Chapter 26
In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat het een oud man was, met zijn grijs haar tot eenige bedekking; hij knielde telkens ootmoedig op een breede rots.
"Van Torach [199] ben ik hier gekomen", zeide hij, "en het is daar dat ik werd grootgebracht. Ik was daar kok in het klooster en ik placht het voedsel van de kerk voor mijzelf te verkoopen, zoodat ik ten slotte groote schatten had aan kleeding en koperen vaten en goed gebonden boeken en al wat de mensch begeert. Groot was mijn trots en mijn aanmatiging.
"Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar een heilig man begraven lag, die sprak: "Leg niet het lijk van een zondaar op mij, een heilig vroom persoon!"
Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd. Niet lang daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met zijn buit van het eiland te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land meer zag, hield de boot op een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij zich een man (engel) op een golf zitten. "Waar gaat ge heen?" zeide de man. "Op een prettige reis, ik kijk nu uit", zeide de monnik. "Ge zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is", zeide de man. "Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd, wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere slechte daden. Uw boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij gehoorzaamt, en de vlammen van de hel zullen u bereiken."
Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling, die beloofde hem te gehoorzamen.
"Werp in zee", sprak hij, "al de schatten die in uw boot zijn."
"Het is jammer," zeide de monnik, "dat zij verloren zouden gaan."
"Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien ge daarmee zult helpen."
Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten beker na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar waar zijn boot zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot dat ten slotte de boot tot rust kwam op de rots waar de zwervers hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan hetgeen hem was gelast, stapte hij op een smallen uitstekenden rand, die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk en de rots werd breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. "En geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats."
Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning gebracht, en toen zeide de oude tot hen:
"Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o Maeldun, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood hem niet, maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered, en ook gij mannen zijt die den dood verdient."
Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.
Het eiland met den valk.
Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een grooten valk. "Deze valk," zegt hij, "gelijkt op de valken van Ierland." "Houd hem in het oog," zegt Maeldun, "en zie hoe hij van ons gaat." Hij vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na totdat het avond werd.
De thuiskomst.
Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland; en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met hun prauw strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.
Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten. Een man zeide:
"Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeldun ontmoetten."
"Die Maeldun is verdronken," zeide een ander.
"Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken," zeide een derde.
"Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?" zeide een vierde.
"Dat is niet moeilijk te beantwoorden," zeide hun hoofd. "Hartelijk zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft langen tijd in groote moeilijkheden verkeerd."
Toen sloeg Maeldun met den houten klopper op de deur. "Wie is daar?" vroeg de deurwachter.
"Maeldun is hier," zeide hij.
Zij traden in vrede het huis binnen en hartelijk werden zij verwelkomd en zij werden in nieuwe gewaden gedost. En toen deden zij het verhaal van al de wonderen, die God hun had laten zien, overeenkomstig de woorden van den "heiligen dichter," die zeide, _Haec olim meminisse juvabit_ [200].
Toen ging Maeldun naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het net van de zuil en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich over de wonderen die God aan hen had verricht. En zij vertelden nog eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij hadden gezien te land en te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.
Het verhaal eindigt met de volgende woorden:
"Aed de Blonde (Aed Finn [201]), de voornaamste wijze van Ierland, bewerkte dit verhaal zooals het hier geschreven staat; en hij deed aldus tot genot voor den geest, en voor de menschen in Ierland na hem."
HOOFDSTUK VIII: MYTHEN EN VERHALEN VAN DE KIMBREN.
Barden-philosophie.
In het begin van ons derde hoofdstuk werd gewezen op het ontbreken van eenige wereld-mythe of wijsgeerige verklaring van den oorsprong en de inrichting der dingen in de oudste Keltische literatuur. In de Galische [202] letterkunde is, voor zoover ik weet, niets dat zelfs kan worden geacht de oudste Keltische denkbeelden over dat onderwerp weer te geven. Anders is het met Wales gesteld. Hier bestond gedurende geruimen tijd een kern van leering die beoogde althans een deel te omvatten van die oude Druïden-denkbeelden, die, zooals Caesar ons vertelt, alleen aan de ingewijden werden meegedeeld en nooit neergeschreven. Deze leering wordt voornamelijk gevonden in twee deelen getiteld "Barddas", een compilatie saamgesteld door een bard en geleerde uit Wales, genaamd Llewellyn Sion, van Glamorgan, uit materiaal in zijn bezit, omstreeks het einde der zestiende eeuw en, met een vertaling, uitgegeven door J. A. Williams ap Ithel voor het M.S. Genootschap van Wales. Moderne beoefenaars van het Keltisch spreken vol minachting over de pretensies van werken als deze, eenige werkelijke antieke gedachten in zich te bergen. Zoo schrijft Ivor B. John: "Alle gedachte aan een esoterische barden-leer, vóór-Christelijke mythische wijsbegeerte omvattende, moet ten eenenmale worden op zij gezet". En verder: "De onzin over het onderwerp gesproken is voor een groot deel het gevolg van de oncritische fantasie van pseudo-oudheidkenners van de zestiende tot de achttiende eeuw". [203] Toch was de Orde der barden zeker te eeniger tijd in het bezit van zulk een leer. Die Orde bleef in Wales vrijwel voortdurend bestaan. En hoewel geen critisch denker met eenige zekerheid een theorie over vóór-Christelijke leer zou bouwen op een document uit de zestiende eeuw, lijkt het niet verstandig de mogelijkheid geheel te verwerpen dat sommige fragmenten van antieke wetenschap nog zoo laat zouden zijn blijven hangen in barden-overlevering.
In elk geval is "Barddas" een werk van groot wijsgeerig belang, en zelfs wanneer het niets weergeeft dan een zekere strooming der Kimbrische gedachte in de zestiende eeuw, is het de aandacht van den beoefenaar van Keltische dingen niet onwaardig. Het beweert ook niet zuiver Druïdisch te zijn, want Christelijke personen en episoden uit de Christelijke geschiedenis komen er veel in voor. Maar nu en dan treft ons een gedachtengang, die, wat dan ook, stellig niet Christelijk is, en die getuigt van een zelfstandig wijsgeerig stelsel.
In dit stelsel worden twee primaire wezens aangenomen, God en Cytrawl, die respectievelijk vertegenwoordigen het beginsel van kracht die tot leven voert, en dat van verwoesting die tot het niet leidt. Cythrawl wordt verwezenlijkt in Annwn [204], dat kan worden weergegeven met Afgrond, of Chaos. In den beginne was er niets dan God en Annwn. Organisch leven begon met het Woord--God sprak zijn onuitsprekelijken Naam uit en de "Manred werd gevormd." De "Manred" was de allereerste stof van het heelal. Zij wordt voorgesteld als een menigte kleine ondeelbare deeltjes--feitelijk atomen--waarvan elk een microcosmos is, want in elk is God geheel, terwijl elk tegelijkertijd een deel is van God, het Geheel. Al het nu bestaande wordt voorgesteld door drie concentrische cirkels. De binnenste, waar leven ontspringt uit Annwn, heet "Abred," en is het stadium van worsteling en evolutie--de strijd tusschen leven en Cytrawl. De volgende is de cirkel van "Gwynfyd," of Reinheid, waarin het leven zich openbaart als een reine blijde kracht, die over het booze heeft getriumfeerd. De laatste en buitenste cirkel heet "Ceugant," of Oneindigheid. Hier ontbreken alle predikaten en deze cirkel, graphisch voorgesteld niet door een gesloten lijn, maar door divergeerende stralen, is bewoond door God alleen.
Het volgend uittreksel uit "Barddas," waarin de beweerde bardenleering in catechismusvorm is weergegeven, kan dienen om den gedachtengang van den schrijver te toonen:
"Vr. Waaruit zijt gij voortgekomen?
"Antw. Ik kwam uit de Groote Wereld en begon bij Annwn.
"Vr. Waar zijt ge nu en hoe kwaamt ge waar ge nu zijt?
"Antw. Ik ben in de Kleine Wereld, waar ik kwam na door den cirkel van Abred te zijn gegaan, en nu ik een Mensch ben, aan het einde en de uiterste grenzen er van.
"Vr. Wat waart ge voor dat ge een Mensch werdt, in den cirkel van Abred?
"Antw. Ik was in Annwn het minst mogelijke dat vatbaar is om te leven, en het dichtst mogelijke bij volstrekten dood; en ik kwam in elken vorm en door elken vorm, passend bij een lichaam en leven tot den menschelijken staat langs den cirkel van Abred, waar mijn toestand moeilijk en treurig was gedurende de eeuw der eeuwen, van het oogenblik af dat ik in Annwn van de dooden werd gescheiden, door de genade Gods, en Zijn groote edelmoedigheid en Zijn onbeperkte en eindelooze liefde.
"Vr. Door hoeveel verschillende vormen gingt ge en wat overkwam u?
"Antw. Door elken vorm die levensvatbaar is, in het water, in den grond, in de lucht. En ik onderging alle moeilijkheid, alle ontbering, alle kwaad en alle lijden, en slechts luttel was de goedheid of Gwynfyd, voordat ik een mensch werd.... Gwynfyd kan niet worden bereikt zonder alles te zien en te weten, maar het is niet mogelijk alles te zien of te weten zonder alles te lijden.... En er kan geen volkomen en volmaakte liefde zijn die niet die dingen voortbrengt, noodig om te leiden tot de kennis die tot Gwynfyd leidt."
Elk wezen, zoo heet het, zal ten slotte den cirkel van Gwynfyd bereiken [205].
Er is veel hierin dat ons doet denken aan Gnostische of Oostersche ideeën. Stellig verschilt het sterk van de Christelijke orthodoxie der zestiende eeuw. Als een product van den Kimbrischen geest van dien tijd kan de lezer het nemen voor hetgeen het waard is, zonder zich te bekommeren hetzij om oudheidkundige theorieën of de wederleggingen daarvan.
Wenden wij ons nu tot het werkelijk oude werk dat niet philosophisch is, maar een werk van de verbeelding, door Britsche barden en vertellers van de Middeneeuwen voortgebracht. Maar alvorens uiteen te zetten wat wij in deze literatuur zullen vinden, moeten wij een oogenblik stilstaan bij iets dat we er niet in zullen vinden.
De Arthur-sage.
Bij de meerderheid der moderne lezers, die geen bijzondere studie van het onderwerp hebben gemaakt, zal, wanneer sprake is van oude Britsche legenden onvermijdelijk de herinnering opkomen aan de heldenfeiten van de Arthur-sage; zij zullen denken aan het fabelpaleis te Caerleon aan de Usk; aan de Ridders van de Tafelronde die op edele avonturen uit gaan; aan het zoeken naar den Graal; aan de zondige liefde van Lancelot, bloem der Ridderschap, voor de koningin; aan den laatsten grooten slag bij de noordzee; aan de reis van Arthur, zwaar gewond maar onsterflijk, naar het mystieke dal van Avalon. Maar feitelijk zullen zij in de eigen literatuur van het middeneeuwsche Wales weinig of niets van dat alles vinden--geen Tafelronde, geen Lancelot, geen zoeken naar den Graal, geen eiland van Avalon, voordat de bewoners van Wales daarover uit den vreemde hoorden; en hoewel er inderdaad een Arthur was in deze literatuur, verschilt hij ten eenenmale van den Arthur in wat wij nu noemen de Arthur-sage.
Nennius.
Het vroegst vinden wij Arthur vermeld in het werk van den Britschen geschiedschrijver Nennius, die zijn "Historia Britonum" omstreeks het jaar 800 schreef. Hij beroept zich op verschillende bronnen--oude monumenten en geschriften van Brittannië en Ierland (in verband met het laatste land vermeldt hij de legende van Partholan), Romeinsche jaarboeken en kronieken van heiligen, in het bijzonder St. Germanus. Hij geeft een fantastisch verromeinschte en verchristelijkte voorstelling van de Britsche geschiedenis en laat de Britten afstammen van Trojaansche en Romeinsche voorouders. Maar zijn verhaal over Arthur is èn sober èn kort. Arthur, die, volgens Nennius, in de zesde eeuw leefde, was geen koning; hij was van minder edele afkomst dan vele andere Britsche hoofden, die hem echter, om zijn groote talenten als militair _imperator_ of _dux bellorum_, tot hun leider kozen tegen de Saksers, die hij in twaalf veldslagen versloeg; de laatste was die bij den Berg Badon. Arthur's ambt was ongetwijfeld een overblijfsel van de Romeinsche krijgsorganisatie en er is geen reden aan zijn historisch bestaan te twijfelen, hoe ondoordringbaar ook de sluier moge zijn, die nu over zijn dapper en vaak zegevierende vechten voor orde en beschaving in die rampzalige eeuw is uitgebreid.
Geoffrey van Monmouth.
Dan hebben we Geoffrey van Monmouth, bisschop van St. Asaph, die zijn "Historia Regum Britaniae" in Zuid-Wales schreef, in het begin van de twaalfde eeuw. Dit werk is een stoute poging om sobere geschiedenis te maken van een massa mythische of legendaire stof, hoofdzakelijk geput, zoo men den schrijver gelooven mag, uit een oud boek, door zijn oom Walter, aartsdeken van Oxford, uit Brittannië meegebracht. Het vermelden van Brittannië in dit verband is, zooals wij zullen zien, zeer gewichtig. Geoffrey schreef bepaaldelijk om de daden van Arthur te herdenken, die nu optreedt als een koning, zoon van Uther Pendragon en van Igerna, de vrouw van Gorlois Hertog van Cornwallis, tot wie Uther toegang kreeg in de gedaante van haar echtgenoot door de tooverkunsten van Merlin. Hij stelt het begin van Arthur's regeering in het jaar 505, verhaalt van zijn oorlogen tegen de Saksers en zegt dat hij ten slotte niet alleen geheel Brittannië, maar Ierland, Noorwegen, Gallië en Dacië veroverde, en met goed gevolg een eisch van de Romeinen, die schatting en hulde vorderden, weerstond. Hij hield zijn hof te Caerleon aan de Usk. Terwijl hij op het vasteland was en met Rome strijd voerde, maakte zijn neef Modred zich meester van de kroon en huwde zijn vrouw Guanhumara. Hierop keerde Arthur terug en na den verrader te Winchester te hebben verslagen, doodde hij hem in een laatsten slag in Cornwallis, waar Arthur zelf zwaar gewond werd (A.D. 542). De koningin trok zich terug in een klooster te Caerleon. Voor zijn dood droeg Arthur zijn rijk over op zijn bloedverwant Constantine, en werd toen op geheimzinnige wijze weggevoerd naar het "eiland Avalon" om te worden genezen, en "de rest is zwijgen." Arthur's tooverzwaard "Caliburn" (in de taal van Wales _Caladuwlch_; zie blz. 205, noot) wordt door Geoffrey vermeld en beschreven als te zijn gemaakt in Avalon, een woord waarmede een soort van tooverland schijnt te zijn bedoeld, een Land der Dooden, misschien verwant met het Noorsche _Valhall_. Eerst in later tijden werd Avalon aangewezen als te zijn een bestaande plaats in Brittannië (Glastonbury). In het verhaal van Geoffrey komt niets voor over den Heiligen Graal, of Lancelot, of de Tafelronde, en behoudens de toespeling op Avalon ontbreekt het mystieke element van de Arthur-sage. Evenals Nennius wijst Geoffrey de Britten een fantastischen klassieken oorsprong aan. Zijn zoogenaamde geschiedenis is volmaakt waardeloos als een vermelding van feiten, maar is een ware mijn gebleken voor dichters en kroniekschrijvers en haar komt de eer toe de stof te hebben geleverd voor het vroegste Engelsche tragisch drama "Gorboduc" en voor Shakespeare's "King Lear"; en de auteur kan worden aangemerkt als de vader--althans van den quasi-historischen kant beschouwd--van de Arthur-sage, die hij samenstelde gedeeltelijk uit verhalen van den historischen _dux bellorum_ van Nennius, gedeeltelijk uit poëtische uitbreidingen daarvan gemaakt in Bretagne door afstammelingen van ballingen uit Wales, van welke er vele daarheen vluchtten juist toen Arthur oorlog voerde tegen de heidensche Saksers. Het boek van Geoffrey had een verbazend succes. Het werd al spoedig in het Fransch vertaald door Wace, die "Li Romans de Brut" schreef omstreeks 1155, met bijzonderheden uit Bretagner bronnen er bijgevoegd, en uit het Fransch van Wace vertaald in het Angel-Saksisch door Layamon, die aldus Malory's bewerkingen van latere Fransche proza-verhalen vóór was. Met uitzondering van enkele geleerden die vruchteloos protesteerden, twijfelde niemand aan de zuiver historische waarde, en het had de belangrijke uitwerking aan de vroegere Britsche geschiedenis een nieuwe waardigheid te geven in de schatting van vastelands- en Engelsche vorsten. Op den troon van Arthur te zitten werd op zich zelf als een glorie beschouwd, door monarchen uit het geslacht der Plantagenets, die geen droppel van Arthur's of van eenig Britsch bloed in de aderen hadden.
De sage in Bretagne: Marie de France.
Nu iets over de bronnen van Bretagne. Jammer genoeg, geen regel van de oude literatuur van Bretagne is tot ons gekomen en voor de kennis daarvan moeten wij afgaan op hetgeen daarover voorkomt in het werk van Fransche schrijvers. Een van de eersten dezer is de Anglo-Normandische dichteres die zich Marie de France noemt en die omstreeks 1150 en daarna schreef. Zij dichtte o.a. een aantal "Lais," of verhalen, die zij uitdrukkelijk en herhaaldelijk zegt te zijn vertaald of bewerkt naar bronnen van Bretagne. Soms beweert zij het oorspronkelijke precies te hebben weergegeven:
"Les contes que jo sai verais (que je sais vrais) Dunt li Bretun unt fait les lais Vos conterai assez briefment; Et cief (sauf) di cest coumencement Selunc la lettre è l' escriture."
Feitelijk wordt in de verhalen weinig over Arthur gezegd, maar de gebeurtenissen er in vallen in zijn tijd--_en cet temps tint Artus la terre_--en de toespelingen, o.a. een vermelding van de Tafelronde, wijzen klaarblijkelijk er op dat het onderwerp algemeen bekend was onder hen voor wie deze "Lais" van Bretagne bestemd waren. Lancelot wordt niet genoemd, maar er is een "Lai" over zekeren Lanval, die door Arthur's koningin wordt bemind, maar die haar afwijst omdat hij een tooveres tot minnares heeft in het "isle d'Avalon." Gawain wordt genoemd en een episode wordt verteld in den "Lai de Chevrefoil" van Tristan en Isolde, over wier dienstmaagd "Brangien" zoodanig wordt gesproken, dat de toehoorders blijkbaar wisten welke rol zij had gespeeld in Isolde's huwelijksnacht. Om kort te gaan, wij hebben hier het bewijs dat zich in Bretagne een wijd verbreide en goed ontwikkelde massa ridderlegenden om de persoon van Arthur had opgehoopt. Zoo welbekend zijn de legenden, dat bloote toespelingen op personen en episoden daarin evengoed begrepen worden als verwijzingen naar Tennyson's "Idylls" het bij ons zouden zijn in onzen tijd. De "Lais" van Marie de France wijzen derhalve sterk op Bretagne als de ware bakermat van de Arthur-sage, van haar riddelijken en romantischen kant. Zij maken echter geen melding van den Graal.
Chrestien de Troyes.
Ten slotte en bovenal hebben wij het werk van den Franschen dichter Chrestien de Troyes, die in 1165, evenals Marie de France, "Lais" uit Bretagne begon te vertalen en die feitelijk de Arthur-sage in de poëtische literatuur van Europa bracht en er de voornaamste trekken en haar karakter aan gaf. Hij schreef een "Tristan" (nu verloren gegaan). Hij (zoo niet Walter Map) bracht Lancelot van het Meer in het verhaal; hij schreef een _Conte del Graal_, waarin voor het eerst de Graal-legende en Perceval voorkomen, al liet hij het verhaal onvoltooid en al vertelt hij ons niet wat de "Graal" werkelijk was [206]. Hij schreef ook een lang _conte d'aventure_, getiteld "Erec," bevattende de geschiedenis van Geraint en Enid. Dit zijn de vroegste gedichten die wij bezitten, waarin de Arthur van de ridderlegende sterk op den voorgrond treedt. Welke waren de bronnen van Chrestien? Ongetwijfeld voor een groot deel uit Bretagne. Troyes ligt in Champagne, dat in 1019 door Eudes, Graaf van Blois, met Blois was vereenigd en weer na een periode van scheiding er mee was hereenigd, door Graaf Theobald van Blois in 1128. Maria, Gravin van Champagne, was de beschermvrouw van Chrestien. En er waren nauwe banden tusschen de heerschende vorsten van Blois en Bretagne. Alain II, een Hertog van Bretagne, had in de tiende eeuw een zuster van den Graaf van Blois gehuwd en in het eerste vierde gedeelte van de dertiende eeuw huwde Jean I van Bretagne Blanche van Champagne, terwijl hun dochter Alix in 1254 Jean de Chastillon, Graaf van Blois, huwde. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat door minstreels die hun meesters uit Bretagne aan het hof van Blois volgen, van het midden der tiende eeuw af, een groot aantal "Lais" en legenden uit Bretagne hun weg vonden tot de Fransche literatuur in de elfde, twaalfde en dertiende eeuwen. Maar het is ook zeker dat de legenden van Bretagne zelf sterk onder Fransche invloeden waren geraakt en dat wij aan de _Matière de France_, zooals die door middeneeuwsche schrijvers werd genoemd [207]--i.e. de legenden van Karel de Groote en zijn Paladynen--de Tafelronde verschuldigd zijn en de riddergebruiken toegeschreven aan Arthur's hof te Caerleon aan de Usk.
Bleheris.
Men moet niet vergeten (iets waarop miss Jessie L. Weston met nadruk heeft gewezen in haar onwaardeerbare studies over de Arthur-sage) dat Gautier van Denain, de eerste van de voortzetters of omwerkers van Chrestien de Troyes, als zijn bron voor de verhalen van Gawain zekeren Bleheris noemt, een dichter "geboren en opgegroeid in Wales." Men houdt dezen vergeten bard voor identiek met _famosus ille fabulator, Bledhericus_, vermeld door Giraldus Cambrensis, en met den Bréris, dien Thomas van Bretagne aanhaalt als een autoriteit voor de Tristan-geschiedenis.
Conclusie betreffende den oorsprong van de Arthur-sage.