Kerkhofblommen

Chapter 5

Chapter 54,026 wordsPublic domain

Besproeit mij met hyssoop en wascht mij witter dan ooit versch gevallen sneeuw, ooit lijnwaad wezen kan!

Verleent dat mijn gehoor uw' hulp vernemend zij, en maak 't gevelde stof van mijn gebeenten blij!

Ge aanveerdt den geest die rouw en leed heeft in zijn schuld, en 't nederig boetend hert Gij nooit versmaen en zult!

Dan, luistert, o mijn God, vol goedheid, naar mijn stem, en zet mij zetelvast in 't hoog Jeruzalem!

LVI

F.J.P.

1881

Moe en tendenuit versleten zat en zuchtte ik, jaren lang, om weer los, en van de keten vrij, te gaan den vrijen gang.

Los en vrij dat wierd ik heden, En al 't gene ik meest ontzag, 't gaf mij, oud en stram van leden, weer den jong- en vrijen dag.

Al die sterven zult, onthoudt het: 't leven is een blijde baan maar voor hem, die altijd houdt het sterven in zijn oogwit staan.

Leeft en leert dus allen sterven, gij die groot zijt en die kleen; gij die 't waar geluk wilt erven, 'k wete 't, daar en is maar een!

Dat zult gij ook zelve eerst weten en genieten, zoo 'k betrouw, als gij vrij zult van de keten zijn daar ik ben, vriend en vrouw!

LVII

M.L.V.D.B.

1881

Voor velen is de weg naar Lourdes hooge steden een hoopverwekkend gaan, vol lof- en dankgebeden, en 't wederkeeren wordt door velen, in hun land, als of 't een bruiloft waar', gevierd ten allen kant.

Eilaas, zoo ging ik ook, vol hopende gepeinzen, om troost in mijn verdriet, van hier naar Lourdes reizen, en 'k wenschte al 't gene God, met Onze Lieve Vrouw, had best voor mijne ziel beschikt, dat 't wezen zou.

Triomph, het is geschied! Geloofd zij God! Genezen en mocht ik van de kwaal des lichaams wel niet wezen, maar hooger giften gaf mij, op Maria's woord, die God, die altijd elk na zijn beliefte aanhoort:

'k Genas van al 't verdriet, van al de droeve plagen, die velen nog na mij, die mensch zijn, zullen dragen; 'k genas, om nimmer meer te kranken, en om, blij, voor eeuwig God te zien, van zucht en tranen vrij!

LVIII

H.N.

1881

Eilaas, eilaas, ze zijn zoo dwaas die, van hun jongste dagen voor de eeuwigheid, die elk verbeidt, in tijds geen zorge en dragen!

Ik stierf, al was ik wel te pas en op geen dood aan 't peizen, en, onverwacht, het minst gedacht en hadde om weg te reizen!

Niet el en kan 't gevolg daarvan voor mijne ziel nu baten, 't en zij dat ik geen oogenblik en hebbe ooit God verlaten.

God weet dat, Hij die stierf voor mij, en, stervend, heeft verworven dat ik met al niet vreezen zal, hoe haastig ook gestorven.

LIX

G.J.G.M.

1881

Welkom, kindtje, in d'Hemelzalen, 'k liet u van mijn' Englen halen uit des werelds doolwoestijn; Vader, Moeder, wilt niet weenen, omdat 't oudste der twee kleenen al zoo vroeg mocht zalig zijn.

Zorgt voor 't andre, en laat geen listen 't dierbaar schaapke mij betwisten, dat ik u te weiden liet: weidt het zoo dat, Vader, Moeder, gij uw kind, -- en dat zijn broeder, 't Zusterken -- eens wederziet!

LX

L.P.D.

1881

o Kwaad om gaan is 't achter 't leven: men valt zoo lichte, aleer men 't weet! Wel hem dien vrienden hulpe geven, die handen trouw zijn hert besteedt, wanneer hem eens de felle winden onvoetvaste en schier vallend vinden!

'k En wist het niet, en, blij geboren, voorspelde ik mij geen zielsgevaar: eilaas, ik heb den weg verloren en hulploos ging ik vallen, maar een laatste vriend heeft me ondervangen, een vriend dien 'k aan een kruis zag hangen.

Gekruiste God, zijt honderd malen, mij welkom, want Gij, liefgetal, mij achtervolgd hebt, op mijn dwalen; zijt welkom, ach, met kruis en al: ik wil 't U lijdzaam helpen dragen en u, mijn God, vergifnis vragen!

Vergifnis, die mij hebt geschapen, die mij verlost hebt, en gered: vergifnis, eer ik valle in slapen met U, op 't eendlijk folterbed: o Jesu, wilt me, in 't ander leven, vergifnis en verrijsnis geven!

XLI

J.M.E.H.B.

1881

'k En heb niet lang geleefd, maar lang geleden; 'k heb weinig blijdschap, droefheid veel gezien; hoe vaart het mij, in de eeuwigheden, geen droefheid en geen lijden meer te lijen!

Zoo is het in dit ballingschap der aarde: 't geluk is kort, eilaas, en 't lijden lang; 't Is nacht aleer de middag klaarde, en ruste en is het nimmer, zonder dwang!

Niet zoo en is 't bij ons; die hooger steden bewonen, en, onsterfelijk voortaan, al 't lijden hebben uitgeleden, en in de blijdschap eeuwig blijven staan.

Geliefden, niet terug-, niet omgekeken: alhierwaards is de weg, de zaligheid; de waarheid Gods is mij gebleken, u zal zij blijken: volgt me, en weest bereid.

Want 't komt een dag weleens, van al de dagen de schoonste, vol onsterfelijk genot, dat wij, die hier ons scheiden zagen, en weenden, weer te zamen zijn bij God!

LXII

A.B.

1881

Ik ben bij U, Maria zoet, getrouwig blijven staan, tot dat de jubelkroone mij wierd om het hoofd gedaan.

Ik was bij U te Bethlehem, in 't moederlijk genot, naast U volgde ik Calvariewaard uw' Zone en mijnen God.

Gij hiet zijn Kruis mij dragen en Hij deed mij vroolijk zijn, U volgende in de blijdschap en U volgende in de pijn,

tot op dien alderlaatsten van de dagen, als Gij, teer, bij mij kwaamt, mij versterken met het Kruis van mijnen Heer.

In 't Kruise, in U, o Moeder, dan zoo hope ik, onvervaard, dat Gij mij zult voltoogen nu den Kruisweg Hemelwaard!

LXIII

V.J.

1881

'k Geloove dat Hij leeft, die 't leven schiep en elk verwekken zal die ooit ontsliep of scheen in 't graf te dalen.

'k Geloove dat de loon de werken dekt en overmild vergeldt, ja, verder strekt als 's levens wijdste palen.

'k Geloove dat gij, Moeder, moe gewrocht en moe geleden, eindelijk los gerocht van 's werelds dienstbaarheden,

in Hem nu rust, in wien gij Christen wierdt en, met Geloove en Liefde en Hoop versierd, zijt in Gods rijk getreden.

'k Geloove dat, op de oude rots gestaan, gij weerdig hebt dit leven doorgegaan en zijt alsnu gerezen

waar, Moeder, gij uw kindren, trouw en goed, naartoe wenkt, en voortaan verlangen doet om weer bij u te wezen!

LXIV

C.V.

1881

Zij heeft de waarheid Gods, zijn goedheid ondervonden, die mocht den laatsten stap van hare levensbaan, gelijk den eersten, schuldloos gaan en vrij van alle zonden!

Maria ging haar voor en zij kwam nagetreden, getrouw, van kindsbeen af, en, kinderlijk gezind, zoo heeft zij hare plicht bemind en haren last geleden.

Geen sterven was 't voor haar, veel eerder zegepralen, op 's werelds erg bedrog: het was ontlaten zijn, van Adams ballingstraffe en pijn, en de oude schuld betalen.

Zij stierf den dag dien God voor haar had uitverkoren 't was op de blijde feest wanneer Hij nederkwam: als van Maria 't Godlijk Lam wierd in een stal geboren.

Lam Gods, zij hare ziel dan licht en rust gegeven! Maria, toogt dat Gij haar Moeder waart, en dat nooit kind dat zulk een Moeder had en miste 't eeuwig leven!

LXV

G.J.N.

1881

Een Engel te meer heeft het leven verhandeld, het tijdlijk gewisseld om 't eeuwig genot! "Wat is het?" Zoo komt men van 't kerkhof gewandeld, en zegt: "'t Is hem beter, veel beter bij God!"

Veel beter is 't hem, maar eilaas, zij die blijven, zij, Vader en Moeder, hun leven, hun bloed, hun hoop, hunnen troost, al in de eerde zien drijven... die wonde, die diepe is 't, die 't meelijen verzoet!

Dan, troost u, zijt Christnen: die 't kind heeft gegeven is Meester van alles, en 't kind u vergoen, dat wil en dat zal Hij: is Hij u gebleven, wat kan u, die God nog hebt, wanhopen doen?

Staat op, en ziet hemelwaards, pelgrims der aarde, die werken en slaven moet, loon is nabij: God leeft nog, God waakt nog; die niemand en spaarde, de Dood zal eens dood zijn, en leven zult gij!

LXVI

G.K.D.

1882

Te jong en niet te jong, eilaas, is hij geleden naar 't eeuwig land, daar elk naartoe ziet, die nog leeft! Te jong, zoo spreekt allicht de menschelijke reden, die, diep getroffen, haast geloove en hope ontgeeft.

Te jong en is het niet, om pijne en smert te laten; om, vrij van al 't gevaar dat deze wereld brouwt, te rijzen boven 't stof der menschelijke staten, en eeuwig vrij te zijn, zegt hij die hooger bouwt.

Vaartwel, En laat ons niet beroofd van uw gebeden, o broeder: balling zijn wij, ver van u, voortaan. Vergeet ons immer niet, die lastig achtertreden, en die, nog ongetroost, den weg des werelds gaan!

LXVII

R.F.D.

1882

't Geweld des waters kwam tot in mijn huis, en al de banden des lichaams voelde ik, neergeveld, hoe ze, een voor een, ontspanden! Geen hope op medicinen meer, geen hulpe in 's menschen krachten! van U alleen bleef hulpe, o God, bleef alles af te wachten.

Gij riept: ik kwam. Geen tegenzeg en lag in mijne woorden, omdat ik zelf, mijn hert, mijn al, van jongs U toebehoorden, die eerst mij dedet hopen, en die, op den dag van heden, getrouwig liet uw huis en erf mij zalig binnentreden.

Een ander water vloeit alhier, en blijdt het huis des Heeren: Gij zelve zijt die Levensbron, en, mocht ik wederkeeren, 'k en kwam maar om de liefste, die 'k op de aarde liet, te manen: Vergeet uw vrouw, uw Moeder niet, noch 's Hemels rechte banen!

LXVIII

F.M.V.

1882

Ik was hetgeen gij zijt, en meer als u misschien heeft mij de hand van God verleend en toegegeven al 't geen men in een kind zoo geren pleegt te zien, van jonkheid, levenslust en kracht om lang te leven.

Wat blijft mij nu daarvan? Dat zelve en is mij niet, dat onverliesbaar scheen, standvastig aangebleven! Ik ligge in 't duister graf, geen mensch meer die mij ziet, en met een enkel woord is heel mijn lot beschreven!

Toch neen! Mijn Schepper leeft, mijn hoop, mijn toeverlaat, die waakte op mij wanneer, de wereld ingedreven, ik vallen zou; Hij die mij heeft, in de overmaat van zijn bermhertigheid, een helpend hand gegeven!

o Jesu, blijft mij toch indachtig, en gedenkt dat niemand op U steunt, of had hij 't al bedreven, die zonder hope zal voor altijd zijn gekrenkt, en 't zalig deel beroofd van 't eeuwigdurend leven!

LXIX

H.L.V.

1882

o Schoone onnoozelheid waar zijt gij nog te vinden, of tref ik nievers meer uw aanschijn? Inderdaad, zijt gij voor goed verhuisd, of door de felle winden des werelds afgeroofd uw deugdelijk sieraad?

Daar dook nog eene, eilaas, zorgvuldig weggescholen; daar wist ik en daar ging ze ik wondren, nu en dan; en ziet, daar is ze voort, door de Engelen gestolen en in den Hemel, eer ooit wereld wist ervan!

Vaarwel, en laat ons al voortaan in d'hoogten schouwen, om troost, bij al het kwaad dat deze wereld krenkt; een vasten voet daarheen en vaste blikken hou'en, waar gij uwe oud'ren, kind, en uwe vrienden wenkt!

LXX

E.I.V.D.B.

1882

Al dat geboren is moet sterven en 't bekoopen dat Adam, stervensvrij, de onsterflijkheid verloos, terwijl hij, zijn gedacht laatdunkend nageloopen, het willen Gods verzaakte en satans willen koos.

Eilaas geen hope meer, de dood, eens ingelaten, zit wakende in de lucht, in 't leven, in het bloed; men kent geen artsenij die heur vergif kan baten, men maakt geen wet die ooit heur wet ontwijken doet!

Men leeft al sterven, en elk pulsslaan brengt ons nader den afgepaalden tijd, die onzen loop gezet, ons wedergeven zal in d'handen van den Vader, dien wij aanbidden in ons dagelijksch gebed.

Hij wacht ons altemaal, Hij roept ons, en de dreven naar hem toe, wijst Hij, vol bermhertigheid, ons aan, opdat geen een van al zijn' kinderen, die daar leven en sterven zullen, ooit voor goed zou sterven gaan!

LXXI

K.C.S.

1882

Soldaten, die, nog jong, terwijl 't kardatsen dondert, hun leven wagen, met 't moorddadig staal in d'hand, die heet men helden, die vereert men, en bewondert: voor eeuwig strekt hun naam tot eer van 't vaderland.

Waarom? En is 't verdiend, wie zal dan die vergeten, die brave vaders, die, voor vrouwe en kind, bereid te sterven dag en nacht, hun arme brokken eten, niet wetend waar de dood hen onvoorziens verwacht?

't Zijn helden dat: hun Vrouw, hun kinders mogen toogen hun aanzicht onbeschaamd; en die ze bedelen liet, of weigerde, als hij kon, hun tranen af te droogen, verdiende, neen, den naam van mensch noch christen niet!

LXXII

M.T.D.

1883

Vergeet ze niet die, al heur leven, is God en plicht getrouw gebleven: die man en kind, die maag en vriend tot voorbeeld heeft en troost gediend; die moe gevrocht, die moe geleden, een beter land is ingetreden, alwaar zij u, vergeet ze niet en bidt voor haar, eens wederziet!

LXXIII

J.M.

1883

Het water heeft mijn ziel gered, wanneer ik, kind geboren, door Vader Adams schuld belet, het leven had verloren.

Het water heeft mijn lijf ontsteld en lang heb ik geleden, tot dat het, bij een laatst geweld, is in mijn hert getreden.

Ik ga verzinken! Laat, o God, uw helpend woord verschijnen: de hand mij vat: op uw gebod zal al 't gevaar verdwijnen!

God hielp mij, in den nood, en ziet, zijn hand gebood de baren met mij en mijn betrouwen niet den afgrond in te varen.

De have blinkt, het kruis komt mij van verre al tegenstralen: ach, vrienden, bidt, en helpt mij vrij voor eeuwig zegepralen!

LXXIV

O.B.

1883

Te vroeg eilaas, voor ons, is zij gestorven, voor haren man, voor iedereen die weet hoe goed zij was, hoe onbedorven van zeden, al van kindsgebeen!

Zij wist den weg te Kerkewaard te vinden, des morgens vroeg, en 't zonopstaan voorkwam zij, biddend, bij den welbeminden, naar wien zij is te gast gegaan.

Te vroeg eilaas, voor ons! Na heur gedachten en was 't te vroeg, en was 't te laat: dat God wilt, dat alleen was heur verwachten; dat God wilt wilde zij. Zoo staat 't

in 't groot gebed, dat duizendmaal gebeden, zij stervend zei: "Uw wil geschied' als in den hemel op de aarden!" Heden, is 't uw behaag, o Heere, 'n spaart mij niet!

Zij stierf gerust, getroost, en vast geloovend dat sterven erven is, voorwaar, en vrijgevochten zijn van 't alberoovend, van 't albedervend zielgevaar.

Zij stierf gerust, en wacht alree de stonden dat zij en man, en vriend, en al, die zij gesticht heeft hier, eens weergevonden, daar, en voor goed, herkennen zal.

Vaartwel, dan, edele ziel, gekend van geenen, 't en zij van God, en van misschien een vriend of twee, onvalsch, die weenen omtrent uw graf. -- Tot wederzien!

LXXV

A.L.W.

1883

De dood klopt altijd voort op rijk en arme deuren; 't zij jong of oud, 't moet al de bittre dood betreuren en sterven onverwacht, ha dikwijls onbereid, dat leeft! Er ware niets, en ware de eeuwigheid!

o Dood, gij scheent zoo verre, en, volgend mijne voeten, daar waart gij, eer ik wist dat ik ging sterven moeten: maar sterker hand als de uw' had mijne hand geraakt, en stervend heeft God zelf mij van u vrij gemaakt!

o Dood, waar is uw straal? o Zonde, waar uw keten? Gods heilig sacrament heeft beide intween gesmeten, en, rijzende uit het graf en uit de ziekte fel, vare ik naar de eeuwigheid, met God voor reisgezel!

LXXVI

E.D.

1883

Elodietje, moe geleden, moe gepijnd en moe gestreden, is te ruste, 't slaapt voortaan. 't Maagdenblomke, 't fijn van blaren, heeft gebloeid hier, twintig jaren, en 't is weer tot God gegaan!

Ach, zijn lijk, hoe eerbiedwekkend, zijn twee oogskes nederig dekkend, wit als was, en, om te zien, lachend, zoo het loech, nog heden, als 't, in al zijn' lieflijkheden, stierf! Of leeft het nog misschien?

Neen 't, 't en leeft niet meer; ontslapen, heeft het God, geheel herschapen, en zijn eigen beeld, vol eer', ongeschonden, weergenomen, zoo 't in hem was neergekomen, toen Hij 't schiep, den eersten keer!

Ach, onsterflijk beeld, staat binnen ons gemoed en onze zinnen; dat, aan iedereen bekend, 't maagdenblomkens uitverkoren, edel voorbeeld, onverloren blijve, in onze ziel geprent!

LXXVII

F.D.C.

1883

Een brave man was hij, oprecht, en in geen doeken en lag zijn hert, maar op zijn bloote hand te zoeken, en op zijn tonge, die de rechte waarheid sprak, 't zij wien zijn ruwe deugd ooit mee- of tegenstak.

Hij diende. Diende God in al die hem geboden, maar anders geen van al de valsche wereldgoden en was hij slavelijk verbonden. Vrouwe en Kind, zijn Meester en zijn Werk, naast God van hem bemind,

getuigen 't openbaar, beschamend onze tijden. Die een uit honderd was, hij komt dan te overlijden! God ruste zijne ziel! En, als voor hem en al die leefden de ure slaat dat elk herleven zal,

dat zijne vrienden toen, hem kennend, zeggen mogen: Gods woord is waar, hij sprak, nu zien wij 't, onbedrogen, dat wel doen op der aard wel hebben doet nadien, en 't eeuwig Licht, voor loon, en 't eeuwig leven zien.

LXXVIII

J.F.R.

1883

't Zij kort of lang, waarom is 't dat wij leven, 't en zij om God, met winste weer te geven hetgeen Hij ons verleende, en onzen keer van sterven af te wachten van den Heer?

Ik was bereid om, op het eerste manen, met licht in d'hand, kloekmoedig mee te gaan, en, zoo Jesus deed, na lijden fel en groot, de hemelvaart te winnen, door de Dood.

Ik was bereid; ik stierf, en, van die stonden, hebbe ik het licht des levens weergevonden; en, nu dat ik gestorven ben, o Heer, en U aanschouwe, en sterve ik nimmermeer!

LXXIX

HENDRIK CONSCIENCE

3 Dec. 1812 * 10 Sept. 1883.

Hij was begaafd van God, den Gever en den Nemer; God gaf, God nam hem ons; maar, wijl hij onzer was, omstraalde Vlanderland -- hoe prachtig! -- het geschemer van eenen Geest, die, als een helder spiegelglas, het schoone, en 't reine, in hoog- en wijder wereld woonend, ons ongeduisterd en verrukkend wedergaf!

Men zegt: "Hij is niet meer," en, zijne werken kroonend, aanschouwt men hopeloos des werkmans duister graf. Neen, hier en is hij niet; neen, weg is hij, gerezen weer in 't geboorteland zijns zelfs; nu vrij en vrank, zoo hopen wij, van al dat ooit in hem mocht wezen, van aardsche krankheid of geleden menschendwang!

Conscience ontvong van God, Conscienc' heeft weergegeven, aan God en aan zijn Volk, tot op den laatsten dag; en, is hij andren dood, ons zal hij eeuwig leven, die bidden, zoo als Hij met ons te bidden plag!

LXXX

C.D.S.

1883

De mensch en weet vandage niet wat morgen hem kan bringen, noch hoe, noch waar de felle dood hem in den weg zal springen.

Gevreesde dood, hoe onbereid moet gij er velen treffen, die sterven, en wat sterven is ach, nauwlijks en beseffen!

Zij wist en zij besief het wel, die trachtte alzoo te leven dat zij 't vermaan niet vreezen moest dat haar de dood zou geven.

Zij stierf gerust, lijk iemand die, bescheed in korte stonden, heeft, vragend, naar het Vaderland den rechten weg gevonden!

LXXXI

M.K.D.

1883

Getuige van voorleden dagen, voorleden deugden dank en trouw, heeft ze altijd hoog den moed gedragen en God gezocht, de eerweerde vrouw. Zij zag heur kindren eerlijk groeien, en 't kind van kinde aanzijds heur bloeien; en zocht geen rijkdoms wankelend goed: zij zocht alleen dat 't vinden weerd is, dat minst gezocht, dat minst begeerd is, dat eeuwig wel en rijk zijn doet. Dat zocht zij lange: Op 't laatst, gevonden, weerklonk het woord, en, losgebonden, zoo sprong de ziele, kiste en graf ontvlucht, heur oude ketens af.

LXXXII

C.M.D.H.

1883

Hoe hooge en schoon zij blad en kroon, hoe vol van levenskrachten; hoe fel gegroeid, hoe blij gebloeid, en wilt het al niet achten!

het keeren van den zomer kan doen sterven en doen vallen het jongste schoon, de blijdste kroon, de vroegste jeugd van allen!

Gij hebt, o Heer, nog vooraleer zij vallen zou, gevangen heur schoone ziel, en, eer ze viel, bleef ze in uw handen hangen!

LXXXIII

P.J.S.

1883

Hoe menig boom heeft zijne hand gekort, gezaagd, in Vlanderland, en nu ligt hij, een roerloos lijk, in berd gekleed, op 't aarderijk!

Hoe menig wiel, hoe menig rad van hem zijne rechte rondheid had, die 't hebben moest, om voort te gaan: het wielt rolt nog, de man bleef staan.

Hoe menig stoot, hoe menig slag en gaf hij niet, bij nacht en dag, die neerstige, onvermoeide man, die nu geen hand meer roeren 'n kan!

Hij wist het wel, en wakker zocht hij God alleen, in 't geen hij wrocht: zoo werkend heeft hij lang gestaan, zoo stervend heeft hij loon ontvaan.

LXXXIV

L.C.

1884

Zoo wordt het goud, in 't scherp geweld des viers, geproefd en vrijgekweld van alles dat bederfenis omtrent hem, en geen goud en is.

Zoo wordt de mensch, -- gelukkig hij die 't wel verstaat! -- ten allen tij, nu meer, nu min, in 't vier bedroefd der kwellinge, en van God geproefd.

Hoe klaar en moet de ziel niet zijn, die, losgemergeld door de pijn, die uitgeleden, uitgeteerd, wordt eindlijk Gods aanschouwen weerd!

Zoo waart gij, Leo, lijdend hier zachtmoediglijk uw vagevier, waardoor gij, uwe maat gevuld, nu blinkt en eeuwig blinken zult!

LXXXV

C.T.

1884

"Uwe ooge, is 't dat ze eenvoudig zij van inzicht, al uw leven zal klaar zijn als uwe ooge, en vrij van zonden": 't staat geschreven. Geen duisternis, geen doling dan, al waart gij blind van oogen, geen valschheid die den weg u kan verzeggen of mistoogen.

Eenvoudig was zij, herte en al, van in heur jongste jaren; en, kwam heur leven 't ongeval des blinden dags bezwaren, ze 'n doolde noch ze 'n faalde niet, in 't zoeken van de waarheid; zij vond hetgeen zij eeuwig ziet nu, hopen wij: Gods klaarheid!

LXXXVI

R.A.H.

1884

Dat haar brave ziele in vreden ruste, en in alle eeuwigheden God geniete, los en vrij van des lichaams heerschappij.

Vreedzaam en eenvoudig leven, elk ende een het zijne geven, God vooral, tot tenden toe, dat en wierd zij nimmer moe.

Moe geleden was ze, en zeker dat de dood, de bandenbreker, komen zou, en traagskens kwam om heur laatste levensvlam!

Rust en vrede vroeg zij, vragend, maar den uitstel niet beklagend; ja, met liefde leed zij hier, een langdurig vagevier!

LXXXVII

L.E. VANDERGHINSTE

1884

O stil en zwijgend graf, wien hebt gij ons gestolen? Hoe! stemloos hem in uwen schoot geleid, en aan de rust bevolen, wiens ziele rusteloos, placht onze ziel te dragen, met klank en stem, tot voor den troon van Gods aanbidlijkheid! Geeft weer, o graf, geeft weer, hetgeen wij biddend vragen: geeft weer ons zijne kunst,

zijn hert: o, al dat hij verhoopte, geeft het ons en hem; en dat het zij, door God, bevrijd voortaan, o dood, van uwe slagen!

LXXXVIII

M.J.J.R.

1884

Waarom en toefde 't niet, 't zoo rijk begaafde, 't zoo liefdeweerd, 't zoo liefdewinnend hert, dat ons en aller herten laafde met blijdschap eens, en nu eilaas, met bittre smert?

Waarom en toefde 't niet, om groot te groeien, om blij te zijn, om elk te maken blij? Wat baat het, nog zoo snel te bloeien, zoo niet de rijpe kroon de vrucht des bloeiens zij!

Het kind was rijpe alree voor klaardere oogen als die des menschdoms, stedevast op de aard: wilt, ouders, wilt uw tranen droogen, en kijkt, daar wacht het u, en kijkt ten hemelwaard!

LXXXIX