Keltische Mythen en Legenden

Chapter 6

Chapter 63,502 wordsPublic domain

In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers, die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs na de komst der Kelten--zij komen het eerst voor in Gallië onder Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen, dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde "Keltische" leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden, waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die leer was typisch Egyptisch.

De "Navetas".

In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede overeenkomende bouwwerken, die daar door het volk _navetas_ (schepen) genoemd worden, zóó duidelijk is de overeenkomst. "Maar", voegt hij er aan toe, "reeds lang voordat de holen en _navetas_ van Minorca mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik zoo dikwijls gesproken heb, als van den 'wigvorm', die zoo algemeen wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling van een schip. Wij weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn opgegraven uit graftumuli in Scandinavië. In begraafplaatsen uit het IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavië als aan de meer zuidelijk gelegen kusten der Oostzee, was het schip de erkende vorm van een begraafplaats" [49]. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling, die wij toeschrijven aan de voorstellingen der zon op de teekeningen van een schip der megalithische bevolking.

Het schipsymbool in Babylonië.

Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar 4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar, die den vorm had van een schip. Jastrow [50] meent, dat dit zijn oorsprong ontleent aan een tijd, toen de heilige steden van Babylonië aan de Perzische Golf gelegen waren, en toen godsdienstige processies dikwijls op het water werden gehouden.

Het symbool der voeten.

Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende volken, welke zich uit een thans onbekende bron daarvan meester maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee Voeten. In Egypte vormden de Voeten van Osiris één der deelen, waarin zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool van inbezitneming of van bezoek. "Ik ben op aarde gekomen", zegt het "Boek der Dooden" (Hoofdstuk XVII), "en heb met mijn twee voeten bezit genomen. Ik ben Tmu". Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in Indië, als de afdruk van den voet van Buddha [51], het wordt gebeeldhouwd op dolmens in Bretagne [52] gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in Scandinavië. [53] In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken van St. Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit, dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden [54]. Tyler verwijst in zijn "Primitieve Beschaving" (II blz. 197) naar de plechtigheid der Azteken op den Tweeden Feestdag van den Zonnegod, Tezcatlipoca, wanneer zij maïs strooiden vóór zijn heiligdom, en zijn hoogepriester bleef toezien, totdat hij de goddelijke voetstappen zag, en dan luide verkondigde, "Onze Groote God is gekomen."

De _Ankh_ op megalithisch beeldhouwwerk.

Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het, gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk cijfers) gevonden op ivoren platen op het kerkhof te Naqada, en die door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden worden. Verscheidene latere Egyptische hiëroglyphenteekens, met inbegrip van den beroemden _Ankh_ of _crux ansata_, het symbool der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch beeldhouwwerk gevonden [55]. Uit die overeenstemming trok Letourneau de gevolgtrekking "dat de bouwers van onze megalithische monumenten uit het zuiden afkomstig waren en verwant waren met de rassen van Noord-Afrika." [56]

Bewijzen uit de taal.

Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche oorsprong--ten minste bij benadering--van de oorspronkelijke bevolking van Groot Brittannië en Ierland zeer waarschijnlijk is. Zij toonen aan, dat de Keltische talen in haar woordvoeging het Hamitische en voornamelijk het Egyptische type behouden hebben. [57]

Egyptische en "Keltische" denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.

De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening, geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk, dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het oude Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat er een zoodanige betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste en meest populaire van al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder en haar kind. [58] Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende geesten, die naar de wereld van den dood geleid worden door den God van het Licht.

De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving, stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten, met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd.

Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid, dat naar de Galliërs zeiden, "door de Druïden was ingevoerd en verspreid." De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar welk een beeld geeft Homerus, de bijbel der Grieken, van de verloren, verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die de gescheiden zielen der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld, de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood zijn, op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt [59].

"Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen Van d'in 't gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij betoovert D'oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt. Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf, Hermes leiding, Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in 't diepste der holen, Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd zich houden. Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den Hades."

De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid, in al zijn menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt geld wilde leenen op een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost [60]. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de bijzondere aandacht van Diodorus, toen hij schreef over de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid--het kwam met niets overeen, wat hij buiten Egypte hieromtrent had opgemerkt [61].

De leer der zielsverhuizing.

Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger van was. Zoo zegt Caesar: "Het voornaamste punt van hun (de Druïden) leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne lichaam in het andere overgaat." En Diodorus zegt: "Onder hen is de leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na een nieuw lichaam te hebben aangenomen." Zeker is het nu, dat sporen van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning, Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta, die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen "Wij waren bij u", en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat hij verder: "Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen..." "Stil" zegt Morgan, "het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken." Het geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was. [62] Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het _kon_ gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld, dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide, niet in het volle licht mocht worden gebracht.

Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme. [63] Caesar bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Druïden is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken dan om zuiver politieke redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals dit bij de Kelten gevonden werd, is zeker één der krachtigste middelen in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in handen heeft. En nu is het een feit, dat het Druïdisme bestond op de Britsche eilanden, in Gallië, en feitelijk, voor zoover wij weten, overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Gallië, maar daar waren geen dolmens en evenmin Druïden [64]. Wat absoluut vaststaat is, dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk vonden met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoniën, en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze te zijn, dat het Druïdisme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten is opgelegd--de Kelten met hun "buitengewone geschiktheid" denkbeelden op te nemen--door de oudere bevolking van westelijk Europa, de megalithische bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet in bijzonderheden te volgen betrekking stonden tot de godsdienstige beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel duisters, en dit zal misschien wel altijd het geval blijven, maar als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking eenige stappen verder gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid, die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk "L'Irlande Celtique" [65] op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die zóó volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat het werkelijk Druïdische colleges waren, die _en masse_ van bestemming waren veranderd. Caesar deelt ons mede, wat in Gallië de aard en de inrichting van die colleges was. Zij waren zeer talrijk. In weerwil van de ernstige studie en de strenge tucht, die daar werd geëischt, stroomden er een aantal mannen heen, ter wille van de macht, die door de Druïden werd uitgeoefend, en de burgerlijke vrijheden en voorrechten, die hun leden van alle graden daar genoten. Kunsten en wetenschappen werden daar beoefend, en duizenden versregels, waarin de leerstellingen van het Druïdisme waren neergelegd, werden daar uit het hoofd geleerd. Dit heeft veel overeenkomst met wat wij van het Druïdisme in Ierland weten. Een dergelijke organisatie zou met heel weinig moeite kunnen overgaan in het Christendom van het type, zooals het in Ierland was gevestigd. Het geloof in magische gebruiken zou blijven overleven--het oude Iersche Christendom was, zooals de talrijke heilige geschriften duidelijk aantoonen, even diep gedrenkt in magische denkbeelden als ooit met het Druïdische heidendom het geval was geweest. Het geloof in de onsterfelijkheid zou evenals te voren blijven bestaan als het voornaamste godsdienstige leerstuk. En bovenal zou de heerschappij der priesterkaste over de wereldlijke macht ongeschonden bewaard blijven, nog altijd zou waar zijn wat Dion Chrysostomus van de Druïden heeft gezegd, dat zij het zijn, die bevelen, en dat koningen op gouden tronen, die in schitterende paleizen wonen, niets anders zijn dan hun zaakgelastigden en de dienaren van hun gedachten [66].

Caesar over de beschaving der Druïden.

De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover de Druïden het toezicht hielden, wordt door Caesar met den grootsten eerbied besproken. "Zij bespreken en behandelen met de jeugd," zoo schrijft hij, "een aantal dingen over de sterren en haar bewegingen, over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard der dingen, over de macht en de majesteit der onsterfelijke goden" (VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige bijzonderheden konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt beschreven. Maar hoewel de Druïden goed op de hoogte waren van de schrijfkunst, verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want niet alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit krachtig kon worden betwist.

Menschenoffers in Gallië.

In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken, zelfs onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden, en daarin levend verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend een Druïdisch gebruik--het wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een zeker peil van beschaving, en was ongetwijfeld een overblijfsel uit den tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen moet hebben voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken worden met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de onbeperkte overheersching eener priesterkaste.

Menschenoffers in Ierland.

Bertrand tracht aan te toonen dat de Druïden buiten die practijken stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden, zegt "dat er geen spoor" van in Ierland te ontdekken valt, hoewel daar het Druïdisme, zooals in andere streken van het Keltische gebied, oppermachtig was. Er is echter weinig twijfel aan, dat ook in Ierland menschenoffers in zwang waren. In een zeer oude verhandeling, den "Dinnsenchus", die in het "Boek van Leinster" is bewaard gebleven, vindt men, dat in de Moyslaught "de vlakte der aanbidding" een groot gouden afgodsbeeld stond, Crom Cruach, (de bloedige Halve Maan). Aan dat beeld plachten de Galliërs kinderen te offeren, als zij om schoon weder en vruchtbaarheid baden--"zij vroegen dat beeld om melk en koren in ruil voor hun kinderen--hoe groot was hun ontzetting en hoe luid hun weeklagen!" [67]

En in Egypte.

In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke opwinding, vinden wij geen berichten omtrent dergelijke plechtigheden op de inscripties en schilderingen op de monumenten, hoewel deze ons anders talrijke mededeelingen doen omtrent alle mogelijke verschijnselen van het nationale leven en den godsdienst [68]. Manetho immers, de Egyptische geschiedschrijver, die geschreven heeft in de derde eeuw v.C., deelt ons mede, dat menschenoffers waren afgeschaft door Amasis I, in het begin der XVIIIde Dynastie--omstreeks 1600 v.C. Maar het volkomen stilzwijgen hierover der andere historische verhalen bewijst ons, dat, zelfs als wij Manetho mogen gelooven, het gebruik in historische tijden uiterst zeldzaam moet geweest zijn, en dat men er met tegenzin aan herinnerd werd.

De namen van Keltische godheden.

Wat waren de namen en de attributen van de Keltische godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De megalithische bevolking stelde zich hare godheden niet voor onder een concreten persoonlijken vorm. Steenen, rivieren, putten, boomen, en andere natuurlijke voorwerpen waren voor hen de passende symbolen, of waren half symbolen, half verpersoonlijkingen der bovennatuurlijke krachten, die zij aanbaden. Maar de verbeeldingrijke geest der Arische Kelten was daarmede niet tevreden. Caesar verhaalt ons van het bestaan van persoonlijke goden met verschillende titels en attributen; hij vergelijkt ze met verschillende gestalten uit het Romeinsche Pantheon--Mercurius, Apollo, Mars en anderen. Lucanus maakt van een drietal godheden melding, Aesus, Teutates en Taranus; [69] en het is de vermelding waard, dat wij bij die namen tegenover een echte Keltische, dat is Arische overlevering staan. Zoo wordt Aesus door Belloguet afgeleid van den Arischen wortel _as_, die "zijn" beteekent, en die de Perzen den naam Asura-masda (_l'Esprit Sage_), de Umbriërs den naam Aesun, de Scandinaviërs den naam Asa (Goddelijk Wezen) leverde. Teutates is afgeleid van een Keltischen wortel, die "dapper", "oorlogszuchtig" beteekent, en drukt een godheid uit, die met Mars overeenkomt. Taranus (Thor?) is volgens de Jubainville de god van den Bliksem (in het Galisch, Cornisch, en Bretonsch is _taran_ het woord voor "bliksemflits"). Opschriften met geloften aan die goden zijn in Gallië en Brittannië gevonden. Andere opschriften en beeldhouwwerken leggen er getuigenis van af, dat er in Gallië een groot aantal godheden van minderen rang en ook plaatselijke godheden zijn, die meestal voor ons niet meer dan een naam zijn, en zelfs nog niet eens dat. In den vorm, waarin wij die hebben, dragen die begrippen de duidelijke sporen van Romeinschen invloed. De beeldhouwwerken zijn ruwe nabootsingen van den Romeinschen stijl der godsdienstige kunst. Maar wij vinden daaronder ook figuren van een veel woester en vreemder uiterlijk--goden met driedubbele gezichten, goden met vertakte geweien op hun voorhoofd, slangen met ramskoppen en andere symbolen van den ouderen godsdienst, die nu niet meer te begrijpen zijn. Zeer opmerkelijk is het herhaaldelijk voorkomen van de houding van "Buddha" met gekruiste beenen, die zoo veel voorkomt in de godsdienstige kunst van het oosten en van Mexico, en daarbij de neiging, die in Egypte zoo goed bekend is, om de goden in drietallen te groepeeren.

Caesar over de Keltische godheden.