Chapter 4
Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden, dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen--omstreeks 500 tot 900 n.C.--was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen, voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in boeien te leggen in plaats van die te bezielen. Maar de Kelten hadden zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts zuiver uitwendigen vorm van overheersching.
Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote samenstel eener stoffelijke beschaving.
HOOFDSTUK II: DE GODSDIENST DER KELTEN.
Ierland en de godsdienst der Kelten.
Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.
Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit, dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van den Keltischen godsdienst.
Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.
De volksgodsdienst der Kelten.
Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij "Druïdisme" noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven.
Het megalithische volk.
De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis, maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde megalithische volken [32], de oprichters van dolmens, cromlechs en in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in Frankrijk alleen meer dan drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord, alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan.
Dolmens, cromlechs en tumuli.
Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa's, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden--in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.
Oorsprong van de megalithische bevolking.
Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen oorsprong waren; dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat, terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een afzonderlijk ras was, het ten slotte niet een ras, maar een bepaalde cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die graven zijn gevonden, met hun groote verschillen in den vorm van den schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs. [33] Deze en andere overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een hoogstaand en goed ontwikkeld type waren, op de hoogte van landbouw, veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die dikwijls indrukwekkende afmetingen hebben en het bewijs leveren van veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw, wijzen ontwijfelbaar aan, dat in die periode een priesterdom bestond, dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat geschikt was groote menschenmassa's te beheerschen. Hun dooden werden in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere monumenten wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen, terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan geen sporen meer bestaan.
De Kelten der vlakten.
De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen--de Kelten en de megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk werk "La Religion des Gaulois" onderscheid tusschen twee elementen onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog twee groepen van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van den Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in Gallië. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland, in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde van die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking, spraken zij een Keltische taal, [34] hoewel het schijnt, dat Bertrand hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren misschien langzamerhand Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig volk van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting van hen, te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen enkele begrafenis, waar het lijk niet vooraf verbrand was.
Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt "onder de Kelten oprijst." Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking, waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen, die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van godsdienst en van de bardenpoëzie.
De Kelten uit de berglanden.
Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen.
De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats, die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie--zij speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige Kelten der oude geschiedenis--de plunderaars van Rome en van Delphi, de huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij teruggebracht; "plebs paene servorum habetur loco," zooals Caesar ons verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende klasse.
En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden, die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk ridderlijk, uiterst gevoelig voor poëzie en muziek, en hadden zin voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en omstreeks twee honderd jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde, met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden, door de Kelten op een eiland in het westen--waarschijnlijk Groot-Brittannië--gevierd ter eere van hun god Apollo [35]. Als meest Arische der Ariërs, hadden zij de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het Druïdische stelsel--niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft, maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie--was hun verderf, en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen.
De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij als een schande beschouwden), maar begraven.
De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten, maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.
Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen hij met zijn verovering begon: "zij verschillen onderling in taal, gebruiken en wetten". Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen, de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch is het de aandacht waard,--en dat is volkomen in overeenstemming met de opvattingen van Bertrand,--dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.
De godsdienst der toovenarij.
Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden, zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken, die door de megalithische bevolking werden gevolgd--denkbeelden, die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne woord "toovenarij." Wij moeten thans den aard van dien godsdienst der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn inaugureele redevoering te Cambridge in 1903:
"Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen, dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden."
De eigenlijke wortel van het woord "magie" is onbekend, maar het is onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers waren van dat stelsel van denkbeelden, dat zoo eigenaardig vermengd is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De fundamenteele opvatting der magie is die van de geestelijke levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd niet, zooals bij het polytheïsme, van de natuur gescheiden gedacht in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in en innerlijk vastgehecht aan de natuur; zij was duister, onbepaald en bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en de aard in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten schijnen aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en als een bekleeding met onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht, die vroeger belichaamd was in den concreten, begrensden, handelbaren, en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke persoonlijkheid. Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen, om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den één of anderen aard behoorden tot één der eerste behoeften van den mensch. En de kracht van zekere aan de natuur ontleende stoffen, hetzij uit het delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het lichaam als op den geest, en wel op een wijze, die dikwijls schrik en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als een duidelijk bewijs van wat wij de "magische" opvatting van het heelal zouden kunnen noemen. [36] De eerste toovenaars waren zij, die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige kruiden; maar daar de één of andere kracht werd toegeschreven aan ieder voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van magische wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde plaatsen en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk, dat wij om het groote belang uitvoerig aanhalen:
Plinius over den godsdienst der magie.