Chapter 7
Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst der Romeinsche mythologie--wat volkomen hetzelfde was wat de Galliërs zelf na de verovering deden--verhaalt, dat zij Mercurius als den oppersten der goden beschouwden, en in hem den uitvinder zagen van alle kunsten, den god van den handel, en den beschermer der wegen en den gids der reizigers. Men mag vermoeden, dat hij zoowel voor de Galliërs als voor de Romeinen in het bijzonder de gids was der dooden, der reizigers naar de andere wereld. Een aantal bronzen standbeelden van Mercurius, van Gallischen oorsprong, zijn nog steeds in wezen; de Galliërs hebben dien naam overgenomen, zooals blijkt uit een aantal plaatsnamen, aan hem ontleend [70]. Apollo werd beschouwd als de godheid der geneesmiddelen en der geneeskunde, Minerva was de leermeesteres van kunsten en ambachten, Jupiter heerschte over de lucht en Mars had het bestuur van den oorlog. Caesar rangschikt hier ongetwijfeld onder vijf typen en onder Romeinsche namen een groot aantal Gallische godheden.
De god der benedenwereld.
Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den voorgrond tredende godheid der Galliërs Dis of Pluto, de god der benedenwereld, die door de dooden werd bewoond. Alle Galliërs maken er aanspraak op, dat zij van hem zijn afgestamd, en op dien grond begonnen zij, zooals Caesar verhaalt, de vier en twintig uur van den dag te rekenen van het aanbreken van den avond af [71]. De naam van die godheid is niet bekend. d'Arbois de Jubainville is van meening, dat hij te zamen Æsus, Teutates, Taranus, en in de Iersche mythologie, Balor en de Fomoriërs, de machten van de duisternis, den dood en het kwaad voorstelt, en de Keltische mythologie wordt dus verklaard als een gewijzigde vorm der overal voorkomende zonnemythe, die de opvatting belichaamt van den eeuwigen strijd tusschen dag en nacht.
De God van het licht.
De god van het Licht komt in Gallië en in Ierland voor als Lugh, of Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal plaatsnamen, zooals _Lug-dunum_ (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als hij zijn leger aantreft vóór den grooten strijd tegen de Fomoriërs, krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien, een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn, de dochter van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.
De Keltische opvatting van den dood.
Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen, en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats van somberheid en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer de godheid van die wereld als van deze. Er waren daar ongetwijfeld ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen door de Iersche Kelten belichaamd waren in hun mythen van Balor en de Fomoriërs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in het bijzonder verbonden waren met het denkbeeld van den dood, is naar mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende vergelijkingen met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen gevolgd, dan die van de Ariërs uit Europa. Alleen als wij er ons voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij die in de geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche Keltische opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische met niet-Arische karaktertrekken, zullen wij tot een juist begrip komen van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van den invloed, dien zij op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.
De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.
Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben, dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren onderscheiden, die ingewerkt hebben op de godsdienstige cultuur der Keltische landen, zooals wij die waarnemen vóór de inwerking van den invloed der classieke volken en van het Christendom. In de eerste plaats hebben wij een aantal populaire vormen van bijgeloof en magische gebruiken voor ons, met inbegrip van menschenoffers. Deze waren meer of minder gewijzigd naar gelang van de plaats, daar zij nauw in verband stonden met locale trekken en eigenschappen, die beschouwd werden als de belichaming of de dragers van goddelijke of duivelsche macht. Ten tweede bestond er zeker een wel doordachte en wijsgeerige geloofsleer, die tot middelpunt van aanbidding de Zon had, als het zinnebeeld der goddelijke macht en bestendigheid, en tot middelpunt van leerstelling de onsterfelijkheid der ziel. Ten derde had men de vereering van gepersonifieerde godheden, Æsus, Teutates, Lugh en anderen, die men zich dacht als vertegenwoordigers van natuurkrachten of als bewakers der maatschappelijke wetten. Ten vierde stonden de Romeinen zeer onder den indruk van het feit, dat er onder de Druïden een geheel van leerstellingen van schijnbaar wetenschappelijken aard bestond over natuurverschijnselen en den bouw van het heelal, van welke leerstellingen wij in bijzonderheden feitelijk ongelukkiger wijze niets weten. En ten slotte hebben wij onze aandacht te vestigen op de ontzaglijke beteekenis van een priesterorganisatie, die het geheele stelsel van godsdienstige en wereldlijke kennis en litteratuur in handen had [72], die met zorg die wetenschap beperkte tot een bevoorrechte kaste, en die ten gevolge van zijn verstandelijk overwicht en van de atmosfeer van godsdienstig ontzag, waarmede zij was omgeven, de hoogste macht op maatschappelijk, staatkundig en godsdienstig gebied werd in ieder Keltisch land. Wij hebben van die elementen als van verschillende zaken gewag gemaakt, en wij kunnen ze dan ook inderdaad in gedachten van elkander onderscheiden, maar in de practijk waren zij op niet te ontwarren wijze samengeweven, en de organisatie der Druïden doortrok en regelde alles. Kunnen wij nu, zoo vragen wij, daaronder onderscheiden wat van Keltischen, en wat van prae-Keltischen en waarschijnlijk niet-Arischen oorsprong is? Dit is een lastiger taak; toch meenen wij, lettende op alle analogieën en waarschijnlijkheden, dat wij niet ver van de waarheid afzijn, indien wij aan de megalithische bevolking de eigenaardige leerstellingen, de godsdienstige gebruiken en de priesterorganisatie van het Druïdendom toeschrijven, en aan het Keltische element de gepersonifieerde godheden, met den dorst naar wetenschap en bespiegeling; terwijl het bijgeloof der groote menigte niets anders was dan de plaatselijke vorm, die aangenomen was als gevolg van opvattingen, die even ruim verspreid waren als het menschelijke ras.
De Kelten uit onzen tijd.
Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken, die in onze dagen "Keltisch" genoemd worden, heeft men dikwijls beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Gallië en in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet meer--zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van Alesia tot aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen de echte Kelten alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van Perthshire en het noordwesten van Schotland, en in enkele families van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland en in Wales zijn overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die opvattingen heel wat waarheid steekt. Toch moet niet worden vergeten, dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat hun physieke eigenschappen betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische overleveringen en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong daarvan, ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij men eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn een deel van de levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar; zij hebben verborgen mogelijkheden met een rijkdom van oorzaken, zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet te zeer afwijkenden stam, of--om een ander gebied te betreden--zooals het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal die op ieder oogenblik kan openen en in werking kan brengen.
Van één zaak zijn wij persoonlijk overtuigd--en wel dat aan het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling van het volk, dat men den "Keltischen zoom" in Europa zou kunnen noemen moet gewerkt worden langs Keltische lijnen; door het in stand houden der Keltische overlevering, de Keltische litteratuur, de Keltische taal--in één woord, de aanmoediging van al die Keltische eigenaardigheden, waarvan dat gemengde ras nu de eenige bewuste erfgenaam en bewaker is. Daaraan zal het ras gehoor geven, daardoor zal het diep bewogen worden; en de oogst heeft nooit iemand in den steek gelaten, die met moed en geloovig vertrouwen den ploeg door dit rijke veld heeft getrokken. Aan den anderen kant moet dit werk, zal het met vrucht verricht worden, niet in een pedanten, kleingeestigen, onverdraagzamen geest geschieden; men moet zich niet angstvallig vastklampen aan de uitwendige vormen van het verledene, eenvoudig omdat de Keltische geest daarin eertijds uiting heeft gevonden. Laat men in het oog houden, dat in het begin der Middeleeuwen Kelten uit Ierland de meest bekende ontdekkingsreizigers waren, de meest bekende baanbrekers op het gebied van godsdienst, wetenschap en bespiegelende gedachten in Europa [73]. Moderne onderzoekers hebben hun lichtende voetsporen getrokken over de helft van het heidensche vasteland, en de Iersche scholen waren overstroomd met leerlingen, die nergens anders de gelegenheid hadden onderwezen te worden. Toen speelde de Keltische geest zijn ware rol in het werelddrama, en nooit heeft hij een grootere rol gespeeld. Wat die mannen ons hebben nagelaten, moet in eere gehouden worden, maar niet als een in een museum opgeborgen merkwaardigheid; niets zou meer in strijd zijn met hun vrijen, vermetelen, avontuurlijken geest dan het erfdeel te laten versteenen in de handen van hen, die aanspraak maken op de erfenis van hun naam en hun faam.
De mythische literatuur.
Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo echt mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten. Wij hebben ons hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is voortgebracht--zooals in de Arthurlegende--op het gebied van mythen en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is, en hoeveel niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij dus geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal niets in zijn, dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat niet thans nog in de één of andere verscheidenheid der Keltische taal, zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.
HOOFDSTUK III. DE MYTHEN OMTRENT DE INVALLEN IN IERLAND.
Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.
Was er onder de geheime leerstellingen omtrent den "aard der dingen", die, zooals Caesar ons mededeelt, nooit door de Druïden zijn geboekstaafd, iets dat herinnerde aan een cosmogonie, eenige mededeeling omtrent het ontstaan van de wereld en den mensch? Zeker was dit het geval. Het zou immers werkelijk vreemd zijn, als de Kelten het eenige ras zouden geweest zijn, dat geen mythen had, die op dit onderwerp betrekking hadden. Het schouwspel van het heelal met al zijn groote en geheimzinnige verschijnselen in den hemel en op aarde heeft eerst op de verbeeldingskracht gewerkt, en daarna tot bespiegelende beschouwingen geleid bij elk volk, dat voor die dingen vatbaarheid heeft. De Kelten bezaten nu beide eigenschappen in de hoogste mate, en toch weten wij, behalve in één zinsnede omtrent de "onvernietigbaarheid" der wereld, door Strabo tot ons gekomen, niets omtrent hun oudste voorstellingen of bespiegelingen over dit onderwerp. Ierland bezit een uitgebreide litteratuur op het gebied van legenden. Dat alles nam eerst in Christelijke tijden zijn tegenwoordigen vorm aan; toch is er zóóveel, dat in wezen heidensch is, daarin overgebleven, dat het vreemd zou zijn als Christelijke invloeden geleid hadden tot de uitroeiing van alles in die oude teksten, dat wees op een niet-Christelijke opvatting omtrent den oorsprong der dingen--indien Christelijke uitgevers en verspreiders ons zelfs niet het geringste schijnsel hadden gegeven van zulk een opvatting. En toch is het werkelijk het geval, dat zij ons dit niet geven; er is niets in de oudste legendarische letterkunde der Iersche Galiërs, wat de oudste Keltische letterkunde is, die nog bestaat, dat overeenkomt met de Babylonische mythe omtrent de verovering van den Chaos, van de woeste Noorsche mythe omtrent de schepping van Midgard uit het lichaam van Ymir, of de Egyptische mythen der schepping uit het oorspronkelijke Water door Thoth, het woord Gods, of zelfs de oorspronkelijke folklore opvattingen, die bij bijna iederen wilden volksstam gevonden worden. Het is onmogelijk er aan te twijfelen, dat de Druïden de één of andere leerstelling over dit onderwerp hadden. Maar door die met de meeste vastberadenheid verborgen te houden voor de niet-ingewijden en alle leekenbespiegeling over dat onderwerp te beletten, schijnt het, dat zij het mythenmakende instinct onder de groote menigte ten opzichte der cosmogonie hebben verstikt, en er voor hebben gezorgd, dat als hun eigen kaste te gronde ging, hun leerstellingen, wat die ook waren, met hen zouden te gronde gaan.
Wij vinden dan ook in de oudste Iersche verhalen omtrent het begin der dingen, dat de vertellers niet met de Wereld beginnen, maar met hun eigen land, Ierland. Het was wel is waar de gewoonte, aan die verhalen der oudste invallen en kolonisaties het verhaal uit den Bijbel te doen voorafgaan omtrent de schepping van de wereld en van den mensch, en dit bewijst, dat men voelde, dat iets van dien aard werd verlangd; maar wij weten volstrekt niet, wat vóór de dagen van het Christendom de plaats van het Bijbelsche verhaal innam, en het is te betreuren, dat wij waarschijnlijk daaromtrent nooit iets zullen te weten komen.
De verschillende cyclen van Iersche legenden.
De Iersche litteratuur op het gebied van mythen en legenden, zooals die in den oudsten vorm tot ons is overgebracht, valt, naar men mag aannemen, in vier afdeelingen, en daaraan zullen wij in onze bespreking in dit werk vasthouden. In chronologische volgorde zijn het de mythologische cyclus, of die der invallen, de Ulster- of Conorische Cyclus, de Ossian- of Feniancyclus, en een aantal gemengde verhalen en legenden, die moeilijk in een historisch lijstwerk kunnen ingevoegd worden.
De mythologische cyclus.
De mythologische cyclus omvat de volgende afdeelingen:
1. De komst van Portholan in Ierland. 2. De komst van Nemed in Ierland. 3. De komst der Firbolgs in Ierland. 4. De inval der _Tuatha De Danann_, of Volk van den god Dana. 5. De inval der Milesiërs (Zonen van Miled) uit Spanje, en hun verovering van het Volk van Dana.
Met de Milesiërs beginnen wij te naderen tot iets, dat op geschiedenis gelijkt--zij vertegenwoordigen in de Iersche legenden het Keltische ras; en men neemt aan, dat de heerschende Iersche families van hen afstammen. Het Volk van Dana zijn blijkbaar goden. De kolonisten of overweldigers uit den prae-Danaïschen tijd zijn kolossale, spookachtige figuren, die slechts flauw voor den dag komen door de nevelen der overlevering, en die weinig duidelijke karaktertrekken hebben. De verhalen, die omtrent hen worden gedaan, zijn talrijk en tegenstrijdig, en uit deze kunnen wij hier alleen de oudste verhalen mededeelen.
De komst van Partholan.
De Kelten geloofden, zooals Caesar ons heeft medegedeeld, dat zij waren afgestamd van den god der onderwereld, den god der dooden. Men verhaalt, dat Partholan in Ierland gekomen was uit het westen, waar aan de overzijde van den uitgestrekten, nooit bevaren Atlantischen Oceaan, het Iersche Tooverland, het land der levenden--dat is het land der gelukzalige dooden--gelegen was. De naam van zijn vader was Sera (het westen?). Hij kwam met zijn koninklijke gade Dalny [74] en een aantal makkers van beide geslachten. Ierland was--en dit is een aan de verbeelding ontleende trek, die ten doel heeft een denkbeeld te geven van de ontzaglijke oudheid--in die dagen uit een natuurkundig oogpunt een geheel ander land dan tegenwoordig. Er waren toen slechts drie meren in Ierland, negen rivieren en slechts één vlakte. Langzamerhand kwamen er andere bij tijdens de regeering der dynastie van Partholan. Volgens de verhalen was één meer, en wel het Rurymeer, opengebarsten, toen een graf werd gedolven voor Rury, den zoon van Partholan.
De Fomoriërs.
De mannen van Partholan hadden, zoo loopt het verhaal, te strijden tegen een vreemd ras, de Fomoriërs genaamd, waarvan wij in latere gedeelten van dit werk veel zullen hooren. Zij waren een kolossaal, wanstaltig, heftig en wreed volk, dat naar wij mogen aannemen, de machten van het kwaad vertegenwoordigde. Eén van hen had den bijnaam van _Cenchos_, wat De Voetlooze beteekent, en schijnt dus verwant te zijn aan Vitra, den god van het kwaad in de Veda mythologie, welke godheid noch voeten noch handen had. Partholan vocht met een aantal van die demons om de heerschappij over Ierland, en joeg ze naar de noordelijke zeëen, vanwaar zij van tijd tot tijd het land onder zijn latere heerschers verontrustten en plunderden.
Het ras van Partholan werd ten slotte door de pest aangetast, en nadat zij zich verzameld hadden op de Oude Vlakte (Senmag) om hun dooden te kunnen begraven, kwamen zij daar allen om; en weer lag Ierland ledig, om later weer opnieuw te worden bezet.
De legende van Tuan mac Carell.
Wie vertelde dan het verhaal? Dit leidt ons er toe, melding te maken van een merkwaardige en belangwekkende legende--één der vele legendarische mededeelingen, waarin die verhalen uit de mythische periode tot ons zijn gekomen. Deze wordt gevonden in het zoogenaamde "Boek der Dun Koe", een manuscript van omstreeks het jaar 1100 na Christus en dat tot titel draagt "De Legende van Tuan mac Carell".
St. Finnen, een Iersche abt uit de zesde eeuw had, naar verhaald wordt, gastvrijheid gezocht bij een opperhoofd, Tuan mac Carell genoemd, die niet ver van het klooster van Fin te Moville, (Graafschap Donegal) woonde. Tuan weigerde hem den toegang. De heilige ging op den drempel van het huis van het opperhoofd zitten, en vastte den geheelen Zondag [75], waarop de norsche heidensche krijgsman de deur voor hem opende. Tusschen hen ontstonden vriendschapsbetrekkingen, en de heilige keerde naar zijn monniken terug.
"Tuan is een uitnemend man," zoo sprak hij tot hen; "hij zal bij u komen en u verkwikken, door u de oude vertelsels van Ierland te herhalen" [76].
Die menschelijke belangstelling in de oude mythen en legenden van het land, is, naar hier moge worden opgemerkt, een even standvastige als aangename trek in de litteratuur der oudste Iersche Christenheid.
Tuan kwam kort daarna bij den heilige, om hem een tegenbezoek te brengen, en noodigde dezen en zijn leerlingen uit, hem in zijn kasteel te komen bezoeken. Zij vroegen hem naar zijn naam en afkomst, en hij gaf een wonderbaarlijk antwoord. "Ik ben een man uit Ulster", zeide hij. "Mijn naam is Tuan, zoon van Carell. Maar vroeger heette ik Tuan, zoon van Starn, zoon van Sera, en mijn vader, Starn, was de broeder van Partholan."
"Vertel ons de geschiedenis van Ierland," zoo sprak toen Finnen, en Tuan begon. Zooals hij zeide was Partholan de eerste mensch, die zich in Ierland nederzette. Na de groote pest, waarvan reeds melding is gemaakt, was hij de eenige die in leven bleef, "want er is nooit een slachting zóó groot, dat er niet een man aan ontkomt, om het verhaal te doen." Tuan was alleen in het land, en hij trok rond van de ééne ledige vesting naar de andere, van rots naar rots, om een schuilplaats te zoeken tegen de wolven. Zoo leefde hij twee en twintig jaar in eenzaamheid voort, in verlaten plaatsen wonend, totdat hij stokoud en vreeselijk gebrekkig was geworden.
"Toen nam Nemed, de zoon van Agnoman Ierland in bezit. Deze (Agnoman) was de broeder van mijn vader. Ik zag hem van de klippen af en deed voortdurend mijn best, hem te vermijden. Ik had lange haren en klauwen, was afgeleefd, grijs, naakt, ongelukkig en ellendig. Op zekeren avond viel ik in slaap, en toen ik weer ontwaakte, was ik in een hert veranderd. Weer was ik jong en vroolijk van hart. Toen zong ik van de komst van Nemed en van zijn ras, en van mijn eigen gedaanteverwisseling.... Ik heb een nieuwe gedaante aangenomen een ruwe en grijze huid. Overwinning en vreugde zijn gemakkelijk voor mij; een korten tijd geleden was ik zwak en hulpeloos."
Daarna was Tuan koning van al het roode wild van Ierland, en bleef dat gedurende al den tijd, dat Nemed en zijn ras in Ierland regeerden.
Hij vertelt, hoe de Nemediërs naar Ierland zeilden in een vloot van twee en dertig booten, en in iedere boot waren dertig personen. Zij zwierven anderhalf jaar over de zeeën, en de meesten van hen stierven van honger en dorst of kwamen in een schipbreuk om. Slechts negen ontsnapten--Nemed zelf, met vier mannen en vier vrouwen. Deze landde in Ierland, en vermenigvuldigden zich in den loop der tijden, totdat hun aantal 8060 mannen en vrouwen bedroeg. Daarop stierven zij allen op geheimzinnige wijze.
Weer was Tuan oud en gebrekkig geworden, maar hem wachtte weer een nieuwe gedaanteverwisseling. Ik stond eens aan den ingang van mijn hol--ik herinner mij dat nog duidelijk--en ik wist, dat mijn lichaam weer een andere gedaante aannam. Ik was een wild zwijn. En ik zong daarover het volgende lied:
"Vandaag ben ik een wild zwijn.... Er was een tijd, dat ik in de vergadering zat, die de uitspraken van Partholan openbaarden. Zij werden gezongen, en ieder prees de melodie. Hoe heerlijk was de trant van mijn schitterend oordeel! Hoe heerlijk voor de bevallige jonge vrouwen! Mijn wagen reed in majesteit en schoonheid rond. Mijn stem was ernstig en liefelijk. Mijn stap was vlug en stevig in den strijd. Mijn gelaat was vol bekoorlijkheid. Maar zie, thans ben ik in een zwart zwijn veranderd."