Keltische Mythen en Legenden

Chapter 31

Chapter 313,890 wordsPublic domain

Owain was natuurlijk geprikkeld door het verhaal van Kymon en den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, reed hij uit om hetzelfde avontuur te zoeken. Alles ging zooals met Kymon, maar Owain wondde den Zwarten Ridder zoo ernstig, dat deze zijn paard wendde en vluchtte. Owain zette hem wild achterna. Zij kwamen aan een "groot en prachtig kasteel." Zij reden over de ophaalbrug, waarvan de buitenste slagboom viel toen de Zwarte Ridder er overheen ging. Maar zoo dicht was Owain hem op de hielen dat de slagboom achter hem viel, zijn paard in tweeën snijdend achter het zadel en hij zelf bleef gevangen tusschen de buiten- en de binnenpoort van de ophaalbrug. Terwijl hij in dezen hachelijken toestand verkeerde, kwam een meisje tot hem en gaf hem een ring. Als hij dien droeg met den steen naar beneden en in de hand geklemd, zou hij onzichtbaar worden en wanneer de dienaren van den heer van het kasteel op hem afkwamen, moest hij hen ontwijken en haar volgen. Zij deed dit, blijkbaar wetend wie hij was, "want als vriend zijt gij de oprechtste, en als minnaar de meest getrouwe."

Owain deed zooals hem was gezegd en het meisje verstopte hem. Denzelfden nacht hoorde men luide weeklagen in het kasteel--de heer er van was gestorven aan de wond hem door Owain toegebracht. Kort daarna kreeg Owain de meesteres van het kasteel te zien en hij werd geheel vervuld van liefde tot haar. Luned, het meisje dat hem had bevrijd, deed voor hem aanzoek bij haar en hij werd haar gemaal en heer van het Kasteel van de Bron en al de bezittingen van den Zwarten Ridder. En hij verdedigde daarna de bron met lans en zwaard, zooals zijn voorganger had gedaan, en eischte van zijn verslagen tegenstanders groote sommen als losgeld, die hij verdeelde onder zijn baronnen en ridders. Aldus bracht hij drie jaren door.

Het zoeken naar Owain.

Na dien tijd reed Arthur, met zijn neef Gwalchmai en met Kymon als gids, aan het hoofd van een troep uit om berichten aangaande Owain in te winnen. Zij kwamen aan de bron en hier ontmoetten zij Owain; men kende elkaar niet, omdat de helmen waren neergelaten. En eerst werd Kai van het paard geworpen en toen Gwalchmai en Owain vocht en na een poos werd Gwalchmai van zijn helm beroofd. Owain zeide: "Heer Gwalchmai, ik kende u niet; neem mijn zwaard en mijn wapens." Toen zeide Gwalchmai: "Gij, Owain, zijt de overwinnaar, neem gij mijn zwaard." Arthur maakte hoffelijk een einde aan den twist, door beider zwaarden te nemen en zij reden toen allen naar het Kasteel van de Bron, waar Owain hen met groote blijdschap onthaalde. En hij ging met Arthur terug naar Caerleon, zijn gravin belovend dat hij daar slechts drie maanden zou blijven en dan terugkeeren.

Owain vergeet zijn vrouw.

Maar aan het Hof van Arthur vergat hij zijn liefde en zijn plicht en hij bleef daar drie jaren. Toen die om waren kwam een edelvrouw op een met goud opgetuigd paard aanrijden en zij zocht Owain en nam den ring van zijn hand. "Dus", sprak zij, "zal geschieden met den bedrieger, den verrader, den trouwelooze, den eerlooze en den onbezonnene." Daarop wendde zij haar paard en vertrok. En Owain, verpletterd door schaamte en wroeging, ontvluchtte de menschen en leefde in een woest land met wilde beesten, totdat zijn lichaam uitteerde en zijn haar lang werd en zijn kleeren wegrotten.

Owain en de leeuw.

Aldus veranderd en den dood nabij door ontbering en gebrek, werd hij door zekere gravin (een weduwe) en haar dienstmaagden opgenomen en door tooverbalsems herkreeg hij zijn kracht; en hoewel zij hem smeekten bij hen te blijven, reed hij weer weg, verlaten woeste landen zoekend. Hier vond hij een leeuw, die met een groote slang vocht. Owain doodde de slang en de leeuw volgde hem en dartelde om hem heen, alsof hij een hazewind was die hij had groot gebracht. En hij bezorgde hem voedsel door herten te vangen, waarvan Owain een deel voor zich zelf kookte, terwijl hij den leeuw de rest gaf; en het beest hield 's nachts de wacht over hem.

Luned's bevrijding.

Owain vindt dan een gevangen meisje, dat hij hoort zuchten, hoewel hij haar en zij hem niet kon zien. Op zijn vragen antwoordde zij dat haar naam Luned was--zij was de dienares van een gravin wier echtgenoot haar had verlaten, "en hij was de vriend die mij het liefst was op de wereld." Twee pages van de gravin hadden hem belasterd, en omdat zij hem verdedigde was zij veroordeeld te worden verbrand indien, voordat een jaar om was, hij (namelijk Owain zoon van Urien) niet was verschenen om haar te verlossen. En morgen zou het jaar om zijn. Den volgenden dag ontmoette Owain de twee jongelingen die Luned ter terechtstelling brachten en hij vocht met hen, overwon hen met behulp van den leeuw, bevrijdde Luned en keerde terug naar het Kasteel van de Bron, waar hij zich met zijn liefste verzoende. En hij nam haar mee naar het Hof van Arthur, en zij was daar zijn vrouw zoo lang zij leefde. Ten slotte komt een avontuur, waarin hij, nog altijd met behulp van zijn leeuw, een zwarten reus overwint en vier-en-twintig edele vrouwen bevrijdt, en de reus zweert zijn slechte leven af en belooft zoo lang hij leeft een hospitium voor reizenden te houden.

"En van nu af aan bleef Owain aan het Hof van Arthur, zeer geliefd, als hoofd van zijn huishouding, totdat hij met zijn volgelingen heen ging; en deze waren het leger van driehonderd raven, die Kenverchyn [239] hem had gelaten. En waar Owain ook met dezen ging, was hij overwinnaar. En dit is het verhaal van de Vrouw van de Bron."

Het verhaal van Enid en Geraint.

In dit verhaal, dat schijnt te zijn gegrond op den "Erec" van Chrestien de Troyes, is de hoofdzaak noch het mythologische, noch het avontuurlijke, maar het sentimenteele. Hoe Geraint zijn liefste vond en naar haar vrijde--zij de dochter van een groot heer, die slechte tijden beleefde; hoe hij voor haar een steekspel hield met Edeyrn, zoon van Nudd--een Kimbrische godheid herschapen in den "Ridder van den Sperwer"; hoe hij, van zijn liefde voor haar geheel vervuld, zijn faam en plicht begon te verwaarloozen; hoe hij de woorden verkeerd begreep, die zij over hem heen mompelde toen zij meende dat hij sliep, en aan haar trouw twijfelde; hoe onwaardig hij haar behandelde en in hoe menige bittere proef zij haar liefde en trouw bewees--met dat alles zijn Engelsche lezers zoo vertrouwd geraakt door Tennyson's "Enid," dat wij er hier niet bij behoeven stil te staan. In dit geval heeft Tennyson het oorspronkelijke verhaal zeer op den voet gevolgd.

Graal-legenden: Het verhaal van Peredur.

Het verhaal van Peredur is van veel gewicht en beteekenis in verband met den oorsprong van de Graal-legende. Peredur komt overeen met den Perceval van Chrestien de Troyes, aan wien wij het oudst bestaande gedicht over den Graal te danken hebben; maar deze auteur liet zijn Graal-verhaal onvoltooid en wij vernemen nooit van hem wat de Graal precies was, of waaraan hij zijn belangrijkheid ontleende. Wenden wij ons om opheldering tot "Peredur," die ongetwijfeld een ouderen vorm dezer legende voorstelt, dan worden wij teleurgesteld. Want men zou "Peredur" kunnen noemen de Graal-geschiedenis zonder den Graal [240]. De vreemde personages, voorwerpen en gebeurtenissen, die de gewone omlijsting vormen voor het verschijnen van dezen mystieken schat, zijn allen daar; wij ademen zelfs de atmosfeer van het Graal-Kasteel; maar van den Graal zelf wordt heelemaal niet gesproken. Het verhaal behandelt alleen de wraak door den held genomen voor het dooden van een bloedverwant, en tot dat doel alleen worden de geheimen van het Kasteel der Wonderen voor hem onthuld.

Bij het begin van het verhaal vernemen wij dat Peredur in de beteekenisvolle positie verkeerde van een zevende zoon te zijn: wat in deze wereld van mystieke vertelling wil zeggen: voorbestemd tot groote en vreemde lotgevallen. Zijn vader Evrawc, een graaf uit het Noorden, en zijn zes broeders waren gevallen in den strijd. Peredur's moeder, een dergelijk lot voor haar jongste kind vreezend, had hem daarom groot gebracht in een bosch, hem alle kennis onthoudend van ridderschap of oorlog voeren en van dingen als strijdrossen of wapens. Hier groeide hij op, in manieren en kennis een eenvoudig landman, maar van verbazende lichaamskracht en werkzaamheid.

Hij gaat avonturen zoeken.

Op zekeren dag zag hij drie ridders aan den zoom van het bosch. Zij waren alle drie van Arthur's Hof--Gwalchmai, Geneir en Owain. Verrukt door den aanblik vroeg hij zijn moeder wat dat voor wezens waren. "Dat zijn engelen, mijn zoon," zeide zij. "Voorwaar," zeide Peredur, "dan wil ik gaan en met hen een engel worden." Hij gaat hun tegemoet en verneemt weldra wat zij zijn. Owain legt hem vriendelijk uit hoe een zadel, een schild, een zwaard, al de uitrustingen bij het oorlogvoeren worden gebruikt; en Peredur pikte denzelfden avond een beenig, gevlekt trekpaard op, en maakte het een zadel en tuig van twijgen gemaakt en nagebootst naar wat hij had gezien. Ziende dat hij besloten was uit te trekken op ridderlijke daden gaf zijn moeder hem haar zegen en allerlei inlichtingen en ried hem het Hof van Arthur te zoeken; "daar zijn de beste en de stoutste en de schoonste mannen."

Zijn eerste wapenfeit.

Peredur besteeg zijn Rozinant, nam als wapens een handvol stokken met scherpe punten mee en reed naar het Hof van Arthur. Hier werd hij door den hofmeester, Kai, ruw teruggewezen om zijn boersch voorkomen, maar een dwerg en een dwergin, die een jaar aan het Hof waren geweest, zonder daar een woord tot iemand te spreken, riepen: "Edele Peredur, zoon van Evrawc; 's Hemels welkom zij u gebracht, bloem der ridders en licht der ridderschap." Kai bestrafte de dwergen, omdat zij het zwijgen verbraken met het huldigen van een kerel als Peredur, en toen deze wenschte voor Arthur te worden gebracht, heette hij hem eerst een vreemden ridder te gaan bekampen, die zoo even het geheele Hof had uitgedaagd door Gwenhwyvar een beker met wijn in het gezicht te gooien, en tegen wien allen opzagen te strijden. Peredur begaf zich onmiddellijk naar de plaats waar de woeste ridder snoevend op en neer liep, in afwachting van een tegenstander, en in het gevecht dat nu volgde doorboorde hij hem den schedel met een van zijn puntige stokken en doodde hem. Toen kwam Owain naar buiten en vond Peredur, die zijn gevallen vijand met zich sleepte. "Wat voert gij daar uit?" vroeg Owain. "Die ijzeren bedekking," zeide Peredur "wil maar niet van hem afkomen; tenminste niet zoo als ik het aanleg." Owain wees hem nu hoe hij het pantser moest losmaken en Peredur nam het mee met de wapens en het paard van den ridder en reed uit om nieuwe avonturen te zoeken.

Hier vinden wij het karakter van _der reine Thor_, de dappere en reine onnoozele bloed, duidelijk en levendig geschilderd.

Nadat hij het Hof van Arthur verliet had Peredur vele gevechten waarin hij gemakkelijk de overwinning behaalde; hij zond de verslagen ridders naar Caerleon aan de Usk met de boodschap, dat hij hen had verslagen ter eere van Arthur en in zijn dienst, maar dat hij, Peredur, nooit weer aan het Hof zou terugkeeren voordat hij de beleediging der dwergen op Kai had gewroken; deze werd diensvolgens door Arthur gegispt, waarover hij zeer bedroefd was.

Het Kasteel der Wonderen.

Wij komen nu, wat de lezer onmiddellijk zal herkennen, in de sfeer van de Graal-legende. Peredur kwam aan een kasteel naast een meer, waar hij een eerwaardig man vond met dienaren om hem heen, die in het meer vischten. Toen Peredur naderbij kwam, stond de bejaarde man op en ging het kasteel binnen, en Peredur zag, dat hij kreupel was. Peredur ging naar binnen en werd gastvrij ontvangen in een groote zaal. De bejaarde man vroeg hem na afloop van het maal, of hij met het zwaard wist om te gaan en beloofde hem alle ridderlijke kundigheden te leeren, en "de zeden en gebruiken van verschillende landen en hoffelijkheid en vriendelijkheid en een edele houding". En hij voegde er bij: "Ik ben uw oom, uw moeder's broeder." Ten slotte heette hij hem weg te rijden en er aan te denken, dat wat hij ook mocht zien dat hem verbaast, hij niet naar de beteekenis er van moest vragen indien niemand zoo heusch was hem te onderrichten. Dit is de proef van gehoorzaamheid en zelfbeheersching waarover de rest van het avontuur loopt.

Verder rijdend, kwam Peredur aan een groot woest bosch, waarachter hij een groot kasteel vond, het Kasteel der Wonderen. Hij ging door de open deur binnen en vond een statigen grijzen man gezeten in een groote zaal, met vele pages om hem heen, die Peredur waardig ontving. Aan den maaltijd zat Peredur naast den heer van het kasteel, die, toen zij gegeten hadden, hem vroeg of hij vechten kon met een zwaard. "Als ik onderricht kreeg", zeide Peredur, "zou ik het wel kunnen, denk ik." Toen gaf de heer van het kasteel Peredur een zwaard en gelastte hem op een grooten ijzeren ring in den vloer te slaan. Peredur deed dit en sneed den ring in tweeën, maar ook het zwaard vloog in twee stukken. "Sluit de stukken aan elkaar", zeide de lord. Peredur deed dit en zoowel zwaard als ring werden weer éen. Een tweeden keer geschiedde datzelfde met denzelfden uitslag. Den derden keer konden de stukken van zwaard en ring niet meer een geheel vormen.

"Gij zijt gekomen op twee derden van uw kracht", zeide de lord. Hij vertelde daarop dat ook hij Peredur's oom was en broeder van den lord van het meer, bij wien Peredur den vorigen nacht had doorgebracht. Terwijl zij in gesprek waren kwamen twee jongelingen in de zaal; zij droegen een geweldig groote speer, van wier spits drie stroomen bloed op den grond vielen en al de aanwezigen begonnen, toen zij dit zagen, met groot geschreeuw te jammeren en te weeklagen, maar de lord sloeg er geen acht op en brak zijn gesprek met Peredur niet af. Daarna kwamen twee meisjes binnen, die tusschen zich in een groot blad droegen, waarop, te midden van een massa bloed, een manshoofd lag. Daarop werd zelfs nog luider dan te voren gejammerd en geweeklaagd. Maar ten slotte werd het stil en Peredur werd naar zijn kamer gebracht. Gedachtig de aanmaning van den lord van het meer, had hij geen verbazing aan den dag gelegd over hetgeen hij zag, en ook niet gevraagd wat het beteekende. Hij reed nu weer uit om andere avonturen te zoeken, die hij in overstelpende hoeveelheid vond en die geen bijzonder verband houden met het hoofdthema. Het mysterie van het kasteel wordt eerst op de laatste bladzijden van het verhaal verklaard. Het hoofd op het zilveren blad was dat van een neef van Peredur. De lans was het wapen waarmee hij was gedood en waarmee ook de oom van Peredur, de lord van het meer, kreupel was gemaakt. Deze dingen waren aan Peredur getoond, om hem te prikkelen tot het wreken van het kwaad, en om zijn geschiktheid voor die taak te toonen. De "negen toovenaressen van Gloucester" waren, zegt men, zij, die de bloedverwanten van Peredur dat kwaad berokkenden. Toen hij dat vernam viel Peredur, met hulp van Arthur, de toovenaressen aan, die alle werden gedood, en de wraak was voltrokken.

De Conte del Graal.

Het verhaal van Chrestien de Troyes genaamd de "Conte del Graal," of "Perceval le Gallois," bracht de geschiedenis in de Europeesche literatuur. Het werd geschreven omstreeks 1180. Het inleidend gedeelte komt overeen met "Peredur," de held wordt hier Perceval genoemd. Hij wordt in ridderlijke kundigheden opgeleid door een ouden ridder Gonemans geheeten, die hem waarschuwt tegen te veel praten en vragen te doen. Als hij komt aan het Kasteel der Wonderen worden in de zaal gebracht een van bloed druipende lans, een "graal" vergezeld van twee dubbelarmige kandelaars, waarvan het licht door het schijnsel van den graal wordt overstraald, een zilveren schotel en een zwaard; dit laatste wordt aan Perceval gegeven. Het bloedend hoofd van het verhaal uit Wales verschijnt niet, ook wordt ons niet verteld wat de graal was. Toen Perceval den volgenden dag uit reed, ontmoette hij een meisje dat hem heftige verwijten deed, omdat hij niet had gevraagd naar de beteekenis van hetgeen hij zag--had hij dat gedaan dan zou de kreupele koning (hier dezelfde als de heer van het Kasteel der Wonderen) weer beter zijn geworden. Perceval's zonde, dat hij zijn moeder tegen haar zin verliet, was de reden dat hij werd weerhouden van het stellen van de vraag, die de betoovering zou hebben verbroken. Dit is een zeer pover brok vinding, want het was blijkbaar Peredur's lot zich te wapenen en het Graal-avontuur te bestaan, en hij beging geen zonde met dit te doen. Verder in het verhaal ontmoet Perceval een afzichtelijk uitziende joffer die hem verwenscht omdat hij verzuimde vragen te doen aangaande de lans en de andere wonderen--had hij dat gedaan dan zou de koning weer beter zijn geworden en zijn land in vrede hebben geregeerd, maar nu zullen maagden onteerd, ridders gedood, vrouwen tot weduwen en kinderen tot weezen gemaakt worden.

Deze opvatting van de vraag-episode lijkt mij radikaal verschillend van die welke werd aangenomen in de lezing van Wales. Het is kenmerkend voor Peredur dat hij altijd doet zooals hem door de bevoegde macht wordt voorgeschreven. De vraag was een proef van gehoorzaamheid en zelfbeheersching en hij bestond die. In toover-literatuur wordt nieuwsgierigheid dikwijls bestraft, bescheidenheid en terughoudendheid nooit. Het verhaal uit Wales behoudt hier, dunkt mij, den oorspronkelijken vorm der geschiedenis. Maar de Fransche schrijvers beschouwden ten onrechte het niet stellen van vragen als een fout van den held en bedachten een oppervlakkige en ongemotiveerde theorie van de episode en haar gevolgen. Toch, vreemd genoeg, vond de Fransche opvatting ingang in latere lezingen van het verhaal uit Wales en zulk een lezing is die welke voorkomt in de "Mabinogion." Tegen het eind van het verhaal ontmoet Peredur een afschuwelijke joffer, wier schrikwekkend uiterlijk levendig wordt beschreven, en die hem heftig gispt, omdat hij niet vroeg naar de beteekenis van de wonderen op het Kasteel. "Hadt gij dat gedaan, de koning zou weer gezond zijn geworden en in zijn land zou de vrede zijn teruggekeerd. Terwijl hij van nu af gevechten en conflicten zal hebben te doorstaan, en zijn ridders zullen omkomen, en vrouwen zullen weduwen worden en meisjes zonder bruidschat worden achtergelaten, en dat alles door uw schuld." Ik beschouw deze walgelijke joffer als klaarblijkelijk in het verhaal van Wales te zijn geschoven. Zij kwam er in rechtstreeks uit het geschrift van Chrestien. Dat zij niet oorspronkelijk behoorde bij het verhaal van Peredur schijnt te blijken uit het feit, dat in dat verhaal de kreupele lord, die Peredur vermaant zich van vragen te onthouden, volgens haar juist de persoon is, die er bij zou hebben gewonnen als hij het wel gedaan had. Feitelijk doet Peredur de vraag nimmer en zij speelt geen rol in de ontknooping van de geschiedenis.

Chrestien's onvoltooid verhaal bericht van verdere avonturen van Peredur en van zijn vriend en makker, den ridder Gauvain, maar geeft nimmer een verklaring van de beteekenis der geheimzinnige dingen in het kasteel gezien. Zijn voortzetters, van welke Gautier de eerste was, berichten dat de Graal was de Beker van het Laatste Avondmaal en de lans die welke bij de kruisiging Christus in de zijde had doorboord; en dat Peredur ten slotte terugkeert naar het kasteel, de noodige vraag doet en zijn oom opvolgt als heer van het kasteel en bewaarder van de schatten ervan.

Wolfram von Eschenbach.

In de geschiedenis zooals die is gegeven door Wolfram von Eschenbach, die omstreeks 1200 schreef--zoowat twintig jaar later dan Chrestien de Troyes, met wiens werk hij bekend was--vinden wij een nieuwe en eenige voorstelling van den Graal. Hij zegt van de ridders van het Graal-Kasteel:

"Si lebent von einem steine Des geslähte ist vîl reine.... Es heizet _lapsit [lapis] exillîs_, Der stein ist ouch genannt der Grâl." [241]

Hij was oorspronkelijk uit den hemel gehaald door een vlucht engelen en neergelegd in Anjou, als de waardigste streek om hem te ontvangen. De werking er van wordt onderhouden door een duif die telkens op Goede Vrijdag uit den hemel komt en op den Graal een gewijde hostie legt. Hij wordt bewaard in het Kasteel van Munsalväsche (Montsalvat) en bewaakt door vierhonderd ridders, die allen, met uitzondering van hun koning, de gelofte der kuischheid hebben afgelegd. De koning mag trouwen, en hem is dat zelfs, ten einde de opvolging te verzekeren, door den Graal bevolen, die zijn boodschappen aan de menschen overbrengt, door schrift dat er zichtbaar op wordt en dat verdwijnt wanneer het is ontcijferd. Ten tijde van Parzival is Anfortas de koning. Hij kan niet sterven in tegenwoordigheid van den Graal, maar hij lijdt aan een wond die, omdat hij die kreeg door wereldschen trots en in het najagen van verboden liefde, door den invloed van den Graal niet kan worden geheeld voordat de voorbestemde verlosser de betoovering zal verbreken. Dit had Parzival moeten doen door te vragen: "Wat schort u, oom?" De Fransche lezing laat Parzival in nieuwsgierigheid te kort schieten--Wolfram vat het te kort schieten op als een gebrek aan sympathie. In elk geval schiet hij te kort en vindt den volgenden morgen het kasteel verlaten en zijn paard voor hem gereed staand bij de poort; als hij vertrekt wordt hij bespot door dienaren, die aan de vensters van de torens verschijnen. Na vele avonturen, geheel verschillend zoowel van die in Chrestien's "Conte del Graal", als in "Peredur", vindt Parzival, die de maagd Condwiramur heeft gehuwd, zijn weg terug naar het Graal-Kasteel--dat niemand bezoeken kan dan die daartoe is voorbestemd en door den Graal zelf verkozen--verbreekt de betoovering en heerscht over de Graal-gebieden, terwijl zijn zoon Loherangrain de Ridder van den Zwaan wordt, die rond trekt om onrecht goed te maken, en die, evenals alle Graal-ridders, zijn naam en afkomst niet aan de buitenwereld mag openbaren. Wolfram vertelt, dat hij zijn verhaal in hoofdzaak ontleende aan den Provençaalschen dichter Kyot of Guiot--"Kyot, der meister wol bekannt"--die op zijn beurt--maar dit is waarschijnlijk niets dan een romantische verdichting--beweerde het verhaal te hebben gevonden in een Arabisch boek te Toledo, geschreven door een heiden genaamd Flegetanis.

De voortzetters van Chrestien.

Wat precies het materiaal mag zijn geweest voor Chrestien de Troyes kunnen wij niet zeggen, maar zijn verschillende mede-werkers en voortzetters, in het bijzonder Manessin, staan allen stil bij het Christelijk karakter van hetgeen Parzival in het kasteel werd vertoond, en de vraag rijst: hoe kwam het aan dat karakter? Uit de geschiedenis van Wales, stellig de meest verouderde vorm der legende, blijkt dat het dit karakter niet van den beginne af had. Een aanwijzing in een van de Fransche vervolgen op Chrestien's "Conte", kan dienen om ons op het spoor te brengen. Gautier, de schrijver van dat vervolg, vertelt ons van een poging van Gauvain (Sir Gawain) om het Graal-avontuur ten einde te brengen. Hij slaagt ten deele en dit gedeeltelijk succes heeft ten gevolge, dat de landen om het kasteel, die woest en onbebouwd waren, weer bloeiend en vruchtbaar werden. Behalve zijn andere eigenschappen, heeft de Graal dus een toovermacht om aanwas, rijkdom en verjonging te bevorderen.

De Graal een talisman van overvloed.