Kerkhofblommen

Chapter 6

Chapter 63,948 wordsPublic domain

M.L.D.S.

1884

'n Betrouwt de jongde niet van uw gezonde dagen, die mij nu ziet gekist en dood naar 't kerkhof dragen; 'n betrouwt ze niet, die, licht dit leven ingegaan, de dood, de zek're dood uit hun gedachten slaan, en leven of zij ook niet eenmaal sterven zouden! De schuld behoort elk eerst in zijn gedacht te houden die onbetaalbaar is, die niemand delgen kan dan met zijn eigne dood, en al 't gevolg daarvan!

'k Geloofde, ik hoopte in Hem, en ik beminde Dezen, die nu alleen mij troost kan, hulpe en bijstand wezen; Hem die gezeid heeft, en, verrijzend met der daad bewezen, dat de dood in zijn geboden staat. o Helpt mij allen Hem nu zijn genade ontwerven; en leert, die leeft, ook eens, zoo ik deed, wel te sterven: de kunste is 't leeren weerd van 't gene elk eenmaal doet, en, wel- of misgedaan, 't gene eeuwig blijven moet!

XC

A.A.T.

1884

Braaf kind van twee brave ouders, God nam van uwe schouders den last des lijdens af; de korte baan des levens schaars in, en gij daarnevens gevallen ligt in 't graf!

Wie zalder om u klagen, die in zoo korte dagen gewonnen hebt de poort, terwijl wijlieden moeten nog buigen lange en boeten, en strijden immer voort?

De poort, ach, zijt gij heden des tempels ingetreden; daar bidt voor ons en beidt, tot dat wij winnen mogen, den tempel ingetogen, de kroon ons toebereid!

XCI

O.S.D.V.

1884

Zij gingen hand in hand, gevolgd van hunne kinderen, te kerk, te werk, voor God en mensch malkaar gelijk; en 't scheen dien blijden tronk geen storm en kon behinderen, geen ramp hem dere doen, als onvoorziens een lijk, een lijk ter aarde daalt, en man- en kindertranen den lof van Moeder doen weerspiegelen in hun wee, die, onvermoeibaar eens, den voorweg plag te banen, en 't schip te helpen door de booze wereldzee! Zij stierf! Zij laat ons na geen schat dien menschen rooven, geen goud, dat kostlijk is, maar veel meer weerden oest, maar veel meer weerden schat van goedewerkenschooven, dien God, in de eeuwigheid, beveiligt voor den roest.

XCII

A.C.B.

1884

De wereld wist van hem noch goed noch kwaad te melden; zijne ouders, die alleen zijn' jonge jaren telden, bewaarden zijne ziel, niet zonder vrees voorwaar, voor 't menigvuldig wee van 's werelds zielgevaar.

Zou hij, was hun gedacht, den schoonen hemel binnen, de plaats hem voorbereid eens na dit leven winnen? Zou hij, na onze dood, godsdienstig tot den end, de kroone hebben, aan geen ander toegekend?

Zou hij... Maar schielijk is de draad kort afgebroken, die hem aan 't leven bond; zijne oogen zijn geloken, eer ze ooit het valsch gelaat des werelds schouwden aan, en nauwlijks uitgezet is hij zoo ver gegaan

ter reis, dat hem geen macht des vijands achterhalen, geen list des werelds meer kan uit de baan doen dwalen, geen scha meer deren noch geen tijd begrenzen. Dan, God hebbe u, kind, al breekt ons ouderherte ervan!

XCIII

M.L.C.

1885

o Kind van Maria, ten Hemel gevlogen, genoeg hebt gij hier om uw kroone geleen, en andren genoeg heeft de wereld bedrogen: gij, gij hebt de wereld met voeten getreen!

o Kind van Maria, 't geluk van uwe ouders, ons voorbeeld, onze eere, in uw schuldlooze deugd, die nooit hebt gedoogd op uw maagdlijke schouders het jok dat zoo velen aanveerden met vreugd!

o Kind van Maria, gelukkig hierboven, vergeet niet, zoo bidden wij, dragende uw lijk, dat wij, hier vereend om Maria te loven, u volgen, van verre, naar 't hemelsche rijk.

Ach, helpt ons, bij Haar, die gij reeds mocht aanschouwen om, vrij van de wereldsche boosheid, de baan van 't ware geluk, zoo wij hopend betrouwen, lijk gij, onbesmet, tot den einde te gaan.

XCIV

DE MOEDER VAN PIETER BENOIT.

1885

Als 't eeuw'ge voor den mensch begint, wat is er lest en best bezind, o gij, die 's werelds eeren gemaaid hebt; gij, wiens naam, vermeld, heel 't menschdom liep rondom gesneld, zoo menig blijde keeren?

Ik stierf in vrede, hopende en betrouwende, of 'k uw herte ken, dat gij bestand waart tegen des werelds dwang en dwingelandije, des werelds gouden ketens, die zoo lastig neerwaarts wegen!

Staat op, en volgt uw Moeder na, van God begaafde zanger, ja onsterflijke, en laat hooren uw stemme eens, en vergeet dat niet aan haar die zong uw wiegelied in 's hemels blijde chooren!

XCV

A.A.

1885

Wie weet er Gods beschik, Gods oordeel, Gods gedachten, Gods Herte, oneindig goed, al zijn bermhertigheid te meten met de maat en 't peil der menschenkrachten, ten oordeele onbekwaam en krank van onderscheid?

Aan wien heeft God, aan wien die kwam naar hem te trachten, 't zij vroeg of late, aan wien ooit zijn genade ontzeid?

Zoo bidt voor allen dan, die, eens de dood gesmakend, verschenen zijn voor Hem die gaf zijn dierbaar Bloed ten besten, opdat elk, dit strijdperk uitgerakend, eens kome in vrede, en erve 't alderhoogste goed!

Ja, bidt, en blijft, ook gij die bidt, uwe ure wakend, want niemand weet wanneer of hoe hij sterven moet!

XCVI

C.E.D.D.

1885

Gelijk een kranke blom, die op den autaar staat, daar leeft een korten tijd en dan te nieten gaat, zoo blomde' en bloeidet gij, eilaas, en 't is voorbij!

Gelijk een wassen keers, van leden blank en broos, verrookend nederbrandt en lichtend leeft een poos, zoo stondt en lichtet gij, eilaas, en 't is voorbij!

Gelijk een wierookgraan, in 't blakend vier geschroeid, een zoeten reuk verspreidt, en dan ten hemel spoeit, zoo leedt en leefdet gij, eilaas, en 't is voorbij!

o Zuivre maagdenblom, o licht vol deugdzaamheid, o zoete wierookreuk, in 't brandend vier bereid, alzoo verdiendet gij dat ruste en vrede u zij!

XCVII

DEKEN L.-L. DE BO

27 Sept. 1826 * 25 Aug. 1885

Waarom het graf bedicht met vlaamsche of andere woorden, waarom niet liever stil gezwegen en geweend, als hij gestorven is en weg naar betere boorden, dien God, te onlange eilaas aan Vlanderen heeft verleend.

De sprake is ons geroofd, de tonge is ons bezweken, en zwijgen past nu best, als hem de taal begeeft, die, leerende ons weleens, die woorden leerde spreken, die hij zijn leven lang zoo wel verdedigd heeft.

Hij was alleen bekwaam te spreken en te leeren; te horken was ons recht, onze eere en onze plicht, naar hem, die zwijgend nu, de hand behoort des Heeren, en, veel te vroeg eilaas, voor onze voeten ligt.

Waar zouden wij, 't is waar, 't zij einden 't zij beginnen te loven aan het werk, dat zijne kunste ontviel? Veel beter zullen wij den kunstenaar beminnen, en leven in den glans van zijne groote ziel.

Hij leve dan, ofschoon de pijl hem kwam te kerven den levensdraad intween, die uwe hand ontvlood; hij leve, om in ons hert voortaan niet meer te sterven, van uwe schichten vrij, o overwonnen Dood!

XCVIII

L.L.

1885

De brave vrouw, de goede moeder beklage niemand, want zij is, vol deugden, naar den Deugdvergoeder verhuisd, uit 's werelds wildernis.

Beklaagt den man, beklaagt de kinderen, die, van heur hert, heur hand beroofd, het licht huns levens zagen minderen, en 't nu eilaas zien uitgedoofd.

Wie zal der weezen moeder wezen, wie zal ze toeven, wie castien; wie, onder duizende uitgelezen, wie als een moeder geren zien?

o Vader, gij, die _Onzen Vader_ godvruchtig _in den Hemel_ dient, staat vast en vreest niet: God is nader als de aldernaaste boezemvriend!

XCIX

M.E.D.

1885

o Zuivre ziel, gelost uit 's werelds oude ellende, wat liet gij ons bedroefd, niet in uw groot geluk; maar, omdat nauwlijks een ooit nog zulk eene kende als gij waart, daarom weent ons herte, en is 't in druk!

Gij waart een zoete troost voor ons, die weinig weten wat troost is, in dit dal van tranen! God weet hoe wij mochten 's zondags, soms een uur rond u gezeten, den hemel smaken op deze aarde, slavens moe!

Gij zijt ons afgepakt, met ure en al! Te zamen bezien wij nu malkaar, en vragen: Is dan ook de troost der armen met geen beter' naam te namen als ander tijdlijk goed: een schaduw en een rook?

Doch neen! Gij zijt daarheen daar schaduw is noch logen; de kroone omspant uw hoofd; ge zijt ons voorgegaan: wij volgen, volgen vast, en trachten, onbedrogen, de baan te houden die ge ons wijst: de hemelbaan.

U daar, in ons gedacht, nog biddende aan te spreken, te hooren en te zien, alsof gij bij ons waart, zal troost zijn, is 't dat iets het scherpe zweerd kan breken, dat in ons herte steekt, sinds uwe hemelvaart!

C

M.T.E.D.P.

1886

o Engelken, dat, weggevlogen, hebt ons, eilaas, en al bedrogen dat op uw' schoonheid hopen dierf: in ons verlies hebt gij gewonnen, maar wie zal ons nu troosten konnen? Ons jongste, ons liefste meisken... 't stierf!

Komt dan gij zelve, o hemeldiefken, komt weer bij ons, o zalig liefken, en, schoon geen menschenooge u ziet, laat op het kerkhof 't zielloos wezen, dat gij ontgaan zijt en ontrezen, en blijft bij ons, in ons verdriet!

CI

J.H.

1886

Zij was oprecht als edelsteen, zoo zuiver, dat het wonder scheen hoe 's levens lang vertoeven bekwaam was om, met pijne en dwang, den vrij gewenschten hemelgang nog langer te bedroeven!

Zij zou, zij moeste henengaan en ons eilaas, met rouw belaan, voor goed indachtig maken hoe groote schat van kostbaarheid ons is en blijft in 't graf geleid, en niet meer aan te raken!

Zij weg, 't is alles mee met haar, dat troost was en geluk, voorwaar, in 't leven. o Komt weder, als liefde, als hope, als hulpe, als raad; en daalt, zoo God u dalen laat, gezuster, nogmaals neder!

Komt, helpt ons en bewaart dien band onbreekbaar, dien uw zoete hand wist om ons hert te binden; opdat wij, maar van lijve alleen en voor nen korten tijd, geschee'n, ons namaals wedervinden!

CII

G. E. J. D. J.

1886

Zoo men soms bij zomernachten hooge omhooge een sterre ziet, die op snelle vederschachten schielijk door den Hemel schiet,

zoo zijt gij ons, die het leven ons verblijddet meest van al, schaars een stonde of twee gebleven Gustafke, in dit tranendal!

Zegt, waar zijt gij, die zoo lieflijk, alle leedzijn ons ontloecht; gij die biddend, hemeldieflijk hieldt uw handtjes zaamgevoegd als gij zeidet: "Nader, nader, kome uw rijk?... "En wij voortaan zuchten, met u zeggend: "Vader, Vader, zij uw wil voldaan!"

CIII

F.B.

1886

Om Jesu name en schaamde ik mij, in al mijn levensjaren: ik hoop dat, onbeschaamd, ook Hij, me in 't oordeel nu zal sparen!

CIV

A.B.D.

1887

Maar half en nog niet half gegaan was 't bijstre van de wereldbaan, toen al met eens een stemme sprak, en 't onvoltooide leven brak!

Zijn vrouwe eilaas, zijn dochter zoet, zijn vrienden vielen God te voet en baden: Laat een stonde nog, den vriend ons en den Vader toch!

Maar, weet een mensch, die sterflijk is, het woord van Gods geheimenis? 't Is beter elk in tijds bereid dat duren zal in de eeuwigheid!

Zoo deed hij, en, gesterkt, getroost, verliet hij vriend en vrouwe en kroost, en ging, met Christi Kruis gekust, naar de eeuwigheid, in God gerust!

CV

G.L.S.

1887

De jubelkroon, zoo frisch en schoon ons om de kruin gewonden, heeft korts de dood, met felheid groot, gebroken en geschonden!

Doch neen, ze'n kan de kroone van de onsterflijkheid niet schenden, die ons te gaer zal kroonen, waar geen blijdschap meer zal enden!

CVI

I.P.

1887

o Mensch, uw vriend is God alleen, al 't ander moet gij schromen; de dood, al mijdt ge u, groot en kleen, de dood is licht gekomen!

Leeft deugdzaam dan, en leeft bevrijd van angstigheid en zorgen, die nooit eene ure in state en zijt te zeggen: 'k Leve morgen!

o Vrouwe en Kind, uw steun was ik, naast God; maar, blijft gelooven dat, zonder God, een enkle tik u lijf en ziel kan rooven.

Uw ware vriend is God voortaan, o Vrouwe en Kind, bemint Hem; en wilt gij Vader volgend gaan zoo 't God beveelt, gij vindt hem!

CVII

R.H.

1887

Zij was de brave vrouwe, erkend van alle lieden; zij sprak: De wille Gods in alles moet geschieden oprechtelijk, en geen die in heur werken vond het minste dat het woord heurs herten tegenstond.

De lieden mochten boos en valsch zijn, en de tijden den eenen klagen doen, den anderen verblijden, 't en ging heur af noch aan: ze'n zocht de wereld niet, maar God alleen in al: in voorspoed, in verdriet.

Het is eene eere 't kind van zulk een vrouw te wezen, en, volgt ge uw moeder na, o kinderen, geprezen verdient ge en preusch te zijn, om die u 't leven gaf: zij leeft met eere nog, al ligt ze diepe in 't graf.

Zij ruste in vreden ja, in 't graf niet, maar hierboven, zij hebbe al 't gene God kwam winnen en beloven; die stierf en, op het kruis gestorven, wees de baan om, door het kruis, met hem ter blijdschap in te gaan!

CVIII

A.G.M.D.

1887

o Zielke, schaars gekomen, en seffens afgenomen, Gods Englen willekom, blijft, blijft, den Hemel binnen, God kennen, God beminnen, en keert niet wederom!

Verlost van rampe en lijden, blijft eeuwiglijk verblijden, en wordt nooit biddens moe, ont wij ook, vrij geleden, geworsteld en gestreden, bij u eens komen toe!

Daar zal ons hert genezen, daar zal het blijdschap wezen, o zielken, onzen tween; daar zal u, kind, herwonnen, ons niemand rooven konnen, noch van uwe ouders schee'n!

CIX

J.H.

1887

Een jaar geleen, schier dag op dag, is 't dat ze een lieve zuster zag, die, in de rust getreden, heur scheen te zeggen: "Volgt mij na die korten tijd u vorenga: komt, rust met mij in vreden!"

o Jaar van lijden, dag en nacht, in pijne en smerten doorgebracht, in zuchten en in wachten; hoe brandet gij heur deugden schier tot louter goud, in 't smertenvier, eer zij mocht ruste smaken!

"o Heere," sprak ze, "Uw herte kent alleene al mijne ellenden: zendt mij kracht, en leert mij vragen niet anders als, nog dezen dag, zoo 't uwen wil believen mag, met U mijn kruis te dragen!"

"Nog dezen dag!" En moegekweld, in 's werelds dorre doorenveld, gekweld, doch niet geschonden; heeft ze eindlijk, langs de blijde baan, heur zuster in 't gemoet gegaan, voor eeuwig rust gevonden!

CX

E.J.V.E.

1887

Hij placht den scherpen tand van 't staal te temperen en te wetten, en door zijn kunst tot maalbaarheid den meulensteen te zetten. Hij won daaraan zijn daaglijksch brood; en 't brood daar wij af leven, het wierd ons door de neerstigheid, van zijnen arm gegeven. Eilaas, een scherper staal heeft hem een scherper steen, gemalen: de felle dood, die schielijk wist den fellen man te stralen.

Hij viel! Niet onbereid en was die steen en staal bereidde, en daaglijks, over 't vier gestaan, Gods oordeelvier ontbeidde. Gezuiverd op der aarden, lang genoeg heeft hij geleden. opdat hem God een betere als een aardsche kroon zou smeden; opdat hem Gods bermhertigheid in liefde zou onthalen, en vrij doen zijn voor altijd van 's viers onbermhertig stralen!

CXI

L.V.R.

1887

Aan u voorwaar had menig man zijn laatste kleed te danken, het bruiloftskleed der dooden, van eilaas vier arme planken!

Dat wist ge, en uw' voorzichtigheid sprak, wakend lang voordezen: "o Hout, misschien, door mij bereid, zult gij mijn grafhout wezen!"

Gelukkig die, met 't scherpe in d'hand, geslaafd hebt zooveel jaren aan 't vaartuig, dat in 't Vaderland u vrij zou helpen varen!

Gelukkig dien de vriend van al die waakt en bidt, zal geven, na 't werkend, in dit tranendal, daar, 't eeuwig rustend leven!

CXII

H. J. B. J.

1887

Kerstnacht, of 't koud en donker was, hebbe ik, in 't huis des Heeren, als autaarkind, drie Messen lang gediend, zoo menig keeren!

Kerstnacht is mijn geboortenacht, na dertig jaar, geworden; Kerstnacht ben ik, de wereld moe, den Hemel ingetorden!

Kerstnacht, o Moeder, Vrouwe en Kind, Kerstnacht kwam mij verblijden en liet mij weten hoe God loont die met en om God lijden!

Geen dagen vol ellende meer, geen lange en bange nachten: ach, volgt Mij, Moeder, Vrouwe en Kind: hier blijve ik u verwachten!

CXIII

M. C.

1888

Voor niet en droeg hij 't zweerd van Gods geweld in d'handen, noch was de zware plicht van 't straffen hem betrouwd; hij wist aleventwel ook in de knevelbanden met eerbied aan te zien het beeld na God gebouwd.

Ei, wapenknecht, hij wierd, de dieven eens betrapend, hij, van den grooten dief die al wat leeft bespringt, besprongen, vastgepakt, geknevelband, ontwapend, en eeuwig pal gezet waar Vrede en Vrijheid blinkt.

CXIV

M. L. R.

1888

Mijn kinderkens, ik heb u al dat geeflijk was gegeven: mijn' werkzaamheid, bij dag en nacht, mijn' liefde, en ook mijn leven!

God spare u nu! Ik ben verlost, terwijl 'k uw broerken baarde, van 't leven dat maar lijen en was voor mij, en wee op de aarde!

God spare u, spare u, Man, die mij beminnen hielpt en dragen den lieven last, nu meer als ooit: God spare u, lange dagen!

Hebt hope en troost, en... Wilt o God, aan vrienden 't hert verleenen te helpen hem, ook zonder mij, nog zorgen voor die kleenen!

CXV

E.J.C.

1888

Het moorddallaam, de donkre nacht, mijn' donkerder gedachten bekoorden mij om, roekeloos, dat God verbiedt niet te achten!

Een plof... en dood, zoo waande ik mij, ellendiglijk aan 't dolen! o Goede God, Ge 'n wildet niet: G' hebt me aan de dood ontstolen!

Gij zocht mij, daar 'k U vluchtend was, U vloekend, in mijn' zonden; en toch hebt Gij mij, armen dwaas, o Goede God, gevonden!

CXVI

G.D.W.

1888

Wij hoopten beiden dat gij zoudt, o kind, de lasten menigvoud verzoeten, die uwe oudren twee gedoogen, op dees wereldzee.

Wij hoopten...! Maar we 'n wisten niet 't is God alleen die alles ziet, dat ge ons zoo vroeg gingt afgeplukt, geroofd zijn en schier weggerukt!

Eilaas, hoe scheurt ons herte en doet het zeer, omdat het missen moet 't geen 't niet missen wil noch zal, 't en zij om U, o God van al!

Hebt Gij het dan, o goede God, en ziet ons kindtje geerne, tot dat Gij ons ook, die altijd leeft, den hemel... en ons kindtje geeft!

CXVII

A.V.D.V.

1888

Gelukkig paar die met malkaar in 't huwelijk verbonden, de jubelkroon, die eeuwig schoon zal blinken, hebt gevonden!

Op de aarde was, als ijdel glas, uw blijdschap licht om schenden; maar nu en kan de vreugde van de bruiloft niet meer enden!

CXVIII

E.A.M.T.

1888

Elisa, blijft ons nog, schoon door de dood gescheiden, met uwe zoete hand beschermen en geleiden; ons toogen, zoo weleer gij als een Engel placht, den weg des Hemels, door dees booze wereldnacht! Hoe lang nog zullen wij, eilaas, nu driemaal weezen, verlangen naar uw lot en om het onze vreezen? Elisa, blijft, o blijft, en, 't geen gij immer waart, een Engel blijft, die ons in eere en deugd bewaart!

CXIX

C.J.A.D.L.C.D.

1888

o Zoete ziel, die 's lichaams leven te vroeg eilaas, te laat misschien voor u, aan God hebt weergegeven, wij hopen u weerom te zien!

Gij waart alree, hoe jong van dagen, zoo schrander dat wij hooger iet als menschlijks in uwe oogen zagen, en gij alleen en wist het niet!

Vaartwel, o ziel, die 's Hemels streken behoordet en, verhuisd voortaan, uws vaders hof zijt ingeweken: vaartwel, vaartwel, o Christiaan!

CXX

G.V.D.W.

1888

O Jesu, 't zielken dat Gij ons geschonken hadt, als echtelijken zegen; hoe is 't uit onzen schoot zoo schielijk, door de dood, gerukt en weggedregen?

Het dunkt ons menigmaal zijn lieve kindertaal te hooren... maar, 't is dolen dat 't minnend herte doet: ons kindtjen is voor goed, ons kind is ons gestolen!

Het licht is ons geroofd, het leven uitgedoofd, en 't huisgezin, geschonden, en schettert nimmermeer vol vreugde, lijk weleer: het zwijgt ten allen stonden!

De dood en kent geen leed, zij zeisent, immer wreed en zonder mededoogen; geen troost en wete ik, geen: Gij, Jesu, zult alleen, Gij kunt onz' tranen droogen!

CXXI

E.J.P.

1888

Het leven is, vol ongevals vol ramp- en rooi, te aanschouwen als een kruisweg op de wereld, die slinks en rechts vol kruisen staat, en dien men meest met tranen gaat, en bloedig zweet, bepereld.

Ach, 'k wist het wel, en 'k droeg getroost mijn kruis naast U, die 't lijden koost, onschuldig, om het leven, van schulden vrij- en losgeboet, o Jesu, door uw dierbaar Bloed, ons wederom te geven!

o Man, gij stondt mij neerstig bij: dat God uw hulpe en troost nu zij; en, dapper doorgetreden, vergeet mij niet, die haastig viel, noch dat ik, arme kranke ziel, verlange om uw gebeden!

CXXII

J.N.H.

1888

Moet ik, ouders, teerbeminde, moet ik, zusters, broederen al, u verlaten, ik en vinde nooit hetgeen mij troosten zal.

Nooit! o God, maar gij zijt vader, gij zijt moeder, zuster; gij zijt mijn broer, en duistmaal nader vriend als welke vriend het zij.

Op dan, ouders, moed genomen, zusters, broeders, al te gaar; eens daar ik ben, ook gekomen vrienden, vrede, en... God is daar!

CXXIII

J.N.A.

1888

Och arme, ofschoon het leven zij boos om door te streven, o Kind, wij hoopten dat 't den Heere u, lange jaren, believen zou te sparen! Doch neen! Onze oogen, zat van weenen, moeten derven hetgeen gij, met te sterven ons hebt geroofd: een' schat! Ach, laat het zoo: daarboven zult gij den Heere loven, in 's hemels blijde stad: terwijl we, in God te vreden, wij, weenend, hier beneden, och arme, zullen... Wat?

CXXIV

G.J.T.

Wij minden 't zoo, wij zagen 't noo, te noo misschien, ontdragen; maar, Jesu zoet, ons herte bloedt en 't breekt van niet te klagen! Geeft weer! -- o Neen, ons kindtje kleen, we 'n durven 't U niet vragen!

CXXV

E.H. VICTOR VAN COILLIE

1888

Hij, dichterlijk begaafd, en heeft, in al zijn wegen, maar op het waarlijk schoon een wondrende oog geslegen; en 't, in zijn eigen taal, beschreven onbeschaamd. Gods volk lag hem aan 't hert, hij minde 't, en bekwaamd als Priester en als Mensch, om met het Volk te leven, heeft hij getrouwiglijk, hem zelven 't Volk gegeven. God loone 't hem, die weet en weerdiglijk vergoedt hetgeen -- Hij zegt het zelf -- men aan de kleenen doet. Hij stierf! Onsterfelijk blijft op deze aarde in eeren zijn vreugdevolle ziel; en, in het Huis des Heeren, de loon die zulken loont die, niet hen zelven, maar den armen evenmensch, met liefde nemen waar!

CXXVI

Eerwaarde Pater AMEET VYNCKE van Zedelghem,

als geloofzendeling gestorven te Kibanga in Opper- Congoland, op den 17 van Bamesse 1888.

Gij zijt de vriend van God, die ouders, vrienden, magen, die land en lieden, om Gods arme Zwarten liet, in 't Africaansche veld. Wie zouder u beklagen, die u, voor zulk een zaak, zoo vroeg gestorven ziet?

Gij zijt de vriend van God, nu meest nog, nu de vrede, de rustdag u alree verschenen is. Voortaan geen lijden meer, geen angst, geen ongewissighede van hangen tusschen lijf en dood meer uit te staan.