Chapter 7
Gij zijt de vriend van God, gekozen tusschen honderd- en duizenden, om Hem een boodschap hooge en groot te dragen, verre weg naar 't erflijk afgezonderd, naar 't weggeworpen kind, in 't zwarte land der dood.
Gij zijt de vriend van God; Hij sprak, en gij, gij hoordet, gij greept het vendel aan, als minnebode, en gingt tot waar gij 't zwart geweld, met levend licht doorboordet, eilaas, dat op uw graf, uw heerlijk graf nu blinkt!
Vaart wel, o vriend van God; o onze vriend: genegen waart gij ons Vlaamsche Volk, maar God was u veel meer, veel meerder als uw land, uw tale en al: Gods zegen zij ons door u, Ameet, verworven, voor den Heer!
CXXVII
R.C.V.
1889
't Heeft mij de dood gekost, als, na de wet des Heeren, ik neerstig werken ging en reizend wederkeeren.
't Heeft mij de dood gekost; o vrouwe, vrienden, magen, en al die 'k geren zag: 't en helpt geen bitter klagen.
't Heeft mij de dood gekost: na korte of lange stonden zal 't kosten u de dood, die leeft! -- Leeft vrij van zonden!
't Heeft mij de dood gekost! o Jesu, door uw sterven en door uw dierbaar Bloed, helpt mij den hemel erven!
CXXVIII
E.M.M.
1889
Wij waren 's eens, van herte en zin, in lief en leed verbonden; de dood, eilaas, de dwinglandin, en ziet geen lief-, geen leedzijn in: de dood heeft ons geschonden!
De dood alleen, niet els en kon dat God vereende krenken; maar Hij die, als de morgenzon, de macht der wreede dood verwon, Hij zal ons 't leven schenken.
Het leven, dat geen ziekte en kan, geen droefheid meer bederven: o Vrouwe daar verwacht mij dan, mijn kind, ons kind, en mij, uw man, om nimmermeer te sterven!
CXXIX
B.S.
1888
o Blankske bij uw stervensbed zoo menig versche blom gezet, verwelkt, gedord en weggedaan, komt nu in ons geheugen staan!
Geplukten uit het blomgebied, ze stierven, maar ze 'n leden niet; en, onbeklaagd hun teer gewas haast weg en haast vergeten was.
Maar gij, o blank en bleek gewaad eens maagdenblomkens, gij en gaat niet smerteloos, niet onbeschreid, vergeten niet, naar de eeuwigheid!
Wij zagen 't, hoe gij bitter kreescht, in ons meer als in u bevreesd; en lijende, omdat gij, kranke maagd, die u beminden lijden zaagt!
Vaartwel... en blijft in ons gemoed, o Blankske, teeder blomke zoet, gebloeid staan, en, bij God den Heer, o kindtje lief... en sterft niet meer!
CXXX
S.A.L.
1889
Zij was van jongs aan God, als Moeder en als Vrouw, spijts alles, zediglijk en stediglijk getrouw; de tijd en mochte nooit, noch met den tijd het keeren en 't wenden des gebruiks, haar andere zeden leeren; zij stond tot tenden toe, heur kinderen voorgegaan, en bleef navolgensweerd, schier onnavolgbaar staan! God kent die vastigheid in 't goed, en zal ze loonen met iets dat langer duurt als 's werelds ijdle kroonen: met onveranderlijk en stervensvrij genot in Hem, die zelve en loon en loonder is, in God! Daar, moeder, mochte ik, U indachtig al mijn leven, mij dankbaar, U en God voor altijd wedergeven, dien gij bemindet en bewaardet, en voortaan dien gij alleen liet op den weg des levens gaan!
CXXXI
V.S.
1889
Het werken was heur lot, heur blijdschap en heur leven; het werk is zij getrouw tot aan den dood gebleven; en, als zij lijdend lag en stervend neergeveld, dan heeft zij nog in 't werk heur hoop en troost gesteld. Om God heeft zij gewrocht, met God heeft zij geleden, op God heeft zij gehoopt, tot God heeft zij gebeden; en vast gesteund op Hem, die loonder is van 't goed, en heeft zij niet gevreesd dat leeggang vreezen doet. Welaan, de rust zij u, Victoria, gegeven: ge'n hebt z'hier nooit gekend, geniet ze in 't ander leven!
CXXXII
J.F.M.
1889
Hij wist wat werken was en waakzaam gadeslagen al 't gene, hem vertrouwd, bij nachten en bij dagen bekommerde zijn hert, vol eed'le vromigheid.
Hij wist wat lijden was, en heeft, herhaalde malen, wanneer de dood hem kwam zijn liefste panden halen, als christen mensch tot God "uw wil geschie" gezeid.
Hij steunde, vast en vrij, op God al zijn betrouwen, 't zij vroeg, 't zij laat bereid om ook de dood te aanschouwen, en 't kruis te aanveerden dat hem ook was opgeleid.
Dat kruis, met kloeken moed zoo langen tijd gedregen, het zij een kroone nu voor hem, voor ons een zegen, 't zij een vermaan ter deugd en ter standvastigheid!
CXXXIII
P.J.D.B.
1889
De dood is doof en blend, 't en helpt geen schoone spreken! Zoo zegt men, maar de Dood is Gods bevel getrouw: Hij wist wanneer, waarom en hoe de band zou breken, dien Hij gebonden had, o zwaar beproefde Vrouw!
Hij weet al 't geen Hij wilt, of doet of laat geschieden, te schikken dat er goed en weldaad uit verschijn': geeft Hem uw herte dan en doet niet zoo de lieden die, klagend van de Dood, God zelv' betichtend zijn!
Hij die de Vader is van al dat leeft, hoe zal Hij verlaten die Hem dient met eerbied, en betrouwt? Schept moed, o Moeder, God is Vader meest van al, Hij; en beter is 't op Hem als op een' rots gebouwd!
CXXXIV
H.B.
1889
Het voer voorbij als lichaamloos: een schaduwe, een geschemel; een Engel van verduldigheid, een zielke voor den Hemel.
Het wist dat 't hier geen stede en was voor hem om lange jaren te leven, maar een tranendal, om spoedig door te varen.
En als het, 't elevatieklokske in d'hand, den Priester diende, zoo zuchtte 't: "Ons toekome uw rijk!" godvruchtig opwaarts ziende.
En 't rijk des Heeren kwam in hem zijn hert vol deugden bouwen, en 't, vroeg geheiligd, laten vroeg Gods Heiligheid aanschouwen!
CXXXV
A.G.
1889
De lucht weergalme nu en klage 't aan de steenen dat wij ten grave gaan en onzen vriend beweenen, die, als een vader, als een broeder, ons zoo lang geleidde en leeren deed de kunst van spel en zang!
De lucht weergalme nu en klage 't aan de stede wat hij voor 't weezenhuis en voor de weezen dede, spijts ziekte en ongemak, spijts alle ondankbaarheid, voor 't ouderlooze kind tot elken dienst bereid!
De lucht weergalme nu... Eilaas, nog korte stonden waar zult gij, vriend Goddaert, waar zult gij zijn geblonden? In 't duister graf? o Neen, ver boven 't duister graf: gij zijt, waar God alreede u rust en vrede gaf.
CXXXVI
A.J.M.D.
1889
Hij stierde vrij en blij, zijn vaartuig op de baren; nam water, wind en streek, nam 's hemels licht te baat, en zou, voorspoediglijk door 's werelds nood gevaren, bereiken 't lustig land waar gij te bloeien staat, o Wetenschap, o Kunst! Maar neen, de winden sprongen geweldig op hem neer, en slingerden 't gebouw dat al zijn' hope droeg tot dat het, moegedwongen, begaf en nederzakte in 's afgronds diepste grauw! Is niets gebleven, is hij hopeloos verloren? Kan niets u troosten, die, zijn schipbreuk ziende, staat en weent nu op de kust? Of zal hij, eens herboren, genieten eeuwiglijk des levens dageraad? Gewis, de Schepper zal zijn schepsel zijn indachtig; de Heiland zal zijn Bloed indachtig zijn, en dan zal die vernederd was, verwekt door God almachtig, eens leven waar geen dood hem ooit meer naken kan.
CXXXVII
TH. TH.
1889
Ik heb den Heer gediend, ootmoedig weggeborgen, o kloosterzusters, door uw moederlijk bezorgen; in 't huis des Heeren, in Maria's waakzaamheid, ben ik, met raad en daad, tot sterven voorbereid!
Vaartwel dan, goed en trouw gebleven brave zielen, die mij als eigen kind, om Gods wille onderhielen: die alles loont, hij zal 't u loonen, onverbeid, 't zij nu, 't zij naderhand, -- vaartwel! -- in de eeuwigheid!
CXXXVIII
Eerw. H. EMILE DE MONIE
vereerd met het kruis _Pro Ecclesia et Pontifice_.
1890
Wij bouwden op uw leven een getemmer van eere en deugd, voor God en 't vaderland; maar schielijk grijpt de felle menschentemmer en keert u, onzen grondsteen, overkant!
Wat nu gedaan? Geklaagd, geweend, gedropen in diepe droefheid, zonder ende of maat; de ellendigen gelijk, die niet en hopen dat ooit een weerzien hun te wachten staat?
Neen! Hooger zult gij nu en beter wezen een leidend licht ons en een bake in zee, totdat wij allen zijn voor goed genezen van Adams schuld en onvermijdbaar wee.
Tot daar zij 't: Hoog den moed en 't hert gedragen! Geen veege droefheid! Immer moed voortaan, en, spijts de dood, spijts al heur nederlagen, op God betrouwd en neerstig voortgedaan!
CXXXIX
J.B.V.L.
1890
Mijn huis- en echtgenoot, getrouw tot in de dood, ben ik bijgebleven; gij hebt door lief en leed, in arebeid en zweet, mij hulpe en troost gegeven.
Nu zijn wij ver vaneen van herte en ziele, neen, van lijve eilaas gescheiden; en ik, den korten tijd dat gij mij voorenzijt, moet mijnen dag bereiden.
Och keer' de dag weerom, als ik u, bruidegom, in God teruggevonden, zal mogen immermeer beminnen, bij den Heer, en zijnen lof verkonden!
CXL
G.A.A.
1890
Uw hand heeft mij geschapen, getrokken uit den niet, en nu ben ik ontslapen, na 's werelds lang verdriet: gedenkt, o goede Vader, uw schepsel nu; ik kom u biddend nader: 'k geloove in u!
Door 's vijands macht gebonden, met Adams schuld belaan, hebt gij uw schaap gevonden en weer naar huis gedaan: gedenkt, o Heilig Herte, mijn zielke nu; door alle uwe pijne en smerte: ik hope op U!
Gij zijt mij komen laven, op mijnen laatsten tijd, met al uw' beste gaven, gij die bermhertig zijt: gedenkt niet... ik beweene mijn zonden nu, en, stervend, Heer, alleene beminne ik U!
CXLI
A.M.
1890
Amandine, uw deugdzaam leven heeft ons langen tijd gesticht: moge God u vrede geven, nu dat ge overleden ligt!
Och, of wij ook, al te zamen, 't geen gij neerstig hebt gedaan nadoende, op uw' stappen, kwamen waar gij ons zijt voorgegaan!
Die de menschen weet te paaien, wereld, ons en zult gij niet in uw' valsche netten draaien en in 't eeuwig helsch verdriet!
Amandine, rust in vrede, tot een zalig wederzien; rust, en al de zielkes mede! Amen! Moge 't zoo geschien!
CXLII
P.H.M.L.
1890
De dood en heeft niet onverwacht u, man en vrouw, gescheiden: God hielp, eer 't vallen van den nacht, hare arme ziel bereiden.
De tijd is snel, het leven kort: bereidt toch alle dagen uw werk, eer ge ook geroepen wordt om 't schielijk in te dragen.
Verleent het licht des Hemels haar, o Heere, en wilt ons geven 't geluk van haar te ontmoeten daar zij rust, in 't eeuwig leven!
CXLIII
R.S.L.
1890
De dood heeft mij bereid en heel doorpijnd gevonden: 't is beter hier als in het vagevier geboet!
Hebt dank, o Heere, en, door uw' vijf bebloede wonden, verleent, bermhertig, mij het onverganklijk goed!
Verleent aan die ik laat in droefheid en in tranen, mijn Kind'ren, mijnen Man, te leven naar uw' wet.
En, als 't te sterven komt, wilt hun de wegen banen ten Hemel en tot mij... Dit is mijn sterfgebed.
CXLIV
E.P.E.W.
1890
Ge'n weet niet, gij die leeft, noch gij en kunt niet weten, aleer gij sterven zult, hoe waarlijk ongemeten de goedheid is van God en zijne bermhertigheid.
Geen einde en is eraan, noch geen bekende palen: die schuld kent helpt Hij zelf zijn schulden doodbetalen, en houdt den schuldenaar den hemel toebereid.
o Bidt voor mij, gij al, die, langs des werelds paden, hebt moeite, en nauwlijks weet uw rechten weg te raden; maar, met betrouwen bidt tot Hem die 't al vergeeft.
Hem, wiens bermhertigheid, zoo menigmaal gebleken, eilaas vergeten wordt of dikwijls weggesteken, terwijl men jong is nog en zonder zorge leeft!
CXLV
E.J.L.H.V.D.M.
1890
Hoe zijt gij ons ontvlucht, gij kleene troostverschaffer; de blijdschap van ons huis, het licht van onze baan? Hoe zijt gij ons geroofd; wie, onbermhertig, gaf er uw ijdel wiegsken ons te vinden ledig staan?
o God, gij zijt te goed opdat men 't U zou wijten; o Vader, duizendmaal gezegend zij uw naam; maar, zendt ons sterkte toe, en, om de plicht te kwijten der christ'ne droefheid, maakt ons lijdend hert bekwaam!
CXLVI
F.V.
1890
De dood is onmeedoogend, en God alleene laat den mensch, het Kruis hem toogend, nog hope en goeden raad.
Dat stierf dat zal herleven, zoo zegt hij, en daar is, voor al dat wierd misdreven, bij mij vergiffenis.
Ik steek de hand, als Vader, u, kranke kinderen, toe; aanveerdt ze, en komt mij nader, die de eerste stappen doe!
Gelukkig zijn zij allen, die, hemelwaards genood, in 's Vaders handen vallen, en leven, spijts de dood!
CXLVII
Hoogeerw. Heer D.P.A. DE HAERNE
Blijve in 't Vlaamsch uw' naam niet ongemeld, die, uw' taal niet looch'nend, ed'le held, God en Kerke en Burger trouw gediend, groot en kleen bleeft vaste en goede vriend! Die, ja, stomme en doove spreken liet, zwijg' dit steen uw weldoen immer niet, maer, De Haerne, ontluike't, te uwer eer: geldloos stierf hij, schatrijk bij den Heer!
CXLVIII
S.A.
1891
Vermaak en wist zij grooter geen, als kinders Godwaarts op te lee'n; en, elk tot raad en daad bereid, te helpen met ootmoedigheid.
De ware liefde Gods geleerd, die 't altijd al in 't beste keert, en kende zij noch nijd noch haat; en goed, ja, raapte ze uit het kwaad.
Zoo minde en leefde en leed zij wel, gesteund op haren Kruisgezel; tot dat zij, 't lijden uitgeleefd, den laatsten strijd gestreden heeft.
Aan wien was heel heur hert bekend? Aan u die weent heur lijk omtrent; aan U, o God, die 't groot geduld van al heur liefde kroonen zult!
CXLIX
Z.H.B.
1891
Onschuldig kind, na korte dagen hebt gij den Heer reeds opgedragen uw' schoone ziel; maar bitter maalt, door 't leed gedreven, uw Moeders en uw Vaders leven het smertenwiel!
Het zij zoo 't moet: 't en helpt geen klagen; op dezen moge, en alle dagen, Gods wil geschien! Ach bidt voor ons, en blijft daarboven den God van al dat goed is loven... Tot wederzien!
CL
Eerweerde Zuster MARIE-STANISLAS
Moeder-Overste van Sint-Jansput te Kortrijk
1891
Zoo zedig, zoo zorgvuldig en zoo zelfvergetend wezen en hadde ik nooit te huldigen, en kende ik nooit voordezen.
Bekommerd in al 't minste dat den evenmensch kon baten, zoo had zij 't leven opgevat, in al heur doen en laten.
Heure overheid was neder zijn, en dienen te allen stonden den Gene, die nu weder zijn goe dienstmaagd heeft gevonden.
CLI
L.D.K.
1891
Vergeet hem niet, dien braven man, dien man van de oude Gulde, die dertig jaar de vesten van de stee met eerde vulde.
Vergeet hem niet, die 's Konings kruis aanveerden mocht met eeren; en, moegewerkt, trok weer naar huis, vol hope in 't Kruis des Heeren.
Vergeet niet, al die werkers zijt, 't goed voorbeeld na te leven; dat hij, bij goed- en kwaden tijd, ulieden kwam te geven.
Vergeet hem niet, voor wien hij, dag en nacht, zijn werk besteedde; en zorgt zoo hij te zorgen plag, gij vrouwe, en kinderen mede.
Vergeet, o Volk van Kortrijk, niet, maar spreekt voor hem ten besten bij God, als gij zijn werk beziet, en wandelt langs de vesten.
CLII
M.D.V.H.
1891
Eilaas, mijn licht is uitgedoofd, nu dat mijn uitverkoren, mijn eerste kind is weggeroofd, en uit mijne oog verloren.
Mijn' huwlijkshope is heel vergaan, Gods banden zijn ontloken; en, felle dood, uw bitter slaan heeft gansch mijn hert gebroken.
Gij liet eene enk'le blomme mij, een teeder blomke blijven; och spaart het, Heere, of komme mij de dood met hem ontlijven!
Neen... vaster vele als alle smert wille ik mijn' hope bouwen; en, Jesu, op uw lijdend Hert mijn kind en mij betrouwen!
CLIII
M.L.
1891
Geboren voor des werelds oogen vol vreedzaamheid, vol mededoogen, onschuldig als een kind, zoo koos zij 't rechte pad en 't beste altoos.
Maria als een Moeder minnend, heur Mans geluk en troost bezinnend, zoo was zij lief en leed bereid te dragen met zachtmoedigheid.
Een voorbeeld, onverwist, elk zijnde, terwijl zij naar den Hemel pijnde, zoo is 't dat zij, bij God bekend, heeft 's levens korten loop volend.
Gelukkige! Uit de hooge zalen en wou zij niet meer nederdalen, maar wenkt van daar, en spoort ons aan om waar zij ging heur na te gaan.
CLIV
B.L.H.
1891
Zoo 't eens was uit Gods hand gekomen, zoo heeft Hij 't weer tot Hem genomen en losgedaan uit 's lichaams leed en lastigheden, die 't onverbidlijk lijden deden en pijne uitstaan.
't En kon niet meer... 't Was moegelegen, zijn stemme sprak zijn herte tegen, en 't doolde rond, onwetend waar, tot dat, zijn wezen, zijn handen bei tot God gerezen, het ruste vond.
Ach, ruste en vrede u zij geschonken: den bitt'ren kelk hebt ge uitgedronken en God bemind; ons Heere weet zijn vrienden weunen, gij meugt op zijn beloften steunen, onschuldig kind!
CLV
L.L.
1891
Al liefde, en anders niet, hebt ge in uw lijkvat mede, o Engelken, dat ons zoo hoog verheugen dede; maar dat, onvaste alhier, verblijvende, eenen stond, een' hooger', ver van ons, een' hooger' woonstee vond! Vaartwel, ons beider beeld, en, bij den Heer verscholen, blijft eene leidsterre ons, die nog op de aarde dolen!
CLVI
Eerw. Pastor P. BUSSCHAERT
1891
Zijn herte zong, van binnen hem, een lied dat de Engelen hoorden; dat somtijds uit zijne oogen sprak, en tintelde in zijn' woorden; maar dat eilaas, dit tranendal onweerd, bij hooger zangen behoorde als bij al 't weegedreun der duistere levensgangen.
De vriend is weg, te lijve, ja; maar ongenaakbaar, boven dit lijdensperk, den wolkendoek voor altijd weggeschoven van 't eeuwig schoone, aanbidt hij nu, en zingt, in 't driemaal heilig, zijn erflijk deel, voor al dat hij hier uitstond, ginder veilig.
CLVII
L.P.
1891
Zij was den Heere, in 't dagelijksch werk en in zijn huis, verbonden; daar heeft ze God beproefd en, als het goud, hem weerd gevonden. o Kinders, volgt uw' moeder na, zoo zij was, tracht te wezen godvruchtig, neerstig, eerbaar, kloek in 't hopen; en, na dezen, zoo zult gij haar aanschouwen in Gods huis, niet meer in 't lijden, maar eeuwiglijk, met al die haar beminden, in 't verblijden.
CLVIII
B.S.
1891
Te midwege op de levensbaan zoo vroeg reeds mogen binnengaan in 't eeuwig, 't ander leven; wie 'n zou niet, om zoo schoon een kans, een honderdjarig leven gansch en geheel ten besten geven!
CLIX
N.
1891
Een jong man kan, een oud man zal, als alles moet begeven, dat rechte staat, dat vaste staat, dat leeft of schijnt te leven.
CLX
V.H.
1892
Vaartwel, Vincent! In 't ander leven zal God u loon naar werken geven, terwijl wij hier nog lange jaren 't geheugen van uw' deugd bewaren. Zoo gij waart zijnder weinig, heden; zoo vol van eere en dienstbaarheden; getrouwe uw' meesters, en uw leven bereid voor hen in pand te geven! Zoo diendet gij, en, vriend van allen, zoo zijt gij ons en elk ontvallen! Vaarwel, nog eens! En, moge 't wezen dat wij u zien verblijd nadezen, waar God eens zal aan groot- en kleenen hem zelve als hoogsten loon verleenen.
CLXI
C. PH. S.
1892
Ach, vier onnoozele schaapkens, 'k laat u moederloos in 't leven; wie zalder nu, zoo moeder deed, u hulpe en bijstand geven?
g'Hebt vader nog, die mij bemint, die u bemint te gader; weest Gij, o God, weest hem en hun een toevlucht en een vader!
o Kinderkens, o vader lief, vaartwel nu; eens na dezen zal 't eeuwig, eeuwig blijdschap zijn, zal 't altijd samen wezen!
CLXII
O.V.M.
1892
Geliefden, die ik achterlate in eere en deugd getogen, zoo veel 't een' Moeder machtig was met God en al heur pogen;
gedenkt hoe ik geleden heb; hoe, dag en nacht gedwongen en eindelinge eens ben losgerocht en 's werelds leed ontsprongen!
't Verheugt mij nu, veel meer als ooit het leed mij kon doen lijden, 't oneindig onverstaanbaar zijn van 's hemels hoog verblijden.
Vaartwel dan. 't Gene ik trachtte in u te stichten, blijve 't wezen en wassen, tot zijn' volheid, in elk een van u, nadezen!
En, leedt gij, waar' 't zoo vele als ik, blijft, vaste en onbewogen, uw' Vader en uw' Moeder weerd, naar 't eeuwig welzijn pogen!
AANTEEKENINGEN.
De bovenstaande _zielgedichtjes_, op twee of drie naar, wierden gedrukt op doodbeeldekens, en uitgedeeld in de kerke, ter nagedachtenisse van gekende overledenen.
Het gebruik van lijkbeeldekens, -- doodsantjes (dood-_Sanctjes_), doodsentjes, doodsintjes, rouwzantjes, rouwzentjes, rouwzintjes, zarkskes, zerkskes, bidprentjes, gedachtenissen, suffragetjes, briefkens, texten heet men ze ook, -- wierd ingevoerd onder het "heilig ende zalig gedacht" dat de _diptycha_, de _obituaria_, de doodboeken, de grafzerken, en andere gedenkteekens van overledenen, ten gronde ligt.
Gelijk de _diptycha_ vindt men de doodprentjes bij streken op den autaar liggen, bijvoorbeeld tot Neuss, in Westfalenland; tot Iper, tot Gent en elders heet men ze, als of 't afgedrukte zerksteenen waren, _zerkskes_, _zarkskes_.
Gelijk de boeken, de boekversierselen en de heiligenbeeldekens, zoo wierden eertijds de doodsantjes met der hand _gescreven_, zoo men zei, dat is _geschilderd_. De achtbare Vrouwe E. Van Steenkiste-Van der Meersch, tot Brugge, bezit, onder menige andere, een doodprentje dat op pergament geschilderd wierd, ter nagedachtenisse van zaliger Mijn Hoogweerdigsten Heer _Humbert-Wilhelm a Precipiano_, Aartsbisschop van Mechelen, overleden op den 10 Junij 1711.
De naaste doodprentjes, van ouderdoms wegen, zijn van geetste, gestekene of gesnedene platen gedrukt; de twee oudste die men kent zijn, 't eene, van den 9 Mei 1755, 't andere van den 5 Januarij 1759. Z. _Rond den Heerd_, 1876, bl. 68 en 72.
De gedrukte doodprentjes van meer als honderd jaar oud zijn meest al Hollandsche en, onder andere, van den volgenden inhoud:
1. "Bid voor de ziel van zaliger de Heer _Louis Michel_, overleden den 16den December, 1758, in Amsterdam."
2. "Bid voor de ziel van zaliger den Heer _Willem van Brienen_. Overleden den 26sten Januarij MDCCLXX, in Amsterdam. _Requiescat in pace_."
3. "Bidt voor de ziel van zaliger _Barent Woortman_, overleden den 26 May 1775, in Amsterdam. Heere, geeft hem de eeuwige Rust. Amen."
4. "Bidt voor de ziel van zaliger _Jacques Joseph de Pret_. Overleden den 28 July 1784, in Antwerpen."
5. "Bidt voor de ziel van zaliger vrouwe Cornelia Carolina Josepha _De Bosschaert_, geboore De Pret, overlede den 20 February 1789, in Antwerpen. R.I.P."
6. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Joanna Josepha Vermoelen_, geboore De Pret. Overlede den 22 Mey 1789, in Antwerpen. R.I.P."
7. "Bid voor de ziele van zaliger den Heere _Arnoldus Franciscus Josephus Bruno De Pret_. Overleden den 1 Augusti 1797, R.I.P."
8. "Bid voor de ziel van vrouwe _Maria Theresia Josepha Moretus_, geboren Borrekens. Overleden 5 Mey 1797. R.I.P."
9. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Maria Agnes Michel_, Douariere van zaliger den Heer Jean Philip Gilles. Overleden 31 January 1800, in Amsterdam. R.I.P."