Chapter 8
"Zoo sprak ik. En werkelijk was ik een wild zwijn. Daarna werd ik weder jong, en ik was verheugd. Ik was koning der kudden wilde zwijnen in Ierland, en getrouw aan mijn gewoonte, ging ik mijn verblijfplaats rond, als ik in de landen van Ulster terugkeerde, zoo dikwijls ellende en ouderdom mij overvielen. Want het was steeds daar, dat mijn gedaanteverwisselingen plaats hadden, en daarom keerde ik daarheen terug, om de vernieuwing van mijn lichaam af te wachten." Tuan vertelt dan verder, hoe Semion, de zoon van Stariat, zich in Ierland vestigde. Van hem stamden de Firbolgs af en twee andere stammen, die nog in historische tijden bleven voortleven. Weer komt de oude dag nader, zijn krachten laten hem in den steek, en hij ondergaat weer een nieuwe gedaanteverwisseling; hij wordt "een groote zeearend" en verheugt zich weer eens in nieuwe jeugd en kracht. Daarop vertelt hij, hoe het Volk van Dana in Ierland kwam, "goden en valsche goden, uit wie, zooals iedereen weet, de Iersche geleerden gesproten zijn." Daarna kwamen de zonen van Miled, die het Volk van Dana overmeesterden. Al dien tijd hield Tuan de gedaante van een zeearend, totdat hij, toen hij ontdekte, dat hij op het punt stond weer een nieuwe gedaanteverwisseling te ondergaan, negen dagen lang vastte; "daarop overviel mij de slaap, en veranderde ik in een zalm". Hij geniet van zijn nieuw bestaan, waarbij hij jarenlang aan de valstrikken der visschers ontkomt, totdat hij ten slotte door één van hen wordt gevangen, en gebracht wordt naar de vrouw van Carell, het opperhoofd van het land. "De vrouw had zin in mij en at mij geheel op, waarbij ik in haar baarmoeder kwam." Hij wordt weder geboren, en gaat door voor Tuan, den zoon van Carell; maar de herinnering van dat voormalige leven en van al zijn gedaanteverwisselingen, en van de geheele geschiedenis van Ierland, die hij had meegemaakt sedert de dagen van Partholan, blijft nog bij hem achter, en hij onderwijst al die dingen aan de Christenmonniken, die al die verhalen zorgvuldig bewaren.
Dit allervreemdste verhaal, met zijn atmosfeer van grijze oudheid en van naïeve wonderlijkheid, doet ons denken aan de gedaanteverwisseling van den Galischen Taliessin, die eveneens in een arend veranderde, en wijst op die leer der zielsverhuizing, die zooals wij gezien hebben, zoo sterk werkte op de verbeelding der Kelten.
Wij moeten thans eenige bijzonderheden voegen bij de schets der opvolgende kolonisaties van Ierland, zooals die in het kort zijn aangeduid door Tuan mac Carell.
De Nemediërs.
Zooals wij gezien hebben, waren de Nemediërs verwant aan de Partholaniërs. Beiden waren afkomstig uit het geheimzinnige gebied der dooden, hoewel latere Iersche verhalen, die trachtten een verzoening tot stand te brengen tusschen die mythische opvatting en het christendom, het deden voorkomen, alsof zij afstamden van bijbelsche aartsvaders en aan aardsche landen zooals Spanje en Scythië hun oorsprong te danken hadden. Beiden hadden voortdurend strijd te voeren met de Fomoriërs, die volgens de latere legenden zeeroovers van over de zee waren, maar die zonder twijfel godheden waren, die de machten van duisternis en kwaad voorstelden. Er is geen legende bekend, hoe de Fomoriërs in Ierland gekomen zijn en zij werden ook nooit beschouwd als een geregeld deel der bevolking. Zij waren even oud als de wereld zelf. Nemed vocht met het beste gevolg tegen hen in vier groote gevechten, maar hij zelf stierf kort daarna aan de pest, die ook tweeduizend van zijn volgelingen ten grave sleepte. De Fomoriërs waren toen in staat hun oppermacht over Ierland te vestigen. Zij hadden in die dagen twee koningen, Morc en Conann. De macht der Fomoriërs had haar krachtigste versterking op het eiland Tory, dat zijn woeste klippen en afgronden doet oprijzen uit den Atlantischen Oceaan, in de nabijheid van Donegal--een geschikte woonplaats voor dat ras, dat zoo rijk was aan geheimzinnigheid en afgrijselijkheid. Zij hieven een vreeselijk drukkende schatting van het Iersche volk, en wel tweederden van al de melk en tweederden van al de kinderen uit het land. Ten slotte stonden de Nemediërs op. Onder aanvoering van drie opperhoofden, landen zij op het eiland Tory, nemen de Toren van Conann in, en Conann zelf sneuvelt door de hand van den Nemedischen aanvoerder Fergus. Maar op dat oogenblik treedt Morc in het gevecht op met een nieuwe troepenmacht, en jaagt de Nemediërs geheel op de vlucht, die op een dertigtal na sneuvelen:
"De mannen van Erin, zij togen ten strijde, Nadat de Fomoriërs kwamen, De zee verzwolg hen allen, Behalve driemaal tien."
Gedicht van Eochy O'Flann, omstreeks 960 n.C.
De dertig overlevenden verlaten Ierland in wanhoop. Volgens de oudste overlevering zijn zij allen omgekomen zonder nakomelingen achter te laten, maar latere verhalen, die trachten uit al die mythen nuchtere geschiedenis op te bouwen, stellen het voor, alsof één familie, die van het opperhoofd Britan, zich in Groot Brittannië vestigde en hun naam aan dat land schonk, terwijl twee andere na vele omzwervingen, naar Ierland terugkeerden als de Firbolgs en het Volk van Dana.
De komst der Firbolgs.
Wie waren de Firbolgs, en welke rol hebben zij gespeeld in de Iersche legenden? De naam schijnt te beteekenen: "Mannen van de Zakken," en in later tijden werd er een legende uitgedacht, om dien naam te verklaren. Er werd verhaald, dat zij, na zich in Griekenland te hebben gevestigd, door het volk van dat land onderdrukt werden, die hen aarde lieten aantrekken van de vruchtbare valleien naar de rotsachtige heuvels, zoodat zij daarvan beploegbaren grond konden maken. Zij vervulden hun taak door middel van leeren zakken; maar ten laatste, toen zij de onderdrukking moede geworden waren, maakten zij van hun zakken booten met leder overtrokken, en zetten daarin koers naar Ierland. Nennius echter zegt, dat zij uit Spanje kwamen, want volgens hem waren al de verschillende rassen, die Ierland bewoond hebben, oorspronkelijk uit Spanje, en "Spanje" is bij hem een rationalistische vertaling van de Keltische woorden, die het Land der Dooden aanduiden [77]. Zij kwamen in drie groepen, de Fir-Bolg, de Fir-Domnan en de Galioin, die allen in het algemeen als Firbolg worden aangeduid. Zij spelen geen groote rol in de Iersche mythologie, en hun schijnt een zekere trek van slaafschheid en minderwaardigheid eigen te zijn.
Eén van hun koningen, Eochy [78] mac Erc, trouwde met Taltiu, of Telta, de dochter van den koning der "Groote Vlakte," (het Land der Dooden). Telta had een paleis in de stad, die nu naar haar Telltown (eigenlijk Teltin) heet. Daar stierf zij, en daar werd zelfs nog in de Middeleeuwen, een groote jaarlijksche bijeenkomst of jaarmarkt ter harer eere gehouden.
De komst van het volk van Dana.
Wij komen thans tot verreweg de merkwaardigste en belangrijkste der mythische overweldigers en volksplanters van Ierland, het Volk van Dana. De naam, _Tuatha De Danann_, beteekent letterlijk "het volk van den god, wiens moeder Dana is." Dana draagt somtijds ook een anderen naam, en wel dien van Brigitta, een godin, die in het heidensche Ierland in hooge eer werd gehouden, wier attributen in de legenden grootendeels overgebracht zijn op de Christelijke Heilige Brigitta uit de zesde eeuw. In Gallische opschriften vindt men haar naam ook wel als "Brigindo" en in Britsche opschriften komt deze voor als "Brigantia." Zij was de dochter van het hoogste opperhoofd van het Volk van Dana, den god Dagda "Den Goeden." Zij had drie zoons, van wie men vertelt, dat zij gemeenschappelijk een eenigen zoon hadden, Eene genaamd--wat beteekent "Kennis" of "Poëzie" [79]. Men mag dus zeggen, dat Eene de god was, wiens moeder Dana was, en het ras, waaraan zij haar naam schonk, waren de duidelijkste vertegenwoordigers, die wij in Iersche mythen hebben van de machten van Licht en Kennis. Men zal zich herinneren, dat Tuan mac Carell alleen aan het Volk van Dana onder al die mythische rassen den naam van "goden" had gegeven. Toch komen zij niet als goden voor in den vorm waarin de Iersche legenden omtrent hen tot ons zijn gekomen. De invloed van de christelijke opvattingen bracht hen terug tot den rang van feeën, of vereenzelvigde hen met gevallen engelen. Zij werden door de afstammelingen van Miled overwonnen, die worden gedacht als een volkomen menschelijk ras, en die een aantal betrekkingen van liefde en oorlog met hen hadden tot in latere tijden. Toch is ook in de latere legenden het Volk van Dana bekleed met een zekeren luister en met groote verheffing, die herinnert aan den hoogen rang, waarvan zij waren afgedaald.
De populaire opvattingen en die der Barden.
Men mag echter niet over het hoofd zien, dat de populaire opvatting der godheden, van Dana afgestamd, waarschijnlijk ten allen tijde iets anders was dan die der barden en Druïden, of met andere woorden dan de scholastieke opvatting. Deze laatsten toch stelt hen, zooals wij zullen zien, voor als de godheden, die over wetenschap en poëzie heerschen. Dit is geen populaire voorstelling; zij is het product der Keltische, Arische verbeelding, zooals die is ingegeven door een zuivere verstandelijke opvatting. Het lagere volk, dat grootendeels het megalithische element onder de bevolking vertegenwoordigde, blijkt hun godheden als aardsche machten te hebben opgevat--_dei terreni_, zooals zij uitdrukkelijk genoemd worden in het "Boek van Armagh" uit de achtste eeuw [80]--die niet heerschen over wetenschap en poëzie, maar veeleer over den landbouw, die toezicht houden over de vruchtbaarheid van land en water, en hun woonplaats hebben in heuvelen, rivieren en meren. In de litteratuur der barden is de Arische opvatting overheerschend; de andere opvatting vindt men in tallooze volksverhalen en populaire gebruiken; doch het ligt in den aard der zaak, dat in elk geval op zich zelf de beide opvattingen voor een groot deel ineengeweven en in elkander zijn doorgedrongen--zoodat er geen scherpe scheidingslijn tusschen beide opvattingen in oude tijden kon worden getrokken, en die scheiding thans in het geheel niet meer mogelijk is.
De schatten van het volk van Dana.
Tuan mac Carell zegt, dat zij "uit den hemel" in Ierland zijn gekomen. Dit is in de latere overlevering geweven tot een verhaal, dat leert, hoe zij afkomstig waren uit vier groote steden, wier namen zelf het feeënrijken verdichting ademen--Falias, Gorias, Fincas en Murias. Hier leerden zij wetenschap en ambachten van groote wijzen, van wie er in iedere stad één op den troon zat, en uit iedere stad brachten zij een tooverschat mede. Uit Falias was de steen afkomstig, de _Lia_ Fail, of Steen van het Noodlot, genaamd, waarop de Opperkoningen van Ierland stonden, als zij gekroond werden, en die geacht werd de verkiezing van een wettigen vorst te bevestigen door onder hem te bulderen, als hij daarop plaats nam. De werkelijke steen, die gebruikt werd bij de inhuldiging van een vorst, bestond sinds onheugelijke tijden te Tura en werd van daar in het begin der zesde eeuw naar Schotland gezonden voor de kroning van Fergus den Groote, den zoon van Erc, die zijn broeder Murtagh mac Erc, den koning van Ierland vroeg, dien ter leen te mogen hebben. Een oude profetie hield in, dat overal waar die steen was, een koning van het Schotsche (d.i. Iersch-Milesische) ras zou regeeren. Dit is de beroemde Steen van Scone, die nooit meer in Ierland terug kwam, maar door Eduard I in 1297 naar Engeland werd vervoerd, en nu de kroningssteen is in de Westminster-Abdij. En de oude profetie is niet valsch gebleken, daar door de Stuarts en Fergus mac Erc de afstamming der Britsche koninklijke familie van de historische koningen van het Milesische Ierland kan worden gevolgd.
De tweede schat van het Volk van Dana was het onoverwinnelijke zwaard van Lugh met den langen Arm, van wien wij later zullen hooren, en dat zwaard kwam uit de stad Gorias. Uit Finias kwam een tooverspeer en uit Murias de Groote Ketel van den Dagda, die de eigenschap had, een menigte mannen te kunnen voeden zonder dat hij ooit leeg werd.
Met die bezittingen kwam het Volk van Dana, volgens de lezing in het "Boek der Invallen" gegeven, in Ierland.
Het volk van Dana en de Firbolgs.
Zij werden in een tooverwolk naar Ierland gedreven, en verschenen het eerst in Westelijk Connacht. Toen de wolk optrok, ontdekten de Firbolgs hem in een kamp, dat zij reeds te Moyrein hadden versterkt.
De Firbolgs zonden nu één van hun krijgslieden uit, Sreng genaamd, om met de geheimzinnige aankomelingen een onderhoud te hebben; en het Volk van Dana van hun kant, zonden een krijgsman, Bres genaamd, om hen te vertegenwoordigen. De beide afgevaardigden beschouwden met groote belangstelling elkanders wapenen. De speren van het Volk van Dana, waren, naar ons wordt medegedeeld, licht en van scherpe punten voorzien; die der Firbolgs waren zwaar en stomp. De blijkbare bedoeling van de legende is, om hier de macht der wetenschap tegenover die der ruwe kracht te stellen, en wij worden hier herinnerd aan de Grieksche mythen van den strijd der Olympische goden met de Titanen.
Bres stelde den Firbolg Sreng voor, dat de beide rassen Ierland gelijkelijk onder elkander zouden verdeelen, en zich zouden vereenigen, om hen tegen alle toekomstige indringers te verdedigen. Daarop verwisselden zij hun wapenen, en keerde ieder naar zijn eigen kamp terug.
De eerste slag by Moytura.
De Firbolgs kwamen echter niet onder den indruk van de grootere voortreffelijkheid van het volk van Dana, en besloten hun aanbod af te slaan. Zij werden toen handgemeen op de Vlakte van Moytura [81], in het Zuiden van het Graafschap Maye, in de nabijheid van de plaats, die nu Cong heet. De Firbolgs werden aangevoerd door hun koning, mac Ere, en het volk van Dana door Nuada met de Zilveren Hand, die zijn naam ontleende aan een ongeluk in dien strijd. Men verhaalt toch, dat zijn hand in het gevecht werd afgehakt, en één der bekwame handwerkslieden, waaraan de gelederen van het volk van Dana zoo rijk waren, maakte voor hem een nieuwe hand van zilver. Door hun magische en heelkundige gaven won het Volk van Dana den slag en de koning der Firbolgs sneuvelde. Maar er werd toen een billijke overeenkomst gesloten: aan de Firbolgs werd de provincie Connacht als grondgebied toegekend, terwijl het Volk van Dana het overige deel van Ierland in bezit nam. Tot zelfs in de zeventiende eeuw ontdekte de kronykschrijver Mac Firbis, dat een aantal bewoners van Connacht hun afstamming terug voerden tot diezelfde Firbolgs. Waarschijnlijk waren zij werkelijk een historisch ras, en het is niet onmogelijk, dat de strijd tusschen hen en het Volk van Dana een stuk werkelijke geschiedenis is geweest, dat omgeven is met enkele mythische trekken.
Het verdrijven van koning Bres.
Nuada met de Zilveren Hand zou nu de heerscher over het Volk van Dana geweest zijn, maar zijn verminking verbood dit, daar geen misvormd man koning van Ierland mocht zijn. Daarom kozen zij Bres, die de zoon was van een vrouw uit dat volk, Eri genaamd, maar wiens vader onbekend was, om in zijn plaats over hen te heerschen. Dit was niet dezelfde Bres, die als afgevaardigde met de Firbolgs had onderhandeld, en die gesneuveld was in den slag bij Moytura. Doch Bres had, hoewel hij sterk was en schoon te aanschouwen, niet de gave als heerscher, immers niet alleen liet hij toe, dat de vijand van Ierland, de Fomoriërs, hun onderdrukking en hun schatting in het land weer opnieuw begonnen, maar ook legde hij zelf zijn onderdanen hooger belastingen op; daarbij was hij zóó gierig, dat hij hoofden en edelen of hofspelers geen gastvrijheid verleende. Gebrek aan milddadigheid en gastvrijheid werd altijd gerekend onder de ergste ondeugden van een Iersche vorst. Men verhaalt nu, dat op zekeren dag de dichter Corpre aan zijn hof kwam, die gehuisvest werd in een kleine, donkere kamer zonder vuur of huisraad, waar hem na een lang vertoef drie droge koeken zonder ale werden voortgezet. Om zich te wreken vervaardigde hij een satiriek versje op zijn vrekkigen gastheer:
"Zonder voedsel, snel bediend, Zonder koemelk, waarvan een kalf kan groeien, Zonder woonplaats voor een man te gebruiken in den duisteren nacht, Zonder middelen om een gezelschap van barden te onthalen,-- Moge Bres in dien toestand verkeeren."
In Ierland onderstelde men, dat een dichterlijke satire een soort tooverkracht bezat. Koningen waren er bang voor, zelfs ratten konden er door worden uitgeroeid [82]. Dit versje van Corpre werd met groot vermaak onder het volk herhaald, en Bres was genoodzaakt zijn koningschap neer te leggen. Men zegt, dat dit de eerste satire was, die in Ierland werd vervaardigd. Tevens werd Nuada, omdat hij zijn zilveren hand had gekregen door de vaardigheid van zijn geneesheer Diancecht, of omdat, zooals een andere lezing der legende zegt, een veel grootere heelkundige, de zoon van Diancecht, gezorgd had, dat de echte hand weer aan de stomp vastgroeide, in plaats van Bres tot koning gekozen. De laatste begaf zich nu in toorn en wrok naar zijn moeder Eri, en smeekte haar hem raad te geven en hem op de hoogte te brengen van zijn afkomst. Eri vertelde hem toen, dat zijn vader Elatha was, een koning der Fomoriërs, die in het geheim van over zee bij haar was gekomen, en die haar bij zijn vertrek een ring had gegeven, met het verzoek, dien nooit aan iemand te geven, behalve aan hem, aan wiens vinger hij zou passen. Zij haalde nu den ring te voorschijn, en deze paste aan den vinger van Bres, die daarop met haar afdaalde naar het strand, waar de Fomorische minnaar geland was; daarna zeilden zij te zamen naar het land van zijn vader.
De tyrannie der Fomoriërs.
Elatha herkende den ring, en gaf zijn zoon een leger, om daarmede Ierland te heroveren, terwijl hij hem bovendien wegzond om verdere hulp te zoeken bij den grootsten der Fomorische koningen, Balor. Deze had den bijnaam van "met het kwade oog", omdat de blik van zijn ééne oog als een bliksemflits hem kon treffen, op wien hij in woede neerzag. Hij was toen echter reeds zóó oud en zwak, dat het groote ooglid neerhing over het doodaanbrengende oog, en door zijn manschappen met touwen en takels moest worden opgetild zoo dikwijls het oogenblik was aangebroken, dat hij het op zijn vijanden moest slaan. Nuada kon hem evenmin het hoofd bieden als Bres dit tijdens zijn regeering had kunnen doen; en het land zuchtte nog steeds onder den druk der Fomoriërs en verlangde smachtend naar een kampioen en verlosser.
De komst van Lugh.
Nu treedt een nieuwe figuur in de mythe op, en wel niemand anders dan Lugh, de zoon van Kian, de Zonnegod bij uitnemendheid in het geheele gebied der Kelten, wiens naam wij nog thans kunnen terugvinden in een aantal historische plaatsnamen op het vasteland van Europa [83]. Om zijn verschijning te verklaren, moeten wij voor een oogenblik de mededeelingen der oude handschriften, die hier onvolledig zijn, op zijde zetten, en die moeten worden aangevuld door een verhaal, dat in den volksmond is blijven leven, en zelfs eerst in de negentiende eeuw uit dien volksmond is opgevangen door den bekenden Ierschen oudheidkundige, O'Donovan [84]. In dit verhaal uit den volksmond zijn de namen Balor en die van zijn dochter Ethlinn (de laatste in den vorm "Ethnea") bewaard gebleven, behalve nog sommige andere mythische personen, maar dien van den vader van Lugh vindt men nog flauw terug in Mac-Kineely; de naam van Lugh zelf is vergeten geraakt, en de dood van Balor is medegedeeld op een wijze, die niet in overeenstemming is met de oude mythe. In het verhaal, zooals wij het hier weergeven, zijn de oude namen en de mythische omtrekken bewaard gebleven, maar, waar dit noodig was, aangevuld uit de volksoverlevering, waaruit die moderne trekken zijn weggelaten, die niet te verzoenen zijn met de mythe.
Het verhaal luidt dan, dat Balor, de koning der Fomoriërs, in een Druïdische voorspelling gehoord had, dat hij door zijn kleinzoon zou worden gedood. Zijn eenig kind was een nog zeer jong meisje, Ethlinn genaamd. Om dan dat noodlot te ontkomen liet hij haar, evenals Acrisios, de vader van Danaë, in de Grieksche mythe, opsluiten in een hoogen toren, dien hij had laten bouwen op een steilen landtong, de Tor Mor, op het eiland Tory. Hij stelde het meisje onder bewaking van twaalf oude vrouwen, die streng moesten toezien, dat zij nooit het gelaat van een man te zien kreeg, of dat zij zelfs ooit zou ontdekken, dat er wezens bestonden van een ander geslacht dan het vrouwelijke. In die afzondering groeide Ethlinn--zooals alle in afzondering gehouden prinsessen het geval is--op tot een maagd van onovertroffen schoonheid.
Het geval wilde nu, dat er op het vasteland drie broeders waren, Kian, Sawan, en Goban, de smid, de groote wapensmid en kunstenaar in de Iersche mythen, die overeenkomt met een dergelijke persoonlijkheid in de Germaansche mythologie. Kian had een tooverkoe, die zóó overvloedig melk gaf, dat iedereen verlangde die koe te bezitten, en hij verplicht was, haar streng te bewaken.
Balor besloot zich van die koe meester te maken. Op zekeren dag kwam Kian en Sawan naar de smidse, om wapenen voor zich te laten maken, voor welk doel zij prachtig staal medebrachten. Kian ging de smidse binnen en droeg Sawan de zorg voor de koe op. Nu kwam Balar ten tooneele, na de gestalte te hebben aangenomen van een roodharigen jongen, en vertelde Sawan, dat hij de broeders in de smidse beluisterd had, terwijl zij een plan smeedden, om al het prachtige staal voor hun eigen zwaarden te gebruiken, en niets dan gemeen staal voor het zwaard van Sawan over te laten. Deze gaf nu in groote woede den halster in handen van den jongen en stormde de smidse in, om dit misdadige plan te verhinderen. Onmiddellijk voerde Balor de koe weg en sleepte haar over zee naar het eiland Tory.
Kian besloot nu, zich op Balor te wreken, en won daartoe den raad in van een Druïde priesteres, Birog genaamd. Na zich in vrouwenkleeren te hebben gekleed, werd hij door tooverbezweringen over de zee gedreven, waar Birog, die hem vergezelde, het tegenover de bewaaksters van Ethlinn deed voorkomen, dat zij twee edele vrouwen waren, op het strand geworpen, toen zij voor een man vluchtten, die haar wilde ontvoeren, en om een schuilplaats smeekte. Zij werden toegelaten; Kian vond de gelegenheid toegang te krijgen tot prinses Ethlinn, terwijl de vrouwen door Birog in een diepen tooverslaap werden gebracht, en toen zij ontwaakten, waren Kian en de Druïden-priesteres verdwenen zooals zij gekomen waren. Maar Ethlinn had Kian haar liefde geschonken, en spoedig ontdekten haar bewaaksters, dat zij zwanger was. Daar zij den toorn van Balor vreesden, trachtten de oude vrouwen haar te overtuigen, dat de geheele gebeurtenis slechts een droom was, en spraken er niet meer over, maar na verloop van tijd beviel Ethlinn van drie zoons.
Het bericht van die gebeurtenis bereikte Balor, en vol woede en vrees beval hij, dat de drie kinderen moesten verdronken worden in een maalstroom aan de Iersche kust. De boodschapper, die met die opdracht werd belast, rolde de kinderen in een laken, maar toen hij ze naar de bepaalde plaats droeg, liet de speld waarmede het laken was dichtgemaakt, los, waardoor één der kinderen er uit viel en in een kleine baai terecht kwam, die nog ten huidigen dage Port na Delig, of de Haven van de Speld genoemd wordt. De beide andere werden, zooals bedoeld was, verdronken, en de bediende bracht het bericht, dat hij zijn zending had volbracht.