Keltische Mythen en Legenden

Chapter 34

Chapter 342,477 wordsPublic domain

[136] Het is de vermelding waard, dat onder de karakters, die voorkomen in den legendencyclus van Ulster, een aantal namen voorkomen, waarvan het woord _Cu_ (hond) een deel uitmaakt. Zoo hebben wij Curoc, Cucorb, Beälcu, enz. Dit staat ongetwijfeld in verband met den Ierschen wolfshond, een prachtig type van kracht en schoonheid.

[137] Het tegenwoordige Lusk, een dorp aan de kust enkele mijlen ten noorden van Dublin.

[138] Door de overeenkomst in naam werd het bovennatuurlijke land van Skatha "het Schaduwland" reeds vroegtijdig vereenzelvigd met de eilanden Skaje, waar de Cuchulain Pieken getuigenis afleggen van die legende.

[139] Zie genealogische tabel, blz. 164.

[140] Miss Hull, De Cuchulain Sage, blz. 72, waar de zonnetheorie van den Bruinen Stier uitgebreid wordt behandeld.

[141] Een _cumal_ was de standaardmunt in het Keltische Ierland. Als zoodanig wordt hij door St. Patrick genoemd. Hij stond in prijs gelijk met een slavin.

[142] De vloek door Macha op hen gelegd. Zie blz. 161.

[143] Cuchulain was, als de Zoon van den God Lugh, niet onder den vloek van Macha, waaronder de overige bewoners van Ulster stonden.

[144] Zijn vermeende vader, de sterfelijke echtgenoot van Dectera.

[145] In de Iersche bardische litteratuur behoorde evenmin als in de Homerische epische gedichten, kuischheid tot het mannelijke ideaal voor goden en menschen.

[146] "De Wadde van den Vertakten Paal".

[147] Wij citeeren uit de vertaling van Standish Hayes O'Grady, in de "Cuchulain Mythe" van Miss Hull.

[148] _Ath Ferdia_, wat in het Engelsch wordt uitgesproken en thans gespeld als "Ardee". Het ligt in het Graafschap Louth, aan de zuidelijke grens van de vlakte van Murthemney, wat het grondgebied van Cuchulain was.

[149] Zie blz. 111.

[150] In het oude Ierland waren vijf provincies, waarbij Munster voor twee werd geteld, of zooals enkele oude autoriteiten verklaren, het grondgebied van den opperkoning in Meath en Westmeath als een afzonderlijke provincie wordt gerekend.

[151] "Clan" beteekent in het Galisch kinderen of kroost. Clan Calatin beteekent dus de zonen van Calatin.

[152] De lezer zal, bij veel wilds en barbaarsch in dit Iersche epos "de Tain" getroffen worden door de idealen van ridderlijkheid en welwillendheid, die hier zoo veelvuldig aan het licht komen. Wij moeten er aan herinneren, dat, zooals A. H. Leahy in zijn "Heldenromans van Ierland" in het licht stelt, de legende van den Strooptocht van Quelgny op zijn laatst een eeuw ouder is dan alle andere ridderromans, hetzij Galisch, hetzij van het Vasteland. Zij wordt gevonden in het "Boek van Leinster", een handschrift uit de twaalfde eeuw, zoowel als in andere vormen, en was ongetwijfeld veel ouder dan in den daar gegeven vorm. "Het geheele verhaal," zegt Leahy, "dagteekent uit het allereerste begin der litteratuur van modern Europa."

[153] Een ander voorbeeld van het blijven voortleven der eedsformule, die door de Keltische afgezanten tegenover Alexander den Groote was uitgesproken. Zie blz. 7.

[154] Zie blz. 115.

[155] Het zwaard van Fergus was een tooverwapen de _Caladcholg_ (knotsige stooter) genoemd, een naam, waarvan het meer beroemde Latijnsche "Excalibur", een gelatiniseerde verbastering is.

[156] Dit slaat op de geschiedenis met Deirdre.

[157] Zie blz. 193.

[158] Vertaling van A. H. Leahy, "Heldenromans van Ierland," Deel I.

[159] De mantel van Mananan (zie blz. 110) stelt de zee voor--hier in haar verdeelende en vervreemdende macht.

[160] Die Curoi komt voor in verschillende verhalen uit den Cyclus van Ulster, met zóódanige attributen, dat het duidelijk blijkt, dat hij geen sterfelijk koning, maar een plaatselijke godheid was.

[161] Die spookverschijning van het waschmeisje der wadde komt in Iersche legenden veelvuldig voor.

[162] Zie blz. 148 in betrekking tot _geis_ "zijn naamgenoot" heeft natuurlijk betrekking op het verhaal van den Hond van Cullan, blz. 166 en 167.

[163] Het was een eerezaak, een bard niets te weigeren; er is zelfs een verhaal, dat een koning zijn oog gaf, toen het hem gevraagd werd.

[164] Het verhaal wordt in den breede gedaan door den schrijver dezes in zijn "Heldendaden aan Finn."

[165] In het Engelsch uitgesproken "Bay-al-koo."

[166] Inis Clothrann, nu bekend onder den naam van Quakers eiland. De vijver bestaat niet meer.

[167] In het Engelsch uitgesproken als "Youb'dan".

[168] Dr. P. W. Joyce, "Iersche plaatsnamen" schenkt een rijke bron van inlichtingen op dit gebied.

[169] Blz. 193, noot.

[170] De naam is zoowel aan den heuvel _ard_, als aan de wadde daaronder, _atha_ gegeven.

[171] In het Engelsch uitgesproken als "mac Cool".

[172] In het Engelsch uitgesproken als "Usheen".

[173] Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de tegenwoordige herleving van het Galisch als een gesproken taal, tot het begin van een nieuw hoofdstuk in die geschiedenis zal leiden.

[174] Nu Castleknock, bij Dublin.

[175] In de Graafschap van den koning.

[176] De heuvel draagt nog den naam, Knockanar.

[177] Glanismole, bij Dublin.

[178] Talkenn, of Houweel-hoofd, was een naam dien de Ieren aan St. Patrick gaven. Vermoedelijk sloeg dat op den vorm van zijn tonsuur.

[179] Uit te spreken als "Sleeve-na-món", klemtoon op de laatste lettergreep. Het beteekent de Berg van de (Toover) Vrouwen.

[180] Naar de (Engelsche) vertaling van S. H. O'Grady.

[181] Zie blz. 90.

[182] Voorbeelden hiervan zijn met vertalingen opgenomen in de "Handelingen van het Ossian'sch Genootschap."

[183] Ontleend aan het verhaal van een boer in het graafschap Galway en te Rennes uitgegeven in Dr. Hyde's "An Sgeuluidhe Goadhalach", vol. ii (geen vertaling).

[184] Thans Athlone (_Atha Luain_).

[185] Hoe kenmerkend is deze naïeve aanwijzing dat het houden van strooptochten bij zijn buren in Keltisch Ierland werd beschouwd als de natuurlijke en loffelijke bezigheid van een landedelman? Vergelijk Spenser's beschouwing over de idealen gekoesterd door de lersche barden van zijn tijd, "View of the Present State of Ireland," blz. 641 (Globe-editie.)

[186] Dr John Todhunter alleen, geloof ik, heeft in zijn "Three Irish Bardic Tales," zich gehouden aan het antieke slot van het verhaal van Deirdre.

[187] Dit doet denken aan Shakespeare's "Richard III" (Noot v.d.v.)

[188] "Waifs and Strays of Celtic Tradition", Argyllshire-reeks. Het verhaal werd in verzen opgeteekend, woord voor woord, uit den mond van Roderick mac Fadyen in Tiree, 1868.

[189] Dit is klaarblijkelijk een herinnering aan Briccriu met de Giftige Tong, de onheilstichter der Ultonianen.

[190] De Arans zijn drie eilanden aan den ingang van de Galway-baai. Zij zijn bepaald een museum van geheimzinnige ruines.

[191] Spreek uit "Ghermawn"--de "G" hard.

[192] De oude Ieren hielden bijzonder veel van wedrennen; deze worden in een gedicht van de negende eeuw ter eere van Mei als een van de attracties van die maand genoemd. De naam Mei voorkomend in een ouden Gallischen kalender beteekent: "De maand van paardenrennen."

[193] Van het zelfde verschijnsel was, naar gemeld wordt, Peredur getuige in het verhaal uit Wales van dien naam in de "Mabinogion".

[194] Evenals de brug die tot Skatha's burcht voert, blz. 171.

[195] Wij hebben waarschijnlijk hieronder te verstaan, dat hij een kluizenaar was, die een eilandje zocht om er in afzondering en overdenking te leven. De westelijke eilanden van Ierland bevatten talrijke puinhoopen van hutten en bidkapellen, door afzonderlijke monniken of kleine gemeenten gebouwd.

[196] Tennyson is ongemeen gelukkig geweest in de beschrijving van die eilanden onder de zee.

[197] Ps. CIII, 5.

[198] Dit was de laatste der drie pleegbroeders die de reis niet hadden moeten meemaken.

[199] Het Tory-eiland voorbij de kust van Donegal. Er was daar een klooster en een kerk gewijd aan St. Columba.

[200] "Eens zullen we ons verlustigen in de herinnering aan deze dingen." De aanhaling is uit Virgilius, "Aen." 1,203. "Heilige dichter" is een vertaling van Horatius' _vates sacer_.

[201] Van dezen wijze en dichter is uit eenige andere bron niets bekend. Hem zij lof en dank, wie hij ook moge zijn geweest.

[202] Het Keltisch van de Schotsche Hooglanden. (N.v.d.v.).

[203] "The Mabinogion", blz. 45 en 54.

[204] Spreek uit "Annoon". Dit woord werd in de oudste literatuur gebruikt voor Schimmenrijk of Tooverland.

[205] "Barddas," deel I, blz. 224 e.v.

[206] Hoe vreemd het ons ook moge voorkomen, de aard van dit voorwerp stond volstrekt niet van den beginne af vast. In het gedicht van Wolfram von Eschenbach was het een steen met toovermacht bedeeld. Door de eerste vertellers wordt het woord afgeleid van _gréable_, iets prettigs om te bezitten en te genieten en waardoor men _à son gré_ kon hebben wat men wenschte. Over de Graal-legende later, in verband met het verhaal uit Wales: "Peredur."

[207] In tegenstelling met de andere groote vooraadschuur van poëtische legenden, de _Matière de Bretagne_--i.e. de Arthur-sage.

[208] Zie blz. 88.

[209] "Cultur der Gegenwart" I, IX.

[210] Een lijst van hen komt voor in Lobineau's "Histoire de Bretagne."

[211] Zie e.g. blz. 223 en 199 _noot_.

[212] Zie blz. 215 en een dergelijk geval in des schrijver's "High Deeds of Finn," blz. 82.

[213] Zie blz. 213 en het verhaal van het terug krijgen van de "Tain," blz. 215.

[214] "Pwyll Koning van Dyfed," "Bran en Branwen," "Math Zoon van Mathonwy," en "Manawyddan Zoon van Lyr."

[215] Zie blz. 91.

[216] "Hibbert Lectures" blz. 237-240.

[217] Zie blz. 73, 94 enz. Natuurlijk is Lugh = Lux, licht. De Keltische woorden _Lamh_ en _Llaw_ werden beurtelings voor hand, of arm gebruikt.

[218] In zijn "Mythology of the British Islands," 1905, heeft de heer Squire op heldere en boeiende wijze de jongste uitkomsten van de onderzoekingen over dit onderwerp bijeengebracht.

[219] Finn en Gwynn zijn respectievelijk de Galische en Kimbrische vormen van den zelfden naam, beteekenend schoon of blank.

[220] "Mythology of the British Islands" blz. 225.

[221] In den tekst staat "Fairy" en de schrijver teekent zelf daarbij in een noot aan: "De beteekenis schijnt hier onzeker, en wordt verschillend weergegeven." Hoe, dat zegt hij niet. Ik liet het woord dan ook maar onvertaald. (Noot v.d.v.)

[222] Fransch _Clos_ (Noot v.d.v.)

[223] Rhys, "Hibbert Lectures"; de aanhaling is uit de oude sage van Merlin, uitgegeven door de "English Text Society," blz. 693.

[224] Mythology of the British Islands," blz 325, 326; Rhys, "Hibbert Lectures," blz. 115 en v.

[225] In de "Iolo MSS.," verzameld door Edward Williams.

[226] Zie blz. 95, 250.

[227] Het blijkt dat wij hier ver zijn van de primitieve Keltische legende. De helden vechten als ridders in de middeneeuwen, te paard, elkander met hun lansen stekend, niet op wagens of te voet, en niet met de vreemde wapens die voorkomen in Galische krijgsverhalen.

[228] Hen, de Oude; een epitheton dat doorgaans aan iets overouds doet denken in verband met mythologische overlevering.

[229] Blijkbaar was dit het driehoekige Normandische schild, niet het ronde of ovale Keltische. Het is reeds opgemerkt, dat in deze verhalen uit Wales, de ridders, wanneer zij vechten, elkander met speren steken.

[230] Men kan uitspreken: "Matholaw."

[231] Vergelijk de beschrijving van Mac Cecht in het verhaal van de pleisterplaats van De Derga blz. 156.

[232] Waar nu de Tower van Londen staat.

[233] Deze verhalen worden altijd, in Ierland en Wales, in betrekking gebracht met bestaande begraafplaatsen. In 1813 werd een grafurne gevonden, bevattende asch en half verbrande beenderen, op de plek die naar de traditie werd ondersteld het graf te zijn van Branwen.

[234] Saksisch Brittannië.

[235] Dit is een verwrongen herinnering aan een gebruik dat aan de hoven van vorsten in Wales schijnt te hebben geheerscht, dat een hooggeplaatst beambte in zijn schoot de voeten van den koning zou houden, wanneer deze aan den maaltijd zat.

[236] "Hagedoorn, Koning der Reuzen."

[237] De goden van de familie van Don worden dus beschouwd als dienaren van Arthur, die in dit verhaal klaarblijkelijk de god Artaius is.

[238] "Zij met het Witte Spoor". Vergelijk de beschrijving van Etain blz. 141, 142.

[239] Er is geen andere vermelding van dezen Kenverchyn, of hoe Owain aan zijn raven-leger kwam, waarvan ook sprake is in "De droom van Rhonabwy." Klaarblijkelijk hebben wij hier te doen met een brok antieke mythologie in een moderner gewaad gestoken.

[240] Evenals het verhaal uit Bretagne van "Peronnik de Dwaas," vertaald in "Le Foyer Breton" door Emile Souvestre. De lettergreep _Per_ die in alle vormen van den naam van den held voorkomt beteekent in de taal van Wales en Cornwallis kom of vat (Iersch _coira_--zie blz. 19, noot). In geen geval is een afdoende afleiding gevonden van het tweede gedeelte van den naam.

[241] "Zij worden gevoed door een steen van den edelsten aard... hij is genaamd _lapis exillis_; de steen is ook genaamd de Graal." Lapis exillîs schijnt een verbastering te zijn van _lapis ex celis_, "de steen uit den hemel."

[242] De juiste afleiding is van het Middeleeuwsch Latijnsch _cratella_, klein vat of kelk.

[243] Een dergelijke selectieve werking wordt door Wolfram aan den Graal toegeschreven. Hij kan alleen worden opgelicht door een reine maagd, wanneer hij in de zaal wordt gedragen, en geen heiden kan hem zien of er goeds door ondervinden. Dezelfde gedachte komt ook sterk uit in het verhaal, dat de eerste geschiedenis van den Graal vertelt, door Robert de Borron, omstreeks 1210; de onreine en zondige kan er geen goeds door ondervinden. Maar Borron roert het Perceval- of "zoek"-gedeelte van het verhaal in het geheel niet aan.

[244] Hades.

[245] Caer Vedwyd beteekent Kasteel van de Feestvreugde. Ik volg de lezing van dit gedicht gegeven door Squire in zijn "Mythology of the British Islands," waar men het in zijn geheel kan vinden.

[246] De combinatie van voorwerpen in het Graal-Kasteel is zeer beteekenisvol. Het waren een zwaard, een speer en een vat, of, in sommige lezingen, een steen. De tooverschatten die de Danaans in Ierland brachten waren--een zwaard, een speer, een ketel en een steen. Zie blz. 90, 91.

[247] De Tafelronde wordt in Kimbrische legenden niet genoemd voór de vijftiende eeuw.

[248] Vergilius, in zijn middeneeuwsch karakter als toovenaar.

[249] Taliesin.

[250] Zinspeling op de denkbeeldige Trojaansche voorouders der Britten.

[251] Ik heb dit zonderlinge gedicht een beetje bekort. Het verband met ideeën over zielsverhuizing, zooals in de legende van Tuan mac Carell (zie blz. 82 e.v.), is duidelijk. Men herinnert zich, dat Tuan's laatste phase een visch was, en Taliesin werd gevonden in een dam voor de zalmvangst.

[252] In zijn Voorlezingen "Taal en Taalstudie", bewerkt door dr J. Beckering Vinckers (Haarlem, Erven Bohn), onderscheidt Whitney: _a_ het Ersisch of Keltisch van Ierland; _b_ het Galisch of Keltisch van de Schotsche Hooglanden; _c_ het weinig belangrijke dialect van het eiland Man; _d_ het Keltisch van het Prinsdom Wales; _e_ het sedert het begin dezer eeuw uitgestorven dialect van Cornwallis; _f_ dat van Bretagne (Armorica) in Frankrijk. De drie eerste vormen de noordelijke, de drie laatste de zuidelijke of Kimbrische groep der Keltische taalfamilie. (Noot van den v.)

MOOIE BOEKEN UITGEGEVEN DOOR W. J. THIEME & CIE, ZUTPHEN.

Guerber, Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen. Guerber, Mythen en Legenden van Griekenland en Rome. Guerber, Noorsche Mythen. Davis, Mythen en Legenden van Japan. Rolleston, Keltische Mythen. Cotterill, Oud Hellas. Cotterill, Italië in de Middeleeuwen (najaar 1916). Tappan, De Geschiedenis van het Grieksche Volk. Tappan, De Geschiedenis van het Romeinsche Volk.

End of Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston