Chapter 29
De Koning van Ierland en zijn edelen gaan onmiddellijk samen te rade, hoe zij dit gevaar zullen afwenden en zie hier wat zij besloten: Een groote zaal zou worden gebouwd, groot genoeg om Bran te bevatten--dit zou, zoo hoopte men, hem doen bedaren--daar zou een groot feestmaal voor hem en zijn mannen worden aangerecht en Matholwch zou hem het koninkrijk Ierland afstaan en hem huldigen. Dit alles geschiedde op raad van Branwen. Maar de Ieren bedachten er iets listigs bij. Aan elke twee haken van elk der honderd pijlers in de zaal zouden twee leeren zakken worden gehangen, elk met een gewapend krijgsman er in gereed de gasten aan te vallen wanneer het oogenblik zou zijn gekomen.
De meelzakken.
Evnissyen echter dwaalde door de zaal vóór de overige gasten en de toebereidselen tot het maal "met woeste blikken" bekijkend, zag hij de zakken die van de pylers afhingen. "Wat is er in dien zak?" vroeg hij aan een der Ieren. "Meel, goede heer", zeide de Ier. Evnissyen legde zijn hand op den zak en tastte met zijn vingers totdat hij kwam aan het hoofd van den man die er in was. Toen "drukte hij het hoofd plat totdat hij voelde dat zijn vingers door de beenderen in de hersens samen kwamen". Hij ging naar den volgenden zak en deed dezelfde vraag. "Meel", zeide de Iersche dienaar, maar Evnissyen verpletterde ook het hoofd van dezen krijgsman en zoo deed hij met al de tweehonderd zakken. Zelfs met een krijgsman wiens hoofd was bedekt met een ijzeren helm.
Toen begon het feestmaal en er heerschte vrede en eendracht en Matholwch legde de oppermacht over Ierland neer, die werd overgedragen op den knaap Gwern. En allen liefkoosden het mooie kind, totdat hij bij Evnissyen kwam, die hem eensklaps greep en in het brandend haardvuur wierp. Branwen had hem willen naspringen, maar Bran hield haar tegen. En toen wapende men zich vlug en er was rumoer en geschreeuw en de Iersche en Britsche krijgers werden handgemeen en vochten tot dat het nacht werd.
Dood van Evnissyen.
Maar 's nachts maakten de Ieren den tooverketel warm en wierpen daarin de lijken van hun dooden, die er den volgenden dag weer gezond uit kwamen, maar stom. Toen Evnissyen dat zag, werd hij door wroeging aangegrepen, omdat hij de mannen van Brittannië in zulk een benarden toestand had gebracht. "Wee mij zoo ik geen uitweg vind". En hij verborg zich onder de Iersche dooden en werd met de overigen in den ketel geworpen aan het eind van den tweeden dag en hij rekte zich zoo uit dat hij den ketel in vier stukken scheurde, en zijn eigen hart barstte van de inspanning en hij stierf.
Het wonderlijke hoofd.
Ten slotte werden al de Ieren gedood en al de Britten op zeven na, behalve Bran, die door een giftigen pijl aan den voet werd gewond. Tot de zeven behoorden Pryderi en Manawyddan. Toen beval Bran hen zijn hoofd af te snijden: "En neem het met u", zeide hij, "naar Londen en begraaf het daar in den Witten Berg [232], die naar Frankrijk is gekeerd, en zoolang het daar is zal geen vreemdeling in het land vallen. Op de reis zal het Hoofd met u spreken en even prettig gezelschap zijn als ooit in leven. Te Harlech zult gij zeven jaar feest vieren en de vogelen van Rhiannon zullen voor u zingen. En te Gwales in Penvro zult ge tachtig jaren feest vieren en het Hoofd zal tot u spreken en in goeden staat zijn totdat ge de deur open doet die naar Cornwallis is gekeerd. Daarna moogt ge niet langer toeven, en moet ge naar Londen reizen en het Hoofd begraven."
Toen sneden de zeven Bran's hoofd af en vertrokken met Branwen, om zijn bevel op te volgen. Maar toen Branwen te Aber Alaw landde, riep zij: "Wee mij dat ik ooit werd geboren; twee eilanden zijn om mij verwoest." En zij gaf een diepe zucht en haar hart brak. Zij maakten een vierhoekig graf voor haar aan de oevers van de Alaw en de plek werd _Ynys Branwen_ genoemd tot op dezen dag [233].
De zeven bevonden, dat tijdens Bran's afwezigheid Cawallan, zoon van Beli, Brittannië had veroverd en de zes kapiteins van Caradawc gedood. Door tooverkunst had hij over Caradawc den Sluier der Begoocheling geworpen en Caradawc zag alleen het zwaard, dat steeds doodde, maar niet hem die het voerde, en zijn hart brak van droefheid bij dien aanblik.
Zij gingen toen naar Harlech en bleven daar zeven jaren luisterend naar het gezang van Rhiannon's vogelen--"al de zangen die zij ooit hadden gehoord, waren in vergelijking daarmee onaangenaam." Toen gingen zij naar Gwales in Penvro en vonden een mooie en ruime zaal, met het uitzicht op zee. Toen zij die binnentraden vergaten zij al het verdriet van het verleden en al wat hun wedervaren was en zij bleven daar tachtig jaren in vreugde en pret, terwijl het wonderlijke Hoofd met hen sprak alsof het leefde. En barden noemen dit "het Onthaal van het Edele Hoofd." Er waren drie deuren in de zaal en een er van die naar Cornwallis en Aber Henvelyn was gekeerd, was gesloten, maar de twee andere waren open. Toen de tijd was verstreken, zeide Heilyn, zoon van Gwyn:
"Wee mij, als ik niet de deur open om te zien of waar is wat gezegd werd." En hij opende de deur en onmiddellijk overvielen hun herinnering en verdriet en zij vertrokken dadelijk naar Londen en begroeven het Hoofd in den Witten Berg, waar het bleef totdat Arthur het opgroef, want hij wilde dat het land alleen door den sterken arm zou worden verdedigd. En dit was "de Derde Noodlottige Onthulling" in Brittannië.
Aldus besluit dit woeste verhaal, blijkbaar vol mythologische elementen, waartoe de sleutel lang verloren is geraakt. De trekken van Noorsche wreedheid die er in voorkomen hebben sommige critici doen vermoeden dat het zijn tegenwoordigen vorm kreeg onder den invloed van de Noorsche of IJslandsche literatuur. Het karakter van Evnissyen kan ongetwijfeld steun geven aan deze gissing. De typische kwaadstoker komt natuurlijk in zuiver Keltische sagen voor, maar gewoonlijk niet met den heldhaftigen trek die bij Evnissyen's einde uitkomt, ook bereikt de Iersche "giftige tong" lang niet denzelfden graad van demonische boosaardigheid.
Het verhaal van Pryderi en Manawyddan.
Na de gebeurtenissen in de vorige verhalen trokken Pryderi en Manawyddan zich terug in het gebied van eerstgenoemde en Manawyddan nam tot vrouw Rhiannon, de moeder van zijn vriend. Daar leefden zij gelukkig en voorspoedig totdat op zekeren dag toen zij waren op den Gorsedd, of Hoogte, bij Narberth, een donderslag werd gehoord en er viel een dikke mist zoodat niets in de ronde kon worden gezien. Toen de mist optrok, ziet, toen lag het land kaal voor hen--geen huizen en menschen, vee en oogst was te zien, alles was verlaten en onbewoond. Het paleis van Narberth stond er nog, maar ledig en verlaten--niemand was overgebleven dan Pryderi en Manawyddan en hun vrouwen Kicva en Rhiannon.
Zij leefden twee jaren van de voorraden die zij hadden en van de buit die zij doodden en van wilden honing; en toen begonnen zij het moede te worden. "Laat ons naar Lloegyr [234] gaan", zeide toen Manawyddan "en het een of andere werk zoeken om in ons onderhoud te voorzien". En zij gingen naar Hereford en vestigden zich daar, en Manawyddan en Pryderi begonnen zadels en tuigen te maken en Manawyddan versierde die met blauw email, zooals hij dat geleerd had van een groot ambachtsman, Llassar Llaesgywydd. Na eenigen tijd echter, toen de andere zadelmakers van Hereford merkten dat niemand ander werk wilde koopen dan dat van Manawyddan, spanden zij samen om hem te dooden. En Pryderi had met hen willen vechten, maar Manawyddan vond het beter ergens anders heen te gaan en aldus geschiedde.
Zij vestigden zich nu in eene andere stad, waar zij schilden maakten, zooals men nooit gezien had, en ook hier werden zij door de concurreerende handwerkslieden verdreven. Hetzelfde geschiedde nog in een andere stad, waar zij schoenen maakten; en ten slotte besloten zij naar Dyfed terug te gaan. Zij hielden hun honden bij zich en leefden als tevoren van de jacht.
Eens joegen zij een wit everzwijn op en zetten het te vergeefs na totdat het hen voerde naar een groot en hoog kasteel, geheel nieuw gebouwd op een plek waar zij nooit te voren een gebouw hadden gezien. Het zwijn liep het kasteel binnen, de honden volgden en, tegen den raad in van Manawyddan, die wist dat er tooverij in het spel was, ging Pryderi naar binnen om de honden te halen.
Hij vond in het midden van het binnenplein een marmeren fontein en daarnaast stond op een marmeren plaat een gouden kom. Getroffen door de rijke bewerking van de kom, pakte hij die op om ze te bekijken; hij kon zijn hand niet wegtrekken en geen enkel geluid voortbrengen, maar bleef daar als aan den grond genageld en stom naast de fontein.
Manawyddan ging terug naar Narberth en vertelde Rhiannon wat er gebeurd was. "Een slecht makker zijt gij geweest", zeide zij, "en een goed makker hebt gij verloren". Den volgenden dag ging zij zelf het kasteel doorzoeken. Zij vond Pryderi nog altijd de kom vasthoudend en niet in staat te spreken. Nu greep ook zij de kom, waarna haar hetzelfde lot trof, en onmiddellijk daarna kwam een donderslag en er viel een dikke mist en toen die optrok was het kasteel verdwenen met al wat het bevatte, met inbegrip van de twee betooverden.
Manawyddan keerde nu terug naar Narberth, waar nu nog alleen Kicva, Pryderi's vrouw, was overgebleven. En toen zij zag dat zij en Manawyddan alleen waren, "was zij zoo bedroefd, dat het haar niet schelen kon of zij leefde of stierf". Toen Manawyddan dat zag, zeide hij tot haar: "Gij doet verkeerd zoo bedroefd te zijn, indien dat uit vrees voor mij is. Ik verzeker u, dat al ware ik in den bloei der jeugd ik den trouw jegens Pryderi zou bewaren en dat zal ik ook jegens u". "De Hemel beloone u", zeide zij, "en ik had dat van u verwacht". En nu vatte zij moed en was blijde.
Kicva en Manawyddan trachtten nu opnieuw zich te onderhouden door in Lloegyr schoenen te maken, maar dezelfde vijandelijkheid dreef hen terug naar Dyfed. Ditmaal echter nam Manawyddan een vracht tarwe mede en hij zaaide die en maakte drie velden gereed voor een tarwe-oogst. Zoo verging de tijd tot de velden rijp waren. En hij keek naar een er van en zeide: "Dat zal ik morgen maaien". Maar toen hij vroeg in den grauwen dagraad kwam, vond hij niets dan stroo--elke aar was van de schacht afgesneden en meegenomen.
Den volgenden dag geschiedde hetzelfde met het tweede veld. Maar den daarop volgenden dag wapende hij zich en hield de wacht bij het derde veld om te zien wie kwam plunderen. Te middernacht toen hij waakte hoorde hij een groot geraas, en ziet, een talrijk heir van muizen kwam het veld overstroomen; elk klom op een schacht en knabbelde aan de aren en ging er mee van door. Boos joeg hij ze weg, maar zij vluchtten veel sneller dan hij kon loopen, alle op eén na, die langzamer in haar bewegingen was; hij slaagde er in die in te halen, bond haar in zijn handschoen, nam ze mee naar Narberth en vertelde Kicva wat er was gebeurd. "Morgen", zeide hij, "zal ik den dief dien ik heb gepakt, ophangen", maar Kicva achtte het beneden zijn waardigheid wraak te nemen op een muis.
Den volgenden dag ging hij naar den Berg van Narberth en stelde op het hoogste punt twee palen op voor een galg. Terwijl hij daarmede bezig was, kwam een arme scholier naar hem toe, en hij was de eerste mensch dien Manawyddan in Dyfed had gezien, zijn eigen makkers uitgezonderd, sedert de betoovering begon.
De scholier vroeg hem wat hij ging doen en verzocht hem de muis los te laten. "Het past een man van uw rang weinig zulk een kruipend dier aan te raken." "Ik zal haar niet los laten, bij den Hemel", zeide Manawyddan en hij bleef daarbij, hoewel de scholier hem een pond bood, om haar vrij te laten. "Het kan mij niet schelen", zeide de scholier; "maar ik zou een man van stand niet gaarne zulk een kruipend dier zien aanraken" en dit zeggende vervolgde hij zijn weg.
Terwijl Manawyddan bezig was den kruisbalk te plaatsen op de twee palen van zijn galg, kwam een priester aanrijden op een getuigd paard en nu volgde hetzelfde gesprek. De priester bood drie pond voor het leven van de muis, maar Manawyddan weigerde er geld voor te nemen. "Het is goed, heer, doe wat gij wilt", zeide de priester, en ook hij ging heen.
Toen deed Manawyddan een strik om den hals van de muis en was op het punt die op te trekken, toen hij een bisschop hem zag naderen met een groot gevolg van vrachtpaarden en dienaren. En hij hield op en vroeg des bisschops zegen. "De zegen des Hemels zij met u", zeide de bisschop; "wat waart gij doende?" "Een dief op te hangen", antwoordde Manawyddan. De bisschop bood zeven pond, "liever dan een man van uw stand een zoo gemeen kruipend dier te zien ombrengen." Manawyddan weigerde. Toen werd hem vierentwintig pond geboden, en toen het dubbele daarvan, toen al de paarden en het reisgoed van den bisschop--alles te vergeefs. "Daar gij het daarvoor niet doen wilt", zeide de bisschop, "zeg dan voor welken prijs gij wilt." "Dat wil ik doen", zeide Manawyddan; "ik wil de vrijheid van Rhiannon en Prideri." "Die zult gij hebben", zeide de (gewaande) bisschop. Daarna vraagt Manawyddan dat de betoovering voor altijd van de zeven Gebieden van Dyfed zal worden weggenomen en hij dringt er ten slotte op aan, dat de bisschop hem zal zeggen wie de muis is en waarom de betoovering over het land was gebracht. "Ik ben Llwyd, zoon van Kilcoed", antwoordde de toovenaar, "en de muis is mijn vrouw; ware zij niet zwanger, gij zoudt haar nooit hebben ingehaald." Hij geeft vervolgens een verklaring die ons terugvoert tot de eerste _Mabinogi_ van de Bruiloft van Rhiannon. Het land was betooverd geworden om het kwaad te wreken Llwyd's vriend, Gwawl zoon van Clud, aangedaan, met wien de vader van Pryderi en zijn ridders "Das in den zak" hadden gespeeld aan het hof van Hevydd Hen. De muizen waren de edelen en de vrouwen van Llwyd's hof.
De toovenaar moet dan verder beloven, dat geen wraak meer zal worden genomen op Pryderi, Rhiannon, of Manawyddan, en toen de twee betooverde gevangenen terug waren gegeven, wordt de muis vrij gelaten. Toen raakte Llwyd die met een tooverstaf aan en zij veranderde in een jonge vrouw "de schoonste die men ooit zag." En rondkijkend zag Manawyddan het geheele land bebouwd en bevolkt als in zijn besten staat, en vol kudden en woningen. "Welke last," vraagt hij, "was Pryderi en Rhiannon opgelegd?" "Pryderi heeft de kloppers van de poort van mijn paleis om zijn nek gehad en Rhiannon de halsbanden van de ezels nadat zij hooi hadden gedragen." En dat was hun last geweest.
Het verhaal van Math zoon van Mathonwy.
Het vorige verhaal was er een van tooverij en vizioenen, waarin het mythologisch element slechts zwak is. Het verhaal echter waartoe we nu komen, voert ons in een kennelijk mythologische sfeer. Het hoofdmotief er van toont ons de Machten van het Licht in strijd met die van de Onderwereld om de gewaardeerde bezittingen van deze laatste; in dit geval een kudde tooverzwijnen. Bij het begin van het verhaal worden wij voorgesteld aan de godheid Math, van wien de bard ons vertelt, dat hij niet kon bestaan tenzij zijn voeten lagen in den schoot van een maagd, behalve wanneer het land door oorlog wordt beroerd [235]. Math wordt gezegd te zijn heer van Gwynedd, terwijl Pryderi heerscht over de een-en-twintig gebieden van het zuiden. Bij Math waren zijn neven Gwydion en Gilvaethwy zonen van Don, die voor hem in het land rechtspraken, terwijl Math lag met de voeten in den schoot van de schoonste maagd van het land en van haar tijd, Goewin dochter van Pebin van Dol Pebin in Arvon.
Gwydion en de zwijnen van Pryderi.
Gilvaethwy werd smoorlijk verliefd op Goewin en vertrouwde het geheim toe aan zijn broeder. Gwydion nam op zich hem te verschaffen wat hij begeerde. Hij ging dus op zekeren dag tot Math en vroeg van hem vergunning zich tot Pryderi te begeven en van hem te vragen als geschenk, voor Math, een kudde zwijnen hem geschonken door Arawn Koning van Annwn. "Het zijn beesten," zeide hij, "zooals men die te voren op dit eiland niet kende... hun vleesch is beter dan dat van ossen." Math heette hem te gaan en hij en Gilvaethwy vertrokken met tien makkers naar Dyfed. Zij gingen naar het paleis van Pryderi als barden vermomd en Gwydion werd, na te zijn onthaald aan een maal, verzocht het hof een verhaal te doen. Na iedereen met zijn voordracht in verrukking te hebben gebracht vroeg hij de zwijnen ten geschenke. Maar Pryderi had zich tegenover zijn volk verbonden ze noch te verkoopen, noch weg te geven voordat zij in het land het dubbel van hun getal hadden voortgebracht. "Maar gij kunt ze toch ruilen," zeide Gwydion, en door tooverkunsten bracht hij in een vizioen twaalf prachtig opgetuigde paarden en twaalf jachthonden en gaf die aan Pryderi en maakte zich zoo gauw hij kon met de zwijnen uit de voeten, "want," zeide hij tot zijn makkers, "het vizioen zal niet langer duren dan van dit uur tot hetzelfde uur morgen."
Wat beoogd was kwam te gebeuren--Pryderi viel in het land om zijn zwijnen terug te krijgen, Math trok gewapend tegen hem op en Gilvaethwy greep de gelegenheid aan en maakte Goewin tot zijn vrouw, hoewel zij onwillig was.
Dood van Pryderi.
De oorlog werd beslist door een tweegevecht tusschen Gwydion en Pryderi. "En door kracht en geweld en door de tooverkunst en bezweringen van Gwydion, kwam Pryderi om. En te Maen Tyriawc, boven Melenryd, werd hij begraven en daar is zijn graf".
De boete van Gwydion en Gilvaethwy.
Toen Math terugkeerde vernam hij wat Gilvaethwy had gedaan en hij nam Goewin tot zijn koningin, maar Gwydion en Gilvaethwy werden vogelvrij verklaard en woonden aan de grenzen van het land. Ten slotte kwamen zij bij Math om hun straf te ondergaan. "Gij kunt mijn schande niet goed maken, daargelaten de dood van Pryderi", zeide hij, "maar nu gij hier gekomen zijt om u aan mijn wil te onderwerpen, zal ik onmiddellijk met uw straf beginnen". En hij veranderde hen in herten, met het bevel over een jaar terug te komen.
Zij kwamen op den bepaalden tijd en brachten een jong hert mee. En het jonge hert werd in menschelijke gedaante gebracht en gedoopt, en Gwydion en Gilvaethwy werden in wilde zwijnen veranderd. Aan het eind van het volgend jaar kwamen zij terug met een jong, waarmede geschiedde zooals te voren met het jonge hert, en van de broeders werden wolven gemaakt. Weer verstreek een jaar; zij kregen hun menschelijken aard terug en Math gaf bevel dat zij zouden worden gewasschen en gezalfd en rijk gekleed zooals het betaamde.
De Kinderen van Arianrod: Dylan.
Nu rees de vraag van de aanstelling van een nieuwe maagd als voet-houdster en Gwydion stelt zijn zuster Anrianrod voor. Zij maakt tot dat doel haar opwachting en Math vraagt haar of zij maagd is. "Ik weet niet anders heer, dan dat ik het ben", zegt zij. Maar zij schoot te kort bij een tooverproef door Math opgelegd en bracht twee zonen ter wereld. Een dezer werd Dylan "Zoon van den Golf" genoemd, blijkbaar een Kimbrische zee-godheid. Onmiddellijk nadat hij was gedoopt "sprong hij in zee en zwom zoo goed als de beste visch.....Onder hem brak nooit een golf". Een wilde poëzie der zee omgeeft zijn naam in legenden uit Wales. Toen hij stierf, men zegt door de hand van zijn oom Govannon, schreiden alle golven van Brittannië en Ierland om hem. Het geraas van den in vallenden vloed bij de monding der rivier Conway wordt nog de "doodszucht van Dylan" genoemd.
Llew Llaw Gyffes.
Het tweede kind werd door Gwydion gegrepen en onder zijn bescherming groot gebracht. Evenals andere zonne-helden, groeide hij zeer snel; toen hij vier jaar telde, was hij zoo groot alsof hij acht was en het bevalligste kind dat men ooit zag. Op zekeren dag nam Gwydion hem mee om zijn moeder Arianrod te bezoeken. Zij haatte de kinderen waardoor het onrechtmatige van haar aanspraken aan het licht was gekomen en maakte Gwydion verwijten, omdat hij het kind voor haar bracht. "Hoe heet hij?", vroeg zij. "Voorwaar", zeide Gwydion, "hij heeft nog geen naam". "Dan leg ik hem dit lot op", zeide Anrianrod, "dat hij nooit een naam zal hebben voordat ik hem dien geef". Waarop Gwydion in gramschap heenging en hij bleef dien nacht in zijn kasteel te Caer Dathyl.
Hoewel het feit uit dit verhaal niet blijkt, moet men in het oog houden, dat Gwydion, in de oudere mythologie, de vader is van Arianrod's kinderen.
Hoe Llew aan zijn naam kwam.
Hij was besloten een naam te krijgen voor zijn zoon. Den volgenden dag ging hij naar het strand beneden Caer Arianrod en nam den jongen mee. Hier zette hij zich in een boot en als meester in de tooverkunst gaf hij zich het uiterlijk van een schoenmaker en den jongen dat van een leerling, en hij begon schoenen te maken uit rietgras en zeewier, dat hij deed lijken op leer uit Cordova. Men berichtte Arianrod van de verwonderlijke schoenen die een vreemde schoenlapper bezig was te maken en zij zond haar maat om een paar te hebben. Gwydion maakte ze te groot. Toen zond zij opnieuw en hij maakte ze te klein. Toen ging ze zelf om te laten passen. Terwijl dit gebeurde, kwam een tuinkoninkje op den mast van de boot zitten en de jongen nam een boog en schoot een pijl af, die den poot doorboorde tusschen spier en been. Arianrod bewonderde het mooie schot. "Voorwaar", sprak zij, "met een vaste hand (_llaw gyffes_) mikte de leeuw (_llew_)". "Geen dank aan u", riep Gwydion, "maar nu heeft hij een naam gekregen. Voortaan zal hij Llew Llaw Gyffes heeten."
Zooals wij zagen beteekent de naam hetzelfde als het Galisch Lugh Lamfada, Lugh (licht) met den Langen Arm; zoodat wij hier een voorbeeld hebben van een legende die groeide om een verkeerd begrepen naam, geërfd van een half vergeten mythologie.
Hoe Llew wapens droeg.
De schoenen werden onmiddellijk weer rietgras en zeewier, en Arianrod, boos omdat zij er was ingeloopen, legde een nieuwen vloek op den jongen. "Hij zal nimmer wapens dragen voor dat ik hem er mee bedeel." Maar Gwydion ging met den jongen naar Caer Arianrod in de gedaante van twee barden en wekte door tooverkunst het vizioen van een aanval van gewapende mannen op het kasteel. Arianrod geeft hun wapens om de verdedigers te helpen en vindt zich dus opnieuw door Gwydion's grootere slimheid bedrogen.
Llew's Bloem-vrouw.
Toen zeide zij: "Hij zal nimmer een vrouw hebben van het ras dat thans de aarde bewoont." Dit deed een moeilijkheid oprijzen die zelfs Gwydion's macht te boven ging en hij begaf zich tot Math, den oppersten meester in de tooverkunst. "Welnu", zeide Math, "wij zullen, gij en ik samen, een vrouw voor hem zien te maken uit bloemen." En zij namen de bloesems van den eik en de bloesems van de brem en de bloesems van de spirea en vormden daaruit een maagd, zoo schoon en bevallig als een man ooit zag. En zij doopten haar en gaven haar den naam "Blodeuwedd of Bloem-gezicht." Zij trouwden haar met Llew en gaven hem het Dinodig-gebied om over te heerschen, en daar woonden Llew en zijn jonge vrouw een seizoen gelukkig en door allen bemind.
Llew verraden.