Chapter 2
Menigen oest hebt gij zien bloeien, brave man; menigen meitak moest gij nog op uw volle schure steken, maar de Heere heeft de maneschijnen verkort, die gij nog tellen zult, terwijl gij ligt en zucht op het bedde des lijdens, onder eene zoo smertelijke plage! En, waarom zou ik hier, uit nieuwerwetsche kieschheid, mijne tale geweld aandoen en u bij uwen naam niet noemen, schrikkelijke kanker, bliksemstrale des Alderhoogsten, gruwbare doch heilige smerte, sedert dat het bloed van den lijdenden God alle menschelijke smerte geheiligd en gezalfd heeft? Waaromme en zou ik u niet noemen, Dienstengel des Heeren, uitvoerder van Zijnen altijd aanbiddelijken wille, u, door wiens handen God zoo menigen zucht van liefde, zoo menig woord van verduldigheid, zoo menigen wensch naar den Hemel, zoo menige offrande van zijn eigen zelven ontvangen heeft, gelijk al zoo menige blommen, geplukt in het herte van den lijdenden Christene?
Ja, hij draagt liefde tot God, hij die Hem kan gebenediden, wiens geesel hij herden moet; hij die kan de hand zoenen die hem heeft geslegen!
Dat kon hij, die goede smertlijdende vader, en daar kon hij meer als gij kunt, hedendaagsche nieuwopgebrachte jeugd, die, noch in de overdaad uwer schuldige vermaken, noch in de overmacht van de straffende pijnen die op u loskomen, uw zelven meester en zijt; maar die, oftewel het leven, de gave Gods, onder de voeten stampt, of waar 't een ondier, oftewel lastig uwe vroeg versletene dagen sleept, gij en weet noch en roekt niet waar naar toe!
Wij troostten den armen man, of beter hij troostte zijn eigen zelven in den Heere. "Heere," zeide hij, "'k had hem van U ontvangen, ik zag hem zoo geerne, en Gij hebt hem van mij weer aanveerd; het was toch zulk een braaf kind!... Eduard, Vader gaat allichte achterkomen; bidt voor mij in den Hemel!... Ha!... 't zijn toch al Gods werken, wij moetender Hem vooren dank wijten, en ons aan Zijnen wille gedragen. Ah... wat dingen moet het zijn voor die geenen God en hebben!..."
De bare stond voor de deure, en alles was allengskens in gereedheid gekomen, om te vertrekken: met ontdekten hoofde ontvongen wij de kiste, en schudden er godvruchtig de plooien rondom van den maagdenpelder.
Even als men eenen strijder uit het slagveld draagt, gewonden in 't vaandel, waaronder en waarvooren hij gevallen is, zoo droegen wij onzen vriend, uit het strijdperk dezer wereld, onder "_'t blauwe kruis in het blanke veld_" des vaandels van Maria, en onder de zilveren zegekroone des Maagdendoms. Drie kleene jongens, bleuzende van gezondheid, en die al lange te wachten stonden, kwamen toegeloopen als ze zagen dat het schoon gepintte kruis uit den huize te voorschijn kwam! Ach, zij keken zoo drukkelijk in de roodgeweende oogen der zwijgende zuster, die hunne handtjes verborg onder den witten doek, waarin zij 't kruiske dragen moesten; en, weenden hun oogskes omdat ze zagen weenen en treurig zijn, zeker danste hun hertje van blijdschap, om het schoon schoon kruis! Lange nog zullen ze 't, met hunne kleene makkers, bewonderen, al spelen en al blomkes trekken op het kerkhof; zij zullen 't malkaar toogen en wijzen met den vinger, zonder het te durven genaken of de aarde stooren waarover 't zal geplant staan.
Elk ende een had nu zijne plaatse gevonden in de eenvoudige landsprocessie, die ging aanvang nemen. Noch en waren die kruisen van gevlochten strooi vergeten gebleven, die, aan de hoeken van de straten geleid, als eenzame bedelaars den voorbijgaanden Christene eenen "Weest-gegroet" voor aalmoese vragen. Het lijk wierd opgeheven en met de voeten kerkwaards gekeerd. Moeder kwam te voorschijn, met de overige familie, om ons te volgen; en Vader zelve, den oogenblik dat het op scheiden aankwam, stond op, vestte zijne oogen staal op de kiste, wenschte zijn kind, en ons te zamen, den alderdroevigsten "God beware u!" en traagzaam gingen wij van 't hof, onder de geleide van 't bloeiende, blinkende Kruis.
Dood was de stam van dat Kruise, en de winden voerden -- waar wete ik? -- het speelzieke loof! Nooit en zou 't blommen noch blaren meer vinden, nooit,... als in d'handen van 't Christen Geloof. Dood was het hout, maar het hout moest herleven: dood was zijn blad, maar de Christene Maagd had het een blad en een blomme gegeven, schoonder en beter als 't levende draagt: blom van Geloof, dat de ziel niet kan sterven, blomme van Hope op een zalig Hierna; blomme van Liefde, die alles kan derven, laat g'haar het Kruis, want het Kruis is gena! Kruis, waar een God heeft zijn bloed op vergoten; kruis, dat den Satan hebt nedergeveld; kruis, dat de poorten der helle gesloten, kruis, dat den Hemel hebt opengesteld; kruis, te vergeefs door de wereld bevochten, treedt, als banniere, de lijkvaart in top: kruis met de Christene blommen bevlochten, treedt als banniere, wij volgen U op! Is 't door de Helle, -- de Helle zal zwichten; is 't door het sterven, -- het sterven is _niet_, niet als het uitgaan der slapende lichten, als weer de zonne in de renbane schiet; is 't door die zee van kleenhertige slaven, die maar het Kruis aan 't gewicht ervan kent; is 't door de zee van de wereld, de haven staat en verwacht ons, met 't Kruise eromtrent: is 't door de blijdschap of is 't door het lijden, valt er te worstelen, valt er te strijden, hem zal de borstweer, het Kruise, bevrijden tegen 't geweld en het storremgebons: hem, die voor 't Kruise, en met 't Kruise, kan sterven, hem die, om 't Kruis noch den zege te derven, terdt op de dood en, bij duizende werven, gallemt: Hosannah! de zege is aan ons!
Zoo gingen wij al peizen langs den weg, en geen een van ons die een woord sprak.
Onze oogen en ons herte baadden ondertusschen zoo diepe en zoo verre in de oneindige zee van blauwe lucht, rustende op een andere zee van groene, wentelende, wijd rondom ons strekkende koorenvelden. De zonne regende heure stralen over onze hoofden, in 't herte van 't schietende loof, in 't geweefsel van de uitkomende bladeren, in den schoot van den dankbaren grond. De blommekes langs de bane schoten uit hunnen slaap en wendden naar den Hemelkoning; het ronkende vliegske schreef zijne aangename krinkels in de lucht, de lachende beke liep lustig voorbij, al blinken onder 't striemende vlotgers; hagen en kanten schetterden van 't gevogelte; de kruidekes langs den weg zongen van de plunterende moschbien; de leeuwerke schudde zijn vlerken uit, ging zitten preken op de locht; en de koekoet riep ons van verre zijn zoeten "goeden dag" toe. Vogelkes zagen wij langzaam omhoogeklimmen, al draaien rond malkaar; dan schoten zij weer pijlrecht omleege, slingerden snel achtereen, door struiken en tronken voorbij, en zaten en scholden elkander, in twist om 't gevangene vliegske; terwijl verre van ons, de voorzanger in het hooglied aller vogelen, klagend het laatste gebed, den _Amen_ zong en het slot van zijne heerlijke morgengetijden. Kruiden, grachten, weiden en 't vochtige land, alles doomde en ging op, lijk wierook, in 't vier van de bakelende zonne. De landslieden, die ons zagen voorbij gaan, prentten hunnen knie in den zachten vloer van den wijden tempel des Heelals, en, "in den naam des Vaders ende des Zoons ende des Heiligen Geest," wenschten zij den voorbijganger goe reize naar den Hemel, zeggende: "God gelieve zijne ziele in de eeuwige ruste! Amen."
Ha! verre van ons, en gelukkiglijk uit onze oogen, lag er misschien toen zoo menige stede op haren uitgestrekten steenhoop te zuchten en te zweeten, in 't gebroel van de onverkoelde zonne; menige hooveerdige schouwe spoog zwarten rook in 't aangezichte des Hemels; menig werkhuis daverde onder 't ontzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier gebonden liggenden dampreus, en joelde jammerlijk van de schijverende raders, van de ronkende riemen, van 't gezwets, 't geklaag, 't gelach, 't gefluit en, -- God vergeve 't hun! -- 't gevloek van eenen samenroerenden menschenzwerm; menig krielende strate liep vol lieden, wier oogen, wier tale, wier asem, wier haastige stap, niet anders uit en gaf als zucht, brandende zucht, naar een ontbrekende dingen, nooit achterhaald of seffens weer ontvlogen; en wij, -- lof zij den Heere! --wij wandelden sprakeloos in 't midden van ons dierbaar Vlanderland; wij, van niemand gezien of 't en is van God en zijne eigene landslieden, --ja, lof zij den Heere! -- wij waren en wij voelden ons gelukkig, en we droegen een lijk!
De strate ging al winkelen voort en wij gingen al wenden erachter, schouwende al te mets naar eene sterre, die, daar voor ons, boven op den Kerktorre zat te blinken, gedoken nu en dan in de kruine der boomen.
Zoo pinkelt de avondsterre, als de koeien naar huis komen, traagzaam en dragende aan de melk die zij, gewonnen in de weiden, goedaardig en vreedzaam naar huis brengen.
Wij gingen en volgden den hane op den kloktorre, die nu op onze rechtere hand, dan op onze slinkere hand uitkeek, langs den keerenden Kerkwegel.
Eindelijk, na dikwijls verpalmd te hebben aan het stoffelijk overblijfsel, dat, hoe licht het ook was, toch hoe langer hoe lastiger wierd om dragen, gerochten wij op de bree strate, en daar, na een kleene stonde rustens, rees hij tot boven onze hoofden, hij, die de nederigste van ons allen was, en wij droegen hem op onze schouders. Zijn blanke en blauwe lijkgewaad sloeg in den wind, en waaide rondom ons, gelijk weleer zijne goede voorbeelden; of godvruchtig hielden wij 't in onze handen, ten teeken van getrouwigheid, en verborgen er onze tranen in, gebogen als wij gingen onder den heiligen last.
Stap... stap... stap... klonk het over de steenen, als een droevige maatslag, bij 't snikken en 't weenen van de Moeder, het helder geklaag van de Zuster en het pijnlijk gesteen van den Broeder des overledenen, den Broeder, die meer gedwongen en in grooteren nood als wij, weenen moest en niet weenen en kon.
Ha! beklaagt hem, die, gevangen onder 't wegen van de pijn, niet en kan een trane ontvangen, weenen, en gelukkig zijn! Arme schaap! hoe moeste het lijden door end door zijn herte snijden, daar het bleef in barensnood van de bittere vrucht ontbloot!
Tranen, bittere vrucht des lijdens, drank die 't smachtend herte laaft, zaad der vreugde en des verblijdens, die God zelf verlichting gaaft, toen, nog wandlende op de wereld, menige uur Zijne oog, bepereld en met droefheid overlaan, stortte aanbiddelijk getraan!
Tranen, als bij noenenstonde 't blusschend reegnen op het kruid, als de perel die de wonde des gekwetsten pijnbooms sluit, als de frissche navondkoelte na de heete zomerzoelte, zoeter, ja, veel zoeter nog, zijt gij, bittere tranen, toch!
Dank! o Heere, die me ontsloten hebt de bronne van 't getraan, die 'k zoo dikwijls heb genoten, dikwijls er naar toe gegaan: moet het krimpend alsemdrinken vriend of vijand mij nog schinken, geeft mij, anders niet, o neen, geeft mij dat ik tranen ween'!
Stroom van droefheid, eedle tranen; bittere beken des geweens, hoe kunt gij den wegel banen ter vertroosting! Wat gemeens hebt gij, druppelen van de smerte, met den honingdauw des herten; waarom, als ik lijden moet, zijt gij, tranen, mij zoo zoet?
God zijn wegen zijn verholen, als Hij zalfkruid wassen doet waar de slange zit verscholen die den wandlaar bijten moet: dank aan Hem, aan Wien 't bekend is of er mate in onze ellende is, dank aan die 't geween daarvan met het weenen troosten kan!
Aldus kwamen wij, onder groeienden toeloop van ingetogen nieuwsgierige christenen, tot nabij de Kerke.
Welkom! Welkom! riepen de klokken, in ruischenden zang. Welkom! Welkom! zong onze heilige Moeder, toen zij haar kranke kind, op onze schouders gesteund, voor den laatsten keer zag aankomen. Geknield nevens het lijk, en met blooten hoofde, ontvongen wij Heuren zegen, gesproken en bevat in de perelende druppels van het wijwater; de lijkdeure sloeg open, en zingende trokken wij binnen, tot waar wij stil hielden, en bleven staan voor het heilig tabernakel des Heeren.
Mysterie!... Mysterie en diepe verholentheid was al dat er nu verder nog ommeging.
Mysterie... voor eerst, als, uit hunne graven en weer levende geworden, daar te voorschijn kwam heel de schrikbare aloudheid des Christendoms: Job, vol wonden en zeeren; het gezalfde hoofd Davids, met de asschen bestrooid der boetveerdigheid; de oude koning Ezechias; Zacharias met het wierookvat, en Paulus met het zweerd, traden langzaam vooruit, stonden stille en staal over de tombe te schouwen, tot dat elk, op eenen toon die hem eigen was, en die nochtans klonk gelijk de stemme des Alderhoogsten, de droeve wisselklachten aanging ende kloeg
Van het slijk daar we in geboren zijn, van het stof onzer eindelijke rustplaatse. Van het blad daar de wind mee speelt, van de blomme die uitkomt en vertorden ligt. Van den draad, dien de wever afsnijdt, van de wegvliegende schaduwe des levens. Van de menigvuldige zonden der jonkheid, van de genezinge des vleeschs. Van den half afgebroken levenswandel,...
en van de opene deure des grafs, waaruit Job eindelijk alleene bleef klagen: _Miseremini!_ hebt medelijden met mij, gij die mijne vrienden zijt, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!
Ja, maar de slotsomme van de groote klachte bleef nog ongeklaagd en het schrikbare woord verviel nu op de heilige Kerke zelve. Een driemaal gekroonde, driemaal gescepterde Priester verscheen, en, staande in het midden der Vaderen, die van voor Hem wegschoven, zoo verkondigde Paus Innocentius, op de trompetten der Cherubim die uit den orgel daverden, die trompette die eens alle vleesch verschrikken moet. _Dies irae_ klonk het,
Kwade dagen, die al de dagen eens lijk asschen weg zult vagen, zoo 't Sibille en David zagen!
Welk een gruwel 'n zal 't niet wezen, als de Rechter, opgerezen, 't goe zal uit het kwade lezen!
Wondere trompetrumoeren zullen al de graven roeren, al die dood zijn throonwaards voeren.
Stom zal staan de Dood en 't Leven, als de dooden antwoord geven, staan, en voor den Rechter beven.
't Zal een boek te voorschijn komen waarin 't al staat opgenomen dat het oordeel Gods moet schromen,
als de Rechter, neergezeten, al 't verdoken kwaad zal weten, straffen ende niets vergeten.
Wie zal dan toch mijn verweer zijn, wat mijn voorsprake of begeer zijn, als de goeden zelf verveerd zijn?
Koning, schrikbaar en grootmachtig, bron van goedheid, nederslachtig bid ik U, weest mij indachtig!
Jesu, wilt toch wel gedenken: als gij mij kwaamt 't leven schenken, was 't om me op dien dag te krenken?
Jesu, moe van zoeken naar mij hebt Ge 't Kruis geleen, en daar mij eens zoo dier gekocht: ach spaart mij!
schoon 't Uw recht zij van te wreken, wilt mij vrij van zonden spreken eer die dag komt aan te breken!
'k Zuchtte als een ter dood verwezen, maar mijn schaamrood schuldig wezen hoopt op Uw bermhertig wezen;
Wierd Maria 't eeuwig leven, wierd den moordnaar hoop gegeven, hopen durve ik ook, en beven.
Heere, onweerdig is mijn bede; doch, laat me, uit goedjonstigheden, vrij van 't vier der eeuwigheden!
Laat mij bij uw schaapkes weiden, wilt mij van de bokken scheiden en ter rechter hand geleiden.
Moet gij dan vermalediden en het eeuwig vier doen lijden roept tot mij: "Gebenediden!"
Want ik kome al jammerklagen, 't herte als asschen rouw geslagen, hulpe in mijnen doodstrijd vragen.
Dag van weedom en van boeten, als gij zult verrijzen moeten en gerecht zijn om uw' zonden,
mensch, God spare u in die stonden! Zoet Heere Jesu mijn, laat ze in ruste en vrede zijn, in alle eeuwen! Amen.
Mysterie!... de wolkende wierook, die langzaam uit het gloeiend herte des zilvers omhooge steeg, en van daar onzichtbaar nederviel in eenen regen van smeltende balsemgeuren, die de Kerke doorwasemde en die bleef hangen aan onze kleederen, even als het klimmende en 't wederom neerdalende gebed des aanhoorden rechtveerdigen!
Mysterie!... van schitterend Geloove, Hemelwaards ziende Hope en brandende _Charitas_, die fakkels die rond de tombe flikkerden, in een aangenaam vertoog.
Mysterie!... die mindere lichten, die ons den priester te gemoet leidden, toen hij van den hoogen autaar kwam en met de godvruchtige menigte gemeenschap hield, in 't offeren van het onbloedige slachtoffer!
Mysterie!... 't omhelzen van de goudene patene, den slachtbank en den offerschotel van het heilige Lam des Heeren! Wel zijt gij weerd omhelsd te worden, koninklijk metaal, dat, gewend van overal elders te gebieden en meester te zijn, hier dienstbaar ligt onder de voeten des Heeren Jesu, en op den autaar des Alderhoogweerdigsten, onschuldig zelve, de ontelbare schulden helpt uitboeten, die, om u, met u en door u, gepleegd zijn!
Mysterie!... het driemaal hellemende gerinkel, dat het licht verstrooide volk indachtig maakt hoe diepe de bevende Priester alree getreden is in het Heiligste der Heiligdommen!
Mysterie!... als, bij 't nederkomen des Heeren, alles zweeg en roerloos bleef; onze hoofden in onze handen vielen, lekende van tranen, en driemaal in de hoogte, het koper door de vervaarlijke stilte daverde, zidderde, en bleef beven, tot in de steenen van den tempel, tot in de graven beneen den marbelen vloer!
Mysterie!... gezegende en troostelijke stemme der klokke, die, willekom en onder wege half weggesmolten, als een Engel van vertroostinge, zachtjes de lucht liept stooren in de kamer en rondom de sponde van den lijdenden Vader, hem verkondigende dat Jesus andermaal, onbloedig, voor Eduard zijn kind, geleden had en gestorven was! Ja, de peerlen van leed en smerte ontschoten misschien wel den braven man zijne oogen, op het afgeluisterde kloppen der Elevatieklokke, maar even zoo dapper slierden en vielen de versletene Paternosterbeiers door zijne biddende vingers, onder het denken aan Hem die aan 't kruis stierf, aan Haar die eronder stond en leven kon: aan Hem en aan Haar die nu, boven alle smerte, in den hoogen Hemel heerschen.
Och! hoe troostelijk is het, na die heilige Mysterien godvruchtig bewonderd te hebben, en zijn herte gelaafd in 't gebed, omhangen nog met de zoete wierookreuken, hand en hand te staan en reisveerdig ten gravewaard, met eenen afgestorven Broeder! Hoe troostelijk de stemme te hooren onzer eerbiedweerdige Moeder, die heur kind den letsten zegen geeft! Hoe troostelijk, als de orgelklanken dreunen, de klokken tribbelen, de kerkdeuren opengaan, het Kruis voorenop treedt, de wind in de vane slaat, het lijk ommekeert, omhooge rijst en voortgaat, onder het luidruchtige vaarwel der heilige Kerke, dat gelijkt aan het reisteeken van eenen triomphetocht!
_In Paradisum!_ De herten beven in de boezems, de wangen slaan bleek en krimpen weg, tranen verduisteren 't gezichte, de knien wankelen onder den last des lichaams. _In Paradisum!_ Men weent, men weet niet waarover noch waarvan; men weent, men is blijde, men is getroost, men is trotsch van te weenen; men spreekt noch men hoort geen spreken meer, men peist noch men weet wat er omgaat, 't lichaam ziddert in de stemme des orgels, en de ziele vloeit weg ten Hemelwaard, in de stemme van dat wonderbare _in Paradisum!_
Ten Paradijze geleiden u de Engelen, gaat met de heilige Martelaars mede, en uit Jerusalems zalige muren komen de zingende Chooren u tegen! Gaat, eens met Lazarus arm en ellendig! rust... in alle eeuwen der eeuwen onendig!
Met zulkdanige gevoelens stonden wij op den 5den dag van Meie, 't jaar 1858, in 't herte van West-Vlanderen, binst den brandenden noenenstond, te Staden op het kerkhof. Het Kruis was voor eene laatste maal in het graf tot op de kiste gedaald en had daar driemaal een teeken van zaligheid geteekend.
Zoo teekende Moeder uw voorhoofd weleer en streelde met het Kruis uw oogskes toe, wanneer zij u, -- hopende Moeder! -- al bidden en zingen in slape had gezongen, in uwe aldereerste kindsheid, gij die nu ligt en slaapt in den schoot der aarde.
De holde klank van het stof dat de Priester, onder heilige woorden, op de kiste liet vallen, het schraven van de koorden die men er van onder haalde, verdween welhaast met den laatsten _requiescat_, met den laatsten kronkel wierooks, die stillekes uit de stervende kolen en tusschen de zilveren ketentjes wegkroop in de ijdele lucht... en verdween: alles viel stille als de dood zelve, alles scheen te wachten naar iemand om het woord van scheiden uit te spreken, 't geen eindelijk gedaan wierd in dezer voegen:
Mijne beminde en dierbare Leerlingen!
"Het is mijne plicht, alle dagen, onder Ulieden het woord te voeren; heden, dat wij niet meer in het stille schoolverblijf maar te zamen op de boorden staan van een graf, heden en zal ik nochtans aan deze mijne plicht niet te kort blijven, maar u hier mijne dagelijksche lessen voorenhouden. Doch! wat behoort het mij te spreken, toen alles rondom ons zoo eene klare tale voert, ja toen de doode stilte van dit Kerkhof zelfs tot in onze gebeenderen ziddert!... Spreekt gij liever in mijne plaatse, o Engel des doods, op wiens erfgebied wij hier staande zijn; spreekt gij, en leert ons uwe zoo dikwijls herhaalde, dikwijls verstane en even zoo dikwijls vergetene lessen. Spreekt gij in zonderheid, afgestorven Broeder, spreekt gij, alderdeugdzaamste Jongeling, waarvan uwe oversten zeggen en getuigen "dat gij maar opgehouden en hebt kind te zijn om Engel te worden!" Spreekt, mijn dierbare Vriend, mijn leerling en mijn kind: spreekt en verhaalt ons hoe de Engel des doods aan u toch geenen zegepraal gewonnen en heeft, maar hoe gij, integendeel, op zijne vlerken gesteund, het Hemelrijk zijt binnengeklommen. Spreekt, vereeuwigde ziele, en verhaalt ons met welke vreugd de Gever van alle goed uwe minzame deugden beloond heeft; met welk een kleed van Hemelschen glans uw onaangeraakte zuiverheid, met welke kroone van eere uwen wonderbaar grooten ootmoed, met welke liefde uwe liefde en uwen eerbied voor uwe Ouders en Meesters, en eindelijk, welke prijs u betaald is geworden voor dien zucht, die wondere en zeldzame gifte des Heeren, die u van kindsbeen af verlangen deed naar het kleed en de kroone, naar de zoetheid en de bitterheden van het heilig Priesterdom. Spreekt, o onze dierbare Vriend, spreekt en vertroost uwe Ouders, aangezien geen een van ons ze troosten kan! Troost dien Vader, die zijn eigen lijden verborg, om het uwe niet te vermeerderen; die God zijn leven ten besten gaf, wilde Hij het uwe daarom sparen; spreekt en zegt dat gij welhaast misschien, als Engel des Heeren, bij zijn bedde zult staan, hem in zijnen doodstrijd hulpe bien en zijne ziele ten Hemel voeren. Spreekt en troost de vrouwe die u gewonnen, geboren, gezogen en gekweekt heeft voor den Heere; troost uwe Moeder, die er bij dage altijd zoo blij uitzag, uit vreeze van u te bedroeven; die, vlijtig, met een hand de drinkschale ontving van haar lijdende Kind en met de andere eenen stoel bijschoof voor den bezoekenden Priester, maar die bij nachte, alleene en verborgen, voor haar Kruisbeeld, daar den lang weerhouden stroom van tranen liet gaan, en heur gebroken herte ontlastte. "Moeder," zoo zegt haar, "gij vroegt aan God eenen Priester, de Heere heeft u verhoord, Hij heeft u geenen Priester gegeven, maar eenen heilige, eenen Engel in den Hemel, die, zonder den last des Priesterdoms te moeten dragen, al de genuchten daarvan geniet, en daar, in die oneindige Kerke des Alderhoogsten, aan den autaar van het Lam zelve, voor u staat te bidden.
Spreekt gij nu ook, mijn brekend herte, als 't is dat gij nog spreken kunt...
Maar neen, 't wordt tijd dat wij scheiden.
Afscheid nemen wij dan van u, onzen lieven broeder, met de laatste trane der vriendschap, met de laatste bede des Christenen, met den laatsten zegen des Priesters...