Chapter 33
[10] Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de "zeer schitterende" of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een eigennaam _Ver_ is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix, Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het moderne Iersche _fior_. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur, zijn mysticisme en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond tredende Keltische eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson over hem bezigt, "liefhebber van landschappen, beheerscher der taal," zijn in dit opzicht kenschetsend.
[11] Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen dit voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.
[12] Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny, die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.
[13] Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De lezing der "Táin", daarin gegeven, dateert waarschijnlijk uit de achtste eeuw. Zie de Jubainville, "Premiers Habitants," II 316.
[14] Dr. Douglas Hyde geeft in zijn "Letterkundige Geschiedenis van Ierland" (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.
[15] Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het verhaal van Ptolemaeus.
[16] De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie "Premiers Habitants," II 318-323.
[17] B.v. Moymell (_magh-meala_) de Vlakte van Honig, een Gallische naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.
[18] Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville "Premiers Habitants" II, blz. 255 env.
[19] Aangehaald door Romilly Allen in "Keltische Kunst" blz. 136.
[20] "Premiers Habitants", II 355, 356.
[21] Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal taalkundige bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier één der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of Galische Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval door hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het uitspreken der letter _p_. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel _pare_, dat in het Grieksch door par'a, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt voorgesteld, in het oud Keltisch _are_, zooals in den naam _Are morici_ (de Armorikers, zij die _ar muir_, aan de zee wonen); _Are-dunum_ (Ardin in Frankrijk); _Are-cluta_, de plaats bij de Clota (Clyde), het tegenwoordige Dumbarton; _Are-taunon_ in Duitschland (bij het Taunus gebergte), enz. Als de _p_ niet eenvoudig werd weggelaten, veranderde zij gewoonlijk in een _c_ (_k_, _g_). Maar omstreeks de zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een merkwaardige verandering plaats. Op een onverklaarbare wijze kregen zij het vermogen de _p_ uit te spreken, en zelfs zetten zij die in de plaats van de bestaande _c_ klanken; zoo werd het oorspronkelijke _Cretanis_: _Pretanis_, Brittannië, het getal _qetuares_ (vier) werd _petuares_, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan, dat die verandering moet hebben plaats gehad vóórdat de Kelten dat land hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk aan, dat de Ieren die _p_ vermijden terwijl de bewoners van Wales er volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:
TABLE
Iersch Wales Nederlands crann prenn boom mac map zoon cenn pen hoofd clumh (cluv) pluv veer cúig pimp vijf ------
De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is het, dat zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen de _p_ bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche _Pascha_ (Paschen) in _Casg_; _purpur_, in _curcair_, _pulsatio_ (door het Fransche _pouls_) in _cuisle_. Wij moeten echter opmerken, dat Nicholson in zijn "Keltische onderzoekingen" tracht aan te toonen, dat de zoogenaamde Indo-Europeesche _p_--dat is de _p_ die alleen staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden--in een vroege periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken. Men kan niet zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.
[22] "De Ieren," zoo zegt Edmund Spenser, in zijn "Overzicht van den tegenwoordigen toestand van Ierland," "plegen gewoonlijk boodschappers heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander ontmoet, zegt hij bijna onmiddellijk, wat voor nieuws is er?"
[23] Zie hieromtrent Spenser: "Ik heb groote krijgslieden hooren vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn zeer dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning, honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van hand, vlug van voet, zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote tegenwoordigheid van geest, en hebben een groote doodsverachting."
[24] Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus en den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen, Long, enz.) als authentiek beschouwd.
[25] Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den _gaesum_, een soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide gouden halsketen (_torques_) komt als typisch versiersel voor bij het bekende standbeeld van den stervenden Galliër, gewoonlijk genoemd "De Stervende Gladiator". Een aantal modellen zijn voorhanden in het nationale museum te Dublin.
[26] "Caesars Verovering van Gallië, blz. 10, 11. Wij voegen hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen dolichocephalen waren--d.w.z. hun hoofden waren lang in vergelijking met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het bekken van de Marne, dat sterk door hen bevolkt was. In één geval werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn strijdwagen, zijn ijzeren helm en zwaard, die thans zijn in het Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over het algemeen dolichocephaal, immers het "Alpentype", met rond hoofd komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige Frankrijk zijn eveneens rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze verandert snel in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie een artikel hierover van Professor Haddon in "Nature," 3 Nov. 1910.
[27] In de "Tain Bo Cuailgne", onder andere, mag de Koning van Ulster niet met een boodschapper spreken totdat de Druïde Cathbad hem heeft ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir Samuel Ferguson in zijn Iersch epos "Congal":
"Want steeds nog, sinds de tijden Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden, Door hen in vuile modderzee te smoren, Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen, Aan Creeveroe's bloedge poort, verbeiden Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord laat leiden.
[28] In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.
[29] Het was de gewoonte, evenals in Indië, dat iemand, die door een meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten voor den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd een tooverkracht toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden worden afgewend, als ook de andere partij vastte.
[30] "Silva Gadelica", door S. H. O'Grady, blz. 73.
[31] De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw, dat in het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S. H. O'Grady in zijn "Silva Gadelica" is vertaald. Het verhaal wordt toegeschreven aan een beambte aan het hof van Dermot.
[32] Van het Grieksche _megas_, groot, en _lithos_, steen.
[33] Zie Borlase, "Dolmens van Ierland," blz. 605, 606, waar dit onderwerp wordt besproken.
[34] Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal sprak; anders zouden, zoo meende hij, meer sporen van haar invloed overgebleven zijn in het Keltisch, dat daarvoor in de plaats is gekomen. Zoowel het gezag der grootste geleerden als de directe bewijzen, die wij bezitten, schijnen tegen die opvatting te pleiten.
[35] Zie Holder, "Altceltischer Sprachschatz" sub voce "Hyperboreoi."
[36] Men lette op het Grieksche woord _pharmakon_ = geneesmiddel, vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika het woord voor toovermiddel _mankwala_, wat ook geneesmiddel beteekent.
[37] Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de opvattingen, waarop de toovenarij berusten, zijn in haar wezen over de geheele aarde verspreid en onheugelijk oud.
[38] Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze "de bron van alle publieke en private recht." Zij stonden op het forum tot aan de derde eeuw n.C., maar zij zijn nu verloren, behalve enkele fragmenten, die in verschillende commentaren zijn bewaard gebleven.
[39] Zie "Revue Archéologique", Deel XII, 1865, "Fouilles de René Galles."
[40] Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat, gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.
[41] Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel van een gezantschap uit Rome naar die stad gezonden ten tijde van den Tweeden Punischen oorlog, daar de Sibyllijnsche boeken de overwinning voorspelden aan de bezitters van dien steen. Hij werd onder groot vreugdebetoon in het jaar 205 naar Rome gebracht. Men zegt, dat hij ongeveer de grootte had van een mansvuist, en hij was waarschijnlijk een meteoorsteen. Men vergelijke hiermede de mythe bij Hesiodus, die verhaalt, hoe Kronos een steen verslond in de meening, dat deze zijn zoon Zeus was. Het was toen mogelijk, een steen voor een godheid aan te zien.
[42] Zie "Archaïsch beeldhouwwerk", 1867 van Sir J. Simpson.
[43] Dit feit wordt vermeld in de "Annalen der Vier Meesters" onder het jaar 861 en in de "Annalen van Ulster", onder het jaar 862.
[44] Zie "Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie," Deel XXX, Afdeeling I, 1892, en "New Grange," door G. Coffey, 1912.
[45] Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat de steenen in den juisten stand waren geplaatst. Dit is eveneens het geval te Gavr'inis.
[46] Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, "New Grange," 1912.
[47] "Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie," Deel VIII, 1863, blz. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.
[48] "Les Sculptures de Rochers de la Suède," voorlezing gehouden op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey, aangehaald werk, blz. 60.
[49] "Dolmens van Ierland", blz. 701-704.
[50] "De Godsdienst van Babylonië en Assyrië."
[51] Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij Bertrand, "La Religion des Gaulois", blz. 389.
[52] Sergi "Het Ras aan de Middellandsche Zee," blz. 313.
[53] Te Lökeberget, Bohuslän; zie Montelius in zijn aangehaald werk.
[54] Zie Lord Kingsborough "Oudheden van Mexico" op verschillende plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk (weergegeven in Churchwards "Teekenen en Symbolen van den Oorspronkelijken Mensen").
[55] Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh op een Franschen dolmen.
[56] "Bulletin de la Société d'Anthropologie," Paris, April 1893.
[57] "De bevolking van Wales", blz. 616-664, waar het onderwerp volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris Jones. "De prae-Arische taaleigens, die nog bestaan in de talen van Wales en Ierland, waren afgeleid uit een taal, die nauw verwant was met talen van Egypte en van de Berbers."
[58] Flinders Petrie, "Egypte en Israël", blz. 137, 899.
[59] Homerus, Odyssee XXIV, 1-11.
[60] Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken melding van dit gebruik.
[61] Boek V.
[62] De Jubainville, "Iersche Mythologische Cyclus" blz. 191 env.
[63] De etymologie van het woord Druïde is niet langer een onopgelost raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte van het woord in verband stond met den Arischen wortel VID, die ook voorkomt in "wijsheid", in het Latijnsche _videre_, enz. Thurneysen heeft aangetoond, dat die wortel in verband met het versterkende woordje _dru_ het woord _dru-vids_ vormt, dat in het Gallisch wordt voorgesteld door _draoi_, een Druïde, evenals een ander versterkend woordje, _su_, met _vids_ het Gallisch _saoi_, een wijze (sage) vormt.
[64] Zie Rice Holmes "De Verovering van Caesar", blz. 15 en blz. 532-536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat het Druïdisme de godsdienst was van de oorspronkelijke bewoners van Westelijk Europa, van de Oostzee tot aan Gibraltar ("Keltisch Brittannië" blz. 73). Maar zekerheid hebben wij eerst, waar Kelten en dolmenbouwers vereenigd waren. Caesar merkt omtrent de Germanen op, dat zij geen Druïden hadden en weinig gewicht hechtten aan offerplechtigheden.
[65] "La Religion des Gaulois," leçon XX.
[66] Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.
[67] "De Iersche Mythologische Cyclus," door d'Arbois de Jubainville, blz. 61. De genoemde "Dinnsenchus" is een oud Christelijk document. Geen spoor van een wezen als Crom Cruach is tot nu toe gevonden in de heidensche letterkunde van Ierland, noch in de geschriften van St. Patrick, en wij gelooven dan ook, dat zelfs in den tijd van St. Patrick menschenoffers nog alleen slechts in de herinnering bestonden.
[68] Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad, Meroë.
[69] "Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden geofferd), meent te verzoenen." (Lucanus, "Pharsalia" I, 444). Een altaar, aan Æsus gewijd, is te Parijs ontdekt.
[70] Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii), enz.
[71] Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele streken van Frankrijk uitdrukkingen als _annuit_, _o'né_, _anneue_ enz., die alle "van avond" beteekenen, in plaats van _aujourd'hui_ (Bertrand, La Religion des Gaules, blz. 356).
[72] De _fili_, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk vermelden, een onderdeel van de kaste der Druïden.
[73] Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, _Viator_ "de Reiziger" genoemd, en Fursa in de zevende eeuw; Virgilius (Feargal) van Salzburg, die zich te Rome moest verantwoorden, omdat hij de bolvormige gedaante der aarde leeraarde, in de achtste eeuw; Dicuil "de Aardrijkskundige," en Johannes Scotus Erigena--de grootmeester van den geest in zijn tijd--in de negende eeuw.
[74] Dealgnaid. Wij zijn hier, evenals op enkele andere plaatsen, verplicht geweest, de Iersche namen zóó te veranderen, dat zij door onze lezers kunnen worden uitgesproken.
[75] Zie blz. 31, noot 2.
[76] Wij volgen in dit verhaal de vertaling van R. I. Best, van den "Ierschen Mythologischen Cyclus" en d'Arbois de Jubainville.
[77] De Jubainville "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 75.
[78] Spreek uit zooals in het Engelsch Yeo' hee.
[79] De wetenschap der Druïden, werd, zooals wij zien in verzen overgebracht, en de dichters van beroep waren een tak van de kaste der Druïden.
[80] Meyer en Nutt, "Reis van Bran," II, 197.
[81] "Moytura" beteekent "De Vlakte der Torens," d.i. grafmonumenten.
[82] Shakespeare maakt hierop een toespeling in zijn "As You Like It". "Er zijn nooit zooveel verzen op mij gemaakt," zegt Rosalind, "sedert de dagen van Pythagoras, toen ik een Iersche rat was--wat ik mij nauwelijks kan herinneren."
[83] Lyon, Leiden, Laon waren alle in oude tijden bekend als _Lugdunum_, de Vesting van Lugh-Luguvallum was de naam van een stad bij den Muur van Hadrianus, in Romeinsch Brittannië.
[84] Het verhaal wordt door hem gegeven in een noot bij de "Vier Meesters," Deel I, blz. 18 en wordt ook weergegeven door de Jubainville.
[85] De twee andere zijn: "Het lot van de kinderen van Lir" en "Het lot van de zonen van Usna." De verhalen van "De tocht der zonen van Turenn" en van "De kinderen van Lir" zijn door ons volledig vertaald in het werk "Groote daden van Finn en andere Bardenverhalen," en dat van "de Zonen van Usna" (de Legenden van Deirdre) in de "Cuchulain" van Miss Eleonor Hull, beide uitgegeven door Harrap en Co.
[86] Vertaling van O'Curry uit het gedicht "De slag bij Moytura".
[87] O'Curry, "Zeden en Gewoonten", III 214.
[88] De oude verdeeling van het jaar bij de Ieren bevatte slechts drie jaargetijden, daar de herfst bij den zomer was ingedeeld (O'Curry, "Zeden en Gewoonten", III 217.)
[89] S. H. O'Grady, "Silva Gadelica", blz. 191.
[90] Blz. 104 env. en verder op verschillende plaatsen.
[91] O'Grady, ter aangehaalde plaatse.
[92] O'Grady, ter aangehaalde plaatse.
[93] Zie blz. 97.
[94] Miss Hull heeft dat onderwerp in den breede ontwikkeld in de inleiding van haar onschatbaar werk, "De sage van Cuchullin."
[95] Zie het verhaal "Etain en Midir", in Hoofdstuk IV.
[96] De naam Tara is afgeleid van een verbogen vorm van het zelfstandig naamwoord _Teamhair_ dat beteekent "de plaats van het wijde uitzicht". Het is nu een breede, grasrijke heuvel in het graafschap Meath, bedekt met aardewerken, die de plaats aanduiden der oude koninklijke gebouwen, die men nog alle naar oude beschrijvingen kan terugvinden.
[97] Zie het verhaal van Etain en Midir. Hfdst. IV.
[98] Zie blz. 99.
[99] Wij kunnen niet instemmen met O'Grady, waar hij die godin met Dana vereenzelvigt, hoewel de naam "De Groote Koningin" schijnt te beteekenen.
[100] Gerald, de vierde Graaf van Desmond. Men verhaalt, dat hij in het jaar 1398 is verdwenen, en de legende zegt, dat hij nog altijd leeft onder de wateren van Loch Gur, en dat men hem eens in de zeven jaar op zijn wit paard om de oevers heen kan zien rijden. Hij had den bijnaam van "Gerald de Dichter" wegens de geestige en vernuftige gedichten, die hij in het Galisch vervaardigde. Toovenarij, poëzie en wetenschap waren in den geest der oude Ieren in één begrip vereenigd.
[101] "Populaire vertellingen van Ierland", door D. Fitzgerald in "Revue Celtique," Deel IV.
[102] "De Reis van Bran", Deel II, blz. 219.
[103] In het Iersch, _Sionnain_.
[104] Vertaling van R. L. Best.
[105] De zonneschepen, die men in snijwerk op dolmens vindt. Zie Hoofdstuk II, blz. 156 env. Men houdt in het oog, dat de Keltische geesten, hoewel onzichtbaar, stoffelijk zijn en gewicht hebben, in tegenstelling met die bij Vergilius en Dante.
[106] De Jubainville, "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 136. Beltené is de moderne Iersche naam voor de maand Mei, en is afgeleid van een oudere stam, die bewaard is gebleven in het Oud Iersche samengestelde woord "_epelta_", "dood".
[107] "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 138.
[108] Ook hier volgen wij de vertaling van de Jubainville; maar men zie ook in verband met dit en de vorige gedichten de "Verhandelingen van het Ossian-Genootschap", Deel V.
[109] Teltin, zoo genoemd naar de godin Telta. Zie blz. 88.
[110] Uitgesproken als het Engelsche "Shee". Het beteekent letterlijk het Volk der (Feeën) Hoogten.
[111] In het Engelsch uitgesproken als "Eefa".
[112] Die naam beteekent "Meisje met den blanken schouder".
[113] De hier in het kort weergegeven vertelling wordt volledig gegeven in het werk van den Schrijver "Groote daden van Finn" (Harrap en Co.).
[114] Het verdient vermelding, dat de lettergreep "Kill", die in zoo veel Iersche plaatsnamen gevonden wordt (Kilkenny, Killiney, Kilcooley, enz.), meestal het Latijnsche _cella_, een kloostercel, tempelvertrek of kerk, voorstelt.
[115] Cleena (_Cliodhna_) was een vorstin uit het Volk van Dana, omtrent wie een legende verhaald wordt, die in verband staat met de baai van Glandore in het Graafschap Cork. Zie blz. 111.
[116] Zie blz. 69.
[117] "Omnia monumenta Scotorum anti Cimbaoth incerta erant." Tierna, die in 1088 stierf, was Abt van Clonmacnois, een beroemd klooster en een middelpunt van opvoeding in het Middeleeuwsche Ierland.
[118] Vergelijk het schoone gedicht van een modern Keltisch schrijver (Sir Samuel Ferguson). "De Mantel der Weduwe" (het Britsche Rijk in de dagen van Koningin Victoria).
[119] "Critische geschiedenis van Ierland", blz. 180.
[120] Spreek uit "El'yill."
[121] De uitgang _ster_ in drie van de namen der Iersche provincies, is van Noorschen oorsprong, en is een overblijfsel van de veroveringen der Vikings in Ierland. Alleen Connacht, tot waar de Vikings niet binnengedrongen zijn, heeft zijn Ierschen naam ongewijzigd behouden. Ulster (in het Iersch _ulaidh_) heeft, zooals gezegd wordt, zijn naam ontleend aan Ollav Fola, Munster (_Mumhan_) aan koning Eocho Mumho, den tienden koning na Eremon, en Connacht was "het land van de kinderen van Conn"--den Conn der Honderd Veldslagen, en die in 157 n.C. was gestorven.
[122] Wij verwijzen echter onze lezers naar het verhaal van Etain en Midir, zooals het volledig wordt gegeven door A. H. Leahy ("Heldenverhalen van Ierland") en naar de "Groote Daden van Finn", van den schrijver van dit werk; bovendien naar het verhaal van Conary, zooals dit door Sir S. Ferguson wordt gegeven ("Gedichten 1886"), in het gedicht, dat door Dr. Whitley Stokes het verhevenste gedicht wordt genoemd, dat ooit door een Ier is geschreven.
[123] In het Engelsch uitgesproken als "Yeo'hee".
[124] Wij halen de vertaling van A. H. Leahy aan uit een handschrift uit de vijftiende eeuw ("Heldendichten uit Ierland aan Egerton ontleend", Deel I, blz. 12). Men vindt dit verhaal echter ook in oudere bronnen.
[125] Ogham-letters, die bestonden uit rechte lijnen, op een bepaalde wijze gerangschikt rondom de as van een steenenpilaar met vierkante doorsnede, werden gewoonlijk gebruikt als grafschriften en als geschrift in het algemeen voordat het Romeinsche alphabet in Ierland werd ingevoerd.
[126] Dit is een toespeling op de magische zwijnen van Mananan, die dagelijks gedood en weer versch werden gegeten, en wier vleesch de eeuwige jeugd bij het volk van Dana in stand hield.
[127] Zie blz. 108.
[128] In het Engelsch uitgesproken als "gaysh," meervoud "gaisha."
[129] Wij citeeren uit de vertaling van Whitley Stokes (_Revue Celtique_), Januari 1901, en volgende nummers.
[130] Bregia was de groote vlakte ten Oosten van Tara tusschen Boyne en Liffey.
[131] "De Verwoesting van de Pleisterplaats van Da Derga."
[132] In het Engelsch uitgesproken als "Koohoo'lin".
[133] Zie blz. 134.
[134] Zie blz. 106, waar die godheid wordt besproken.
[135] Dectera had tevens een sterfelijken echtgenoot, Sualtam, die beschouwd werd als de vader van Cuchulain.