Chapter 3
"Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Druïden) worden onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een mondgesprek te begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij mogen geen rechtsgeding aanhangig maken; en geen enkele betrekking wordt hun toevertrouwd. De Druïden zijn meestal vrij van militairen dienst en dragen niet, zooals de anderen, in de belasting bij... Door dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen beweging in hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen uit het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd die dingen (de leerstellingen der Druïden) op schrift te brengen, hoewel zij in bijna alle openbare handelingen en private mededeelingen de Grieksche letterteekens gebruiken."
De Galliërs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers lastig met hun ijdel gesnap [22], zij kwamen gemakkelijk onder den invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op afwisseling en besluiteloos bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van iederen kunstgreep, dien zij konden aanwenden en volgden alles na, wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren der nieuwerwetsche belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt met grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting, ten minste voor een groot deel, toe aan hun innig geloof in de onsterfelijkheid der ziel [23]. Een volk, dat in vroeger dagen herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en meer dan eens zelfs Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige bewondering van zijn vijanden, maar één episode bij het beleg van Avaricum dwingt hem er toe, de dapperheid der verdedigers aan de onsterfelijkheid over te geven. Een Romeinsche houten stellage of _agger_ was door de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van den stormram. De Galliërs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was nu van het hoogste gewicht, de belegeraars te beletten de vlammen te blusschen, en een Galliër klom op een gedeelte van den muur boven den _agger_ en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van zijn makker. Ook hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een vierde; en die post werd niet verlaten voordat de soldaten ten slotte de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de stad terug te keeren, die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen.
Strabo over de Kelten.
De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24 n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land (in dit geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken, gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend, zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk--zonder twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland--en dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren, die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe, dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid--wat in sommige opzichten de goddelijkheid insluit--van het stoffelijk heelal.
De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix, toen zijn heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen als een kinderachtige pralerij toescheen [24]. Toen hij zag, dat de zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen--hetzij zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome, waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.
Polybius.
Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt door Polybius beschreven. De Gaesaten [25], zoo verhaalt hij, die aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden schitterden, die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij "ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit aan de wetten der rede onderwierpen." Zooals men kan verwachten, was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek.
Diodorus.
Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de welopgevoede Galliërs gebezigd: "Zij zijn geen praatziek volk, en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet raden." Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen God en mensch--niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder zijn bijstand.
Ammianus Marcellinus.
Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.
Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in zijn uiterlijk--niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden, de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote, sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev, Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea, die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar voren treden.
Rice Holmes over de Galliërs.
Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes "Caesars Verovering van Gallië" moge hier een plaats vinden als een uitnemend overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling, en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche beschaving bekend is:
"De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen; en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote, blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen, vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier, waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting, hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd, waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm, maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien, trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd; en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië, van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen." [26]
Zwakheid der Keltische politiek.
Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was.
De classieke staat.
Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de _res publica_, als een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen, om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers, zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van de groote Broeders der aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld, aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang, zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.
Teutoonsche trouw.
Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin en, daarmede vereenigd--ja zelfs dien dikwijls overheerschend--den voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden met den naam van _Treue_, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder, die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie, een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen als bron van heldhaftige zelfopoffering.
De godsdienst der Kelten.
Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide, daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst--dat is godsdienst, in dogma's vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden [27], waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken, alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters, welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang, en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn, zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme, een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag, die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling.
De vervloeking van Tara.
Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval [28] in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land, waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning, die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen, vastten tegenover den koning [29], en vervloekten hem en den zetel van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver, dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had.
"Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde boom, waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts één slag toebracht, en dien daarbij velde [30]."
De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen kroniekschrijver geboekstaafd [31].
"Helaas," zeide hij, "wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van Ierland en naar moord en doodslag."
Maar Ruadan zeide: "Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;" en het ontzag voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen, zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen:
"Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt."
Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis der Keltische volken kunnen volgen gedurende een reeks van hachelijke gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.
Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.