Chapter 27
Bij gebrek evenwel aan eenige inlichting omtrent den tijd waarin Bleheris schreef, of wat hij precies schreef, moet dunkt mij, de meening stand houden, dat de Arthur-sage, zooals wij die nu hebben, niet uit Wales en zelfs niet alleen uit Bretagne afkomstig is. De ballingen uit Wales, die omstreeks de zesde eeuw een deel van Bretagne koloniseerden, moeten vele verhalen van den historischen Arthur hebben meegebracht. Zij moeten ook hebben meegebracht legenden van de Keltische godheid Artaius, een god voor wien in Frankrijk altaren zijn gevonden. Deze personages gingen ten slotte in elkaar over, evenals in Ierland de christelijke St. Brigit samenviel met de heidensche godin Brigindo [208]. Wij krijgen aldus een mythische figuur, die iets van de goddelijke hoogheid verbindt met een bepaalde woonplaats op aarde en een plaats in de geschiedenis. Aldus onstond een Arthur-sage, die in haar Bretagner vorm (niet in haar Wales-vorm) zeer verrijkt was met materiaal geput uit de legenden van Karel de Groote en zijn pairs, terwijl zij èn in Bretagne èn in Wales een centrum werd, waarom heen zich een massa onzeker legende-materiaal groepeerde, betrekking hebbend op allerlei Keltische personages, menschelijke en goddelijke. Chrestien de Troyes, naar materiaal uit Bretagne werkende, gaf haar ten slotte den vorm waarin zij de wereld veroverde en waarin zij in de twaalfde en dertiende eeuwen werd wat de Faust-legende in later tijden was: het erkend voertuig voor de idealen en de verlangens van een tijdperk.
De sage in Wales.
Uit het vasteland en in het bijzonder uit Bretagne, kwam de geschiedenis van Arthur gewijzigd en verheerlijkt in Wales terug. Wijlen dr. Heinrich Zimmer merkt in een van zijn schitterende studies over het onderwerp op, dat "er in de literatuur van Wales stellige getuigenis is, dat vorst Rhys ap Tewdwr uit Zuid-Wales, die in Bretagne was geweest, van daar in 1070 naar Wales de wetenschap van Arthur's Tafelronde meebracht, waar die natuurlijk tot hiertoe onbekend was" [209] En men weet dat vele edelen uit Bretagne de banier van Willem de Veroveraar naar Engeland volgden [210]. Zij die de sage in Wales invoerden vonden daar echter al een aanzienlijke massa stof over Arthur van een geheel verschillend karakter. Behalve de tradities van den historischen Arthur, den _dux bellorum_ van Nennius, was er de Keltische godheid Artaius. Het is vermoedelijk een herinnering aan die godheid die wij onder den naam Arthur aantreffen in het eenige echte Arthur-verhaal in Wales dat wij bezitten, de geschiedenis van Kilhwch en Olwen in de "Mabinogion." Veel van de Arthur-sage aan Chrestien en andere schrijvers van het vasteland ontleend, werd in Wales vertaald en bewerkt, evenals in andere Europeesche landen, maar feitelijk maakte zij later en geringer indruk in Wales dan bijna overal elders. Zij kwam in botsing met bestaande tradities daar, zoowel historische als mythologische; zij bevatte veel dat den geest daar geheel vreemd was en zij bleef daar altijd iets van een ander land dat niet was geassimileerd. In Ierland drong zij in het geheel niet door.
Natuurlijk maken deze weinige inleidende opmerkingen er geen aanspraak op een bespreking van de Arthur-sage te zijn--een uitgebreid onderwerp met tallooze vertakkingen, historische, mythologische, mystieke en wat niet al--maar beoogen zij alleen de betrekking tusschen die sage en de echte Keltische literatuur aan te wijzen en te verklaren waarom wij daarvan zoo weinig zullen hooren in de volgende mededeelingen over Kimbrische mythen en legenden. Zij was een groote geestelijke mythe die, ontstaan uit de vroeger beschreven bronnen, het geheele vasteland veroverde zooals de held er van werd ondersteld dat met de wapens te hebben gedaan, maar zij kan niet worden beschouwd als een bijzonder bezit van het Keltische ras, ook komt zij niet voor in eenige Keltische taal, tenzij vertaald, of bewerkt.
Galische en Kimbrische legenden.
De mythen en legenden van het Keltische ras, die tot ons zijn gekomen in de taal van Wales zijn in sommige opzichten van een ander karakter dan die welke wij in het Galisch bezitten. Het materiaal van Wales is lang niet zoo rijk, ook niet zoo oud. De verhalen van de "Mabinogion" zijn in hoofdzaak geput uit het veertiend' eeuwsch handschrift. "Het Roode Boek van Hergest." Een er van, het verhaal van Taliesin, kwam uit een andere bron, een manuscript van de zestiende eeuw. De vier oudste verhalen in de "Mabinogion" worden door de geleerden ondersteld hun tegenwoordigen vorm te hebben aangenomen in de tiende of elfde eeuw, terwijl verscheidene Iersche verhalen, zooals de geschiedenis van Etain en Midir of de Dood van Conary, tot de zevende of achtste eeuw teruggaan. Men zal zich herinneren dat de geschiedenis van den inval van Partholan aan Nennius bekend was, die omstreeks het jaar 800 schreef. Zooals daarom te verwachten was, zijn de mythologische elementen in de verhalen uit Wales doorgaans veel verwarder en moeilijker te ontcijferen dan in de vroegere Iersche verhalen. Het mythische is van minder belang, de geschiedenis van meer belang geworden; het is den bard minder er om te doen een gewijden tekst te overleveren dan het hof van een vorst afleiding te bezorgen. Wij moeten ook in het oog houden dat de invloed van de continentale ridderverhalen in de verhalen van Wales duidelijk merkbaar is en hen feitelijk eventueel geheel gaat beheerschen.
Galische en continentale romantiek.
In vele opzichten liep de Iersche Kelt vooruit op de ideeën in die verhalen. De voorname hoofschheid die vijanden elkander betoonden [211], de zonderlinge trots die een krijgsman verbood partij te trekken van den hulpeloozen toestand van een gewond tegenstander [212], de overdreven vormelijkheid waarmede de plichten of voorschriften behoorende bij ieders kaste of stand werden in acht genomen [213]--deze geheele sfeer van gedachten en gevoelens die ons zoo vreemd zou voorkomen, indien wij een voorbeeld er van aantroffen in de klassieke literatuur, zou zeer gewoon en natuurlijk lijken in continentale verhalen van de twaalfde en latere eeuwen. Eeuwen vroeger was die een kenmerkende trek in de Galische literatuur. Toch ontbreekt in de Iersche verhalen, hetzij Ultoniaansche of Ossian'sche, dat element, dat sedert dien als het meest belangrijke motief in een romantisch verhaal werd beschouwd, zoo goed als geheel. Dat is het element der liefde, of liever der vrouwenvereering. De continentale verteller begreep dat hij niets vermocht zonder dit motief van handeling. Maar de "beminde" van den Engelschen, Franschen, of Duitschen ridder, wier kleuren hij droeg, om wier gunst hij ongekende ontberingen en gevaren verduurde, komt niet voor in de Galische literatuur. Het zou den Ierschen Kelt ongerijmd hebben toegeschenen, de intrige van een ernstig verhaal te laten draaien om de soort van hartstocht, die de middeneeuwsche Dulcinea haar trouwen ridder wist in te boezemen. In de twee beroemdste en populairste Galische verhalen van minne, dat van Deirdre, en "De Vervolging van Dermot en Grania," zijn het de vrouwen die de mannen trachten te winnen en de mannen gaan zeer ongaarne er toe over te begaan wat zij weten te zijn: de dwaasheid hun toe te geven. Deze romantische ridderlijke soort van liefde nu, die de vrouw tot een godin idealiseerde en den dienst zijner dame voor den ridder tot een heiligen plicht maakte, is, hoewel zij in Wales nimmer zoo in aanzien kwam als in continentale en Engelsche verhalen, toch daar duidelijk waarneembaar. Wij kunnen die vervolgen in "Kilhwch en Olwen," betrekkelijk een oud verhaal. Zij komt duidelijk uit in latere verhalen, als "Peredur" en "De Vrouw van de Bron." Het is een teeken in welke mate de literatuur van Wales, vergeleken bij de Iersche, haar zuiver Keltischen geest had verloren en vreemde invloeden had ondergaan--ik zeg natuurlijk niet tot haar schade.
Galische en Kimbrische mythologie: Nudd.
De oudste verhalen van Wales, die welke geheeten zijn "De vier takken van de Mabinogi" [214] zijn het rijkst aan mythologische elementen, maar deze komen in meer of min herkenbaren vorm voor in bijna alle middeneeuwsche verhalen, en zelfs, na vele veranderingen, bij Malory. Wij kunnen duidelijk zekere mythologische figuren onderscheiden, aan alle Keltische geschriften gemeen. Zoo vinden wij bijv. een personage genaamd Nudd of Lludd, blijkbaar een zonnegodheid. Een tempel stammend uit Romeinsche tijden en hem toegewijd onder den naam van Nodens, is ontdekt te Lydney, aan de Severn. Op een bronzen bord, dicht bij de plek gevonden, is een voorstelling van den god. Hij is omgeven door een stralenkrans en vergezeld door vliegende geesten en door Tritons. Dat doet ons denken aan de Danaansche godheden en hun nauwe betrekking tot de zee; en wanneer wij vinden dat in legenden van Wales een epitheton met Nudd is verbonden, beteekenend "met de zilveren hand" (hoewel geen bestaande legende van Wales de beteekenis van dat epitheton vertelt), valt het ons niet moeilijk dezen Nudd een te verklaren met Nuada met de zilveren hand, die de Dananen aanvoerde in den slag van Moytura [215]. Onder zijn naam Lludd had hij, zegt men, een tempel op de plaats van St. Paul te Londen, waarvan de ingang, volgens Geoffrey van Monmouth, in de taal van Bretagne _Parth Lludd_ werd geheeten, wat de Saksers vertaalden met _Ludes Geat_, ons tegenwoordig Ludgate.
Llyr en Manawyddan.
Zoo kunnen wij, wanneer wij een mythologische persoon aantreffen Llyr geheeten, met een zoon genaamd Manawyddan, die een voorname rol speelt in legenden van Wales, hen veilig in verband brengen met den Ierschen Lir en zijn zoon Mananan, goden van de zee. Llyr-cester, nu Leicester, was een centrum van den eeredienst van Llyr.
Llew Llaw Gyffes.
Ten slotte kunnen wij wijzen op een figuur in de "Mabinogi" (in de vertelling getiteld "Math zoon van Mathowny"). De naam er van wordt gegeven als Llew Llaw Gyffes, wat de verteller uit Wales vertolkt met "De leeuw met de vaste hand," en een verhaal, dat hier later volgt, wordt gedaan om den naam te verklaren. Maar wanneer wij zien dat deze held eigenschappen vertoont die er op wijzen dat hij een zonnegodheid is, zoo bijv. een verbazend snelle groei van kind tot man, en wanneer wij bovendien van professor Rhys vernemen dat Gyffes oorspronkelijk beteekende, niet "vast" of "zeker," maar "lang" [216], dan wordt het duidelijk, dat wij hier een flauwe en afgebroken herinnering hebben aan de godheid die de Galen noemden Lugh met den langen arm [217], _Lugh Lamh Fada_. De verkeerd begrepen naam bleef leven en om het misverstand zette zich legendaire stof, die bij het volk rond ging, tot een nieuw verhaal vast.
Men zou deze overeenstemmingen nog verder in bijzonderheden kunnen aantoonen. Hier kunnen wij volstaan met er op te wijzen als bewijs voor den gemeenschappelijken oorsprong van de Galische en Kimbrische mythologie [218]. In beide literaturen hebben wij denzelfden kring van mythologische ideeën. Maar in Wales zijn die moeilijker te onderscheiden; de figuren en hun bloedverwantschap in den Olympus van Wales zijn minder nauwkeurig omschreven, wisselender. Het is alsof een aantal verschillende stammen, wat oorspronkelijk dezelfde concepties waren, onder verschillende namen belichaamden en verschillende legenden er om heen weefden. De bardenliteratuur, zooals wij die nu kennen, getuigt nu eens van het op den voorgrond treden van een, dan eens van een ander dezer stam-vereeringen. Eenheid te brengen in deze wisselende voorstellingen is ten eenenmale onmogelijk; toch kunnen we iets doen om den lezer een draad te geven in het doolhof.
De geslachten van Don en van Llyr.
Twee groote goddelijke geslachten of familiën kunnen worden onderscheiden--dat van Don, een moeder-godin (vertegenwoordigend de Galische Dana), wier echtgenoot is Beli, de Iersche Bilé, god van den Dood, en wier afstammelingen zijn de Kinderen van het Licht; en dat van Llyr, de Galische Lir, die hier vertegenwoordigt, niet een Danaansche godheid, maar iets meer overeenkomend met de Iersche Fomoriërs. Evenals in het geval van de Iersche mythe, zijn de twee familiën door onderling huwelijk verbonden--Penardun, een dochter van Don, is gehuwd met Llyr. Don zelf heeft een broeder, Math, wiens naam beteekent rijkdom of schat (verg. het Grieksch Pluton, _plautos_) en zij stammen af van een niet scherp gekarakteriseerde figuur, Mathonwy geheeten.
GODEN VAN HET HUIS VAN DON.
Manogan Mathonwy | | | +-----------------+ | | | Beli --+-- Don Math (Dood, Iersch | (Moeder-Godin (rijkdom, Bilé) | Iersch Dana) vermeerdering) | +---------------+----+--------+----------+-----------+------------+---------+---------+ | | | | | | | | Gwydion --+-- Arianrod Gilvaethwy Amaethon Govannan Nudd Penardun Nynniaw (Wetenschap en | ("Zilverkring", (landbouw) (smeedkunst, of Lludd (m. en Peibaw licht; doodt | Dauwgodin) Iersch Goban) (Hemel-god) Llyr) Pryderi) | | | | +------------+-+---------+ | | | | Gwyn Nwyvre Llew Dylan (Bewaker van het (atmosfeer, Llaw (Zee-god) Schimmenrijk, ruimte) Gyffes in Somerset (Zonne-god, "Avalon" geheeten) de Iersche Lugh)
GODEN VAN HET HUIS VAN LLYR.
Iweriadd --+-- Llyr --+-- Penardun --+-- Euroswydd (=Ierland--i.e., | (Iersch | (Dochter van | westelijk land van | Lir) | Don) | het Schimmenrijk) | | | | | | +-------------+------------------+ | +------+--------+ | | | | | Bran Branwen --+-- Matholwch Manawyddan ---- Rhiannon Nissyen Evnissyen (reuzengod (Minne- | (Koning (Iersch Mananan, van het godin) | van Ierland) god van Schimmenrijk, | de Zee, een minstreel; Gwern toovenaar) later Urien)
Pwyll --+-- Rhiannon (Hoofd van | het Schim- | menrijk) | | Pryderi ---- Kicva (heer van het Schimmenrijk)
Het geslacht van Arthur.
In het pantheon van godheden vertegenwoordigd in de vier oude Mabinogi, kwam in een lateren tijd, uit een andere stambron, een andere groep met Arthur, den god Artaius, aan het hoofd. Hij komt in plaats van Gwydion zoon van Don, en de andere godheden van zijn kring nemen meer of minder precies de plaatsen in van anderen van den vroegeren kring. De hier bijgevoegde genealogische tafels strekken om den lezer te helpen aan een algemeen overzicht van de betrekkingen tusschen deze personages en hun attributen. Men moet evenwel in het oog houden dat deze rangschikkingen in tabellen een schijn van nauwkeurigheid en consequentie geven die niet wordt teruggevonden in het wisselend karakter van de werkelijke mythen als een geheel beschouwd. Als een schetskaart van een zeer lastig en duister gebied kunnen zij echter den lezer, die het voor het eerst betreedt, helpen zijn richting daarin te vinden, en dat is het eenig doel dat zij beoogen.
ARTHUR EN ZIJN MAGEN.
Anlawdd | +-------------+--------------+-----------+ | | | Yspaddaden Custennin Kilwyd -+- Goleuddydd | | | Olwen +-----+-+-------+ Kilhwch--Olwen | | | Goreu Erbin Igerna -+- Uther Ben | | (= Bran) Geraint | | +-------+---------------+ | | Arthur Lot --+-- Gwyar (= Gwydion) (= Lludd) | (Gore, een | oorlogsgodin) | +---------------+---+----------------------+ | | | Gwalchmai Medrawt Gwalchaved (Valk van Mei = (= Dylan,later (Valk van den Zomer, Llew Llaw Gyffes, Sir Mordred) later Sir Galahad; later Sir Gawain oorspronkelijk identisch met Gwalchmai)
Gwyn ap Nudd.
De godheid Gwyn ap Nudd geheeten heeft, naar men zegt, evenals Finn in de Galische legende [219], dieper en blijvender indruk op de volksverbeelding in Wales gemaakt dan eenige andere godheid. Machtig krijger en jager, vermeit hij zich in het gekraak van brekende speren, en, evenals Odin, verzamelt hij de zielen van doode helden in zijn donker rijk, want, hoewel hij behoort tot de familie der Licht-goden, is het schimmenrijk zijn bijzonder domein. Het gevecht tusschen hem en Gwythur ap Greidawl (Victor, zoon van den Schroeier) om Creudylad, dochter van Lludd, dat elken Meidag wordt herhaald tot het eind der tijden, beteekent blijkbaar den strijd tusschen winter en zomer om de bebloemde en vruchtbare aarde. "Later," schrijft Squire, "werd hij gehouden voor den Koning van de _Tylwyth Teg_, de feeën van Wales, en zijn naam als zoodanig is nog niet geheel uitgestorven in zijn laatste verblijfplaats, het romantisch dal van Neath.... Hij is de wilde Jager van Wales in het Westen van Engeland en het is zijn jacht, die soms in verlaten oorden des nachts wordt gehoord" [220]. Hij komt voor als een god van oorlog en dood in een prachtig gedicht uit het "Zwarte Boek van Caermarthen," waar hij wordt voorgesteld in gesprek met een prins, Gwyddneu Garanhir geheeten, die zijn bescherming was komen vragen. Ik haal eenige coupletten aan: men vindt het gedicht in zijn geheel in Squire's voortreffelijk boek.
"Ik kom uit veldslag en strijdgewoel Met een schild in de hand; Mijn helm is in twee door de stooten der speren.
"Rond gehoefd is mijn paard, de schrik van den strijd, Fairy [221] is mijn naam, Gwyn de zoon van Nudd, Die Crewrdilad minde, de dochter van Lludd.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Ik ben geweest waar Gwendolen gedood werd, De zoon van Ceidaw, de held van den zang, Waar de raven krijschten boven bloed.
"Ik ben geweest waar Bran vermoord werd, De zoon van Iweridd, wijd beroemd, Waar de raven van het slagveld krijschten.
"Ik ben geweest waar Llacheu gedood werd, De zoon van Arthur, geprezen in zangen, Toen de raven krijschten boven bloed.
"Ik ben geweest waar Mewrig vermoord werd, De zoon van Carreian, met eere bekend, Toen de raven krijschten boven vleesch.
"Ik ben geweest waar Gwallawg vermoord werd, De zoon van Goholeth, aan kundigheid rijk, Die Lloegyr weerstond, den zoon van Lleynawg.
"Ik ben geweest waar Brittanje's strijdscharen verslagen werden, Van oost tot noord: Ik ben het geleide van het graf.
"Ik ben geweest waar Brittanje's strijdscharen verslagen werden, Van oost tot zuid: Ik ben in leven, zij des doods."
Myrddin, of Merlin.
Een godheid genaamd Myrddin neemt in Arthur's mythologischen cyclus de plaats in van den Hemel- en Zonnegod, Nudd. Een van de Triaden van Wales vertelt ons dat Brittannië, vóór dat het bewoond was, _Clas Myrddin_ werd genoemd, Myrddin's gebied. [222] Dat herinnert aan de Iersche gewoonte een geliefkoosde plek een "kooi van de zon" te noemen--Deirdre geeft dien naam aan haar geliefd Schotsch thuis in Glen Etive. Professor Rhys onderstelt dat Myrddin de godheid was, die in het bijzonder werd vereerd te Stonehenge, dat volgens Britsche overlevering, vermeld door Geoffrey van Monmouth, opgericht werd door "Merlin," de toovenaar die de gedaante voorstelt waartoe Myrddin onder Christelijke invloeden was ingekrompen. Wij vernemen dat het verblijf van Merlin was een glazen huis, of een bosch bloeiende meidoorn, of een soort rook of mist in de lucht, of "een gebied noch van ijzer, of staal, of hout, of steen, maar van lucht zonder meer, door een betoovering zoo machtig dat zij nooit kan worden ongedaan gemaakt zoolang de wereld blijft bestaan" [223]. Ten slotte daalde hij neer op het eiland Bardsey, "voorbij het uiterste meest westelijke punt van Carnarvonshire.... hij ging met negen hem volgende barden en nam met zich mee de "Dertien Schatten van Brittannië," die van toen af voor de menschheid verloren waren." Professor Rhys wijst er op dat een Grieksch reiziger Demetrius genaamd, die wordt gezegd Brittannië te hebben bezocht in de eerste eeuw v. Chr., gewaagt van een eiland in het westen, waar "Kronos" werd ondersteld gevangen te zijn gehouden met de hem vergezellende godheden, terwijl Briareus de wacht over hem hield in zijn slaap, "want slaap was de boei voor hem gesmeed." Ongetwijfeld hebben we hier een lezing, gehelleniseerd zooals de gewoonte was van klassieke schrijvers met barbaarsche mythen, van een Britsch verhaal van het afdalen van den Zonnegod in de westelijke zee en zijn gevangenneming daar door de machten der duisternis, met de bezittingen en toovermachten behoorende aan Licht en Leven [224].
Nynniaw en Peibaw.
De twee personages, Nynniaw en Peibaw geheeten, die in de genealogische tabel voorkomen, spelen een zeer kleine rol in de Kimbrische mythologie, maar een verhaal waarin zij optreden, is op zich zelf belangwekkend en heeft een uitmuntende moraal. Zij worden voorgesteld [225] als twee broeders, Koningen van Brittannië, die op een helderen sterrenacht samen wandelen. "Zie welk een mooi uitgestrekt veld ik heb," zeide Nynniaw. "Waar is het?" vroeg Peibaw. "Daar omhoog en zoo ver als je kunt zien," zeide Nynniaw, naar den hemel wijzend. "Maar zie eens naar al mijn vee, dat op jou veld graast," zeide Peibaw. "Waar is dat?" vroeg Nynniaw. "Al de gouden sterren," zeide Peibaw, "met de maan als schaapherder." "Zij zullen niet grazen op mijn veld," riep Nynniaw. "En ik zeg dat zij dat wèl zullen doen," antwoordde Peibaw. "Ik zeg neen." "En ik zeg ja." En zoo ging het door; eerst twistten zij met elkander, toen voerden zij oorlog en legers werden vernield en landen verwoest, totdat ten slotte de broeders in ossen werden veranderd als straf voor hun domheid en twistzucht.
De "Mabinogion."