Chapter 30
Maar Blodeuwedd was haar mooien naam en oorsprong niet waardig. Eens toen Llew weg was voor een bezoek met Math, kwam een edele, genaamd Gronw Pebyr, in de buurt van Llew's paleis jagen en Blodeuwedd beminde hem van het oogenblik af dat zij hem zag. Dien nacht sliepen zij samen en den volgenden en den daarop volgenden en toen beraamden zij hoe voorgoed van Llew af te komen. Maar Llew is, evenals de Gothische zonne-held Siegfried, onkwetsbaar, behalve onder bijzondere omstandigheden en Blodeuwedd moet van hem te weten komen hoe hij kan worden gedood. Zij doet dit, zorg voor zijn welzijn voorwendend. Het is een lastig geval. Llew kan alleen worden gedood door een speer waaraan een jaar is gewerkt en alleen gedurende de Offerande van de Hostie op Zondagen. Verder kan hij niet worden gedood in of buiten een huis, te paard of te voet. Het eenige middel is feitelijk, dat hij met éen voet zal staan op een dooden bok, met den ander in een ketel, die als bad wordt gebruikt met riet overdekt; wordt hij in deze houding getroffen door een speer, gemaakt zooals werd aangegeven, dan kan de wond noodlottig zijn, anders niet. Na een jaar, waarin Gronw aan de speer had gewerkt, vroeg Blodeuwedd Llew haar duidelijker te laten zien waartegen zij moest waken en om haar te believen nam hij de vereischte houding aan. Gronw, die in een bosch in de buurt op den loer was, slingerde de noodlottige speer en de kop, die vergiftigd was, drong in Llew's lijf, maar de schacht brak. Toen veranderde Llew in een arend en met een harden schreeuw steeg hij hoog op in de lucht en werd niet meer gezien. En Gronw nam zijn kasteel en zijn landen in bezit, die hij voegde bij zijn eigen.
De berichten hiervan kwamen ten slotte Gwydion en Math ter oore en Gwydion maakte zich op om Llew te vinden. Hij kwam bij een zijner vassallen, van wien hij vernam dat een zeug, hem toebehoorend, elken dag verdween en niet te vinden was, maar geregeld elken nacht thuis kwam. Gwydion volgde de zeug, en zij ging ver weg tot het meer sedert dien genaamd Nant y Llew, waar zij onder een boom stil hield en begon te eten. Gwydion wilde zien wat zij at en hij bevond dat het rottend vleesch was, dat een adelaar hoog in den boom gezeten liet vallen en het kwam hem voor dat de adelaar Llew was. Gwydion zong hem toe en lokte hem gaandeweg den boom af, totdat hij bij zijn knie kwam, toen sloeg hij hem met zijn tooverstaf en bracht hij hem weer in de gedaante van Llew, maar tot vel en been uitgeteerd--"niemand zag ooit een treuriger schouwspel."
Llew's genezing.
Toen Llew genezen was namen hij en Gwydion wraak op hun vijanden. Blodeuwedd werd in een uil veranderd en gelast het daglicht te schuwen, en Gronw werd gedood door den worp van een speer van Llew, die door een steenen plaat ging om hem te bereiken, en de plaat, met het gat er in door Llew's speer gemaakt, blijft tot op dezen dag aan den oever van de rivier Cynvael te Ardudwy. En Llew nam voor den tweeden keer bezit van zijn landen en regeerde voorspoedig zijn leven lang.
De vier voorgaande verhalen worden geheeten de Vier Takken van de Mabinogi en vormen het oudste en belangrijkste deel van de verzameling genaamd het "Mabinogion."
De droom van Maxen Wledig.
De rij der verhalen in het "Mabinogion" volgende, zooals die in Nutt's uitgave voorkomen, komen we nu tot een, dat zuiver fictie is, zonder eenig mythisch of legendarisch element. Het verhaalt hoe Maxen Wledig, Keizer van Rome, een levendigen droom had, waarin hij in een vreemd land werd gevoerd, waar hij een koning zag op een ivoren stoel gezeten, die met een stalen vijl uit een gouden stang schaakstukken sneed. Naast hem zat, op een gouden troon, de schoonste maagd die hij ooit had aanschouwd. Toen hij wakker werd was hij verliefd op de droommaagd en hij zond overal boden heen om zoo mogelijk te weten te komen welk land en volk hem waren verschenen. Zij bleken van Brittannië te zijn. Maxen ging daarheen, vrijde naar de maagd en huwde haar. Bij zijn afwezigheid werd zijn rijk te Rome door een overweldiger in bezit genomen, maar met behulp van zijn Britsche vrienden heroverde hij zijn gebied en velen hunner vestigden zich daar met hem, terwijl anderen naar Brittannië terugkeerden. Dezen namen vreemde vrouwen mee, maar sneden hun, zoo zegt men, de tong af, opdat zij de taal van de Britten niet zouden bederven. Zoo oud en machtig was dus de toewijding aan hun taal van de Kimbren, van wie de mythische bard Taliesin voorspelde:
"Hun God zullen zij loven, Hun taal zullen zij houden, Hun land zullen zij derven Behalve woest Walia".
Het verhaal van Lludd en Llevelys.
Dit verhaal staat in verband met het vorige in de afdeeling getiteld Romantische Britsche geschiedenis. Het verhaalt hoe Lludd, zoon van Beli, en zijn broeder Llevelys, respectievelijk regeerden over Brittannië en Frankrijk en hoe Lludd de hulp van zijn broeder inriep om de drie plagen die het land teisterden tot staan te brengen. Deze drie plagen waren: ten eerste de aanwezigheid van een demonisch ras de Coraniërs geheeten; ten tweede een vreeselijke gil die in elk huis in Brittannië den avond vóor Mei gehoord werd en de menschen geweldig deed schrikken; ten derde het onverklaarbaar verdwijnen elken nacht van alle voorraden in het hof des konings, zoodat niets dat niet door de huishouding was gebruikt, den volgenden morgen kon worden gevonden. Lludd en Llevelys bespraken deze dingen door een metalen buis, want de Coraniërs konden alles hooren wat er gesproken werd, wanneer de winden het eenmaal hadden opgevangen--een eigenschap die ook werd toegeschreven aan Math, zoon van Mathonwy. Llevelys vernietigde de Coraniërs door Lludd een aantal giftige insekten te geven, die moesten worden gestampt en over het volk worden uitgestrooid, bij een volksverzameling. Deze insekten zouden de Coraniërs dooden, maar het volk van Brittannië zou er niet door worden aangetast. De gil kwam volgens Llevelys van twee draken die elkaar eens in het jaar bevochten. Zij moesten worden gedood, door hen dronken te maken met mede, die moest worden gebracht in een kuil, gegraven precies in het centrum van Brittannië--bij meting bleek dat te zijn te Oxford. De voorraden, zeide Llevelys, werden weggenomen door een reus-toovenaar; Lludd wachtte hem op, zooals hem was gelast, en overwon hem in een gevecht en maakte hem voortaan tot zijn trouwen vazal. Aldus verlosten Lludd en Llevelys het eiland van zijn drie plagen.
Arthur-verhalen.
Wij komen nu tot vijf Arthur-verhalen; een daarvan, dat van Kilhwch en Olwen, is de eenige oorspronkelijke Arthur-legende die in de literatuur van Wales tot ons is gekomen. De overigen zijn, zooals we zagen, meer of minder weerspiegelingen uit de Arthur-literatuur, door vreemde handen op het vasteland in woord gebracht.
Kilhwch en Olwen.
Kilwch was een zoon van Kilydd en diens vrouw Goleuddydd en, zoo zegt men, een neef van Arthur. Toen zijn moeder was gestorven, nam Kilydd een andere vrouw en zij, jaloersch op haar stiefzoon, legde hem een tocht op die beloofde lang te duren en gevaarlijk te zijn. "Ik verklaar", zeide zij, "dat het uw lot is"--de Galen zouden gezegd hebben _geis_--"geen vrouw te zullen vinden voór gij Olwen krijgt, dochter van Yspaddaden Penkawr". [236]. En Kilhwch bloosde bij den naam en "liefde voor de maagd doortrilde zijn geheel lichaam". Op raad van zijn vader begaf hij zich naar het Hof van Arthur, om te vernemen hoe en waar hij haar zou kunnen vinden en naar haar hand dingen.
En nu wordt schitterend beschreven hoe de jongeling in den bloei zijner schoonheid, op een edel ros met goud opgetuigd en vergezeld van twee gestreepte hazewinden met witte borsten en kettingen van robijnen om den nek, op reis ging naar Koning Arthur. "En de grashalm boog niet onder hem, zoo licht was de tred van zijn ros."
Kilhwch aan het Hof van Arthur.
Na eenige moeilijkheden met den portier en met Arthur's hofmeester, Kai, die den jongeling niet wilde toelaten, terwijl het gezelschap aan den maaltijd zat, werd Kilhwch voor den Koning gebracht en hij zeide wie hij was en wat hij wenschte. "Ik vraag die gunst," zeide hij, "van u en ook van uwe krijgers," en hij noemt dan een ontzaglijke lijst op vol mythologische personen en bijzonderheden--Bedwyr, Gwyn ap Nudd, Kai, Manawyddan [237], Geraint en vele anderen, waaronder "Morvran zoon van Tegid, tegen wien niemand vocht in den slag van Camlan om reden van zijn leelijkheid; iedereen dacht dat hij een duivel was," en "Sandde Bryd Angel, dien niemand in den slag van Camlan met een speer aanraakte om zijn schoonheid; iedereen dacht dat hij een dienende engel was." De lijst omvat vele twintigtallen van namen, ook vele vrouwen, zoo, bijv. "Creiddylad de dochter van Lludd met de Zilveren Hand--zij was de prachtigste maagd van de drie Eilanden van de Machtigen en om haar vechten Gwythyr de zoon van Greidawl en Gwyn de zoon van Nudd elken eersten Meidag tot den dag des oordeels," en de twee Isoldes en Arthur's Koningin Gwenhwyvar. "Al dezen riep Kilydd's zoon Kilhwch aan om zijn gunst te verkrijgen."
Maar Arthur had nooit gehoord van Olwen of haar familie. Hij beloofde naar haar te laten zoeken, maar na een jaar konden geen berichten over haar worden ingewonnen en Kilhwch verklaarde dat hij zou vertrekken en Arthur in schande verlaten. Ten slotte krijgen Kai en Bedwyr, met den gids Kynddelig, last aan het zoeken te gaan.
Arthur's dienaren.
Deze personages zijn geheel verschillend van die welke met dezelfde namen worden genoemd bij Malory of Tennyson. Kai, zoo heet het, kon negen dagen onder water blijven. Hij kon zich, wanneer hij wilde, zoo lang maken als een boom in het bosch. Zoo heet was zijn lijf, dat niets dat hij in de hand droeg zelfs in den zwaarsten regen nat kon worden. "Heel slim was Kai." Wat Bedwyr aangaat--de latere Sir Bedivere--van hem wordt verteld, dat niemand hem evenaarde in vlugheid en dat, hoewel eenarmig, hij op het slagveld drie krijgers, welke dan ook, stond; zijn lans maakte een wond voor negen. Behalve de drie gingen nog mee aan het zoeken Gwrhyr, die alle talen kende, en Gwalchmai, zoon van Arthur's zuster Gwyar, en Menw, die, door tooverkunsten, het geheele gezelschap onzichtbaar kon maken.
Custennin.
Het gezelschap reisde totdat zij kwamen aan een groot kasteel; er was daar een kudde schapen met een herder die een kettinghond bij zich had zoo groot als een paard. De adem van dezen herder, zoo heet het, kon een boom doen verbranden. "Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan zonder kwaad te doen." Hij ontving het gezelschap echter goed, vertelde dat hij Custennin was, broeder van Yspaddaden wiens kasteel voor hen stond, en bracht hen in zijn huis bij zijn vrouw. De vrouw bleek een zuster te zijn van Kilhwch's moeder Goleuddydd, en zij was blijde haar neef te zien, maar het bedroefde haar dat hij Olwen kwam zoeken, "want niemand kwam daar ooit levend van terug". Het schijnt dat Custennin en zijn gezin veel geleden hebben van Yspaddaden--al hun zonen op eén na waren gedood omdat Yspaddaden zijn broeder zijn deel van het vaderlijk goed misgunde. Zij verbonden zich derhalve met de helden in hun nasporingen.
Olwen met het Witte Spoor.
Den volgenden dag kwam Olwen naar het huis van den herder, zooals gewoonlijk, want zij placht daar elken Zaterdag haar haren te wasschen, en telkens wanneer zij dat deed liet zij al haar ringen in de kom achter en liet ze nooit weer halen. Zij wordt beschreven in een van die schilderachtige passages, waarin de Keltische passie voor schoonheid zoo keurig uiting heeft gevonden.
"De maagd was gekleed in een gewaad van vlam-kleurige zijde en om haar hals was een ketting van rood goud met kostbare smaragden en robijnen er op. Haar hoofd was geler dan de bloem van de brem en haar huid blanker dan het schuim van den golf, en blanker waren haar handen en vingers dan de bloesems van de bosch-anemoon te midden van het schuim van de weide-bron. Het oog van den afgerichten havik, de blik van den valk na driemaal ruiën was niet helderder dan de hare. Haar boezem was sneeuwiger dan de borst van den zwaan, haar wang rooder dan de roodste rozen. Wie haar aanschouwde blaakte van liefde voor haar. Vier witte klavers bloeiden op waar zij ook haar voet neer zette. En daarom werd zij Olwen [238] genoemd".
Kilhwch en zij onderhielden zich samen en beminden elkaar en zij heette hem haar van haar vader te vragen en hem niets te weigeren van hetgeen hij zou vorderen. Zij had haar woord gegeven niet tegen zijn zin te trouwen, want zijn leven zou slechts duren totdat zij was getrouwd.
Yspaddaden.
Den volgenden dag ging het gezelschap naar het kasteel en zag Yspaddaden. Hij scheepte hen af met verschillende uitvluchten en toen zij heen gingen slingerde hij hun een giftigen pijl achterna. Bedwyr ving dien op en wierp dien terug, hem in de knie wondend en Yspaddaden verwenschte hem in buitengewoon krachtige taal; de woorden schenen te knetteren en te sissen als vlammen. Dit geschiedde drie malen en ten laatste deelde Yspaddaden mee wat er moest worden gedaan om Olwen te krijgen.
Wat Kilhwch werd opgelegd.
Dat was zeer veel. Een groote heuvel moet worden beploegd, bezaaid en gemaaid in eén dag; alleen Amathaon zoon van Don kan dat en hij wil niet. Govannon, de smid, moet het ploegijzer bij elk braakland reinigen en hij wil dat niet doen. De twee bruine ossen van Gwlwlyd moeten den ploeg trekken en hij wil ze niet leenen. Honing negen maal zoeter dan die van de bij moet er zijn om mede te maken voor het bruiloftsmaal. Een tooverketel, een toovermand waaruit elke spijs komt die men begeert, een tooverhoorn, het zwaard van den reus Gwrnach--dat alles moet worden verkregen; en vele andere geheime en moeilijke dingen, zoowat veertig in het geheel, voordat Kilhwch Olwen de zijne kan noemen. Het moeilijkst is de kam en schaar te krijgen tusschen de ooren van Twrch Trwyth, een koning die in een monsterachtig everzwijn is veranderd. Om het zwijn te jagen moeten een aantal andere dingen worden volbracht--het welp van Geid zoon van Eri moet worden gepakt en een zekere leeren riem om hem vast te houden en een zekeren halsring voor den riem en een ketting voor den ring, en Mabron zoon van Modron moet jager zijn en het paard van Gweddw moet Mabon dragen, en Gwynn zoon van Nudd moet helpen, "dien God stelde over het duivelengebroed in Annwn.... hij zal hun nooit afgestaan worden", enz., zoodat de beroemde _eric_ (boete) van de zonen van Turenn in vergelijking daarmede onbeteekend lijkt. "Moeilijkheden zult gij ondervinden, en slapelooze nachten kennen bij het zoeken hiervan (de prijs van de bruid) en als gij dien niet krijgt, zult gij ook mijn dochter niet hebben". Kilhwch heeft slechts eén antwoord voor elken eisch. "Het zal mij gemakkelijk vallen dit tot stand te brengen, hoewel ge misschien denkt dat het niet gemakkelijk zal zijn. En ik zal uw dochter krijgen en gij zult uw leven verliezen".
Zij gaan dus op weg om het werk te volbrengen en op hun weg naar huis ontmoeten zij Gwrnach den Reus, wiens zwaard Kai, voorgevend een zwaard-polijster te zijn, door een list vermeestert. Weer aan Arthur's slot gekomen, vertellen zij den Koning wat zij te doen hebben en hij belooft hun zijn hulp. Het eerste wonder dat zij verrichtten was het ontdekken en bevrijden van Mabon zoon van Modron, "die zijn moeder werd afgenomen, toen hij drie nachten oud was, en men weet niet waar hij nu is, en of hij levend of dood is." Gwrhyr doet onderzoek naar hem bij den Zwarten Lijster van Cilgwri, die zoo oud is, dat een smid's aambeeld, waaraan hij gewoon was te pikken, tot de grootte van een noot is afgesleten; maar hij heeft nooit van Mabon gehoord. Hij brengt hen echter naar een nog ouder dier, het Hert van Redynvre, en zoo verder naar den Uil van Cwm Cawlwyd en den Arend van Gwern Abwy, en den Zalm van Llyn Llyd, het oudste van de levende dingen, en zij vinden ten slotte Mabon gevangen in den steenen kerker van Gloucester en, met de hulp van Arthur, verlossen zij hem en zoo is dan de tweede taak vervuld. Op de een of andere manier, door list, dapperheid, of tooverkunst wordt elk feit volbracht, tot het laatste en gevaarlijkste, het verkrijgen van "het bloed der zwarte heks Orddu, dochter van de witte heks Orwen, van Penn Nart Govid, aan de grenzen der Hel." Het gevecht daar gelijkt zeer op dat van Finn in het hol van Keshcorran, maar Arthur klooft ten slotte de heks in tweeën en Kaw van Noord-Brittannië neemt haar bloed.
Zij maakten zich nu weer op naar het kasteel van Yspaddaden en hij erkent zijn nederlaag. Goreu zoon van Custennin snijdt hem het hoofd af en dien nacht werd Olwen de gelukkige vrouw van Kilhwch, en de mannen van Arthur gingen uiteen, ieder naar zijn eigen land.
De droom van Rhonabwy.
Rhonabwy was een ruiter onder Madawc zoon van Maredudd, wiens broeder Iorwerth in opstand tegen hem kwam; en Rhonabwy ging met de troepen van Madawc om hem te onderwerpen. Zich met een paar makkers in een kleine hut begevend om er den nacht door te brengen, legt hij zich ter ruste op een geel kalfsvel bij het vuur, terwijl zijn vrienden liggen op smerige legers van stroo en twijgen. Op het kalfsvel heeft hij een wonderlijken droom. Hij ziet voor zich het hof en het kamp van Arthur--hier de _quasi_-historische koning, niet de legendaire godheid van het vorig verhaal, noch de Arthur van de Fransche ridderverhalen--als hij zich begeeft naar den berg Badon voor zijn groot gevecht met de heidenen. Zekere Iddawc voert hem naar den Koning die lacht om Rhonabwy en zijn vrienden en vraagt: "Waar, Iddawc, vondt gij deze kleine mannen?" "Ik vond hen daar ginder op den weg." "Ik vind het jammer," zeide Arthur, "dat mannen van zulke gestalte over het eiland heerschen, na de mannen die het vroeger bezaten." De aandacht van Rhonabwy wordt gevestigd op een steen in den ring des Konings. "Een van de eigenschappen van dien steen is, dat hij u in staat stelt u te herinneren wat gij hier heden nacht ziet; hadt gij den steen niet gezien, gij zoudt niet in staat zijn geweest u iets daarvan te herinneren."
De verschillende helden en metgezellen, die Arthur's leger vormen, worden uitvoerig beschreven met al de kleurigheid en fijnheid van details die den Keltischen verteller zoo lief zijn. De voornaamste gebeurtenis die verteld wordt, is een schaakpartij van Arthur met den ridder Owain zoon van Urien. Terwijl de partij aan den gang is, plagen en storen de ridders van Arthur Owein's raven, maar, als Owein zich beklaagt, zegt Arthur alleen: "Speel uw spel." Later winnen de raven het en is het Owein's beurt Arthur te verzoeken op zijn spel te letten. Toen nam Arthur de gouden schaakstukken en verpletterde die tot stof in zijn hand en verzocht Owen zijn raven tot rust te brengen, hetgeen geschiedde, en vrede heerschte weer. Rhonabwy, zoo heet het, sliep drie dagen en nachten op het kalfsvel, voordat hij uit zijn wonderlijken droom ontwaakte. In een epiloog wordt gezegd, dat van geen bard wordt verwacht dat hij dit verhaal uit het hoofd kent en zonder boek, "om de verschillende kleuren op de paarden, en de vele wonderlijke kleuren van de wapens en van de wapenrustingen, en van de kostbare sjerpen, en van de kracht-brengende steenen." De "Droom van Rhonabwy" is veeleer een schitterende visioen uit het verleden dan een verhaal in den gewonen zin van het woord.
De Vrouw van de Bron.
Wij hebben hier een reproductie in de taal van Wales van den _Conte_, getiteld "Le Chevalier au lion" van Chrestien de Troyes. De hoofdpersoon daarin is Owain zoon van Urien, die optreedt in een karakter, den geest van de Keltische legende even vreemd als algemeen op het vasteland voorkomend: dat van dolend ridder.
Kymon's avontuur.
In de inleiding wordt ons verteld dat Kymon, een ridder aan Arthur's Hof, een vreemd en ongelukkig avontuur had. Uit rijden gaande om een of andere ridderlijke daad te doen, kwam hij aan een prachtig kasteel, waar hij gastvrij werd ontvangen door vierentwintig joffers, van wie "de minst bekoorlijke bekoorlijker was dan Gwenhwyvar, de vrouw van Arthur, wanneer zij er op haar bekoorlijkst uitzag bij de Offerande op den Dag van de Geboorte, of bij het Paasch-feest". Bij hen was een edelman, die, nadat Kymon had gegeten, vroeg wat hij wenschte. Kymon vertelde dat hij zijn portuur zocht in het vechten. De heer van het kasteel glimlachte en heette hem als volgt te doen: hij moest den weg naar het dal inslaan en door het bosch gaan, tot dat hij kwam aan een open ruimte met een hoogte in het midden. Op de hoogte zou hij een zwarten man zien van een geweldige gestalte, met éen oog en éen voet, die een groote ijzeren knots droeg. Hij was de boschwachter en duizende wilde dieren, herten, slangen en al wat meer zouden om hem aan het eten zijn. Hij zou Kymon wijzen wat hij zocht.
Kymon volgde den raad en de zwarte man wees hem een weg, die hem zou voeren naar een bron onder een hoogen boom; daarnaast zou hij vinden een zilveren kom op een marmeren plaat, Kymon moest de kom nemen en die vol water op de plaat uitstorten, dan zou een hagel- en donderbui volgen, daarna zou zich heerlijke muziek van zangvogels doen hooren, en dan zou een ridder verschijnen in een zwarte wapenrusting, op een koolzwart paard, met een zwarte wiek op zijn lans. "En als dat avontuur u niet veel te stellen geeft, dan behoeft gij verder in uw leven niet meer te zoeken".
Het karakter van de vertellingen van Wales.
Laat ons hier even stil staan, om er op te wijzen dat we klaarblijkelijk zijn in de sfeer van de middeneeuwsche vertelling en ver van die der Keltische mythologie. Misschien heeft het Keltische "Land der Jeugd" in de verte die gebieden van schoonheid en mysterie aan de hand gedaan, waarin de ridder van Arthur zich begeeft een avontuur zoekend. Maar het landschap, de motieven, de gebeurtenissen, zijn ten eenenmale verschillend. En hoe schoon zijn zij--hoe gedrenkt in het tooverlicht der verdichting! De kleuren leven en gloeien, het bosch ruischt ons in de ooren, de adem van dien lentetijd van onze moderne wereld omgeeft ons, terwijl wij den eenzamen ruiter volgen langs het grazige spoor in een onbekende wereld van gevaar en heerlijkheid. Terwijl de verhalen van het vasteland in sommige opzichten grooter zijn dan die uit Wales, rijker aan gedachten, dieper, halen zij niet daarbij in de fijne artisticiteit waarmede het uiterlijk voorkomen der dingen wordt weergegeven, de toover-atmosfeer volgehouden en de lezer in steeds toenemende spanning stap voor stap wordt geleid bij de ontwikkeling van het verhaal. Ook staan deze verhalen uit Wales geen jota achter wat betreft den edelen en ridderlijken geest dien zij ademen. Een mooier school van karakter en zeden is nauwelijks in de literatuur te vinden. Hoe vreemd dat gedurende vele eeuwen deze onvergelijkelijke schat in ons midden onopgemerkt bleef! En hoe groot moet onze dankbaarheid zijn aan de ongenoemde barden wier brein dien schiep, en aan de fijne hand die het eerst hem tot een bezit maakte voor de gansche Engelsch sprekende wereld!
Nederlaag van Kymon.
Maar keeren wij tot ons verhaal terug. Kymon deed zooals hem gezegd was, de Zwarte Ridder verscheen, zwijgend zetten zij hun lansen in positie en vielen zij elkander aan. Kymon werd op den grond geworpen, terwijl zijn vijand, zonder een blik op hem, de schacht van zijn lans door den teugel van Kymon's paard haalde en daarmee wegreed in de richting waarvan hij gekomen was. Kymon ging te voet naar het kasteel terug, waar niemand hem vroeg hoe het hem was gegaan, maar zij gaven hem een ander paard, "een donkerbruine telganger, met neusgaten rood als vuur", waarop hij naar Caerleon terug reed.
Owain en de Zwarte Ridder.