Chapter 9
Maar het kind, dat in de baai was gevallen, werd door de Druïden-priesteres bewaakt, die het dreef naar de woning van zijn vader Kian; deze gaf het ter opvoeding aan zijn broeder den smid, welke het kind zijn eigen ambacht onderwees en hem in alle soorten van ambacht en handenarbeid bekwaam maakte. Dit kind was Lugh. Toen hij opgegroeid was tot een jongeling, plaatste hem het Volk van Dana onder de hoede van Duach, "Den duisteren," den koning der Groote Vlakte (het Tooverland, of het "Land der Levenden," wat tevens het Land der Dooden is), en daar bleef hij totdat hij den mannelijken leeftijd had bereikt.
Lugh was natuurlijk degeen, die bestemd was het Volk van Dana uit zijn slavernij te verlossen. Zijn komst wordt medegedeeld in een verhaal, dat de Zonne-attributen van algeheele macht naar voren brengt, en hem evenals Apollo doet kennen als de godheid, die het bestuur heeft over alle menschelijke kennis en alle bekwaamheid op het gebied van kunst en geneeskunde. Hij kwam, zoo wordt verhaald, om zich in den dienst te stellen van Nuada met den Zilveren Hand, en toen de portier van het koninklijke paleis van Tara hem vroeg, wat voor werk hij kon doen, antwoordde hij, dat hij timmerman was.
"Wij hebben geen timmerman noodig", zeide de portier; "wij hebben een uitstekenden timmerman in den persoon van Luchta, den zoon van Luchad". "Ik ben ook smid", zeide Lugh. "Wij hebben al een voortreffelijken smid", zeide de portier. "Maar ik ben ook een krijgsman", zeide Lugh. "Wij hebben er geen noodig, zeide de portier, "zoolang wij Ogma hebben". Lugh gaat voort al de beroepen en kunsten te noemen, die hij maar kan bedenken--hij is dichter, harpspeler, een man van wetenschap, een geneesheer, een keukenmeester, en zoo voort, waarbij hij telkens ten antwoord krijgt, dat iemand van uitstekende bekwaamheid in die kunst reeds aan het hof van Nuada in betrekking is. "Vraag dan den koning", zeide Lugh, "of hij ook iemand in zijn dienst heeft, die volleerd is in ieder van die kunsten, en als dit het geval is, zal ik hier niet langer blijven, en niet trachten het paleis binnen te komen". Daarop wordt Lugh aangenomen, en hem de bijnaam Ildánach gegeven, wat beteekent "De man van Alle Ambachten" de Vorst van alle Wetenschappen; terwijl een andere naam, dien hij gewoonlijk droeg, Lugh Lamfada was, of Lugh met den Langen Arm. Wij worden hier, zooals de Jubainville opmerkt, herinnerd aan de Gallische god, dien Caesar vereenzelvigt met Mercurius, "den uitvinder van alle kunsten", en voor wien de Galliërs een aantal standbeelden hadden opgericht. De Iersche mythe vult die nader aan en noemt ons den Keltischen naam van die godheid.
Toen Lugh uit het Land der Levenden kwam, bracht hij een aantal toovergeschenken mede. Daaronder waren de Boot van Mananan, de zoon van Lir den Zeegod, welke boot de gedachten van den mensch kende en overal heen kon reizen, waar zij wilde, en het paard van Mananan, dat zoowel over land als over zee kon gaan, en een vreeselijk zwaard, dat _Fragarach_ ("De Antwoordgever") heette, en de gave bezat van door ieder harnas heen te snijden. Zoo toegerust, kwam hij eens in een vergadering van opperhoofden van het Volk van Dana, die samengekomen waren om hun schatting te betalen aan de afgevaardigden der Fomorische onderdrukkers; en toen die opperhoofden hem zagen, leek het hun alsof zij, zooals verhaald wordt, de opkomst van de zon waarnamen op een drogen zomerochtend. In plaats van de schatting te betalen, vielen zij onder aanvoering van Lugh de Fomoriërs aan, die allen op negen man na sneuvelden, welke teruggezonden werden om Balor mede te deelen, dat het Volk van Dana hem tartte en in het vervolg geen schatting meer wilde betalen. Balor maakte zich toen gereed voor den strijd en beval zijn veldheeren, om als zij het Volk van Dana hadden overwonnen, het eiland door kabels aan hun schepen te bevestigen en het een heel eind in noordelijke richting te sleepen naar het Fomorische gebied van ijs en duisternis, waar het hen niet langer zou hinderen.
De tocht van de zonen van Turenn.
Lugh van zijn kant, maakte zich eveneens gereed voor den beslissenden strijd; maar om zich van de overwinning te verzekeren, had hij nog eenige magische voorwerpen noodig, en die moesten nog verkregen worden. Het verhaal, hoe die voorwerpen werden opgespoord, waarbij ons ook nog de dood van Kian, den vader van Lugh wordt vermeld, is één der merkwaardigste en kostelijkste vertelsels onder de Iersche legenden en vormde één van een drietal mythen, die tot den bloem der Iersche verdichtselen kan gerekend worden. [85]
Kian, zoo luidt het verhaal, was door Lugh naar het Noorden gezonden, om de strijdbare mannen van het Volk van Dana in Ulster op te roepen teneinde deel te nemen aan den strijd tegen de Fomoriërs. Op weg, bij het overtrekken van de vlakte van Murthemney, bij Dundalk, komt hij drie broeders tegen, Brian, Iuchar en Iucharba, zonen van Turenn, tusschen wier geslacht en dat van Kian een bloedveete bestond. Hij tracht te ontkomen door zich in een varken te veranderen en zich bij een kudde te voegen, die in de vlakte huist, maar de broeders ontdekken hem en Brian wondt hem door een speerworp. Kian, die weet, dat zijn einde nabij is, vraagt toestemming om zich, vóór dat hij gedood wordt, weer in menschelijke gedaante te veranderen. "Ik wil liever een man dan een varken dooden," zegt Brian, die verreweg de voornaamste rol speelt in alle avonturen der broeders. Daarop staat Kian in menschengedaante vóór hen, terwijl het bloed, door Brians speer vergoten, uit zijn borst vloeit. "Ik heb u verschalkt," roept hij uit, "want als gij een varken hadt gedood, hadt gij slechts den bloedprijs van een varken behoeven te betalen, maar nu moet gij den bloedprijs van een man betalen; er is nooit grootere bloedprijs geweest dan die, welken gij moet betalen; en de wapens waarmede gij mij doodt zullen het vertellen aan den wreker van het bloed."
"Dan zult gij zonder eenige wapens gedood worden," zegt daarop Brian, en hij en zijn broeders steenigen hem en begraven hem in den grond ter mansdiepte.
Maar toen Lugh kort daarop dien weg langs ging, schreeuwden de steenen in de vlakte luide en vertelden hem over den moord op zijn vader door de hand van de zonen van Turenn. Hij graaft het lichaam op en keert naar Tara terug, na wraak te hebben gezworen. Hier beschuldigt hij de zonen van Turenn tegenover den Opperkoning, en krijgt de toestemming hen ter dood te doen brengen of den losprijs te noemen, waarvoor hij dat vonnis wil herroepen. Lugh kiest den losprijs, en hij noemt de volgende, waarbij hij dingen van groote waarde, die alleen onder ongehoorde moeilijkheden te verwerven zijn, onder de namen van gewone voorwerpen verbergt: drie appels, een varkenshuid, een speer, een wagen met twee paarden, zeven zwijnen, een jachthond, een braadspit en ten slotte eischt hij, dat zij boven op een heuvel drie kreten laten hooren. De broeders verbinden zich, de boete te betalen, en daarna verklaart Lugh de beteekenis er van. De drie appels zijn die, welke groeien in den Tuin van de Zon; de varkenshuid is een tooverhuid, die iedere wonde heelt en ook iedere ziekte geneest, als zij op den lijder kan worden gelegd, zij is in het bezit van den koning van Griekenland; de speer is een tooverwapen in het bezit van den koning van Perzië (die namen zijn natuurlijk slechts fantaisienamen voor plaatsen in de geheimzinnige feeënwereld); de zeven zwijnen behooren aan koning Asal van de Goude Pilaren, en al heeft men ze iederen avond geslacht en opgegeten, men vindt ze den volgenden dag weder in hun geheel terug; het spit behoort aan de zeenimfen van het verzonken eiland Finchory; en de drie kreten moet men doen hooren op den heuvel van een woesten krijgsman, Mochaen, die met zijn zonen de gelofte heeft afgelegd, dat zij iedereen zullen beletten zijn stem op dien heuvel te verheffen. Het is een bijna onuitvoerbare taak, zelfs maar één van die werken te volvoeren, en de broeders moesten ze alle volbrengen, voor dat zij zich konden bevrijden van de schuld en de straf voor den dood van Kian.
Het verhaal loopt dan verder, hoe de zonen van Turenn met ontzaglijken moed en met de grootste scherpzinnigheid één voor één al hun opdrachten vervullen, maar als zij alle volbracht zijn behalve het verwerven van het braadspit en het doen hooren der drie kreten op den heuvel van Mochaen, zorgt Lugh door middel van tooverkunsten, dat vergeetachtigheid over hen valt, en zij keeren met hun schatten naar Ierland terug. Juist deze, in het bijzonder de speer en de varkenshuid, zijn het, die Lugh noodig heeft om hem tegen de Fomoriërs te helpen; maar zijn wraak is niet volkomen, en na de schatten verkregen te hebben, herinnert hij de broeders er aan, dat er nog enkele werken moeten vervuld worden. Zij beginnen nu, ten zeerste terneergeslagen, te begrijpen, dat zij zijn voor den gek gehouden, en zij gaan droevig heen, om, als zij kunnen, het overige van den bloedprijs meester te worden. Na langen tijd te hebben rondgezworven, blijkt het hun, dat het eiland Finchory niet boven, maar onder de zee is gelegen. Brian gaat in een magische waterkleeding naar beneden, ziet de driemaal vijftig nimfen in haar paleis, en pakt het gouden braadspit van haar haard. De taak op den heuvel van Mochaen is de laatste, die nog moet worden volbracht. Na een wanhopig gevecht, dat eindigt met het dooden van Mochaen en zijn zonen, verheffen de broeders, doodelijk gewond, hun stemmen in drie zachte kreten, en zoo is de bloedprijs betaald. Zij zijn echter nog in leven als zij in Ierland terugkeeren, en hun bejaarden vader Turenn smeekt Lugh, hem de tooverhuid van het varken te leenen, om ze te genezen, maar de onverzoenlijke Lugh weigert dit, en de broeders en hun vader sterven tezamen. Zoo eindigt het verhaal.
De tweede slag bij Moytura.
De tweede slag bij Moytura had plaats in een vlakte in het noorden van het graafschap Sligo, dat de aandacht trekt door het aantal grafmonumenten, die daar nog altijd verspreid liggen. De eerste slag was natuurlijk dien welken het Volk van Dana met de Firbolgs had geleverd, en het daar bedoelde Moytura lag veel zuidelijker in het graafschap Mayo. Het gevecht tegen de Fomoriërs wordt verhaald met een verwonderlijken rijkdom van de vreemdste gebeurtenissen. De ambachtslieden van het Volk van Dana, Goban de smid, Credné, de smeedkunstenaar (of goudsmid) en Luchta, de timmerman, herstellen voortdurend de gebroken wapens van het Volk van Dana met magischen spoed--drie slagen van Gobans hamer maken een speer of een zwaard, Luchta slingert er een handvat tegen aan, dat dadelijk vast blijft zitten, en Credné werpt er met zijn tang de klinknagels heen, zoo vlug als hij ze kan maken, en zij vliegen op hun plaats. De gewonden worden geheeld door de tooverhuid. De vlakte weerklinkt van het geraas van den strijd:
"Vreeselijk was de donder, die over het slagveld rolde; de kreten der krijgslieden, het breken der schilden, het flikkeren en kletteren van de zwaarden, van de rechte zwaarden met ivoren gevesten, de muziek en de harmonie der geworpen werpspiesen, en het suizen van speren en lansen" [86].
De dood van Balor.
De Fomoriërs brengen hun kampioen Balor naar voren, voor wiens vreeselijk oog Nuada met de Zilveren Hand en anderen van het Volk van Dana bezwijken. Maar Lugh maakte gebruik van de gelegenheid, dat het ooglid van vermoeidheid neerviel en naderde Balor tot op korten afstand, en zoodra dat ooglid weer in de hoogte ging wierp hij in het oog een grooten steen, die in zijn hersens doordrong, zoodat Balor, zooals de profetie had voorspeld dood ter neder lag, door zijn kleinzoon getroffen. Toen werden de Fomoriërs totaal verslagen, en er wordt geen melding van gemaakt, dat zij ooit weer eenigen invloed in Ierland verkregen of daarvan een eenigszins uitgebreid terrein plunderden. Lugh, de Ildánach, werd toen op den troon geplaatst, die te voren door Nuada was bezet, en de mythe van de overwinning van den zonneheld over de macht van duisternis en van geweld is hiermede voltooid.
De harp van den Dagda.
Wij zullen hier een aardig verhaal inlasschen, dat betrekking heeft op de macht, die het Volk van Dana kon uitoefenen door de betooverende uitwerking der muziek. Voordat de Fomoriërs op de vlucht gejaagd waren, hadden zij den harpspeler van den Dagda gevangen genomen en voerden dien met zich mede. Lugh, de Dagda en de krijgsman Ogma volgden hen en kwamen zonder dat men hen herkende, in de feestzaal van het kamp der Fomoriërs. Daar zagen zij de harp aan den muur hangen. De Dagda riep haar aan, en onmiddellijk vloog zij in zijn handen, op haar weg negen mannen der Fomoriërs doodend. De aanroeping van den Dagda is eigenaardig, en ongemeen raadselachtig:
"Kom, appelzoete murmelaar", zoo roept hij, "kom raam van harmonie met vier hoeken, kom Zomer, kom Winter, uit de monden der harpen en zakken en fluiten" [87].
De toespeling op de jaargetijden wijst op de eigenaardigheid bij de Indische muziek om bepaalde muzikale wijzen te gebruiken bij verschillende jaargetijden (en zelfs bij verschillende uren van den dag) en doet eveneens denken aan de Egyptische legende, die besproken wordt door Burney in zijn "Geschiedenis der Muziek", waar de drie snaren van de lier geacht werden overeen te komen met de drie jaargetijden, lente, zomer en winter [88].
Toen de Dagda de harp in zijn bezit had, zoo luidt het verhaal verder, speelde hij daarop de "drie edele tonen", die iedere grootmeester op de harp moet beheerschen, en wel den Toon der Klacht, die alle hoorders deed weenen, den Toon van het Lachen, die hen vroolijk maakte, en den Toon van den Slaap, of Lullaby, die allen in een diepen slaap dompelde. En onder de bedekking van dien slaap sloop de kampioen van het Volk van Dana naar buiten en ontsnapte. Wij merken hierbij op, dat in de geheele legendenlitteratuur van Ierland bekwaamheid in de muziek, welke kunst een invloed uitoefent, die het meest gelijkt op die van een geheimzinnige toovermacht of van een gave der feeën, het prerogatief is van het Volk van Dana en hun afstammelingen. Zoo wordt in de "Samenspraak der Ouden", een verzameling sprookjes omstreeks de dertiende of veertiende eeuw vervaardigd, St. Patrick in aanraking gebracht met een minnezanger Cascorach, "een schoonen jongeling met gekrulde haren en donkere wenkbrauwen", die een zóó zoete melodie speelt, dat de heilige en zijn gevolg in slaap vallen. Volgens het verhaal was Cascorach de zoon van een minnezanger uit het Volk van Dana. De schrijver van St. Patrick, Brogan merkt op: "Gij gaaft ons daar een heerlijk staaltje van uw kunst". "Het zou werkelijk goed zijn", zeide St. Patrick, als er niet een klank in was van de tooverij eener fee, die het verpest; was dit niet het geval, dan zou niets meer dan dit overeenkomen met een hemelsche harmonie. [89] Sommige van de schoonste der oude Iersche volksmelodieën,--b.v. de _Coulin_--zijn volgens de overlevering door sterfelijke harpspelers afgeluisterd bij de feesten der Feeën.
Namen en karaktertrekken van de godheden van het Volk van Dana.
Wij zullen dit verhaal der verovering door het Volk van Dana besluiten met een overzicht van de voornaamste goden van het Volk van Dana en van hun attributen, welk overzicht van groot nut zal zijn voor de lezers der volgende bladzijden. Het beste ons bekende overzicht is dat, wat gevonden wordt in de "Critische geschiedenis van Ierland", door Standish O'Grady [90]. Dit werk is niet minder merkwaardig om zijn critisch inzicht--het werd in 1881 uitgegeven, toen men nog weinig hoorde van een wetenschappelijke beoefening der Keltische mythologie--dan om de diep-poëtische verbeeldingskracht, die nauw verwant was aan die van de dichters der oude mythen zelf, waardoor doode vormen uit het verleden opstaan en door den adem des levens worden opgewekt. De groote lijnen, waarin O'Grady de typische karaktertrekken der hoofdpersonen in den cyclus van Dana heeft geschetst, vereischen in onzen tijd nauwelijks eenige verbetering, en zijn voor ons bij het hier volgende overzicht van groot nut geweest.
De Dagda.
De Dagda Mor was de vader en het opperhoofd van het Volk van Dana. Er is aan hem en aan zijn optreden het denkbeeld van grootheid verbonden. In den tweeden slag bij Moytura vellen zijn slagen geheele rijen van den vijand, en als hij zijn speer op marsch laat slepen, trekt deze een vore in den grond als de gracht, die de grens van een provincie aanwijst. In enkele verhalen omtrent die godheid is een element van zonderlingen humor aanwezig. Als de Fomoriërs hem voedsel geven bij zijn bezoek aan hun kamp, worden de pap en de melk in een grooten kuil in den grond gestort, en hij eet die met een lepel, die zóó groot is, zooals verhaald wordt, dat een man en een vrouw er samen in kunnen liggen. Met dien lepel schrapt hij den kuil uit, als de pap op is en met de grootste onverschilligheid laat hij de aarde en het grove zand door zijn keel loopen. Wij hebben reeds gezien, dat hij zooals het geheele Volk van Dana een meester is in de muziek, en tevens volleerd in alle magische kunsten, terwijl hij daarbij een harp bezit, die op zijn roep door de lucht komt vliegen. "De neiging, om leven toe te kennen aan levenlooze dingen is duidelijk merkbaar in de Homerische litteratuur, maar oefent een veel grooteren invloed uit in de mythologie van dit land. De levende, vlugge speer van Lugh; het tooverschip van Mananan; het sprekende zwaard van Cuchulain; de Lia Fail, de Steen van het Noodlot, die van vreugde loeide onder den voet van wettige koningen; de golven van den oceaan, die van woede en smart bulderden, als die koningen in gevaar waren; de wateren van de Avon Dia, die uit vrees bleven stilstaan bij het vreeselijk tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia: die alle zijn slechts enkele uit vele voorbeelden [91]. Een legende van lateren tijd verhaalt ons, hoe eens bij den dood van een groot geleerde alle boeken in Ierland van de boekenplanken op den vloer vielen.
Angus Og.
Angus Og (Angus de Jonge), de zoon van den Dagda, verwekt bij Boanna (de rivier bij Boyne) was de Iersche liefdegod. Men dacht zich zijn paleis te New Grange, aan de Boyne. Ook stelde men zich de vier schitterende vogels, die voortdurend boven zijn hoofd zweefden voor, als zijn kussen, die in die lieflijke gedaante gematerialiseerd werden, en als deze zongen, ontsprong de liefde in de harten van jongelingen en en meisjes. Eens werd hij smoorlijk verliefd op een meisje, dat hij in den droom had gezien. Hij vertelde de oorzaak van de ziekte, die daarvan het gevolg was, aan zijn moeder Boanna, die geheel Ierland doorzocht naar het meisje, maar het niet kon vinden. Daarop werd de Dagda binnengeroepen, maar wist evenmin, wat hij doen moest, totdat hij de hulp inriep van Bov den Roode, den koning van het Munstersche volk van Dana--denzelfden, van wien sprake is in het verhaal van de kinderen van Lir, en die op de hoogte was van alle mysteriën en tooverkunsten. Bov nam de taak op zich, naar het meisje te zoeken, en na verloop van een jaar verklaarde hij, dat hij het in den droom verschenen meisje had gevonden bij een meer, dat het Meer van den Drakenbek heette.
Angus ging nu naar Bov, en na door hem drie dagen te zijn onthaald, werd hij gebracht naar den oever van het meer, waar hij driemaal vijftig maagden zag, die paar aan paar liepen, terwijl ieder paar aan elkander was gekluisterd door een gouden keten, doch één der meisjes was meer dan een hoofd grooter dan de overige. "Dat is zij," roept Angus uit. "Vertel ons onder welken naam zij bekend is." Bov antwoordt, dat zij Caer heet, en dat zij de dochter is van Ethal Anubal, een vorst van het volk van Dana, dat in Connacht woont. Angus weeklaagt, dat hij niet sterk genoeg is, haar van haar gezellinnen weg te dragen, maar op raad van Bov begeeft hij zich om hulp naar Ailell en Maev, het sterfelijke koningspaar uit Connacht. Daarop begaven zich de Dagda en Angus naar het paleis van Ailell, die hen een week lang feestelijk onthaalt en hen daarna naar de reden van hun komst vraagt. Toen zij die hadden vermeld, antwoordde deze: "Wij hebben niets te zeggen over Ethal Anubal". Toch zonden zij een boodschap naar Ethal, waarbij zij hem vragen om de hand van Caer voor Angus, maar Ethal weigert haar af te staan. Ten slotte wordt hij belegerd door de verbonden troepen van Ailell en den Dagda en gevangen genomen. Toen zij hem ten tweeden male Caer ten huwelijk vroegen, zegt hij, dat hij er niet in kon toestemmen, "want zij is machtiger dan ik." Hij legt hun uit, dat zij om het andere jaar in de gedaante van een meisje en van een zwaan leeft, "en op den eersten November", zoo zegt hij, "zult gij haar met honderd-vijftig andere zwanen bij het meer van den Drakenbek zien.
Angus gaat daar op den vastgestelden tijd heen en roept haar toe: "Ach, kom toch, en spreek met mij!" "Wie roept mij?" vraagt Caer. Angus deelt haar mede, wie hij is, en ziet dan, dat hij in een zwaan is veranderd. Dit is voor hem een aanwijzing, dat zij toestemt, en hij springt in het water, om zich bij zijn geliefde in het meer te voegen. Daarna vliegen zij beiden naar het paleis aan de Boyne, waarbij zij een zóó goddelijke muziek doen hooren, dat alle hoorders gedurende drie dagen en drie nachten in slaap worden gewiegd.
Angus is de bijzondere vriend van jongelingen en meisjes. Dermot van de Liefdesplek, een onderhoorige van Finn mac Cumhal, over wien wij later zullen hooren, was te zamen met Angus in het paleis aan de Boyne opgevoed. Hij was de typische minnaar in de Iersche legende. Toen hij gedood was door het wilde zwijn van Ben Bulben, wekt Angus hem weer tot leven op en draagt hij hem weg, om met hem in zijn tooverpaleis in de onsterfelijkheid te deelen.
Len van Killarney.
Wij hebben reeds gesproken van Bov den Roode, den broeder van den Dagda. Naar men zegt, had hij een goudsmid in zijn dienst, Len genaamd, "waaraan de Meren van Killarney vroeger hun namen hadden ontleend, daar zij eertijds bekend waren onder de namen Locha Lein, de meren van Len met de Vele Hamers. Hier, bij het meer, oefende hij zijn ambacht uit, omgeven door regenbogen en een overvloed van vurigen dauw [92].
Lugh.
Lugh is reeds beschreven [93]. Hij heeft meer bijzondere attributen van de zon dan eenige andere Keltische godheid; en, zooals wij weten, was zijn vereering wijd over het Keltische vasteland verspreid. In het verhaal over de zonen van Turenn werd ons medegedeeld, dat Lugh de Fomoriërs van het westen naderde. Daarop stond Bres, de zoon van Balor, op en zeide: "Het verbaast mij, dat de zon heden in het westen opkomt, en iederen anderen dag in het oosten." "Mocht dit inderdaad het geval zijn," zeiden zijn Druïden. "Wel, wat anders is het dan, als het de zon niet is?" zeide Bres. "Het is de glans van het gelaat van Lugh met den Langen Arm," antwoordden zij.
Lugh was de vader van Cuchulain, verwekt bij de Milesische maagd Dectera; hij was de grootste heldenfiguur in de Iersche legende, in wiens geschiedenis een krachtig element der zonnemythe schuilt [94].
Midir, de trotsche.
Midir de trotsche is een zoon van den Dagda. Zijn tooverpaleis is te _Bri Leith_, of Slieve Callary in het graafschap Longford. Hij komt dikwijls voor in legenden, die gedeeltelijk handelen over menschelijke wezens, gedeeltelijk over wezens uit het Volk van Dana, en altijd wordt hij voorgesteld als een type van pracht, en in zijn kleeding en in zijn persoonlijke schoonheid. Als hij voor koning Eschy verschijnt op den heuvel van Tara wordt hij aldus geschetst [95].