Chapter 4
ADVOCAAT S.
1859
Die, rijk gekanst, is arm gebleven; die 't zweerd droeg van het Recht, en die bemind was en beminnend; wie in zulk een deugd hem grauw kon leven, dien loont geen lof dien mensch kan geven, dien loont, -- het is van God gezeid, -- God zelf maar, en Gods eeuwigheid.
XI
A.V.D.
1860
God gaf het ons, God nam het ons, Gods name zij geprezen; 't was wel bij ons, 't ging weg van ons, 't was beter in den Hemel; daar blijft het ons, daar wacht het ons, daar zien wij 't eenmaal weder!
XII
J.V.D.
1860
Ah! gij hadt zoo geren 't leven aan uw kindtje weergegeven, liefste moeder: uw verdriet kent het dan Gods woorden niet? Alle liefde en alle zoetheid, leven zonder levensmoedheid, leven zonder stervensdag erft... die zalig sterven mag.
XIII
L.L.D.
1860
Leeft gij lange of korte dagen, moet gij leed of leute dragen, God, die 't eene en 't ander geeft, zal u 't een en 't ander laten in dit vluchtig leven baten, zoo gij 't voor en met Hem leeft.
XIV
N.V.N.
1860
Hetgene een' moeder troosten kan, die weent, noch vriend noch vreemd en weet daarvan, o neen; 't is God die slaat, 't is God die troost, 't is God die alles doet: 't is vele dat men goedheid heet, maar God alleene is goed.
XV
N.N.
1861
't Zij vroeg of laat daar niets en baat, daar moet elk tol betalen; 't zij munk of non, gij, nu, ik ton: de dood komt alles halen!
XVI
CORDULA
1862
De trage ziekte brak intween den band van lijf en lenden, maar kon de ziel, 't geloof, de hoop noch de edele liefde schenden; ze vlamde los, en vluchtte omhoog, onstuimig om te vinden den Meester, Vriend en Bruidegom, in Jesu, den beminden: in Hem bij wien geen tijd meer is, geen toekomst, geen verleden, maar de eeuwige onvergankelijkheid van 't altijd altijd heden.
XVII
ALFONS DANNEELS
3 Aug. 1847 * 9 Nov. 1864
o, Kon het ooit voor regel gelden dat kunst of dappre moed verschoont van 't sterven, o, men vond meer helden, meer kunst'naars met het loof gekroond! Maar neen, 't en baat niet; al die leven ze zullen sterven, jong of oud: die schatting moet eenieder geven, al weigerde hij tienduizendvoud. God wilde 't zoo en al ons klagen bewijst maar hoe eilaas de mensch geschikt was om een lot te dragen dat hem nog voorzweeft in den wensch. Onsterflijkheid, daar elk naar hankert, onsterflijkheid, die ze al trotseert... daar 'n is geen andre als zij, die in de kruisrotse ankert en in 't graf Christi triompheert!
XVIII
F.I.D.R.
1865
Gelukkig kind, dat van zijn spel, zijn engelken voor reisgezel, zijn hertje vrij van zonde en schand, is weggegaan naar 't hemelsch land!
Gelukkig kind, gij liet ons al bedroefd om u, in 't aardsche dal: gij, blijde, daar omhooge, bidt voor ons, waar ge op den throon nu zit!
XIX
A.V.S.
1871
Gelijk het paaschenblommeken, als 't winterweer gesust is, zoo smeet het zijnen lijkdoek af, en 't rees al uit zijn donker graf, en 't leeft nu waarder ruste is.
XX
L.S.P.
1872
Onwetend en onschuldig nog van al dat menschen weten, wat hebt gij, kind, uw leven toch onlang voorbijgesleten!
Bemind van al, bemind van elk, vol vreugde, waarheid, goedheid: 't en was in uwen levenskelk geen dreupel of 't was zoetheid.
En eer hij uit was nam u God: gij waart van hooger weerden als dat gij zoudet dienen tot versier van dezer eerden.
Naar hooger streken zijt gij, kind!... Gebenedijd van heden zoo moet Gods naam zijn, en bemind, tot in alle eeuwigheden.
XXI
VADER EN MOEDER G...
1872
God liet hen, als twee boomgewassen, gesteund d'een op den andre staan, en lief en leed zoo zeldzaam passen dat geen verschil ooit kan bestaan.
Zij leefden, stierven, oud van dagen, aanschouwde ik 't eeuwig leven niet; zij zijn bij God: 't was zijn behagen, al dat Hij wilde 'et zij geschied!
XXII
E.F.V.T.
1872
Verloren moeite, onnuttig streven, om langer als den tijd te leven dien God, in zijn beschik, ons stelt: zijt keizer, koning, oorlogsheld, zijt jong of oud, zijt rijk aan gaven of arm, gij sterft, gij wordt begraven... 't Is al voorbij, verleen, gedaan! Toch neen, daar blijft iets voortbestaan, dat meest veracht wordt en misprezen, dat is, en dat zal eeuwig wezen... Past op uw ziele, o mensch, en doet hetgeen God wil, hetgeen gij moet. Laat lachen al die lachen konnen: de ziel gered is 't al gewonnen; en die dit een verliezen zal verliest, eilaas, verliest het al!
XXIII
A.K.E.
1873
Een stap is 't maar van wieg tot graf, voor ouden en voor jongen. Gelukkig die, dit leven af, hoe kort of lang het God hun gaf, den beteren weg ingongen!
XXIV
H.D.M.
1873
Verkieslijk is het, duizendmaal, te rusten in Gods hemelzaal, als, op der aarde, al wierd men rijk, te slaven om wat ijdel slijk. 'k Beminde uw huis, o Heer, en zag den luister geren van uw' dag: _uw dag_, hij is mij opgestaan; _uw huis_, ik ben erin gegaan. Vaartwel, en die dit leest onthoudt dat ge ook in tijds de dood beschouwt.
XXV
C.D.B.
1874
Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen deen menige eedle ziel de martelkroone ontvangen; elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht, wordt menig martlares gemarteld dag en nacht.
't Geen Agatha stond uit eene ure, heb ik geleden drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden. De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint, 't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint!
XXVI
B...
1874
Ons leven houdt maar aan een draad: wie weet er, waar hij gaat of staat, wanneer de dood zal komen; of hoe dat hem, bij nacht of dag, bij hoorenstoot of wapenslag, zijn zielken wordt ontnomen? De felste valt aleer hij 't weet; de mate die hem 't leven meet weet niemand van te vooren. Zoo, zijt bereid, en leert hiervan: 't geen mij behoort vandage kan u morgen ook behooren.
XXVII
N.N.
1874
'k Groet u, zoete zielke lief, roosken rijk in geuren, lelie uit de dellingen, prachtsteen vol coleuren; hatende al dat vleeschlijk is en van kwad' humeuren: zalig was uw sterven en eeuwig goed te keuren.
XXVIII
J.V.D.P.
1870
't Getemmer van des menschen leest is licht in stof en asch verstoven, maar mensch zijn dat is aldermeest onsterflijk leven, ver hierboven; dit schendt geen dood, geen lichaamsdood, dit kan noch vier noch staal bederven: het kwaad alleen doet, -- jammer groot -- de onsterfelijkheid voor eeuwig sterven!
XXIX
O.L.A.
1876
In 't kloosterkleed gedekt en opgevat, draagt, Englen, Hemelwaard een weerden schat! En, weet gij wat gij draagt? Ons kind is het, uit vader en uit moeder voortgezet, ons eigen... Neen, 't was Gods, en God gebood dat 't, nauwlijks levend, welkeren zou ter dood! o Bittere stonden die een moeder leeft, wanneer zij 't nieuwgeboorne 't leven geeft; o bittere stonden, als 't geboren kind al sterven in de dood weer 't leven vindt! Want graf en wieg zijn een en 't zelf; voorwaar, de pelder, 't is als of 't een wiegkleed waar', waaronder Gods almachtigheid bewijst dat uit het graf de onsterflijkheid verrijst, en dat de dood, die elk ende een bedriegt, met eigen hand God blijde kinderen wiegt.
XXX
J.M.D.R.
1876
Ach, 't bitter leven is zoo kort: van als het kind geboren wordt tot dat het sterft, een stonde maar, al duurde 't leven honderd jaar! Ik stierf; na lang geleden pijn en mochte ik niet genezen zijn, ofschoon ik, Moeder, welbemind, ofschoon ik, Vrouwe, man en kind zoo geren, ach, zoo geren zag: hij kwam, de bittere stervensdag! Ik leef nochtans en derf niet meer dat leven, dat in God den Heer de doop mij gaf, de dood mij bracht, en dat u, man en kind, verwacht! Vaartwel, vaartwel, wij scheiden maar voor korten tijd: vaartwel tot daar.
XXXI
A.K.V.C.
1876
Rechtzinnig, God getrouw, geloofbaar en geloovend, zoo wierd ze eene oude vrouw, en stierf, den Hemel roovend.
Gelijk een kind, voorwaar, dat, uit den doop geheven, geen kwaad en kent, zoo klaar was heur eenvoudig leven.
Zij hield aan 't waar gewin, en met heur' laatste krachten zoo bleef z'heur huisgezin in eere en deugd betrachten.
Een waar exempel van voorvaderlijke deugden: God hebb' heur ziele dan in 's Hemels ruste en vreugden!
XXXII
K.R.S.
1877
Van kindsbeen af getrouw aan recht en plicht en zeden in weinig goeds voldaan, met kleen gewin te vreden; van 's morgens, voor den dag, tot in de nachtsche stonden, in werk en kerk gelijk, vol neerstigheid bevonden; heur' man een ware schat van bijstand en genoegen; heur kindren zoo dat nooit zij moeder nutloos vroegen; de kindsheid heiliglijk bewakend; veler kleenen een tweede moeder; elk een voorbeeld; van geen eenen gehaat ofte onvereerd; vol dagen en vol deugden; ja, van heur jonkheid af verdienend eeuwge vreugden; heur name eene eer, door haar met vlek noch schand bedorven, alzoo heeft zij geleefd, alzoo is zij gestorven!
XXXIII
BLANCHE
1877, 22 Maarte
Nog nauwlijks heft een blomke of twee zijn kopken uit de groene wee en zoekt de zonnestralen, of blanker blomkes gansch een stoet de blijde wegen schittren doet omtrent de kerkportalen.
Ik zie daar een, zijn name is _blank_, gelijk zijn' kleeren, wit en lang: zijn' kinderlijke leden bewegen of 't een Engel waar, die, in een witten wolksamaar, de kerk kwame ingetreden.
Dat is ons kind! God riep, het kwam, en 't broodgelijkend Offerlam mocht in zijn herte dalen; zijn hert, dat kloppend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen.
Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat zoolang u 't leven openstaat, niet af vooruit te schrijden; vooruit, waar God u wilt en waar gij moogt, met ons, uw oudrenpaar eens eeuwiglijk verblijden.
XXXIV
BLANCHE
1877, 8 Junij.
Nog nauwlijks is een maand of twee den schoonen dag voorbij, of wee verblindt onze oogenstralen; wij zoeken weer den blijden stoet, maar alles treurt en treuren doet omtrent de kerkportalen.
Ik zie daar een... zijn lijkje blank ligt roerloos, en een sluier lang ombundselt zijne leden; zijn zielken, of 't een Engel waar, is door den witten wolksamaar des Hemels ingetreden.
Dit was ons kind! God riep, het kwam, gelijk een schuldloos offerlam, blij uit deze aardsche dalen; ons kind, dat, levend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen.
Vaartwel, vaartwel dan, _Blanche_, en laat ons allen in dien droeven staat niet hulploos verder schrijden, maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar nog dikwijls voor uw oudrenpaar, zoo zal ons hert verblijden!
XXXV
J.D.S.
1877.
Nog nauwlijks t' halvenweeg mijn oudrendervend leven, o Heer, wat ben ik blij, U alles weer te geven dat gij mij gaaft, geheel en door geen scha belet!
Benijdt mij, gij vooral, die, uit uw' kinderjaren, onschuldig, ach, niet meer, gescheept zijt en moet varen de wreede wereld in, met zoo veel kwaad besmet!
Indachtig blijft toch, ja, dat elk van u zal sterven; indachtig, opdat elk eens ook de kroon moge erven die "Onze Vader" zelf mij, weez', heeft opgezet.
XXXVI
O.R.D.C.
1878
Goevrijdag was 't dat ik mijn kind zag henendragen naar 't kerkhof! En bij 't kruis aldaar begroeven zij't! Maria, laat mij U mijn bitter lijden klagen, Maria, Moeder Gods, die ook toch moeder zijt! Mijn kind!... 't Was God getrouw en U, naast God, genegen, met bovenaardsche liefde! Eenvoudig, onbedacht, zoo kende 't God en U en ons! En, met Gods zegen, geen hooger jonste en had noch hij noch ik verwacht! Die schat is weg! Die gunst heeft God mij zelf ontnomen! Waarom? o Moedermaagd, waarom en vrage ik niet: uw Jesus weet het best, Hij is om haar gekomen, Hij, die mij, moeder, met U, Moeder, weenen ziet.
XXXVII
C.M.N.
1878
De wereld had, met scherp geweld, zoo geren hare ziel geveld en hare deugd doen falen; de Dood heeft ook de kans geproefd, met pijn en smert haar lijf gegroefd, en rustloos afgemalen; dan viel op 't laatst de booze aan 't werk, maar Jesus wees, almachtig sterk, hem de onderaardsche dalen: en, rustende op zijn vaderhand, Caelina ging naar 't Vaderland, voor eeuwig zegepralen!
XXXVIII
P.P.D.M.
1878
Ik heb mijn Heer en God gebeden, in 't midden van mijn hert; 'k en kende 's werelds ijdelheden noch 's werelds smert.
Ik langde om hooger staat te leven, en God, daarmee voldaan, heeft 't hoogste mij van al gegeven en toegestaan.
Vaartwel, die mij gekend hebt, allen, rondom Maria's voet; en die door 's werelds ongevallen nog reizen moet.
God geve aan die mijne ouders waren, en die ik heb bemind, de rust, na lange of korte jaren, bij mij, hun kind!
Dan zal de dood geen scheiden wezen, geen eeuwig scheiden, neen, maar ouders doen en kind, nadezen, weerom bijeen!
XXXIX
W.R.A.K.
1878
o Schoone dagen, ongeweten, of die, te laat gekend, o Heer, zoo gauw geleen zijn en versleten, en komen her noch immer meer!
Ik was een kind te weinig jaren, ik bleef onschuldig al te onlang; den zeeweg roekte ik in te varen, voor schipbreuke onbevreesd, onbang!
Eilaas, daar faalt mij mast en steven, daar vliegt mij bank en boord intween; daar is van al mij niets gebleven, niets, niets als ik en God alleen!
Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken in dezen nood, zoo laat mij vrij naast u de bittre teugen drinken uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij!
XL
K.J.A.J.D.M.
1878
Het lag gebundseld en gebonden in de dood, toen Jesus kwam, als schijnbaar brood. Hij sprak: "Staat op!" En alle schijn verdween; 't wierd levend, het zag Jesus-God med' een, en 't mocht den blijden choor ingaan, in 't wit gewaad der onschuld, die voortaan zal eeuwig blinken. Treurt niet, maar, die hem bemindet, volgt zijn stappen naar!
XLI
OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS.
PIUS IX
13 Mei 1792 -- 7 Februarij 1878
De Koning van de Priesters is niet meer der levenden. De mare vliegt. Elk weet het. En, gestorven, heeft Pius hooger naam dan levend ooit verworven. 't Was hij! Daar was zulk geen! Men weeklaagt niet, veeleer verheugt men in zijn dood, die, triomphant gebleven, elk staaft in zijn geloove, elk steunt van die nog leven en biddend overal. Elk zag hem niet, elk toch, elk kent en elk bemint, elk eert en weet hem nog. Elk zal hem kennen, weten, elk beminnen, eeren, schoon duizend jaren nog na duizend wederkeeren. Geen tijd meer haalt hem in, hij is de tijden voor, en de eeuw die nog niet is ontvangt alree zijn spoor. Verkrachting, list, verraad, zij poogden, maar zij vonden des Pausen ziele sterk, gerust en ongeschonden. 't Was hij! Hij zag en: "Neen, de Pausen falen niet!" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Poogt wederom, nu dat gij hem gestorven ziet, spant al te zamen, helle en helsche strijdgenoten! Staat op! Hij ligt in lijke!... Uwe ure is 't! Saamgeschoten! Geweld gedaan! Gepoogd!... En, eeuwig neergeveld, zoo zult gij machtloos zijn in al uw strijdgeweld; en vallend over 't spoor van zijn bezweken voeten, daar zult gij, spijts uw hert, lijk Pius, zeggen moeten: "_Non possumus!_"
XLII
F.L.V.
1879
Ik ben Maria's kind, voortaan en moet ik niet meer duchten van uit den rechten weg te gaan om eeuwiglijk te zuchten. Ik stierf, maar God verleende mij, 't geen God alleen kan geven, van in den Hemel, eeuwig blij en eeuwig lang, te leven!
XLIII
E.M.P.
1879
Te vroeg gesmaakt, te vroeg ontvlogen, te vroeg, eilaas, hebt gij mijne arme ziel bedrogen, bedrog van 's werelds ijdelheid: gij duurdet eenen dag, eene ure, een' stonde, ha... tijds genoeg om arrebeid en zonde, en om nog erger kwaal na die, mij toegezeid, te kennen! 'k Wierd u moe! De kwade wegen, door distels en door doornen diep gelegen, zijn, op het end, veel beter nog als al de valsche vroolijkheden der korte dagen die 'k heb doorgeleden! Vaartwel! Alwaar ik ga 'n is geen bedrog, maar waarheid, leven, vreugde: in 's Hemels vreden!
XLIV
F.M.
1879
Hoe menig kind, den zelfsten dag en 't zelfste jaar verschenen, dat met mij eens het leven zag en voor mij is verdwenen! Zoo leerde ik lang en leerde ik goed de kunst van wel te sterven, ach, Onbevlekte, ik bidde U, doet mij 't eeuwig leven erven!
XLV
R.D.
1880
o Vrienden, jeunt me een goed gebed en peist, eer ge uw betrouwen zet op al dat ijdle menschen raan, hoe dat het is met mij vergaan!
Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas, den duur niet van een enklen blaas; gezond zijn is schier nog zoo broos als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos!
Het leven is een stap, gesteld, het wiegsken uit, in 't gravenveld! En dan! o Dan, 'k en weet het niet! Hij weet 't alleen, die alles ziet!
Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp, voor eeuwig, na den wereldkamp, wat dat er ons te wachten staat, wanneer de tijd van sterven slaat.
o Dan, mijn God, bermhertigheid, gij hebt het aan uw Kruis gezeid: vergeeft mij wat gij weet en ziet. want, wat ik deed en wist ik niet!
XLVI
Ridder ADOLF LOOSVELDT
13 October 1845 -- 20 Junij 1879.
Thielt -- Zanzibar.
Held des vreden, overleden op het slagveld, vrij van bloed; g' hebt uw leven God gegeven, gansch en geerne en onvergoed!
Andren lijden, andren strijden, andren liegen, valsch en schoon; die de wereld 't hoofd omperelt met een ijdele gloriekroon.
Gij zaagt lijden gij zaagt strijden, gij zeidt: "Op!" en gij waart voort; vriend noch mage en kon u tragen, want gij man waart van een woord.
Overleden vriend, in vreden bleeft gij voor de Kerke dood: ha, Gods kerke hebbe uw sterke ziele, in haren moederschoot!
Thielt verloos u, God verkoos u, blijft aan God gejeund voortaan, eeuwig, eeuwig; en wij, leeuwig, zullen we op uw voetspoor gaan!
XLVII
E.P.C.
1880
Voorbij is 't lijk een zonnestraal, die, uit den hemelwagen, een korten tijd elkeen verblijdt, omtrent de winterdagen.
't Was al zoo zuiver, noch 't en heeft, van als het wierd geboren tot op den dag dat 't weg ging, ach, zijne onschuld nooit verloren.
Het was verstandig, wijs en vroed, en menig mensch met reden, 't zij man of vrouw, niet durven zou naast hem in 't oordeel treden.
Zoo schikte't God. Een korten tijd verscheen het voor onze oogen, en, op de baan ons voorgegaan, zal 't ons den Hemel toogen.
XLVIII
TH. S., UURWERKMAKER.
1880
God geeft den tijd bij dag en jaar, ach neen, bij kleene tikskes maar, en 't laatste tikske komt aleer men 't peist of weet, eilaas, te zeer! De wijzer wijst elke uur en tijd, maar de uur niet dat gij schuldig zijt te sterven! Zijt dus voorbereid, de wijzer wijst naar de eeuwigheid.
XLIX
FELIX A. J. Baron BETHUNE
12 Junij 1789--28 Sept. 1880
Ik heb gekend dien ouden grijsgedaagden, dien fellen, goeden, welgezinden man; dien blijden ouderling, dien sterken, onversaagden, dien edelen mensch, dien christenen! 'k En kan geen dag mij brengen dien ik leefde weer te binnen dat hij niet oud en sterk, en jong en was van geest: hij scheen onsterflijk. Ja, onsterflijk is 't beminnen dat hij verwekte en dat hem volgen zal, nu meest dat hij is weggegaan en ijdel heeft gelaten die groote en edele plaats, die eens zijn naam besloeg: nu dat hij, goedgekeurd van God, en t'zijnder baten, ter onzer niet, ontging eilaci, veel te vroeg! Hij leefde eene eeuw bijkans, lijk Pius, dien hij eerde, en die den grijzen zoon, gekend en hoog geschat, zijn koninklijke blasoen vertreflijkte en vermeerde, met 't graaflijk edelzijn der Roomsche wereldstad. Hij 'n stierf niet, hij verdween; hij 'n krankte niet, maar zwijgend, zoo scheen hij, al met eens verrukt, als naar een stem te luistren, die hem sprak onhoorbaar... tot dat, hijgend, hij eindlijk henentoog, hij, 't beste deel van hem, zijne edele en vranke ziel! -- Vaartwel dan, oude vader, gaat, gaat, wij jeunen 't u bij duizenden, beweend van droefheid, blij nochtans; treedt God voor altijd nader, en blijft met ons, in Hem, onsterfelijk vereend!
L
E.D.V.
1881
Die altijd, eere en plicht getrouw, goe man, goe vader, kind en vrouw beminde en was bemind ervan, zou zulk een kwalijk sterven dan?
Al stortt' hij onder 't vier en 't lood, al sloeg de donder zelv' hem dood, of was 't een moordnaars schuld, nog dan geen ware Christen schrikte ervan.
Neen, niemand weet hoe wonder dat God alles wel te zamen vat dat is en zal zijn; geen en kan doorgronden 't diep geheem daarvan.
Bij hem die waakt ten allen tijen, daar zult ge uw vader wederzien, o kind; en, vrouw, den braven man zult ge eeuwig blijven hebben dan!
LI
M.V.J.M.V.
1881
't Was 't uwe en 't onze, eilaas, en, hadde 't mogen leven, 't waar' 't onze en 't uwe, o God, zoo hope ik wel gebleven!
Waarom dan? Neen, waarom en vrage, en rade ik niet: ik berg mijn tranen, en... dat Gij wilt is geschied!
'k Ben blijde, intusschentijd, dat 't zielken onzer ziel, na eenen lach met ons gewisseld, U beviel;
en, U bevallend, dat ons aldereerste kleentjen voor eeuwig worden mocht ons zalig Madeleentjen!
LII
J.B.B.
1881
Welaan, mijn weerde dienaar, lang genoeg hebt gij den rechten gang gevolgd, dien 'k uwe ootmoedigheid met loonbelofte had voorgeleid.
Gij hebt voor mij veel meer gedaan als Vorsten die daar slagen slaan, die winsten doen en, jammer dies, die stervend doen meest al verlies.
Uw sterven wel was 't voorbedacht, want veerdig waart gij, dag en nacht, om, altijd en met neerstigheid, te doen dat u was opgeleid.
't Zij wie, met recht, u gaf bevel, gij hoordet en gij deedt het wel, en altijd hebt ge uw Meesters woord, of waar 't mijn eigen, wel aanhoord.
Verblijdt u, goede knecht, voortaan; gij hebt mij grooten dienst gedaan, in de alderminste kleenigheid: verblijdt u in der eeuwigheid!
LIII
S.V.C.
1881
'k En trok mij al 't geweld niet aan der wereldlijke zaken, maar 'k wilde, langs de nauwe baan met d' hulpe Gods, geraken tot in dat land, waar ze altemaal gerechtigd zijn te wenschen hun erflijk deel, 't zij rijke of kaal, 't zij groote of kleene menschen. Hoe kleender hier, hoe grooter daar, dat heeft God zelf gesproken, en God en heeft zijn woord, voorwaar, noch nu noch nooit gebroken. 'k Verwachte u, man, en kind, en al, 'k verwachte u, naastbestaanden: de nauwste weg u leiden zal, verzaakt den breed gebaanden, dien velen volgen, rijke en groot, benauwd van iets te derven dat goed is, maar, dat, na de dood, eilaas, doet eeuwig sterven!
LIV
E.H. DHOOP
Thielt 1840--Dixmude 1881
Die steen weersta den tijd, zoo lang er menschenherten leven; Hij teekne 't graf met eere en dank door vrienden hier verheven; 't bedekt het stof van een die, 't leed van iedereen indachtig, te snel zijn eigen leven sleet: hem loone God almachtig!
LV
M.V.V.
1881
Bermhertig weest mij, God, met 't aldermeeste erbarmen, en houdt mij, schuldenvrij, in uw' almachtige armen!