Keltische Mythen en Legenden

Chapter 32

Chapter 323,889 wordsPublic domain

Het karakter van een hoorn des overvloeds, een zinnebeeld en bewerker van overvloed en levenskracht, is nauw met den Graal verbonden in alle lezingen van de legende. Zelfs in de verhevenste en minst wereldsche er van, de "Parzival" van Wolfram von Eschenbach, komt dit sterk uit. Een zieke of gewonde die er naar keek kon niet binnen de week sterven, ook konden de dienaren er van niet oud worden: "al keek iemand er ook twee honderd jaar naar, zijn haar zou nimmer vergrijzen." De Graal-ridders leefden er van, schijnbaar doordat hij in alle soorten van spijs en drank het brood veranderde dat pages hun aanboden. Elk had het voedsel dat hem leek, _à son gré_--van dat woord _gré_, _gréable_ was de naam Gral, die in de Fransche lezingen voorkwam, geacht te zijn afgeleid. [242] Alle wenschen werden er door vervuld. In Wolfram's gedicht was de Graal, zooals wij zagen, hoewel verband houdend met de H. Hostie, een steen, geen beker. Hij komt dus voor als een overblijfsel van de oude steen-aanbidding. Het is opmerkelijk dat een dergelijke Steen des Overvloeds ook voorkomt in "Peredur", hoewel niet als een der mysteries van het kasteel. Hij werd bewaakt door een zwarte slang, die Peredur doodde, en hij gaf den steen aan zijn vriend Etlyn.

De Keltische ketel des overvloeds.

De lezer is nu algeheel vertrouwd geraakt met een voorwerp dat het karakter heeft van een talisman van overvloed en verjonging in Keltische mythen. Als Ketel van den Dagda kwam hij in Ierland met de Danaans uit hun geheimzinnig tooverland. In legenden van Wales kreeg Bran de Gezegende hem uit Ierland, waar hij weer terug kwam als deel van Branwen's bruidschat. In een vreemd en mystisch gedicht van Taliesin komt hij voor als behoorend tot den buit van 't Schimmenrijk of Annwn, van daar meegebracht door Arthur, in een tragisch avontuur waarvan overigens geen melding wordt gemaakt. Volgens Taliesin wordt hij bewaard in Caer Pedryvan, het Kasteel van Pwyll; het vuur dat hem verwarmde werd aangeblazen door den adem van negen maagden, de rand was met paarlen bezet en het voedsel van een lafaard of meineedige kon er niet op worden gekookt [243]:

"Ben ik niet een wien roem zal geworden, als zanger In Caer Pedryvan viermaal te worden gehoord? 't Eerste woord van den ketel, wanneer werd het gesproken? Door den adem van negen maagden werd hij zachtkens verwarmd. Is het niet de ketel van den heerscher van Annwn? Hoe is zijn gedaante? Zijn rand is geheel in paarlen gevat. Hij zal geen spijs koken van lafaard of meineedige. Een hel oplaaiend zwaard zal tegen hem geheven worden, En gelaten in de hand van Lleminawg. En voor de deur van de poort van Uffern [244] brandde de lamp. Toen wij gingen met Arthur--een schitterend bestaan-- Keerde geen, buiten zeven, van Caer Vedwyd [245] weer.

Nog vroeger vertegenwoordigt de ketel de Zon, die in de vroegste Arisch-Indische mythen voorkomt als een gouden vat, dat licht, warmte en vruchtbaarheid uitstort. De lans is het bliksemwapen van den Dondergod, Indra, die in de Noorsche mythologie als de hamer van Thor verschijnt. Het zoeken naar deze dingen beteekent dat men zich den een of anderen goddelijken kampioen voorstelde als hersteller van de heilzame opvolging der seizoenen, door de eene of andere tijdelijke storing in de war gebracht, zooals deze nog in onze dagen hongersnood en jammer over Indië brengen.

Nu hebben wij blijkbaar in "Peredur," het verhaal uit Wales, een schets van het oorspronkelijke Keltische verhaal, maar de Graal komt er niet in voor. Men mag evenwel aannemen uit Gautier's vervolg op Chrestien's gedicht, dat een talisman van overvloed voorkwam in oude lezingen van de legende op het vasteland, vermoedelijk Bretagne. In éen lezing althans--die waarop Wolfram zijn "Parzival" bouwde--was die talisman een steen. Maar in den regel zal het niet een steen zijn geweest, maar een ketel of vat van den een of anderen aard, bedeeld met de gewone eigenschappen van den tooverketel der Keltische mythen. Dit vat werd in verband gebracht met een van bloed druipende lans. Dit waren de suggestieve bestanddeelen waaruit een onbekende zanger, in een oogenblik van inspiratie het oude verhaal van wraak en verlossing omzette in de mystische vertelling die dadelijk hart en ziel van de Christenheid vervulde. De tooverketel werd de beker van het H. Avondmaal, de lans werd belast met een vreeselijker schuld dan de dood van Peredur's bloedverwant [246]. Keltische poëzie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid, en tooverbegrippen, die nog hangen aan de ruwe steenen gedenkteekens van West Europa--dat alles vereenigde zich om het Graal-verhaal te vormen en het die zonderlingebekoring te geven die er toe leidde dat kunstenaar na kunstenaar het gedurende zeven eeuwen herschiep. En wie kan nu nog zeggen dat het eindelijk heeft uitgediend en dat de torens van Montsalvat zijn opgegaan in den nevel waaruit zij te voorschijn kwamen.

Het verhaal van Taliesin.

Van de verhalen in de verzameling door Lady Charlotte Guest de "Mabinogion" genoemd, wordt alleen het verhaal van de geboorte en de avonturen van den mythischen bard Taliesin, den Amergin van de Kimbrische legende, niet gevonden in het veertiende-eeuwsch handschrift getiteld "Het Roode Boek van Hergest." Het is geput uit een handschrift van het laatst der zestiende of zeventiende eeuw en schijnt nooit in Wales zeer populair te zijn geweest. Veel van de zeer duistere poëzie aan Taliesin toegeschreven kan men er in vinden en dit is veel ouder dan het proza. Het doel van het verhaal is trouwens, zooals Nutt heeft aangetoond in zijn uitgave van de "Mabinogion," veeleer een soort van omlijsting te vormen teneinde verspreide verzen toegeschreven aan Taliesin aan elkaar te rijgen, dan een samenhangend verhaal over hem en zijn daden te vertellen.

De geschiedenis van de geboorte van den held is het belangwekkendst van het verhaal. Daar leefde, zoo heette het, "in den tijd van Arthur van de Tafelronde", [247] een man genaamd Tegid Voel van Penllyn, wiens vrouw Ceridwen heette. Zij hebben een zoon genaamd Avagddu, die de leelijkste man van de wereld was. Om zijn gebrek aan schoonheid te vergoeden besloot zijn moeder een wijze van hem te maken. Daartoe nam zij, in overeenstemming met de kunst van de boeken van Feryllt, [248] haar toevlucht tot de groote Keltische bron van magischen invloed--een ketel. Zij begon een "ketel van inspiratie en wetenschap voor haar zoon te koken, opdat hij waardig zou worden ontvangen om zijn kennis van de mysterieën van den toekomstigen staat der wereld." De ketel zou een jaar en een dag niet mogen ophouden te koken en slechts in drie droppels er van zou de tooverkracht van het brouwsel worden gevonden.

Zij stelde Gwion Bach, zoon van Gwreang van Llanfair, aan om in den ketel te roeren, en een blinden man Morda geheeten, om het vuur aan den gang te houden, en zij hield bezweringen over den ketel en deed er tooverkruiden in van tijd tot tijd, zooals Feryllt's boek voorschreef. Maar op zekeren dag tegen het eind van het jaar vlogen drie droppels van het toovervocht uit den ketel en kwamen terecht op Gwion's vinger. Evenals Finn mac Cumhal bij een dergelijke gelegenheid, bracht hij zijn vinger in den mond, en hij werd daarop onmiddellijk met bovennatuurlijk inzicht begiftigd. Hij begreep, dat hij had verworven wat voor Avagddu was bestemd, en hij begreep ook dat Ceridwen hem er voor zou ombrengen als zij kon. Hij vluchtte daarom naar zijn eigen land, en de ketel, beroofd van de gewijde droppels, bevatte nu niets dan vergif; door de werking daarvan barstte de ketel en het vocht liep in een nabijen stroom en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir, die van het water dronken. Vandaar dat de stroom van dien tijd af heette het Vergif van de Paarden van Gwyddno.

Nu kwam Ceridwen voor den dag en zag dat haar werk van een jaar verloren was. In haar woede sloeg zij Morda met een blok brandhout een oog uit en zette toen Gwion Bach achterna. Hij zag haar en veranderde zich in een haas. Zij werd een hazewind. Hij sprong in de rivier en werd een visch en zij zette hem als otter achterna. Hij werd een vogel, zij een havik. Toen veranderde hij zich in een graankorrel en viel onder de andere korrels op een dorschvloer en zij werd een zwarte hen en verslond hem. Negen maanden later baarde zij hem als kind; en zij had het willen dooden, maar zij kon het niet omdat het zoo schoon was: "Zij stopte het dus in een leeren zak en smeet den zak in zee op God's genade."

De buitenkans van Elphin.

Nu had Gwyddno, de man van de vergiftigde paarden, een dam voor de zalmvangst aan het strand tusschen Dyvi en Aberystwyth. En zijn zoon Elphin, een arme onfortuinlijke knaap, vischte op zekeren dag den leeren zak op, toen die tegen den dam dreef. Zij openden den zak en vonden het kind er in. "Zie, welk een stralend gelaat!" [249] zeide Gwyddno. "Hij zij Taliesin geheeten", zeide Elphin. En zij brachten zeer voorzichtig het kind naar huis en voedden het op als hun eigen. En dit was Taliesin, de eerste bard van de Kimbren; en het eerste gedicht dat hij maakte, was een loflied op Elphin en een voorspelling van geluk in de toekomst. En deze werd bewaarheid, want Elphin steeg dagelijks in rijkdom en aanzien en in de genegenheid en de gunst van Koning Arthur.

Maar op zekeren dag dat Koning Arthur en al wat tot hem behoorde, boven mate werden geroemd, pochte Elphin erop, dat hij een vrouw had even deugdzaam als er maar een was aan Arthur's Hof, en een bard knapper dan de barden des Konings; en hij werd in de gevangenis geworpen totdat zou blijken, dat hij zijn pochen goed kon maken. En terwijl hij daar lag met een zilveren ketting om de voeten, werd een verdorven kerel, Rhun geheeten, gezonden om de vrouw van Elphin het hof te maken en bewijzen mee te brengen van hare zwakheid; en men zeide, dat er geen maagd of vrouw was met wie Rhun verkeerde, of er werd kwaad van haar gesproken.

Taliesin ried toen zijn meesteres zich te verstoppen, en zij gaf haar kleeren en juweelen aan een van de keukenmeiden, die Rhun ontving alsof zij de meesteres was van het huis. En na het avondeten diende Rhun de meid drank toe en zij werd beschonken en viel in diepen slaap; toen sneed Rhun een harer vingers af, waaraan de zegelring stak die Elphin een poosje te voren aan zijn vrouw had gezonden. Rhun bracht den vinger met den ring er aan naar Arthur's Hof.

Den dag daarop werd Elphin uit de gevangenis gehaald en men liet hem den vinger met den ring zien, waarop hij zeide: "Met uw welnemen, machtige Koning, ik ontken niet, dat de ring van mij is, maar de vinger waaraan hij steekt was nooit van mijn vrouw. Want dit is de pink en de ring past er precies aan, maar mijn vrouw kon hem ternauwernood aan haar duim houden. En bovendien is mijn vrouw gewoon elken Zaterdagavond haar nagels te knippen en deze nagel is zeker niet in een maand geknipt. En ten derde, de hand waaraan deze vinger hoorde heeft minder dan drie dagen geleden roggedeeg gekneed, maar mijn vrouw heeft nooit roggedeeg gekneed sedert zij mijn vrouw is geweest."

Toen was de Koning boos, omdat zijn proef mislukt was en hij zond Elphin naar de gevangenis terug, totdat hij kon bewijzen wat hij omtrent zijn bard had beweerd.

Taliesin, de voornaamste bard van Brittannië.

Toen ging Taliesin naar het Hof en op een feestdag toen de barden en minstreels des Konings voor hem zouden zingen, stak Taliesin, toen zij hem, die rustig in een hoek zat, voorbijgingen, zijn lippen vooruiten speelde "Blerwm, blerwm", met zijn vinger op den mond. En toen de barden voor den Koning zouden optreden, ziet, toen was er een betoovering over hen, en zij konden niets doen dan buigen voor hem en spelen "Blerwm, blerwm", met hun vingers op de lippen. En hun hoofd Heinin zeide: "O Koning, wij zijn niet dronken van wijn, maar stom onder den invloed van den geest, die daar zit in gindschen hoek, in de gedaante van een kind." Toen werd Taliesin voor den Koning gebracht en men vroeg hem wie hij was en waar hij vandaan kwam. En hij zong als volgt:

"Eerste der barden ben ik bij Elphin, En het land mijner afkomst is het rijk der zomersterren; Idno en Heinin noemden mij Merddin, In 't eind zal mij ieder wezen noemen Taliesin.

"Ik was met mijn Heer in de hoogste sferen, Toen Lucifer viel in de diepte der hel; Ik droeg een banier voor Alexander uit; Ik ken de namen der sterren van noord tot zuid.

"Ik was in Kanaan toen Absalom gedood werd, Ik was in het hof van Don vóór de geboorte van Gwydion. Ik was op de plaats der kruisiging van den barmhartigen Zoon Gods; Ik was tot driemaal toe in de gevangenis van Arianrod.

"Ik was in Azië met Noach in de ark, Ik zag de verdelging van Sodom en Gomorrah. Ik was in Indië toen Rome gebouwd werd. Nu kwam ik hier naar wat van Troja [250] nog bleef.

"Ik was met mijn Heer in des ezels kribbe, Ik sterkte Mozes door de wateren van den Jordaan; Ik was in den hemel met Maria Magdalena; Ik ontving de Muze uit den ketel van Ceridwen.

"Ik zal tot den jongsten dag zijn op het vlak der aarde; En men weet niet of mijn lichaam vleesch is dan visch.

"Toen was ik negen maanden In den schoot van de heks Ceridwen; Ik was aanvank'lijk kleine Gwion, En in 't eind ben ik Taliesin." [251]

Terwijl Taliesin zong, stak een groote storm op, en het kasteel trilde door het geweld er van. Toen liet de Koning Elphin voor zich brengen en toen hij kwam vielen, bij de muziek van Taliesin's stem en harp, de kettingen van zelf van hem en hij was vrij. En vele andere gedichten betreffende geheime dingen van verleden en toekomst zong Taliesin voor den Koning en zijn edelen, en hij voorspelde dat de Saksers in het land zouden komen en de Kimbren verdrukken, en hij voorspelde ook dat zij heen zouden gaan wanneer de dag zou zijn gekomen.

Besluit.

We eindigen hiermede dit lange overzicht van de legendaire literatuur der Kelten. De stof is zeer rijk en het is uit den aard der zaak niet mogelijk in een boekdeel als dit meer te doen dan de voornaamste strooming aan te wijzen van de ontwikkeling der legendaire literatuur tot op den tijd, toen het mythische en legendaire element geheel verdween en vrije literaire vinding daarvoor in de plaats kwam. De lezer dezer bladzijden zal echter, naar wij hopen, een algemeen begrip van het onderwerp hebben verkregen, dat hem zal in staat stellen de beteekenis te begrijpen van verhalen, die wij hier niet konden behandelen, en daaraan de hun passende plaats te geven in een of ander van de groote cyclen van Keltische legenden. Men zal opmerken, dat wij het uitgebreide gebied van de Keltische folk-lore niet betraden. Folk-lore werd niet geacht te vallen binnen het kader van dit werk. Folk-lore kan soms verbasterde mythologie geven, soms mythologie in wording. In beide gevallen is het bijzondere kenmerk er van dat ze behoort tot en komt van een klasse van menschen wier dagelijksch leven hen in nauwe aanraking brengt met den grond, werkers op het veld en in het bosch, die met eenvoudige oprechtheid, in verhalen of door tooverformules hun indrukken weergeven van natuurlijke of bovennatuurlijke machten, die hun eigen leven omringen. Mythologie in den eigenlijken zin van het woord treedt eerst daar op waar verstand en verbeelding tot een trap van ontwikkeling zijn gekomen, hooger dan die gewoonlijk voor den boerengeest bereikbaar--waar de mensch is begonnen zijn verspreide indrukken samen te vatten en den aandrang heeft gevoeld daarvan dichterlijke scheppingen te maken, die universeele begrippen weergeven. Natuurlijk wordt hiermee niet beweerd, dat er altijd een scherpe grens kan worden getrokken tusschen mythologie en folk-lore; toch lijkt het mij gegrond het onderscheid te maken en ik heb getracht dat in deze bladzijden in het oog te houden.

Na de twee historische overzichten, waarmede onze verhandeling begon, was het doel van het boek meer letterkundig dan wetenschappelijk. Ik heb evenwel gepoogd, waar de gelegenheid zich voordeed, uitkomsten mede te deelen van latere critische geschriften over de overblijfselen van Keltische mythen en legenden, die althans kunnen strekken den lezer aan te duiden den aard der critische problemen, die daarmee samenhangen. Ik hoop, dat daardoor de waarde van het boek voor den studeerende iets is verhoogd, terwijl het aan de attractie er van voor den gewonen lezer geen afbreuk doet. Verder kan ik in dien zin dit werk als wetenschappelijk laten gelden, dat het zooveel mogelijk eenige aanpassing van de stof aan den populairen smaak vermijdt. Zulk een aanpassing, wanneer ze geschiedt met een uitgesproken artistiek doel, is natuurlijk volkomen gewettigd; ware het anders, wij zouden de helft van de groote wereldpoëzie moeten veroordeelen. Maar hier was het doel de mythen en legenden der Kelten weer te geven zooals zij in de werkelijkheid zijn. Het ruwe is niet weggedoezeld, pijnlijke of monsterlijke dingen zijn niet weggelaten, behalve in enkele gevallen, waar het noodig was te bedenken, dat dit boek zich richt tot een breeder kring dan die van wetenschappelijke beoefenaars alleen. De lezer kan er, geloof ik, van verzekerd zijn, dat hij hier heeft een in wezen onpartijdige en niet geïdealiseerde voorstelling van den Keltischen kijk op het leven en de wereld, in een tijd, toen de Kelt nog een vrij, onafhankelijk, natuurlijk leven leidde, zijn opvattingen uitwerkte in de Keltische taal en niet meer aan vreemde bronnen ontleende dan hij kon assimileeren en zijn eigen maken. De aldus behandelde legendaire literatuur is de oudste niet klassieke letterkunde van Europa. Dit geeft haar, dunkt mij, al op zichzelf voldoende aanspraak op onze volle aandacht. Welke andere aanspraken zij moge hebben, hierover zouden vele bladzijden kunnen worden gevuld met aanhalingen uit de oordeelkundige lofuitingen er aan toegekend door beoordeelaars niet van Keltische nationaliteit, van Matthew Arnold af. Hier moge zij voor zichzelf spreken. Zij zal ons, geloof ik, leeren dat, zooals Maeldun zeide van een van de wonderen, die hij op zijn reis in het Tooverland ontmoette: "Wat wij hier zien was het werk van machtige mannen."

DE UITSPRAAK VAN KELTISCHE NAMEN.

Het is onmogelijk de namen nauwkeurig weer te geven zonder de levende stem. Maar met behulp van de phonetische teekens hier gegeven, waar dat noodig is, en lettend op de volgende algemeene regelen, zal de lezer de juiste uitspraak zoo nabij komen als dat voor hem noodig kan zijn.

I. Galisch.

Klinkers worden uitgesproken als in het Fransch of Duitsch: dus _i_ (lang) als _ee_, _e_ (lang) als _a_ in "date" _u_ (lang) als _oo_. Een schrapje boven een letter beteekent dat die lang is; dun wordt dus uitgesproken "doon" (niet "dewn").

_ch_ is een keelklank, zooals in het woord "loch." Hij wordt nooit uitgesproken met een _t_ klank, zooals in het Engelsch "chip".

_c_ is altijd gelijk _k_.

_gh_ is stom, zooals in het Engelsch.

II. Kimbrisch.

_w_ als medeklinker wordt uitgesproken als in het Engelsch; is zij een klinker als _oo_.

_y_als _ee_ zoo ze lang is, als _u_ in "but", zoo ze kort is.

_ch_ en _c_ als in het Galisch.

_dd_ is als _th_ in "breathe".

_f_ is als _v_; _ff_ als Engelsche _f_.

De Engelsche lezer wage zich maar liever niet aan den klank _ll_. Het is een dikke _l_, zooiets tusschen _cl_ en _th_.

Klinkers als in het Keltisch, maar men houde in het oog dat er feitelijk geen tweeklanken zijn in de taal van Wales [252] bij combinaties van klinkers krijgt elk zijn eigen klank.

AANTEEKENINGEN

[1] Te Oxford, dus genaamd naar den stichter, Sir T. Bodley (N.v.d.v.).

[2] Het voorkomen van het donkere type onder de bewoners. (N.v.d.v.).

[3] Met betrekking tot den naam "Freeman" voegt de heer Nicholson er nog bij: "Niemand was meer hartgrondig "Engelsch" in zijn sympathieën dan de groote historicus van dien naam en vermoedelijk zou niemand zich hardnekkiger hebben verzet tegen de onderstelling dat hij misschien uit Wales afstamde; toch heb ik zijn bijna physiek evenbeeld ontmoet in een pachter uit Wales (Evans geheeten), die op een paar minuten afstands van Pwllheli woonde."

[4] Hij maakt gewag van "Nyrax, een Keltische stad" en van "Massalia (Marseille), een stad van Liguria in het land der Kelten" ("Fragmenta Hist. Graec.")

[5] In zijn "Premiers Habitants de l'Europe," deel II.

[6] "Caesars Verovering van Gallië", blz. 251-327.

[7] De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond, doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking: "Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit, dat dit type, _zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der oude Germanen_. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, "Het lezen der Waterloo Courant", doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders, die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart- en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt."

[8] Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de gelaatskleur in Ripley "Rassen van Europa", blz. 318. In Frankrijk echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking met het overige deel der bevolking. Zij bestaan gedeeltelijk uit de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales, die bij den Saksischen inval waren verjaagd.

[9] Zie, wat die namen betreft, Holder "Altceltischer Sprachsatz".