Chapter 1
Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe
KERKHOFBLOMMEN
_In De Nederlandsche Boekhandel zijn nog verschenen:_
Guido Gezelle's Volledige Dichtwerken
10 deelen ingenaaid fr. 16.--; 8 deelen gebonden fr. 25.50
daarvan zijn afzonderlijk verkrijgbaar
ingenaaid gebonden I. Dichtoefeningen fr. 2.-- fr. 3.25 II. Kerkhofblommen " 2.-- " 3.25 III. Gedichten, Gezangen en Gebeden. Kleengedichtjes " 2.-- " 3.25 IV. Liederen, Eerdichten et Reliqua " 2.-- " 3.25 V-VI. Tijdkrans " 4.-- " 5.50 VII-VIII. Rijmsnoer " 4.-- " 5.50 IX. Hiawadha's Lied " 2.-- " 3.25 X. Laatste Verzen " 2.-- " 3.25
Kleengedichtjes 2 deeltjes met rood kader versierd, klein formaat fr. 1.-- In 2 deeltjes gebonden " 2.--
GUIDO GEZELLE
KERKHOFBLOMMEN
ACHTSTE DRUK
Met voorwoord van CAESAR GEZELLE
SCHOOLUITGAVE
DE NEDERLANDSCHE BOEKHANDEL Bestuurder L. H. SMEDING ANTWERPEN -- 50 St. Jacobsmarkt 1906
TER INLEIDING.
1. Guido Gezelle. -- _Zijn leven en zijne werken_.[1]
Guido Gezelle werd geboren te Brugge den 1en Mei 1830. Tot October 1846 was hij student aan het College te Brugge en van 1846 tot '50 aan 't Klein Seminarie te Rousselaere. Van October 1850 tot het einde van '53 deed hij zijne priesterstudien aan het Seminarie te Brugge en keerde toen als leeraar naar Rousselaere terug; hier had hij, achttien jaar oud, zijn eerste gedrukt vers, De Mandelbeke, gedicht.
In 1858 verscheen van hem een eerste bundel: _Vlaemsche Dichtoefeningen_, eene keuze uit zijne verzen sedert tien jaren; en datzelfde jaar 1858 dichtte en schreef hij, op twee dagen tijds, zijne _Kerkhofblommen_. In 1862 verscheen, verzameld door twee van zijne leerlingen, een bundel met naam: _Gedichten, Gezangen en Gebeden, een Schetsboek voor Vlaemsche Studenten_.
In 1860 keerde hij naar Brugge terug en bleef er, tot 1865, onderrector en leeraar in de wijsbegeerte aan het Engelsch Seminarie, en werd toen onderpastor in Sint-Walburgis-parochie, tot in 1871.
Den 17en Juli 1864 stichtte hij een politiek weekblad, _'t Jaer '30_, dat in 1870 werd gestaakt, en den 2en December verscheen het eerste nummer van een ander weekblad door hem gesticht: _Rond den Heerd_, een volksblad over letterkunde, wetenschap, geschiedenis, folklore, waarvan hij tot in 1871 den last heeft gedragen.
Den 20en September 1871 werd hij onderpastor der O.-L.-V. kerk te Kortrijk. _Liederen, Eeredichten en Reliqua_, een derde bundel, verscheen eerst in 1880, doch behoort om zijnen inhoud voor het grootste deel tot de jaren 1860-70.
In den eersten tijd dien hij te Kortrijk doorbracht, hield hij zich alleen met taalstudie bezig; in 1860 was zijn _Noordsch en Vlaemsch Messeboekje_ verschenen; hij droeg veel bij tot De Bo's Idioticon; in 1881 stichtte hij als voortzetting van dit werk zijn eigen tijdschrift tot woordzanting en woordverklaring _Loquela_ en in 1890 stichtte hij nog _Biekorf_, een twee-wekelijksch blad voor West-Vlaamsche letteren en Wetenschap.
In 1886 gaf hij in het Davidsfonds de Vlaamsche vertaling uit van Longfellow's _Song of Hiawatha_, de omwerking van eene eerste vertaling door Dr. E. Lauwers.
In 1893 laat hij het eerste van zijne twee meesterwerken _Tijdkrans_ verschijnen, een bundel natuurschilderingen, met al te talrijke gelegenheidsgedichten, en in 1896 het tweede: _Rijmsnoer om en om het jaar_, waaraan in 1900 de vijfjaarlijksche staatsprijs werd toegekend.
Hij was in 1886, bij de stichting der Koninklijke Vlaamsche Taalkamer, lid geworden van dit genootschap, op welks last hij de uitgave bezorgde van _Hennen van Merchtenen's Cronicke van Brabant_ (1896). Op 't laatste van zijn leven ondernam hij de vertaling van Z.D.H. Mgr. Waffelaert's _Meditationes Theologicae_ en werd op 30en April 1899 naar Brugge geroepen als Bestuurder der Engelsche Augustijner Kanonikessen; zes maanden later, den 17en November 1899 overleed hij.
Het volgende jaar verschenen zijne nagelaten gedichten in een bundel _Laatste Verzen_.
[1: Z. _Gesch. d. Vlaamsche Letterkunde van het jaar 1830 tot heden_. Th. Coopman en L. Scharpe. Antwerpen 1899. 10e aflev.]
II. _Zijne Taal_.
Schrijft Guido Gezelle West-Vlaamsch?
Er is West-Vlaamsch en West-Vlaamsch.
Het eene, dat men de West-Vlaamsche spreektaal kan noemen, is de taal zooals ze door het volk in West-Vlaanderen gesproken wordt en die verschilt van stad tot stad, van dorp tot dorp. Deze taal, of talen liever, zijn niet _het_ West-Vlaamsch, maar de West-Vlaamsche gewestspraken, die bestaan nevens de Oost-Vlaamsche, de Antwerpsche, Limburgsche en Brabantsche.
Op de grenzen dier gouwen loopen de dialekten in malkaar, en, langs eene gamme van kleine verschillen, worden ze op den duur zoo verschillend, dat de Vlamingen van eene gouw voor die van eene andere somtijds moeilijk te verstaan zijn; zoo zal bijvb. een bewoner van de West-Vlaamsche polders meestal niet eenen Kempenaar verstaan.[1]
Daarnevens werd in West-Vlaanderen door Deken De Bo en Guido Gezelle en door hunne volgelingen, eene West-Vlaamsche schrijftaal gebruikt, die in eene gansch andere verhouding staat met de taal der overige Vlaamsche gouwen, immers ze staat alleen, en die ook merkelijk van de gesproken taal in West-Vlaanderen verschilt. En hoe?
"Natuurlijk," zegt Gezelle zelf, "zal een Vlaming geen ruw en ongezuiverd Vlaamsch gaan schrijven, zooals hij het op de straat hoort, -- evenzoomin zou hij met ongemeulend koorn naar de markt gaan; zoo schrijft hij niet: "'t en e chee waa," maar: "'t en is geen waar." Niet: "Mettak weg was kwampi," maar: "met dat ik weg was kwam hij."
Gezelle's taal is dus de gezuiverde spreektaal uit West-Vlaanderen. Maar hoe gezuiverd?
Zooveel mogelijk heeft hij voor regel genomen, onze verfranschte en verhoogduitschte taal naar het voorouderlijke Vlaamsch te verbeteren:
"Ik heb liefst naar oude Vlaamsche dichters opgezien en zooveel mogelijk die tale gebruikt, die bij Maerlant en andere te boeke staat en die, Godlof, alhier nog levende gehoord en gesproken wordt."
Het West-Vlaamsch gaf daar aanleiding toe, immers:
"De taal dier oude gewrochten is in West-Vlaanderen met de _zuivere_ volkstaal eene en dezelfde gebleven.[2]
Het West-Vlaamsch moet, volgens Dr. Snellaert, in de middeneeuwen grootendeels voor regel in het schrijven gediend hebben; ingezien den bloei van Brugge, Damme en Sluis, zal de taal er met de betere beschaving wel gelijken voet gehouden hebben.[3]
Tot dat, men mag dus zeggen, Oud-West-Vlaamsch, is Gezelle wedergekeerd, om de spreektaal uit West-Vlaanderen te verheffen, te louteren en te verrijken tot schrijftaal.
[1: Men raadplege daarover: _Van de Schelde tot de Weichsel_, J.A. Leopold en L. Leopold. 2 deelen, Groningen 1882.]
[2: _Dichtoefeningen_, Verantwoordinge.]
[3: ibid. ibid. en _Belgisch Museum_, 8e d., bl. 159.]
III. _Kerkhofblommen._
1o. _Hun ontstaan_.
[Illustratie:
EXIMII ET DILECTI CONDISCIPULI
POESEOS ALUMNI IN MINORE SEM. ROLLAR.
ATQUE IN CHRISTO FRATRIS IN MEMORIAM.
TER DIERBAER' EN ZALIGER GEDACHTENISSE _van onzen_ BEMINDEN BROEDER IN CHRISTO MYNHEER EDUARD VAN DEN BUSSCHE, STUDENT IN POESIS EN LID DER CONGREGATIE VAN O.L.V. ONBEV. ONTV., IN 'T KLEEN SEMINARIE TE ROUSSELAERE; _die geboren te Staden op den 10 Januarii 1840, aldaer in den Heere verscheiden is op den derden dag van Meije, wezende heilig-Bloeddag, van 't jaer 1858._
R.I.P.
Zoo der ooit een bloemke groeide Over 't graf waerin gy ligt, Of het nog zoo schoone bloeide -- Zuiver als het Zonnelicht, Blank gelyk een Lelie blank is, Vonklende als een Roozen hert, Nedrig als de need're ranke is Van de Winde daer me op terdt, Riekend, vol van honing ende Geren van de bie bezocht -- Nog en waer't, voor die U kende, Geen dat U gelijken mogt! G.G.
Eja dulcis anima, eja dulcis rosa, Lilium convallium, gemma pretiosa, Cui carnis foeditas extitit exosa Felix tuus exitus morsque pretiosa! St. BONAVENTURA.
_Rousselaere, ged. by Stock-Werbrouck._]
Dit is de rouwgedachtenis of het doodsanctje door den Meester opgesteld bij 't afsterven van eenen zijner leerlingen; met zijne studenten trok hij op om de begrafenis bij te wonen. Alles wat hij er zag en hoorde en wat in zijn geest groeide tot beeld, alles wat in zijn hert werd gewekt van gevoelens, schreef hij neer bij het t'huiskomen. Op twee dagen was het af, en korte weken nadien kwam zijn eerste werk uit: _Kerkhofblommen, geplukt en bewaerd ter nagedachtenesse van zaliger Mijnheer Edewaerd Van den Bussche, geboren te Staden..._
Een meesterwerk.[1]
2o. _Ontleding_.
De dichter heeft den gang der gebeurtenissen gevolgd en ze opgeteekend naarmate ze voorkwamen; de beste ontleding zal hierin dus bestaan, dat wij hem volgen, stap voor stap op den weg dien hij voorging, verwijlend een oogenblik bij iederen tred, om de christenheid en de diepte van zijn _gevoelen_, de kracht van zijne _opvatting_, de schoonheid van zijne _beelden_ en de macht van zijne _voorstelling_ te beschouwen, om zijne _taal_ te doorgronden, om, met een woord gansch zijne eigene persoonlijkheid te leeren kennen.
En wil men, zoo kan men er dan eene verdeeling in vinden als volgt:
A. _Voor_ den Lijkdienst.
1o. Omstandigheden: a. _Wie_ was E.v.d. Bussche? Verzen: Zoo daar ooit... Proza. b. _Wanneer?_ Welke ure was't? Verzen: 't Was de ure dat... Proza tot aan: Zoo gebeurde 't. c. _Waar_ was de begrafenis? Proza: Wij wierden ondertusschen... Verzen: Traagzaam trekt...
2o. Verhaal. a. Het strooien kruis. Lyrische ontboezeming over 't geloof der Vlamingen, en hun gebruik van een kruis van uitgedorschen stroo te leggen waar een lijk voorbij moet. Het uitgedorschen stroo verzinnebeeldt het lichaam zonder de ziel. b. De moeder van den afgestorvene. c. Bezoek bij de kist -- en het _De Profundis_. d. De vader. -- Beschrijving door vergelijking, Zijne ziekte, Zedeles en troost. e. De lijkstoet: Het kruis -- lyrische strophe. Landelijke natuurbeschrijving: langs den weg, en tegenstelling met de stad. De broeder en de zuster van den overledene.
B. De Lijkdienst.
1o. Voor de kerk: Uitlegging van zinnebeelden uit de kerkelijke lijkplechtigheden: Klokken. Wijwater.
2o. In de kerk: a. De rouwgetijden. } b. Het _Dies irae_. } c. Wierook. } Het aangrijpend _mysterie_ d. Lichten. } van de grootsche e. Offerande. } troostende ceremonien f. Bel. } uit onze heiligen g. Consecratie. } Godsdienst. h. Klokken. } i. Het: _In Paradisum_. }
C. De Begraving.
1. Laatste plechtigheden.
2. Lijkrede: In deze innig roerende aanspraak is evenmin als in al 't voorafgaande eene klassieke verdeeling te vinden. Dwingt men er den stalen gietvorm op van: Exordium, Confirmatio en Epilogus of Peroratio, zoo dooft men eenvoudig de verhevene zielegloed die door het stuk leeft, en men maakt het belachelijk. Wederom kan men niets beters doen dan de gedachten van den spreker eenvoudig te volgen en aan te teekenen. Na een eerste woord waarin hij: 1. de leeraar, zich tot spreken onbekwaam gevoelt, om hier zijn dagelijksche les te geven, 2. en aan den engel des doods zijne taal leent, richt hij zich 1o. tot den afgestorvene en roemt _zijne deugden_: a. zijne zuiverheid; b. zijnen ootmoed; c. zijne liefde en eerbied voor ouders en meesters; d. zijn verlangen naar het heilig priesterdom. 2o. tot de ouders van den afgestorvene: a. zijnen vader wiens troost, b. zijne moeder wier hoop hij is in den hemel. 3o. tot den grond van zijn dierbaar Vlaanderen.
En hij eindigt met een roerend: tot wederziens!
C. GEZELLE.[2]
[1: Dietsche Warande en Belfort, Febr. 1900, bladz. 110-111.]
[2: Die korte inleiding werd geschreven op verzoek van den Uitgever en ten gerieve van de studeerende jeugd onzer bisschoppelijke colleges.]
KERKHOFBLOMMEN[1]
Eia dulcis anima, eia dulcis rosa, Lilium convallium, gemma pretiosa, Cui carnis foeditas exstitit exosa, Felix tuus exitus morsque pretiosa! S. BONAVENTURA.
Ei, gij zoete zielken toch; ei, gij zoete rooze; Lelie van de dellingen, kostelijk gesteente; 't Vleesch en zijn bederfenis hadt gij altijd noode, Zalig was uw uitgang en kostelijk uw sterven!
Zoo daar ooit een blomke groeide over 't graf waarin gij ligt, of het nog zoo schoone bloeide; zuiver als het zonnelicht, blank gelijk een Lelie blank is, vonklende als een roozenhert, needrig als de needre ranke is van de winde daar m'op terdt, riekend, vol van honing, ende geren van de bie bezocht, nog en waar 't, voor die U kende, geen dat U gelijken mocht!
In der daad, Eduard van den Bussche was, van afkomste en geboorte, van zeden en manieren, van Geloove en Godvruchtigheid, van voorkomen en van aanzien, oprecht een kind en een blomme van te lande; een kind was hij, dat hedendaags misschien de eervolle bespottinge weerd zou zijn van menig een, die hem verre beneen staat in de oogen van Hem bij wien de nederigen alleen verheven zijn, en 't Goddelijk welbehagen verdienen; zulk een kind was hij, dat, of ik nog zoo veel deugd van hem zei, mij geen een van al die hem Ouder of Meester, Pastor of Biechtvader, Makker of Vriend waren en zoude kunnen tegenspreken. Het hadde ons ook, zijne medeleerlingen in Poesis, hertelijk gespeten, hadden wij, om den afstand of anderszins, moeten laten van naar zijn uitvaart te gaan; wij gingen en
't was de ure dat de Leeuwerk zoet heur hooge zeevaart laten moet en, zoekende op der aard' om heur behoef, geen stonde en let, maar zingend weer de zeilen zet en stiert ten Hemelwaard.
't Was de ure dat uw stemme luidt, en klinkt en klapt en lacht en fluit, o blijde Nachtegaal; o orgel, die m' in 't veldaccoord, en liev- en lang- en luider hoort als alle vogeltaal!
't Was de ure dat de wind ontwekt, en 't wentelend kooren laaft en lekt, en zoetjes ruischen doet; dat uit de malsche velden jaagt die lucht, die 't lieve leven draagt in 't drijvend, dravend bloed.
't Was de ure dat de landman gaat, en op zijn herte een kruise slaat en op zijn land een kruis; en gaande bidt, en weent, en zaait hetgeen misschien een ander maait en lachend voert naar huis.
Het zaad! het zaad! het wonder werk, dat nooit, of waar' hij nog zoo sterk, een mensch gemaakt en heeft: dat sterft eer dat het leven mag, dat leeft alwaar 't gestorven lag, en, altijd stervend, leeft!
Wij gingen ook een edel zaad, het lijk van onzen medemaat, al blijde, weenende al, het land besteen, 't gebenedijd, dat vruchtbaar, op gestelden tijd, hem wedergeven zal.
Wij naderden allengskens het sterfhuis. De zonne lag in strijd met den nachtelijken smoor, en 't en bleek ons niet of ze er ging door breken; doch de wijze landslieden, die van op hun werk ons keken voorbijgaan, en "elk ne' goen dag" met ons wisselden, verzekerden ons, op goed en deugdelijk bewijs, uit hun dagelijksch verkeer met Gods winden en weder, dat ons Heere den werkenden man 'nen schoonen dag ging verleenen. Zoo gebeurde 't. Wij wierden ondertusschen, in 't half duister van den smoor, al lenger hand de hofstee geware en zagen reeds het blanke gewaad van den wagen, die gereed stond om, naar oud vlaamsch gebruik, den afgestorvene, met zijne weenende en biddende familie, kerkewaard te voeren.
Traagzaam trekt de witte wagen door de stille strate toen, en 't is weenen, en 't is klagen dat ze bin' de wijte doen! Stap voor stap, zoo gaan de peerden, traagzaam, treurig, stille en stom, en zij kijken, of 't hun deerde, dikwijls naar hun' Meester om; naar hun' Meester, die te morgen zijn beminde peerdenpaar, onder 't kammen en 't bezorgen, zei de droeve nieuwemaar. "Baai," zoo sprak hij, "Baai en Blesse, heden moeten... stille! fraai! moeten wij naar de uitvaartmesse, met den wagen, Blesse en Baai!" En toen, na zijn hand te doppen in 't gewijde water klaar, zegent hij de hooge koppen van 't onachtzaam peerdenpaar. En hij kust en kruist ze beiden, en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai, moet een lijk naar 't kerkhof leiden, Baai en Blesse, stille! fraai! Schuimen zoudt ge en lastig zweeten, zoo 'k u zonder wete liet van de mare, en zoudt verheeten, gave ik u den zegen niet!" En hij zelve kruist en wijdt hem, eer hij ze in den breidel vangt, met het water, dat bezijd hem aan de ruwe bedspond hangt. Want hij slaapt bij zijne beminde peerden en bezorgt ze trouw, trouwer als voor eigen kinde eigen Moeder zorgen zou. Hij besproeit, en met gewijden pallem speerst hij peerd en stal, om de lijkvaart te bevrijden van gevaar en ongeval. Ha! wie weet hoe veel gevaren die niet hebben uit te staan, die met peerden, -- God bewaar' hen! -- die met hunne meesters gaan? Traagzaam rijdt en rolt de wagen, treurig door de strate voort, en 't is krijschen en 't is klagen, dat men onder 't dekzeil hoort. Stap voor stap zoo gaan de peerden, ziende naar hun' meester om; stap voor stap, als of 't hun deerde, traagzaam, treurig, stille... en stom!
't Was met eenigen tegenzin dat de goede landslieden hun oud gebruik voor dezen keer wilden afstaan, om ons de eere en den troost te laten van onzen vriend, hand en hand, om zoo te zeggen, naar 't kerkhof uitgeleed te doen en zelve te dragen.
Toen wij dan, na weinige stonden reizens, op de hofstee kwamen, wierden, al met een keer, de hoofden van de eerste aankomers ontdekt, dan de volgende, tot dat wij, buiten ons verwachten, al te maal sprakeloos en stille stonden voor de balie, over de wijd uitstrekkende armen van een overgroot neerliggend kruis.
O dierbaar Geloove van Vlanderen, kostelijke perel van het Vaderland! Gij alleen hebt die werkzuchtige landslieden kunnen ingeven daar een kruis te leggen, en een kruis van uitgedorschen strooi! Christelijk bezielde Vlaming, gij spreekt toch, zonder woorden, uwe gevoelens en uw herte zoo wonderlijk klaar! "Bidt," zegt gij, "al die op mijn hof komt, bidt en ontdekt uwe hoofden voor het kruise des Heeren, want heden is van onder mijn dak eene ziele verscheiden, die, buiten hare verdiensten, op niets meer te steunen en heeft 't en zij op het kruis. Bidt en peist, gij die op mijn hof komt: hier is de Heere zijn graan komen halen en daar ligt nu 't ijdele strooi! Gelukkig, is het graan niet te licht bevonden; gelukkig, en heeft de vlegel des lijdens het niet gekwetst, en mag het nu de uitgekozene terwe des Heeren zijn! Bidt en peist, gij die op mijn hof komt; bidt en peist, gij die ervan af gaat, bidt en 'n terdt niet op het alverzoenende, op het alverblijdende kruis!"
Wij traden binnen, een voor een, om niet te stooren; want de goede lieden en waren ons niet verwachtende. De eenvoudige Moeder, uit ingeboren Vlaamsche herbergzaamheid, vergat in 't eerste bijkants dat in heur huis het lijk van heur kind over eerde lag, en maakte alle slach van verschooningen: 't stond al over ende, dit en dat was er te kort, zij klaagde en gebood alhier en aldaar, zonder te weten van wat of aan wie; haalde zelve stoelen bij, en eindelijk, onder den last van veel strijdige gevoelens gepraamd, brak heur herte, en ze borst uit in eenen alderbittersten stroom van tranen, die ze ging zitten weenen in de asschen van den uitgestorven heerd.
Op de voute lag het lijk, alree in de kiste gedaan. Wij klommen binnen, met zoo velen als wij kosten, en de anderen knielden in eene verstrooide reke door den vloer.
_De profundis!_ klonk de bede, _De profundis!_ zuchtte 't huis, 't huis, en al die knielden mede, in godvruchtig stemgedruisch.
Uit de diepten roepe ik, Heere, hoort, ik bidde U, naar mijn' stem! wilt uwe oor te mijwaard keeren, die om bijstand biddend bem!
Sloegt gij al mijn zonden gade, Heer, wie 'n zou niet ondergaan? Neen, bij U daar is genade, Heere, uw spreken houdt mij staan!
Staande blijve ik op uw spreken en ik hope in U, o Heer! van het vroegste morgenbreken, tot des avonds wederkeer.
Want bij U is medelijden, is verzachten des gekwels, grooter als het wederstrijden, als de boosheid Israels.
Heere, dat hij ruste in vrede, zei de Priester, ende wij: Dat hem, in alle eeuwigheden, 't hemelsch licht geschonken zij!
_De profundis!_ zong de bede, _De profundis!_ zuchtte 't huis, zuchtten al die knielden mede, met verstervend stem... geruisch.
Na dat wij, met gewijden palm, wijwater over de kiste en over ons zelven gesprinkeld hadden, zagen wij, voor de letste maal op deze wereld, het aanzichte van onzen beminnelijken vriend. Wij verkenden hem nog, in het witte gewaad der onnoozelheid; ja wij verkenden u, Eduard, aan dit edel blanke voorhoofd, aan die ingezonkene oogen, die zoo diepe en zoo vaste lagen en schouwden in den Hemel! "In den Hemel" stond op uw wezen, klom in onze herten, en klonk, als een triomphelied, bij 't weerom toeleggen van uwe schrijne.
Ondertusschen hadden wij reeds verscheidene malen in de nevenkamer den klaren treurzang hooren weerhelmen en de bitterste toonen des lijdens. "Eduard! mijn Eduardtje toch!" was al dat wij vatten konden, was iederen keer het slot van een lange reke zuchten, snikken en klagen; "Eduard Eduard, ha! mijn Eduardtje toch!..." Weenende vrouwen leidden ons binnen, schoven eene gordine weg, en... daar lag de eerbiedweerdige Vader des huisgezins, het hoofd en de koning van de omliggende velden, de kloeke, de taaie landsman, met zijne zwemmende oogen in de onze om hulpe te zien; hulpe, die wij hem niet geven en kosten, want de hand des Heeren had hem geraakt.
Zoo staat een eekenboom, verre en wijd beromd als de koning van het woud; stille en rustig steunt hij de wolken op zijnen stam en op zijne wijd omschaduwende kruine. Al met eenen keer straalt de bliksem des Alderhoogsten, hij valt omverregedonderd en ligt, met rookenden top, op de gebrokene takken van 't hout dat rondom hem groeit. Zoo lag die man daar, geveld en ontworteld, in al de kracht en de vroomheid zijner vijftig doorgewrochte jaren, rustende op de teere doch nuttelooze zorgen van zijne vrouwe en van zijne weenende kinderen.