Kerkhofblommen

Chapter 3

Chapter 33,969 wordsPublic domain

En gij, dierbare grond van Vlanderen, ons eigen Vaderland, gewijde aarde van het kerkhof des Heeren, aarde waarin de muren staan van Gods tempel en de voet van zijn Kruis, aarde waar het gebeente in rust van zoo vele onzer Voorvaderen, wier heilig stof misschien in deze handsvolle begrepen is, aarde die 'k omhelze als den grond waaruit ik gesproten ben en waarin ik zal terug keeren, gewijde aarde, valt, duizendmaal gezegend en besproeid met onze tranen, op dat heilig lijk, dat wij u toevertrouwen! Bewaart die reliquie, bewaart ze tot op den dag dat de Engel der verrijzenis hier zal komen kloppen, roepende: "Staat op gij allen die gestorven zijt!"

Weer op zult gij dan staan, Eduard, onze vriend, in de glorierijke verrijzenis, met die strale in uwe ooge, die blonk vol simpele eenvoudigheid, met dien eigensten lach, spelende om uwen mond, die altijd loech van zielsgenoegen, loech van onnoozelheid,

loech van liefde, loech van vreugde, loech van louter zuiverheid, loech in 't leven, loech in 't sterven, lachen zal in de eeuwigheid!"

Zoo scheidden wij van zijn lichaam, terwijl zijn ziele alree 't geluk genoot dat ons misschien nog menige vijanden, talrijke strijden en gevaren zullen komen betwisten; hetwelke wij nochtans ook, onder Gods hulpe, zullen veroveren, is 't dat wij getrouw blijven aan het voorbeeld van onzen Vriend, en bestand doen aan 't gene wij, bij zijn graf, ons zelven en den Heere beloofd hebben; eindelijk, en om te sluiten met een vers van den overledene zelven, indien

"_elk slaapt op zijnen schild en houdt het zweerd in d'hand_."

[1: Geplukt en bewaard ter nagedachtenis van zaliger Mijnheer Eduard van den Bussche, geboren te Staden, in West-Vlanderen, op den 10 Januarij 1840; student in poesis en lid der Congregatie van O.-L.-V. Onbevlekt Ontvangen in 't kleen Seminarie te Rousselaere, overleden op zijne geboorteparochie, den 3den van Mariamaand, in 't jaar O.H.J.-C. 1858.]

BEZOEK BIJ 'T GRAF.

Ik wandelde, ik wandelde alleen, ik wandelde en sprak tot den Heer: Hij sprak en ik hoorde, en hij hoorde en ik sprak, en 'k wandelde en 'k sprak tot den Heer.

Wie leedde, wie leedde er mijn schreen? Waar leedden mijn schreden naartoe? 'k En wete, maar 't leedde me entwie en ik ging, en ik stond op het kerkhof alleen.

Daar staat hij, de torre, 't is hij; de hane op den torre, 't is hij; daar staat hij die torre en die Kerke en dat Kruis; hier hebbe ik nog eenmaal geweest.

Hier legde ik een vriend in het graf, ik legde -- en hij slaapt in het graf; en Jesus, die waakt in zijn heilige tent, waakt neffens hem, neffens het graf.

Waar, zegt mij, o zwijgende veld, waar ligt hij begraven?... Alhier? Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg en zeide: "Vaarwel, o vaarwel?"

Het water gaat open en toe, Het water gaat op en gaat neer, het water, als 't kind er een steentjen in smijt, het water gaat op en gaat neer.

Het water gaat op en gaat neer, het water gaat open en toe, en haast is het water weer heel en gansch stil; waar viel en waar ligt nu de steen?

En de aarde gaat open en toe, ook de aarde gaat op en gaat neer, wanneer er de putmakers geldwinnend hand een kist in legt, open... en... toe!

En de aarde gaat op en gaat neer, ook de aarde gaat open en toe: en, hooger als de andere graven, een tijd, daar toogt men een graf en zegt: "Daar!"

En de aarde zinkt langzamig neer, en de aarde zinkt wederom toe, en wederom strekt er zijn armen naar uit 't vergetende gers, en 't groeit toe.

En de aarde gaat open en toe, en de aarde gaat op en gaat neer, en haast is het alles zoo effen en groen, zoo effen als al dat er leeft.

Wat zegt gij, o zwijgende veld? Waar lag hij, waar ligt hij nu, hij? Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg en zeide: "Vaarwel gij, vaarwel?"

Een stemme, geen andere 'n sprak, een stemme, geen andere, geen een: "Komt hier," zei een stemme, aan het Kruis, "hij ligt hier: komt hier," zei een stemme, "aan het Kruis."

o Stemme van 't houtene Kruis, o Kruis van den Heere, gegroet; gij blozende vrucht aan den edelen boom, gekruiste Verlosser, gegroet!

Waar staat gij, hooge over mijn hoofd, waar staat gij, gedoken in 't gers, waar staat gij, waar staat... dat ik groete u, o Kruis, ik groete u, o edele Kruis?

o Stemme van 't houtene Kruis, o stem van het houtene Kruis, ik vraagde zoo dikwijls, ik vraagde en ik bad, en... de antwoord is altijd: het Kruis.

o Kruis op den torre en in 't gers, o Kruis aan 't gedokene graf, o Kruis, waar gij staat ofte gaat, zijt gegroet, gegroet zij mij 't heilige Kruis!

o Stam van het heilige Kruis, triomphwinnend houtene Kruis, gij toogdet.., ik vond mijnen vriend, vind' Hij mij, die stierf aan het heilige Kruis!

NOG EENS

Nog eens, o christene studenten, bij 't graf gestaan! In tranen? Neen! Laat vreugde op ons den zegel prenten, want wij zijn christenen! 't Geween betaamt die hoop noch troost en kennen in Christi kruis en dierbaar bloed, betaamt die kerke en kerkhof schennen, betaamt een' andren jongelingsstoet! Voor ons is doodgaan levend worden, door Hem die lijf en leven gaf; 't en zijn geen beendren die verdorden of zullen opstaan uit het graf. Zoo zult gij ook, beminden; 't sterven heeft Jezus zelve ons voorgedaan: de doodbrief staaft uw recht om 't erven het rijk waar Hij is ingegaan! Gelukkige Arnoud, rust in vrede, God hebbe uw' ziele in zijn gena; gij droegt, 't is waar, uw deugden mede, maar uwe exempels liet ge ons na: die volgen wij, tot op den rande van 't graf, onwankelbaar vereend; brengt deez' belofte ooit een in schande van die hier staan? Zoo God helpt, neen 't!

JAARGETIJDE

o Gij die wij beminden eens, wij groeten u, vol droef geweens, en staan rondom uw graf te gaar, op 't ende van uw stervensjaar.

Waar zijt gij? Sterke en kloeke, en al, waar zijt gij, ach, te groot getal van vrienden, gij, die dacht misschien: 'k Zal menig uwer sterven zien!

Aleer gij iemand sterven zaagt, was 't gij die eerst gestorven laagt: en droevig staan we, uit vriendenplicht, bij 't graf, waar ge in begraven licht.

Zoo vaart de dood, o! doof en blind, ze'n spaart geen ouder, spaart geen kind; smijt al in 't graf, maar d'hope niet, die me in dit kruis hier staande ziet.

o Zalig teeken op het graf, o nooit ontvallen wandelstaf, staat bij, staat bij, in dezen nood, en zijt remedie na de dood!

o Kruis, daar Christi bloed aan was, de mensch is licht en broos als glas: hij valt, hij breekt; gij staat en houdt omhoog, die op uw stam betrouwt.

Daar liggen ze aan uw voet, o Kruis, onz' liefste neer, in stof en gruis: herleve 't stof en worde 't wat Gods hand het eens geschapen had.

Herworde 't jong en stervensvrij, herworde 't in Gods vreugden blij, herworde 't in God zelf geleerd, herworde al 't duistre in licht gekeerd!

o Dierbaar is het vriendengraf, ik schee daar met getraan van af, ik laat mijn hert daar aan en bij, en,... vrienden, dat u vrede zij!

HET KRUIS

Het kruis ontliet den mensch uit 's vijands helsche banden; met 't kruise wijgen hem, in 't doopsel, 's priesters handen; gebiecht, gevormd, berecht, getrouwd, gezalfd in 't kruis, nog wijst hem 't kruis den weg naar hier, zijn laatsten thuis. o Kruise, dat daar staat, och, of zij 't allen wisten, gij zijt het teeken en de hoop van elken christen: zoo Christus leefde en stierf, in kruisen en verdriet, zoo zult gij, of ge en volgt in zijn triomph hem niet!

UIT HET ITALIAANSCH

Ik hoor ze zingen in de roozenhagen, de nachtegaalkes, hunnen liefdezang; en de eekentronken, oud en bruin, doordragen de gulden najaarszonnestralen lang.

't Gaan duizend stemmen achter 't land en roeren, 't gelooverte en het gers en 't beekske roert; in 't diepend blauw zie 'k de Apenninen loeren, den hemel wordt zijn' roozenverwe ontvoerd.

Bij zulk een zalig, eenzaam vredezegenen, och Moeder, mochte ik uwe stemme ontvaan! Och mochte ik, Moeder mijn, u nog bejegenen, een enk'len keer nog, en toen sterven gaan!

Neen, koud zoo ligt gij daar, in 't graf gedragen, het hooren van mijn stemme is u geroofd!... wijl boomen, bergen en de roozenhagen de nacht bedekt, die dit mijn herte dooft!

R.I.P.

Rust in vrede, rust in vrede, gij die, wandlend, zijt van hier voorwaards- en voorbijgetreden, onder Christi kruisbanier; die naar 't land zijt, het verdoken, waar de koninklijke staf ligt bij 't naamloos stof gebroken, van 't onedel werkmansgraf; waar geleerdheid niets kan baten, weet men Christi lessen niet, waar men geld en goed moet laten, waar geen schoonheid overschiet. Rust gij, leeraar en geleerde, rust scholier en schoolregent; rust, dien elke ende een vereerde, rust, dien niemand heeft gekend. Rust, die 't zelfste bloed in de aderen droegt misschien als ik; en gij, vrome ziele onzer vaderen, rust, en dat u vrede zij! Moge God u ruste geven, die begonnen, die volend, of die, midden in het leven, wakend hebt de dood gekend! Rust in vrede, rust in vrede, jonge en oude, groot en smal, rust en, in Gods zaligheden, rust, gij afgestorv'nen al. Rust in vrede, rust in vrede, u nog eens vaarwel gezeid, eer ik weg en thuiswaards trede, rust... tot in der eeuwigheid! Amen.

HET KINDEKE VAN DE DOOD

Filius mortis est. I Reg., XX, 31.

Daar zijnder die de levensbaan, met schaars eenen brijzel brood, tot aan hun oude dagen gaan en leven, spijts de Dood.

Daar zijnder die dit leven van zijn blijde bane stoot, van waar hun eerste reize began: 't zijn kinderen van de Dood.

Een wist ik, en zijn moeder, als zij 't hutste op haren schoot, zij zong en zij zeide: "Mijn kind!" 't Was valsch! 't was 't kindeke van de Dood.

Zij leefde en leefde tweemaal toen zij 't tegen heur herte sloot, en driemaal, toen ze 't daar mocht voen, heur kindeke... van de Dood.

't Kind at en drank, uit klaar bedwang, en 't pramen van den nood, maar al dat het nutte, van spijze en van drank: het at en het drank de Dood.

Het groeide alzoo de plante wast, die nimmer zunne 'n ziet: een rijzig, een reilde kindeke was 't, en derelijk als een riet.

En de andere blommekes, blank en blij ze loegen altemaal; en, over van vreugde, zoo loegen zij met zijnen bedrukten staal.

Het loeg... en het hief in het blauwe meer des hemels zijne oogen, maar ze vielen zoo licht op de aarde weer neer, en ze stonden daar, immer -- daar.

Aanschouwt hem, aan zijn huis geleund, hij rust en, overhand op d'een en op d'andren voet gesteund, daar staat hij nu, aan den wand.

Hij staat daar, van als de morgen breekt, en spreekt geen enkel woord, 't en zij dat hij in zijn herte spreekt, en dat God daar alleene aanhoort.

Aldus verwacht hij 't noengetij, hij buigt zijn hoofd, hij hijgt om asem, en pijnelijk asemt hij... maar klagen, nooit: hij zwijgt.

Zoo zinkt het sappig looverkruid in 't branden van den noen, en asemt al de krachten uit die zijn blaren voen.

Hij staat daar, als de zonne zinkt, -- een roode hemelbal, die loerende al onder de boomen blinkt en wegvaart, -- liefst van al.

Toen heft hij zijn grooten oogbal op en laat hem, overlaan, ontlasten den blinkenden pereldrop, dien niemand en kan verstaan.

Toen sukkelt hij weg, en hij kijkt, wanneer hij staat om in te gaan, nog eenen laatsten en ach zulk een langen keer, al zuchten... achter de baan!

En als de wind de deure wrijft, toen keert hij treurig om, wendt weder, en schudt met zijn hoofd, en schrijft, in de asschen daar schrijft hij: "Kom!"

Gelijk het kind des avonds, blij en op zijn speelgenoot al peizen, wenscht: Dat het morgen zij! zoo wenscht hij naar de Dood.

De dood is maag en vriend van hem, hij kent heur witte hand, hij kent heuren lijzigen stap, en heur stem, en heur delfspa, en heur land.

Zij is vriend van hem en speelgenoot, zijn herte langt erom; ja, zij nestelt alree in dat herte, de dood, en zoo, schrijvende, zucht hij: "Kom!"

Zij beidde, en hij beidde zoo lange ernaar, en ze kwam toch 'nen keer, daar hij stond alwaar hij placht te staan, en alwaar zij kwam, en alwaar hij ze vond.

Zij kwam, en zij ging in huis, en hij zag, en hij stapted' heur achternaar: zij klom en hij klom, en zij lag en hij lag, en zij loeg... en hij loeg op haar.

En zeider daar eene: "Ei, hij lacht! hij lacht! Wat heeft er med' hem geweest! Wat doet hij nu, dat hij nog nooit en placht: ons broeder, ai Heere, hij geneest?"

"Ah," zeider daar toen nog eene andere vrouw, "dat was mij een aardige lach! Zoo loeg hij, wanneer dat hij sterven zou, mijn areme man en hij... ach!"

De schrik kwam in huis, en elk beefde en elk sprong en elk vloog, alhier, aldaar: en 't klopte op den torre, en de belle klonk, en 't brandede een keerse klaar.

En stille... zoo viel het toen, stille,... niet en roerde of en leefder meer, om 't schrikken en om den eerebied, en de komste van -- den Heer!

En zeider een lijzige stemme, toen zij weerom spreken dorst: "Wat gaat hij daar, kijkt, wat gaat hij doen: wat maakt hij daar op zijne borst?"

"Ai!" zeider eene andere vrouwe, en sprak, terwijl zij naar Christus wees: "Het Crucifix! want hij maakt zijnen pak... hij gaat sterven!" En zij kreesch...

En 't water viel gewijd op hem, het kruis ging aan zijnen mond, en snikkende snokte er nog menige stem, die anders geen woorden en vond.

Toen sprak hij, terwijl hij staal voor hem zag, en -- iets? -- in zijne armen sloot: "Och! moeder toch, geeft mij een kruisken!" En ach, de vrouw was al lange dood!

En spannende toen, med' eenen langen zucht, de ziele heuren band... intween, ze vluchtte... en, in moeder heuren schoot gevlucht, zoo liet zij heur lijk alleen.

Med' oogen half open en mond half toe, zoo lag het, en loeg het, en keek; en velen die 't zagen, ze zeiden: "Hoe!" en dat het hem zoo geleek.

De landman stond, op den droeven klop, die zijne endeklokke lood, en peisde, en hij rechtte zijn hoofd 'nen keer op: 't Is voor 't kindeke van de Dood.

Hoe snel nu van dien rechtveerdigen man 't gebed ten Hemel schoot, 't en was er niet eer als het zielke van het kindeke van de Dood.

En zij, die eens op dat eigenste kind heur stervende oogen sloot, ze zoende in den hemel heur teerbemind... heur... kindeke... van de Dood.

En zong er toen een, dien dit leven van zijn blijde bane sloot: "Ik hope in een beter leven dan dit leven van de Dood.

En 'k wilde wel gaan door 's levens baan, met schaars eenen brijzel brood, zoo 'k mochte zoo recht naar den Hemel gaan als -- 't kindeke van de Dood!"

GOUDEN ROOZEN

_Gedachten by het graf_ van zaliger mijn weledelen, zeer eerweerden Heere Mijnheer Joseph Antonius Maria Ghislenus Anastasius Johannes-Nepomucenus Baron de Pelichy filius M'her Johannes, wijleneer Burgemeester der stad Brugge, bij Mevrouw Maria Josepha van Heurne; _die, geboren te BRUGGE, op den 15 April 1809, Priester en Bestierder der Zusters van Maria te ISEGHEM, aldaar godvruchtiglijk in den Heere overleed, op den 28 Julij 1882_.

Gouden roozen, zelden bloeiend, in dit arem tranendal, of zoo spoedig weer ontwelkerd, wie is 't die u vinden zal?

Jesus volgende en Maria, gouden rooze na den geest, was hij Edeling, was hij Christen, was hij Priester, aldermeest.

Hij was levend 't geen hij stervend wilde zijn: de gouden roos uit zijn wapenschild, oud, eerlijk, ongeschonden, vlekkeloos.

Beeld van liefde, beeld van goedheid, beeld van al dat edel is, bloeit hij zoo in aller herten en in elks geheugenis.

Beeld van priesterlijke deugden, van geleerdheid, hooge en klaar; in de kunst die alle kunsten overtreft, kunstoefenaar.

Kunst der kunsten, zielen leiden, zielen leeren vroeg en laat, God betrachten, God beminnen, met den woorde en met der daad.

Kinderzielen, opgegaderd langs den weg en in het dal, schoon u niet altijd even prachtig, even kostlijk immers al.

Hoogbestemde zielen Christi, maagdenblommen, leliepracht, van de wereld afgestorven, God beschouwend dag en nacht.

Zegt, wie zal elks lesse wezen, elks goe voorbeeld? Zegt, wie zal, onder zoo veel edele perelen, de eelste perele zijn van al?

Zegt, wie zal den vijand keeren, wie zal wakend voorengaan, wie den weg, de weiden vinden, wie de bronnen gadeslaan?

Hij zal werken, hij zal waken, hij zal sterven, doet het nood, en, lijk Jesus, zijnder kinderen hulpe en heil zijn, tot der dood.

Gouden rooze, vol van kracht en milde reuken, deur end deur, alles met de lucht verfrisschend van uw zoeten liefdegeur.

o, Wie pegelt al de schatten die gij, bloeiend roozenblad, God alleen bekend, de menschen onverstaanbaar, hebt bevat!

Dat is 't woord, o gouden rooze, dat ik in uwe tale vond; dat's de wijsheid van dat wapen: Gouden roozen, groenen grond.

Groene grond was 't, en goede eerde, waar gij 't leven hebt ontvaan, en waar eerst de gratielonken van Gods zonne u vonden staan.

Goede grond zijn onze herten, en de vruchten, ongeteld, zijn wij schuldig uwer goedheid, die nu rust in 't heilig veld.

Vruchten, weerd het milde zaaien van uw hand en al het werk van uw priesterlijk bezorgd zijn voor Gods volk en voor Gods Kerk.

Groene grond zal op het kerkhof haast verbergen 't heilig oord, waar gij rust en wacht de stemme van des Engels wekkend woord.

Maar geen groenen, geen verdroogen van het jaar of van het veld, dat de erkentelijke droefheid onzer herten palen stelt.

Neen, geen tijdstip, geen verjaren van uw sterfdag mindert ooit het geheugen van al 't weldoen, dat gij hebt rond u gestrooid.

Want wij hopen, schoon wij weenen, dat alwaar gij God geniet, gij het werk nog uwer liefde en al uw' kleene kinders ziet.

Ha, betrouwt ons dat wij zullen uwen name en uw blasoen, kleen- en grooten, rijk- en armen, naast onze ouders, eere doen.

Dank- en dierbaar zal hier blijven uw gedacht, en, waar gij zijt zal de weerklank u verheugen van uw naam gebenedijd.

Wij beloven 't en wij meenen 't, dat wij, ver van u voortaan, zullen werken, leeren, bidden, en met u standvastig staan.

Ja, standvastig als de boomen van dat vruchtbaar wapenveld, dat, vol gouden eekels, uwe en onze vrienden voorenstelt.

Vrienden, die aan ons u binden, schoon gij reisdet hemelwaards, en die, in uw' plaatse, ons zullen troosten, of gij zelv' het waart,

tot dat eens een' dag van vrede, een' dag van blijdschap God verleent, die hetgeen hij kwam te scheiden, in zijn goedheid, weer vereent.

Dit vereend zijn, -- _in aeternum!_ -- dat het eeuw- en ervig duur', na 't bedied van Gods onroerbaar woord: _Non commovebitur!_

[NOTA. -- Het wapenteeken, dat het edele geslachte _de Pelichy_ vertegenwoordigt, is: Op een groenen grond of veld eene zilveren of witte bare, onder welke eene, boven welke twee, te zamen drie gouden roozen staan, met deze kenspreuke: _Vulnerat et sanat -- : 't Kwetst en 't geneest_.

Het edel geslachte _Gilles_ vertegenwoordigen, op eenen blauwen grond of veld, een gouden keper, met, in elken overschietenden hoek van 't schild, een te zamen drie gouden eekels. Kenspreuke: _In aeternum non commovebitur: In der eeuwigheid en zal 't beroeren_.

Het wapenteeken van de twee verhuwlijkte geslachten te zamen, _Gilles_ en _de Pelichy_, is, gevierendeeld, aldus: 1 en 4 _Gilles_, 2 en 3 _de Pelichy_.]

ZIELGEDICHTJES

I

L.J.D.W.

1852

Het aardsche vat was al te teer voor 't machtige verstand, de band des lichaams kon niet meer weerstaan der zielen brand; hij brak... ze ontlook heur vleugelen en koos de hemelbaan: daar mag zij, zonder teugelen, God minnen, God verstaan.

II

H.L.B.G.

1852

Uw stemme, o Heer, hebbe ik vernomen: "Gaat in mijn wijngaard," sprak ze mij. Ik ben, gehoorzaam, er gekomen, al is 't dat ik onweerdig zij; en nauwlijks daar nog ingetreden of, met den wille alleen te vreden, zoo roept gij mij bij uwen throon, en geeft, voor onverdienden, loon, zoo veel aan mij als aan die 't ploegen en 't daaglijks strijden voor uw kerk, en d'hitte van den dag verdroegen, gegrijsd op 't heilig wijngaardwerk!

III

GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem.

1855

Welzalig is de sterveling, die nooit in kwade wegen ging, maar die zijn leven, dag en nacht, Gods wet bewaard heeft en betracht.

IV

J.F.C.

1855

Gelukkig die, in 't dorre zand van 's werelds vreemd Egyptenland, op weg ten hemelwaard, geen oogbedriegend weeldrig oord vergeefs vervolgend, op en spoort, maar zijnen weg bewaart.

Gelukkig die de wreede beet der wereldbraam zoo haast vergeet als hij ten Hemel schouwt, of die, in zijnen lentedag, een enkle blomme plukken mag, en... dat 't hem niet en rouwt.

Maar geen die ik zoo gelukkig nom als hem die 's werelds doorne en blom en 't jonge leven laat, om vroeg naar 't eigen land te gaan, waarheen de pelgrim, op de baan, nog reekende oogen slaat.

Gelukkig, jongst ontslapen vriend: nooit heeft uw ziel het stof gediend, op ijdelheid verzot; een enkele blomme pluktet gij: de zuivre blom der Poesij, en droegt die mee naar God!

V

D.J.V.K.

1858

Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen, de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weer aan; ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen, maar nauwelijks op, het licht is weer aan 't ondergaan!

Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen, 't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee en uit alle aardsche vreugd, -- mag vreugd heur name wezen? de zonne duistren zie in eene gloriezee.

De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen, gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron; de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten, en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten, die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon.

VI

P.F.J.S.

1755 * 1858

't Geen waarvan de droeve menschen altijd klagen hier beneen, 't geen waarnaar zij 't meeste wenschen hebt gij honderd jaar geleen.

Maar, weer m'oud wordt en grijsharig, weer onmondig kind verscheidt, -- gij wierdt honderd-en-driejarig, -- schilt het iets in de eeuwigheid?

Zegt, wat hebt gij meer verworven, mocht gij in den Hemel gaan, als het kind met u gestorven, en naast u in 't graf gedaan?

Jaren, maanden, dagen, uren, ware 't honderd, duizend jaar, zijn, bij Gods oneindig duren, of het niet een stonde en waar!

VII

K.J.D.C.

1859

Gelukkig die, van kindsbeen af, Maria gansch zijn herte gaf, en, tot zijn laatste stonden, bij haar en haren Zoon alleen den troost in 's werelds droef geween gezocht heeft en gevonden!

VIII

A.D.K.

1859

Een kind ontsliep: wie anders weet als moeders herte ervan, en Jesus', die 't gewonnen heeft en nooit meer kwijt en kan?

IX

E.J.B.

1859

Naar sterren, als de zonne uitschiet, en vraagt men noch en zoekt men niet. De nacht,... hij brak, de zonne klom, uw zonne... Gij zeidt: willekom! en vloogt, o vriend, en leeft nu, waar geen nacht meer is en sterreklaar lijk hier, maar dag, bij God den Heer, en nacht, dat en wordt het u nimmermeer!

X