Chapter 5
"De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen, dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste plaats uit de geneeskunde is ontstaan--een feit dat door niemand kan worden betwijfeld--en onder den schijn van bezorgdheid voor onze gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen, over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken, en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan.
"Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden--in Perzië en door Zoroaster [37]. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar is er niet meer dan één Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt, dat men reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen roem hebben gevonden--ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en Plato zijn de zeeën overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij daarna in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij de Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen [38] en andere monumenten, zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst in het jaar 657 na de stichting van Rome, onder het consulaat van Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een _senatus consultum_ verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt, dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht. De Galliërs zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze dagen, immers was het keizer Tiberius, die de Druïden afschafte en de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut heeft het, verbodsbepalingen uit te vaardigen tegen een kunst, die den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur is doorgedrongen?" (_Hist. Nat._ XXX).
Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen de Grieken, en die de "kiemen van zijn gedrochtelijke kunst" heeft verbreid overal waar hij in Europa kwam.
De magie was--zoo meende Plinius--noch inheemsch in Griekenland, noch in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt, dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.
Sporen van magie in megalithische monumenten.
De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen tumulus van Mané-er-H'oeck, in Bretagne. Dat monument was in het jaar 1864 door René Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden beschrijft--de oppervlakte van den grond was nog onaangeroerd, en alles was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten [39]. Aan den ingang der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een geheimzinnig teeken was gegraveerd, misschien wel de totem van een der voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen oorhanger van groen jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een grooteren ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op den ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk in rotsen, uit het Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hiëroglyphen, Minoïsch snijwerk, enz. Op korten afstand daar vandaan lagen twee groote oorhangers van jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet [40], en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren met een blijkbare bedoeling _op een rij_ gerangschikt, en vormden een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met één der diagonalen van de kamer, van het noordwesten naar het zuidoosten. In één der hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet en fibroliet. Er waren geen sporen van beenderen of asch, en evenmin vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. "Staan wij," zoo vraagt Bertrand, "hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid, die met de magie samenhangt?"
Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr'inis.
In verband met het groote grafmonument te Gavr'inis was een zeer merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar--zooals gewoonlijk bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland--een aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt, zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat--een magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in het Christelijke symbolisme--zooals bij voorbeeld de groote hand, gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van Muiredach te Monasterboice.
Uitgeholde steenen.
Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening, die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden, die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de geslachten in verband staat.
Vereering van steenen.
Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen, bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor; zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als de vereering, bewezen aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien kan een verklaring voor de vereering, verbonden met groote, op zich zelf staande massa's van ongehouwen steen, gevonden worden in haar gelijkenis met de kunstmatige dolmens en cromlechs [41]. Geen enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt, dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen bedreigde, die "boomen, putten en steenen aanbaden," en die bedreiging werd herhaald door Karel den Groote en door een aantal Synodes en Concilies tot op onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en die enkele jaren geleden op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne nog in volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke organisatie der Christenheid thans in den dienst zijn gesteld van dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid met veel tegenzin deel aan die plechtigheden, maar wordt zij daartoe gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen, waarvan het water volgens de openbare meening ziekten geneest, zijn nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het water van Lourdes, kan, in weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland worden beschouwd.
Teekens in den vorm van schotels en ringen.
Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn holten gemaakt in den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische ringen, en van den schotel loopen één of meer lijnen van het middelpunt naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een stelsel van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor, dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen eindigen. Die vreemde teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittannië en Ierland en in Bretagne, maar ook in verschillende plaatsen van Indië, waar zij _mahadéos_ [42] heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld--want dit schijnt het inderdaad te zijn--gevonden in Dupaix "Monumenten van Nieuw Spanje." Het is weergegeven in "de Oudheden van Mexico," deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van een cilindervormigen steen, bekend als de "Steen van het Zegevieren" is in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische cirkels daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve dat het patroon hier rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op een typisch Europeesch teeken. Men kan er nauwelijks aan twijfelen, dat die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden worden ook hetzelfde beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien is de gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke plaats van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de lijn of gang, die van het midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang van het graf voor. Dat die "gang" inderdaad den toegang bedoelt, blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson ontleenen. Daar het graf tevens een heilige plaats of tempel was, is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk van gewijden aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen, in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is.
De tumulus te New Grange.
Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden worden, komen in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend is. Zij worden eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der _Sidhe_, of feeën, die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen der Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd omtrent den Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk in Ierland door St. Patrick was gepredikt, en die verbood, dat men hem zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan heidensche overleveringen waren verbonden, wijst er op, dat die plaats het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich sloot dan eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden; zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen [43], maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband stonden met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste van deze, de tumulus van New Grange, is geheel en al onderzocht en beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van Keltische oudheden in het Nationale Museum te Dublin [44]. Aan den buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn is 280 Engelsche voet en hij is ongeveer 44 voet hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan, vijf en dertig in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd, die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken is uit losse steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid zijn met gras en struiken. Doch het groote belang van dat monument is gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van de zeventiende eeuw kwamen enkele werklieden, die van die aardhoogte materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een gaanderij naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit, dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van ongehouwen steen, gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks 5 tot 6 Engelsche voet in hoogte; zij is 3 voet breed, en loopt over een lengte van 62 voet tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van 20 voet, waarvan de zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen, die alle naar het midden gericht zijn, waar zij elkander bijna aan den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In ieder der drie inhammen van de kruisvormige kamer staat een groote steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van eenige begrafenis daar overgebleven.
Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.
De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd door platen te hakken uit de oorspronkelijke steengroeven, worden de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken van dat vreemde monument. Met uitzondering van den grooten steen met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk niet de bedoeling gehad te hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en primitieven zin. Er is volstrekt geen poging bij, om een bepaalde oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in overeenstemming is met haar grootte en vorm. De patronen zijn als het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige plaatsen. [45] Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken op de steenen te Gavr'inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten en zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een blad van een varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd is te doen, als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een "haringgraat." [46] Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt, vindt men in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar in de Pyreneën, voorgesteld door Bertrand.
Het schipsymbool te New Grange.
Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift, een groep cijfers, en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een ruwe voorstelling van een schip met mannen aan boord en met volle zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is, die blijkbaar een deel van het patroon vormt. Een tweede voorbeeld vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen zien, zeer groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne [47] een aantal figuren voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan één den cirkel doet zien op een overeenkomstige plaats als te New Grange. De bijl, een Egyptische hiëroglyph voor de godheid en een zeer bekend magisch zinnebeeld, is eveneens op dien steen voorgesteld. Zoo vindt men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk op de rotsen van Zweden [48], een reproductie (die ook voorkomt in "Het Viking-Tijdperk" van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots, die ons een aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen als kruis geteekend zijn--onmiskenbaar een zonnezinnebeeld--vlak boven hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld, dikwijls zóó ruw en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel niet gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter als tijdverdrijf of met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk toe. In de dagen der megalithische bevolking zou een grafmonument, het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt zijn met nuttelooze en nietsbeteekenende krabbels. "De mensch heeft," zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, "altijd heilige dingen en dingen die met graven in betrekking staan, met elkander verbonden." En die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem van een decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling hadden, waarvan waren zij dan een symbool?
Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen, met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden, Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland, hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden.
Het schipsymbool in Egypte.
Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven betreft. Het staat in verband met den dienst van Ra, die 4000 jaar vóór Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip, waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De zonnegod Ra wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum, zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen vinden van de levenwekkende stralen, die Ra op de boot en hare bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is, figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend.