Chapter 25
Toen was Maeldun op het punt te landen en German [191] en Diuran de Rijmer riepen dat God hen geleid had naar de plaats waar zij wezen wilden. Maar eensklaps stak een sterke wind op en joeg hen den onmetelijken oceaan op en Maeldun zeide tot zijn pleegbroeders: "Dit is uw schuld, omdat gij aan boord kwaamt ondanks de woorden van den Druïde". En zij konden geen antwoord geven, dan alleen door een poosje te zwijgen.
Het eiland met de mieren.
Zij dreven drie dagen en drie nachten, niet wetend waarheen te roeien, toen zij, bij het aanbreken van den derden dag het gedruisch van brekers hoorden en zoodra de zon was opgegaan bereikten zij een eiland. Hier, voor dat zij konden landen, ontmoetten zij een zwerm van roofgierige mieren, elk ter grootte van een veulen, die van het strand en in zee kwamen om hen te bereiken; zij maakten zich dus spoedig uit de voeten en zagen in drie dagen geen land.
Het eiland met de groote vogels.
Dit was een terrasvormig eiland, geheel door boomen omgeven en met groote vogels in de boomen. Maeldun landde eerst alleen en doorzocht het eiland met zorg, zonder iets kwaads te vinden; de overigen volgden toen en doodden en aten vele van de vogels, terwijl zij andere op hun boot meenamen.
Het eiland met het woeste beest.
Dit was een groot zandig eiland, er was een beest op als een paard, maar met pooten als die van een hond. Het vloog op hen aan om hen te verslinden, maar zij gingen tijdig heen en werden door het beest met steenen van het strand geworpen toen zij weg roeiden.
Het eiland met de reuzenpaarden.
Een groot vlak eiland; het lot bepaalde dat German en Diuran dat het eerst zouden onderzoeken. Zij vonden een groote groene renbaan, waarop de afdrukken waren van paardenhoeven, elk zoo groot als het zeil van een schip, en er lagen basten van noten van reusachtige afmetingen en veel buit. Bevreesd scheepten zij zich weer ijlings in en van uit zee zagen zij een wedren aan den gang en hoorden zij een groote menigte schreeuwen, het witte of het bruine paard toejuichend, en zij zagen de reuzenpaarden loopen, vlugger dan de wind. [192] Zij roeiden weg zoo snel zij konden, meenend dat zij een verzameling demonen hadden gezien.
Het eiland met de steenen deur.
Een volle week ging voorbij en toen ontdekten zij een groot hoog eiland met een huis op het strand. Een deur met een steenen vleugel leidde naar de zee en de golven wierpen onophoudelijk zalmen er door heen in het huis. Maeldun en zijn troep gingen binnen en vonden geen menschen in het huis; maar een groot bed lag gereed voor het hoofd aan wien het behoorde en een bed voor telkens drie van zijn mannen, en spijs en drank naast elk bed. Maldun en zijn troep aten en dronken hun bekomst en vertrokken toen weer.
Het eiland met de appelen.
Toen zij daar waren gekomen, hadden zij geruimen tijd gereisd, en voedsel had hun ontbroken en zij waren hongerig. Dit eiland had steile kanten, waarvan bosschen afhingen; in het voorbijgaan langs de rotsen brak Maeldun een tak af en hield die in de hand. Drie dagen en nachten zeilden zij langs de rotsen en vonden geen toegang tot het eiland, maar tegen dien tijd waren drie appels gegroeid aan het uiteinde van Maeldun's tak en aan elken appel had de bemanning voor veertig dagen genoeg.
Het eiland met het wonderbeest.
Dit eiland had een steenen omheining; daarbinnen rende een geweldig groot dier voortdurend om het eiland heen. En nu en dan ging het naar den top van het eiland en verrichtte dan een wonderbaarlijk feit: het draaide zijn lijf voortdurend om in zijn huid, die onbeweeglijk bleef, soms daarentegen draaide het de huid altijd door om het lijf. Toen het de mannen zag, snelde het op hen af, maar zij ontkwamen, al wegroeiend met steenen geworpen. Een van de steenen drong door Maeldun's schild en bleef zitten in de kiel van de boot.
Het eiland met de bijtende paarden.
Hier waren vele groote beesten op paarden gelijkend, die voortdurend stukken vleesch uit elkanders lijf scheurden, zoodat het eiland vol bloed lag. Zij roeiden ijlings weg, en zij waren nu ontmoedigd en treurig, want zij wisten niet waar zij zich bevonden, of hoe zij den weg en hulp zouden vinden.
Het eiland met de gloeiende zwijnen.
Zeer moede, hongerig en dorstig kwamen zij aan het tiende eiland, dat vol boomen was beladen met gouden appels. Onder de boomen liepen roode beesten, als gloeiende zwijnen, die met hun pooten tegen de boomen schopten; dan vielen de appels en de beesten verslonden die. De beesten kwamen alleen 's morgens te voorschijn, als een aantal vogels het eiland verlieten, en zwommen in zee tot het negende uur, keerden dan om en zwommen terug tot zonsondergang en aten de appels den geheelen nacht door.
Maeldun en zijn gezellen landden 's nachts en voelden den bodem heet onder hun voeten van de gloeiende zwijnen in hun ondergrondsche holen. Zij verzamelden zooveel appels als zij maar konden, die goed waren zoowel voor den honger als voor den dorst, laadden die in hun boot en kozen opnieuw, verfrischt, zee.
Het eiland met de kleine kat.
De appels waren op toen zij hongerig en dorstig het elfde eiland bereikten. Dit was, als het ware, een hooge witte toren van kalk, die tot de wolken reikte, en op den wal er om heen stonden groote huizen wit als sneeuw. Zij traden het grootste er van binnen en vonden er geen mensch, maar een kleine kat spelend op steenen pilaren, die midden in het huis waren; zij sprong van den een naar den ander. Zij keek een beetje naar de Iersche krijgers, maar hield niet op met haar spel. Aan de wanden van het huis hingen drie rijen voorwerpen: een rij gouden en zilveren borstspelden en een van gouden en zilveren halskettingen, elk zoo dik als de hoepel van een vat, en een van groote zwaarden met gouden en zilveren gevesten. Dekens en schitterende gewaden lagen in het vertrek, en er was ook een gebraden os en een zijde spek en overvloed van drank. "Is dit voor ons achtergelaten?", zeide Maeldun tot de kat. Zij keek hem een oogenblik aan en zette toen haar spel voort. Toen aten en dronken zij en sliepen en bergden op wat er van het voedsel overbleef. Den volgenden dag, toen zij zich opmaakten om het huis te verlaten, nam de jongste van Maeldun's pleegbroeders een ketting van den wand en hij wilde die meenemen toen de kat eensklaps "als een vurige pijl door hem heen sprong" en hij viel als een hoop asch op den grond. Daarop bracht Maeldun, die den diefstal van het kleinood had verboden, de kat tot bedaren en hing de ketting weer op, en zij strooiden de asch van den dooden jongeling op het strand en gingen weer op zee.
Het eiland met de zwarte en witte schapen.
Dit werd door een metalen staketsel in tweeën verdeeld: aan den eenen kant was een kudde zwarte, aan den anderen kant een kudde witte schapen. Tusschen beiden was een groote man die beide kudden verzorgde en soms bracht hij een wit schaap onder de zwarte, in welk geval het onmiddellijk zwart werd, of een zwart schaap onder de witte, dat dan dadelijk wit werd. [193] Bij wijze van proef wierp Maeldun een geschilden witten stok aan den kant der zwarte schapen. Hij werd dadelijk zwart, waarop zij verschrikt de plaats verlieten, zonder te landen.
Het eiland met het reuzenvee.
Een groot en uitgestrekt eiland met een kudde groote zwijnen. Zij doodden een klein varken en braadden het ter plaatse, omdat het te groot was om aan boord te nemen. Het eiland verhief zich tot een zeer hoogen berg en Druan en German gingen van den top er van het land bekijken. Op weg daarheen vonden zij een breede rivier. Om de diepte van het water te peilen dompelde German het handvat van zijn speer er in, dat dadelijk als door vloeibaar vuur werd verteerd. Aan den anderen oever was een groote man die een kudde bewaakte van wat ossen leken te zijn. Hij riep hun toe de kalveren niet te storen, zij gingen dus niet verder en zeilden snel weg.
Het eiland met den molen.
Hier vonden zij een groote, somber uitziende molen, waarin een reusachtige molenaar koren maalde. "De helft van het graan van uw land," zeide hij, "wordt hier gemalen. Hier komt om te worden vermalen al wat de menschen elkander niet gunnen". Zwaar en talrijk waren de ladingen die zij er heen zagen gaan en al wat in den molen was gemalen werd naar het westen weggevoerd. Zij kruisten zich en vertrokken.
Het eiland met de zwarte rouwdragers.
Een eiland vol zwarte menschen die voortdurend schreiden en jammerden. Een van de twee nog overgebleven pleegbroeders van Maeldun landde er, werd onmiddellijk zwart en begon te schreien als de overigen. Twee anderen gingen hem halen; hun trof hetzelfde lot. Toen gingen weer anderen, de hoofden met doeken omwonden, opdat zij het land niet zouden zien en de lucht niet inademen, en zij grepen de twee vermisten en voerden die met geweld mee, maar niet den pleegbroeder. De twee geredden konden hun gedrag alleen verklaren door te zeggen dat zij moesten doen, zooals zij anderen om zich heen zagen doen.
Het eiland met de vier heggen.
Vier heggen van goud, zilver, koper en kristal verdeelden dat eiland in vier deelen: in het eene waren koningen, in het andere koninginnen, in het derde krijgslieden, in het vierde jonge maagden. Toen zij landden gaf een maagd hun voedsel, dat op kaas geleek en dat ieder man smaakte zooals hij dat wenschte, en een bedwelmenden drank, die hen drie dagen in slaap bracht. Toen zij ontwaakten waren zij op hun boot in zee, en van het eiland en zijn bewoners was niets te zien.
Het eiland met de glazen brug.
Hier komen wij tot een van de uitvoerigst beschreven en schilderachtigste van al de reisgebeurtenissen. Op het eiland dat zij nu bereikten was een sterkte met een metalen deur en een glazen brug leidde er heen. Toen zij over de brug wilden gaan, wierp deze hen terug. [194] Een vrouw kwam uit de sterkte met een emmer in de hand, zij lichtte een glazen plaat van de brug, liet haar emmer neer in het water er onder en keerde naar de sterkte terug. Zij sloegen op den metalen slagboom voor hen om toegang te krijgen, maar het geluid door het metaal voortgebracht deed hen tot den volgenden morgen in slaap vallen. Dit herhaalde zich driemaal en de vrouw hield telkens een ironische toespraak over Maeldun. Den vierden dag echter kwam zij hun tegemoet over de brug, met een witten mantel om, een gouden band om het haar, zilveren sandalen aan de rose voeten en een hemd van zeer dunne zijde op het lijf.
"Ik heet u welkom, o Maeldun," zeide zij en zij verwelkomde elk van de bemanning bij zijn eigen naam. Toen nam ze hen mede naar het groote huis, wees den hoofdman een bed aan, en verder een bed voor telkens drie man. Zij gaf hun overvloed van spijs en drank, alles uit haar eenen emmer, en elk man vond daarin wat hij begeerde. Toen zij was heengegaan, vroegen zij Maeldun of zij de maagd voor hem zouden trachten te winnen. "Hoe zou het u kwaad kunnen met haar te spreken?" zeide Maeldun. Zij doen aldus en zij antwoordt: "Ik weet niet, en heb ook nooit geweten wat zonde is." Dit herhaalt zij tweemaal. "Morgen," zegt zij ten slotte, "zult gij antwoord hebben." Maar als de morgen komt, bevinden zij zich wederom op zee zonder een spoor van eiland, of sterkte, of vrouw.
Het eiland met de schreeuwende vogels.
Zij hooren van verre groot geschreeuw en zingen, als van psalmen, en na een dag en nacht roeien komen zij eindelijk aan een eiland, vol met zwarte, bruine en gespikkelde vogels, die alle schreeuwen en praten. Zij zeilen weg zonder te landen.
Het eiland van den kluizenaar.
Hier vonden zij een boschrijk eiland vol met vogels, en er was slechts éen man, die geen andere bekleeding had dan zijn haar. Zij vroegen hem naar zijn land en afkomst. Hij antwoordde dat hij uit Ierland afkomstig was en zee gekozen had [195] met een zode van zijn geboorteland onder zijn voeten. God had de zode in een eiland veranderd, er elk jaar een voet breedte en een boom aan toevoegend. De vogels waren al zijn familie en zij blijven daar allen tot den dag des oordeels, door engelen wonderbaarlijk gevoed. Hij onthaalde hen drie nachten, toen zeilden zij weg.
Het eiland met de wonderfontein.
Dit eiland heeft een gouden wal en een zachten witten grond, dons gelijk. Zij vonden daar weer een kluizenaar, alleen in zijn haar gekleed. Er was een fontein, die Vrijdag en Woensdag wei of water, Zondag en op verjaardagen van martelaren melk, op verjaardagen van de Apostelen, Maria en Johannes den Dooper en op de dagen van hoog water ale en wijn geeft.
Het eiland met de smidse.
Toen zij dit naderden, hoorden zij uit de verte als het ware het geraas van een geweldige smidse en hoorden zij menschen over hen zelf spreken. "Het schijnen kleine jongens", zeide een, "ginds, in een kleine trog". Zij roeiden haastig weg, maar wendden de boot niet, om niet den schijn op zich te laden van te vluchten; maar een poosje daarna kwam een reusachtige smid uit de smederij, die in zijn tang een groot blok gloeiend ijzer hield, dat hij hun achterna wierp, en de geheele zee er om heen kookte, toen het achter hun boot viel.
De zee van zuiver glas.
Hierop roeiden zij totdat zij op een zee kwamen, die op groen glas geleek. Zoo zuiver was het dat de steenen en het zand der zee duidelijk er door heen zichtbaar waren; en zij zagen geen monsters of beesten bij de klippen, maar alleen de schoone kiezels en het groene zand. Zij voeren een groot deel van den dag op die zee en groot was haar glans en haar schoonheid.
Het eiland onder de zee. [196]
Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen met daken, en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in een boom met kudden vee er om en er onder een gewapend krijgsman. Ten spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek omlaag, greep een van de kudde en verslond het. Zeer bevreesd door deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.
Het eiland der voorspelling.
Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen op het eiland, die tegen hen schreeuwden: "Zij zijn het, zij zijn het", totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw die hen van beneden met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij vertrokken hoorden zij de menschen elkander toeschreeuwen: "Waar zijn ze nu?" "Zij zijn heengegaan." "Dat is niet waar." "Vermoedelijk", zegt het verhaal, "was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit verjagen."
Het eiland met het spuitend water.
Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan den anderen kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als zij maar wilden en het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden meenemen.
Het eiland met de zilveren zuil.
Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste en meest fantastische episoden van de reis. Het was een groote viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier kanten was zoo breed als twee roeislagen van de boot. Er was geen zode aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en de top ging schuil in de lucht. Van dien top af werd een groot zilver net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden zij heen. Toen zij dat deden hakte Diuran een stuk van het net af. "Verniel het niet," zeide Maeldun, "want hetgeen we zien is het werk van machtige mannen." Diuran zeide: "Ik doe dit ter eere van God's naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom, zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren." Het woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd gewogen.
"En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig, helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die zij sprak, of de woorden die zij uitbracht."
Het eiland met het voetstuk.
Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het onderste gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was, die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden weg zonder iemand te hebben gezien en gesproken.
Het eiland van de vrouwen.
Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich op een heuveltje in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig een groot bad gereed te maken. Weldra daarna kwam een rijk gekleed ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen, terwijl een van de meisjes voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een der meisjes naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend: "De Koningin noodigt u." Ze gingen de burcht binnen en baadden en zetten zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en Maeldun tegenover de koningin. En Maeldun trouwde met de koningin en elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen maakten zij zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden vertrekken en zeide: "Blijft hier, dan zult gij nooit door ouderdom worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en wat ge den vorigen nacht hadt, zult ge altijd hebben. En niet langer van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan."
Zij vertelde toen aan Maeldun, dat zij de moeder was van de zeventien meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning van het eiland geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag ging zij naar de groote vlakte in het binnenland van het eiland om recht te spreken en zij keerde dan 's avonds naar de burcht terug.
Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen kregen er genoeg van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.
"Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?" zeide Maeldun.
Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij: "Groot is de liefde van Maeldun voor deze vrouw. Laat hij alleen achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen land." Maeldun echter wilde niet achtergelaten worden en op zekeren dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich in en voeren weg. Zij waren echter nog niet ver toen de koningin kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna wierp. Maeldun ving het op en het bleef zich aan zijn hand hechten, zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde van het kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog drie maanden op het eiland.
Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat Maeldun met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was zijn liefde voor de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op, maar het bleef zich als te voren (bij Maeldun) aan zijn hand hechten; Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. "Toen zij dat zag begon zij te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw". En aldus ontkwamen zij uit het eiland van de vrouwen.
Het eiland met de roode bessen.
Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en zeilden weg.
Het eiland met den arend.
Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant, en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen, en een klein meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en een ouden grijzen geestelijke, alleen door zijn haar gedekt. Maeldun vroeg hem wie hij was.
"Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr", zeide hij. "Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en zij stierven allen, behalve ik". Hij liet hun het tafeltje (? kalender) van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor en Maeldun kuste het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.
Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven van wieken en merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland en zeer moede neerstrijkend op een heuvel bij het meer begon hij de roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak, zoo groot als een volwassen eik, die hij had meegebracht, en het sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood kleurend. Vreezend dat hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij den vogel in het oog. Na een poosje evenwel ging Maeldun naar den voet van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden de anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar hij deed hem geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel oud was en zijn pluimage dof en vergaan.
Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust begonnen zij de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren wemelde. Zij gingen daarmee voort tot 's avonds, toen aten alle drie nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was gereinigd, sprong het in het meer en begonnen de twee arenden hem weer te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel zijn veeren gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend, vloog het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat het hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet: _Uw jeugd is vernieuwd als die van den adelaar._ [197]
Toen zeide Diuran: "Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar de vogel verjongd werd." "Neen," zeide een der anderen, "want de vogel heeft zijn venijn daarin achter gelaten". Maar Diuran sprong er in en dronk van het water. Van dat oogenblik af, bleven zijn oogen zoolang hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar van zijn hoofd en hij wist nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.
Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich andermaal op zee.
Het eiland met de lachende menschen.
Hier zagen zij een groot aantal mannen die aanhoudend lachten en speelden. Zij lootten met elkaar wie zou landen en het eiland onderzoeken en het lot viel op Maeldun's pleegbroeder. Maar toen hij den voet er op zette, begon hij met de anderen te lachen en te spelen en hij kon niet ophouden en wilde ook niet teruggaan tot zijn makkers. Zij lieten hem dus achter en gingen heen. [198]
Het eiland met den wal van vlammen.
Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het had een wal van vlammen die voortdurend een kring er om vormden. Er was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening tegenover zich kregen, zagen zij het geheele eiland er door heen en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die versierde gewaden droegen, met gouden vaten in de handen. En de feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij vertoefden daar geruimen tijd, sloegen dit wonder gade, "en zij vonden het verrukkelijk te aanschouwen."
Het eiland van den monnik van Tory.