. Savoije kool. 31. Roode kool. 32. Kappertjes kool. 33. Witte kool. 34. Jagerkool. 35. Gevulde kool. 36. Gestoofde seldery. 37. Gevulde seldery. 38. Gestoofde uijen. 39. Gefarceerde uijen. 40. Prei. 41. Prei met saus. 42. Prei met zuring. 43. Prei met brood. 44. Andijvie. 45. Kropsalade. 46. Komkommers. 47. Champignons. 48. Gebraden champignons. 49. Winterwortelen. 50. Winterwortelen met appelen. 51. Hutspot. 52. Bieten. 53. Bieten met uijen. 54. Uijen met aardappelen. 55. Ingemaakte groote boonen. 56. Gele herfstrapen. 57. Lange fransche rapen. 58. Zoesterknollen. 59. Capucijner erwten. 60. Molsla. 61. Suikerijlof. 62. Rhabarber. 63. Zuurkool. 64. Ingemaakte andijvie. 65. Ingemaakte snijboonen. 66. Ingemaakte heerenboonen. 67. Ingemaakte raapstelen. 68. Gedroogde heerenboonen. 69. Gedroogde snijboonen. 70. Gedroogde groene of graauwe erwten. 71. Witte en bruine boonen. 72. Aardappelen. 73. Gebakken aardappelen met worst. 74. Aardappelen met appelen en varkenskarbonaden. 75. Aardappeltaart met ham. 76. Gestoofde aardappelen. 77. Gebakken aardappelen. 78. Geroerde aardappelen. 79. Aardappelen met appelen. 80. Aardappelballetjes. 81. Aardappelbollen. 82. Aardappelen in de schil.
D. Vleeschgeregten.