Chapter 24
Den volgenden dag begeeft Finn, ziedend van woede, zich met zijn krijgers op weg en volgt hun spoor. Hij spoort elke stopplaats op, en vindt de steenen hut die Dermot voor hen maakte als schuilplaats, en het bed van biezen, en de overblijfselen van het maal dat zij hadden gegeten. En telkens vindt hij een stuk brood, of rauwe zalm--waardoor Dermot Finn op een fijne manier doet weten dat hij de rechten van zijn heer heeft geëerbiedigd en Grania als een zuster heeft behandeld. Maar deze kieschheid van Dermot is heelemaal niet naar den zin van Grania, en zij geeft hem haar wenschen te kennen op een wijze die merkwaardig overeenkomt met een episode in het verhaal van Tristan en Isolde van Bretagne, zooals dat door Heinrich von Freiberg wordt gedaan. Zij gaan door een natte plek en Grania wordt met water bespat. Zij wendt zich tot haar metgezel: "Gij zijt een geweldig krijgsman, o Dermot, in den slag, bij belegeringen en rooftochten, toch komt het mij voor dat deze waterdroppel meer durf heeft dan gij." Deze wenk dat hij zich op een te eerbiedigen afstand hield, werd door Dermot begrepen. De teerling is nu geworpen en voortaan zal hij Finn en zijn vroegere makkers nooit meer ontmoeten dan met gevelde speer.
Het verhaal verliest nu veel van de oorspronkelijkheid en bekoring van het begin en somt een beetje droog een aantal episoden op, waarin Dermot door de Fianna wordt aangevallen of belegerd, en zich en zijn gezellen redt door wonderen van stoutheid of handigheid, of door middel van de tooverkunsten van zijn pleegvader, Angus Og. Zij worden over geheel Ierland achterna gezet en de dolmens in dat land worden door het volk met hen in verband gebracht, daar zij in de overleveringen van de boeren "Bedden van Dermot en Grania" worden genoemd.
Het karakter van Grania is steeds met groote consequentie geteekend. Zij is geen heldhaftige vrouw--zij heeft niet de eenvoudige, vurige aandriften en onwankelbare toewijding van een Deirdre. Deze laatste is veel primitiever. Grania is een merkwaardig modern en wat men noemen zou "hysterisch" type--eigenzinnig, ongedurig, hartstochtelijk, maar vol vrouwelijke bekoring.
Dermot en Finn sluiten vrede.
Na zestien jaar vogelvrij te zijn verklaard, wordt ten slotte voor Dermot vrede verkregen, door tusschenkomst van Angus, met Koning Cormac en met Finn. Dermot krijgt het hem toekomend vaderlijk erfdeel, de Cantred van Dyna, en andere landen in het verre Westen, en Cormac geeft Finn een andere zijner dochters. "Geruimen tijd bleven zij vreedzaam bij elkander, en men zeide dat geen man, toen levend, rijker was aan goud en zilver, kudden schapen en runderen dan Dermot O'Dyna, ook geen die meer buit maakte." [185] Grania baart Dermot vier zonen en een dochter.
Maar Grania is niet tevreden voordat "de twee eerste mannen in Erin, namelijk Cormac zoon van Art en Finn zoon van Cumhal" in haar huis zijn onthaald. "En wie weet," voegt zij er bij, "of onze dochter dan niet een geschikten echtgenoot zou vinden?" Dermot geeft een beetje angstig toe; de Koning en Finn nemen de uitnoodiging aan en zij en hun gevolg worden een jaar lang in Rath Grania ontvangen.
Finn's wraak.
Op zekeren nacht, tegen het eind van jaar, wordt Dermot uit zijn slaap gewekt door het blaffen van een hond. Hij schrikt op, "zoodat Grania hem vast hield en haar armen om hem heen sloeg en vroeg wat hij gezien had." Het is het geluid van een hond", zegt Dermot, "en het is vreemd dat ik dat in den nacht hoor." "De Goden mogen u beschermen," zegt Grania; "dat is het Danaanschvolk, dat u verontrust. Ga weer liggen." Maar driemaal maakt het hondengeblaf hem wakker en 's morgens trekt hij gewapend met zwaard en slinger op, gevolgd door zijn hond, om te zien wat er gaande is.
Op den berg van Ben Bulben in Sligo ontmoet hij Finn met een jachtgezelschap van de Fianna. Zij zijn nu evenwel niet op de jacht, maar worden opgejaagd; want zij hebben het betooverd wild zwijn zonder ooren of staart, het Everzwijn van Ben Bulben, doen ontwaken, dat dien morgen dertig hunner heeft gedood. "En gij, maak u uit de voeten," zegt Finn, wel wetend dat Dermot nimmer voor een gevaar zal terugdeinzen; "want gij zijt onder _geise_ geen zwijn te jagen." "Hoe zoo?" zegt Dermot en Finn vertelt hem de onheilspellende geschiedenis van den dood van het opzichterskind en zijn herleving in de gedaante van dit zwijn en zijn opdracht van wraak. "Op mijn woord," sprak Dermot, "het is om mij te dooden dat gij deze jacht zijt begonnen, o Finn; en indien het mijn lot is dat ik hier zal sterven, heb ik nu niet de macht het te ontgaan."
Het beest verschijnt op den berg en Dermot laat den hond op hem los, maar de hond vlucht verschrikt. Dan slingert Dermot een steen, die het zwijn precies in het midden van zijn voorhoofd raakt, maar het den huid zelfs niet schramt. Het beest is nu vlak bij hem en Dermot slaat het met zijn zwaard, maar het wapen vliegt in twee stukken en niet éen borstel van het zwijn is afgesneden. Bij den aanval op het zwijn valt Dermot er over heen en wordt een eindje gedragen, zich aan den rug vasthoudend; ten slotte echter schudt het zwijn hem af op den grond en hem "heftig met buitengewone kracht bespringend," rijt het Dermot's ingewanden uit zijn lijf, terwijl Dermot, die het gevest van zijn zwaard nog in de hand heeft, het beest de hersens inslaat, zoodat het dood naast hem neer valt.
Dood van Dermot.
Dan komt de onverzoenlijke Finn nader en bukt zich over Dermot in zijn doodsstrijd. "Het behaagt mij wel u in dezen toestand te zien, o Dermot," zegt hij, "en ik zou willen dat alle vrouwen in Ierland u nu zagen; want uw uitnemende schoonheid is in leelijkheid en uw prachtige gestalte in mismaaktheid verkeerd." Dermot herinnert Finn er aan, hoe hij hem eens van een doodelijk gevaar redde toen hij in het huis van Derc tijdens een feest werd aangevallen, en smeekt dat hij hem zal genezen met een dronk waters uit zijn handen, want Finn heeft het tooververmogen een gewonde gezond te maken met een dronk bronwater in zijn beide handen opgehaald. "Hier is geen bron," zegt Finn. "Dat is niet waar," zegt Dermot, "want negen schreden van u af is de beste bron van zuiver water in de wereld." Ten slotte gaat Finn, op verzoek van Oscar en de Fianna en na herinnering aan de vele daden in vroeger dagen door Dermot om zijnent wil gedaan, naar de bron, maar voordat hij het water bij Dermot brengt, laat hij het door zijn vingers vallen. Hij gaat nogeens en andermaal laat hij het water vallen, "al denkend over Grania", en Dermot slaakt een zucht van angst als hij dat ziet. Oisin verklaart dan dat als Finn het water niet aanstonds brengt, hij of Finn den berg niet levend zal verlaten en Finn gaat nog eens naar de bron, maar het is nu te laat; Dermot is dood voordat de genezende dronk zijn lippen kan bereiken. Dan neemt Finn Dermot's hond, de hoofden der Fianna leggen hun mantels over den doode en zij keeren terug naar Rath Grania. Grania, den hond ziende die door Finn wordt geleid, begrijpt wat er gebeurd is en valt in zwijm op den wal van de Rath. Als zij tot bewustzijn is teruggekeerd geeft Oisin haar de hond, tegen den zin van Finn, en de Fianna trekt af, haar met haar smart alleen latend. Als de menschen van Grania's huishouding naar buiten gaan om het lijk van Dermot binnen te halen vinden zij daar Angus Og en zijn troep van het Volk van Dana, die, na drie vreeselijke, smartelijke kreten te hebben aangeheven, het lijk op een vergulde baar wegdragen en Angus verklaart, dat hoewel hij den doode niet weer levend kan maken, "ik zal een ziel in hem brengen, zoodat hij elken dag met mij kan spreken."
Grania's einde.
Bij een verhaal als dit behoort voor den modernen smaak een romantisch en sentimenteel besluit; en dat is dan ook daaraan gegeven toen dr. P. W. Joyce het over vertelde in zijn "Old Celtic Romances," even als dat geschiedde met het verhaal van Deirdre, door bijna elk modern auteur, die het behandelde [186]. Maar de Celtische verteller voelde het anders. Het verhaal van Deirdre's einde is vreeselijk wreed, dat van Grania cynisch en spottend; geen van beiden is ook maar in het minst sentimenteel. Grania is in den beginne woedend op Finn en zendt haar zonen buitenslands om wapenfeiten te leeren, zoodat zij zich op hem zouden kunnen wreken wanneer de tijd daar is. Maar Finn, geslepen en vooruitziende als hij in dit verhaal wordt voorgesteld, weet dit gevaar af te wenden. Als de tragedie op Ben Bulben in Grania's wuft gemoed een beetje is begonnen te verflauwen, begeeft hij zich tot haar en hoewel aanvankelijk met verachting en verontwaardiging behandeld, vrijt hij naar haar zoo kiesch en met zooveel teederheid, dat hij haar ten slotte weet te overreden [187] en hij voert haar als bruid terug naar den Heuvel van Allen. Als de Fianna het paar zoo teeder ziet naderen, barsten zij uit in gelach en spottende kreten, "zoodat Grania beschaamd het hoofd liet zinken." "Wij vertrouwen, o Finn," roept Oisin, "dat gij voortaan Grania wel zult houden." Aldus maakte Grania vrede tusschen Finn en haar zonen en zij bleef bij Finn als zijn vrouw tot op zijn dood.
Twee stroomingen van Fian-legenden.
Men zal opgemerkt hebben dat in deze legende Finn niet als een sympathieke figuur optreedt. Al onze belangstelling is voor Dermot. Van dit standpunt bezien is het verhaal typisch voor een zekere klasse van Fian-vertellingen. Zooals er twee mededingende stammen waren in de Fian-organisatie--de Clan Bascna en de Clan Morna--die soms om de oppermacht slaags raakten, zoo zijn er twee stroomingen van legenden, die respectievelijk uit de eene of de andere van die bronnen schijnen te komen; in een ervan wordt Finn verheerlijkt, terwijl hij in de andere wordt verkleind ten gunste van Goll mac Morna, of een anderen held met wien hij in botsing komt.
Einde van de Fianna.
De geschiedenis van het einde der Fianna wordt verteld in een aantal stukken, sommige in proza, andere in verzen, alle echter daarin overeenstemmend, dat zij deze gebeurtenis als een stuk zuivere geschiedenis weergeven, zonder iets van de bovennatuurlijke en mystieke atmosfeer, waarin bijna al de Fian-legenden zijn gedompeld.
Na den dood van Cormac mac Art werd zijn zoon Cairbry Opperkoning van Ierland. Hij had een schoone dochter genaamd _Sgeimh Solais_ (Licht van Schoonheid) die ten huwelijk werd gevraagd door een zoon van den Koning der Decies. Tot het huwelijk werd besloten en de Fianna eischte een losgeld of schatting van twintig baren goud, wat hun, naar men zegt, in den regel bij zulke gelegenheden werd betaald. Naar het schijnt was de Fianna nu een bijzondere macht in den Staat geworden, en een drukkende macht, die zware schattingen en lastige privilegiën eischte van koningen en onderkoningen in geheel Ierland. Cairbry besloot haar er onder te krijgen en hij meende nu een goede gelegenheid daartoe te hebben. Hij weigerde daarom betaling van het losgeld en riep al de koningen der provincies op hem tegen de Fianna te helpen; de hoofdtroep daarvan kwam onmiddellijk in opstand voor hetgeen zij hun rechten achtten. Nu brak de oude veete tusschen Clan Bascna en Clan Morna opnieuw uit; laatstgenoemde koos de zijde van den Opperkoning, terwijl Clan Bascna, bijgestaan door den Koning van Munster en zijn troepen, die alleen hun zijde kozen, tegen Cairbry optrok.
De slag van Gowra.
Dat alles klinkt zeer zakelijk en waarschijnlijk, maar hoeveel werkelijkheid daarin steekt is zeer moeilijk te zeggen. De beslissende slag van den oorlog, die nu volgde, had plaats te Gowra (Gabhra), waarvan de naam is overgebleven is in Garristown, graafschap Dublin. Toen de tegenstanders in slagorde waren geschaard, knielden zij alvorens elkander aan te vallen en kusten zij Erin's gewijden grond. Het verhaal van den slag in de lezingen en verzen, waarvan een is gedrukt in de Verhandelingen van het Ossian'sch Genootschap, en een tweede mooiere in Campbell's "De Fians" [188] wordt geacht door Oisin te zijn gedaan aan St. Patrick. Hij legt groot gewicht op de heldendaden van zijn zoon Oscar:
"Mijn zoon spoedde zijn vaart Door de strijdscharen van Tara Als een havik schiet door een vogel-vlucht, Of een rotsblok wentlend een bergrug af."
De dood van Oscar.
Het was een strijd op leven en dood en de slachting was aan beide zijden geweldig. Alleen oude mannen en knapen, zegt men, bleven in Erin over na dat gevecht. De Fianna werd bijna geheel uitgeroeid en Oscar kwam om. Hij en de Koning van Ierland, Cairbry, vochten met elkander en de een doodde den ander. Terwijl Oscar nog adem haalt, al was er op zijn lijf geen hand breedte meer zonder een wond, vond zijn vader hem:
"Ik vond hem liggend, mijn eigen zoon, Op zijn linker elboog, het schild aan de zij; Zijn rechter hand omknelde het zwaard, Door zijn kolder vloeide het bloed.
"Oscar blikte naar mij op-- Wee was mij dat gezicht! Hij strekte beide' armen naar mij uit, Trachtend op te rijzen en mij te gemoeten.
"Ik greep de hand van mijn zoon En zette mij aan zijn linker zij; En sinds ik daar zat bij hem, Kon niets op aarde meer mij deren."
Wanneer Finn (in de Schotsche lezing) om zijn kleinzoon komt treuren, roept hij uit:
"Wee, dat niet ik het was die viel In den slag van het kaal zonnig Gavra. En dat gij schreedt rechts en links Voor de Fians uit, Oscar.
Maar Oscar antwoordt:
"Waart gij de gevallene In den slag van het kaal zonnig Gavra. Niet één zucht, rechts noch links, Zou om u gehoord zijn van Oscar.
"Niemand wist ooit Sloeg in mijn borst een hart van vleesch, Dan wel een van kronkelend hoorn En daar over een schede van staal.
"Maar het huilen der doggen naast mij, En de weeklacht der oude helden, En het beurlings weenen der vrouwen, Dat kwelt mij het hart."
Oscar sterft na de goden te hebben gedankt voor zijn vader's redding, Oisin en Keelta lichten hem op een baar van speren en dragen hem weg onder zijn banier "De Vreeselijke Schoof", om te worden begraven op het veld waarop hij stierf en waar een groote groene grafheuvel nog zijn naam draagt. Finn neemt geen deel aan den slag. Men zegt dat hij later "met een schip" kwam om het slagveld te overzien en dat hij schreide om Oscar, iets dat hij nog slechts eenmaal te voren had gedaan, om zijn hond Bran, dien hij zelf bij ongeluk doodde. Misschien is de vermelding van het schip een aanwijzing, dat hij toen niet meer tot de levenden behoorde en de aarde weer kwam bezoeken van uit het overzeesche rijk des Doods.
Er is in dit verhaal van den slag van Gowra een melancholieke grootschheid, die daaraan een bijzondere plaats geeft in de Ossian'sche literatuur. Het is een passende lijkzang voor een legendair tijdvak. Campbell vertelt ons dat de Schotsche boertjes en schaapherders gewoon waren hun mutsen af te zetten als zij het opzegden. Hij voegt er een zonderling en roerend brok modern folklore bij, dat daarmee in verband staat. Twee mannen, zoo heet het, waren 's nachts uit, waarschijnlijk om schapen te stelen, of voor een andere roofexpeditie, en onder het gaan vertelden zij Fian-verhalen, toen zij twee reusachtige schimachtige gedaanten zagen die met elkander spraken over het dal heen. Een van de verschijningen zeide tot de andere: "Ziet ge dien man daar beneden? Ik was bij de tweede gevechtslijn op den dag van Gowra en deze man daar weet alles daarvan beter dan ik zelf".
Het einde van Finn.
Wat Finn zelf aangaat, het is zonderling dat in al wat er bestaat van de Ossian'sche literatuur geen volledig verhaal van zijn dood voorkomt. In de dichterlijke legenden wordt er van gewaagd en schrijvers van annalen bepalen zelfs den datum er van, maar de berichten komen niet overeen en dat geldt ook van de data. Noch van de schrijvers van annalen, noch van de dichters kan over het onderwerp helder licht worden verkregen. Finn schijnt te zijn opgelost in den toovernevel, die zoovele van zijn daden bij zijn leven omgeeft. Maar volgens een volkoverlevering stierven hij en zijn groote metgezellen Oscar en Keelta en Oisin en de rest nooit, maar worden zij, evenals Keizer Barbarossa, vastgehouden in een betooverd hol, waar zij den bepaalden tijd afwachten om roemrijk weer te verschijnen en hun land te verlossen van tirannie en onrecht.
HOOFDSTUK VII: DE REIS VAN MAELDUN.
Naast de legenden die zich om groote heldhaftige namen ophoopen en het karakter van geschiedenis dragen, of althans beweren te dragen, zijn er vele andere, groote en kleine, die van avonturen vertellen die zich geheel bewegen in romantische sferen, buiten aardsche ruimte en tijd. Als een staal er van geef ik hier den korten inhoud van de "Reis van Maeldun," een zeer merkwaardig en schitterend werk van verdichting, voorkomend in het handschrift getiteld het "Boek van de Dun Koe" (omstreeks 1100) en andere oude bronnen, en uitgegeven met een vertaling (waaraan ik hier de volgende uittreksels ontleen) door dr. Whitley Stokes in de "Revue Celtique" van 1888 en 1889. Het is slechts een van de vele dergelijke wonderreizen die men in de oude Iersche literatuur aantreft, maar men denkt dat het de eerste van allen en een model voor de anderen is geweest, en het heeft de eer gehad--in den verkorten en gewijzigden vorm door Joyce gegeven in zijn "Oude Keltische Verhalen"--de stof te hebben geleverd voor de "Reis van Maeldune" aan Tennyson, die daarvan een verwonderlijke schepping heeft gemaakt van rythmus en kleur, een soort allegorie der Iersche geschiedenis vormend. Men zal aan het slot opmerken dat wij in het ongewone geval verkeeren dat wij den naam kennen van den auteur van dat stuk primitieve literatuur, hoewel hij geen aanspraak er op maakt de "Reis" te hebben samengesteld, maar alleen de gebeurtenissen er van te hebben "geordend." Jammer genoeg kunnen wij niet zeggen wanneer hij leefde, maar het verhaal zooals wij het kennen, dateert vermoedelijk van de negende eeuw. De sfeer er van is zuiver christelijk en het heeft geen mythologische beteekenis dan voor zoover het leert, dat de duistere bevelen van waarzeggers moeten worden gehoorzaamd. Geen avontuur of zelfs bijzonderheid van gewicht is weggelaten in het volgend overzicht van het verhaal, dat aldus volledig wordt gegeven omdat de lezer het kan beschouwen als vertegenwoordigend een groot en belangrijk deel der Iersche legende-literatuur. Behalve de bron waaruit ik put, de "Revue Celtique," is mij geen andere getrouwe Engelsche reproductie van dit verwonderlijk verhaal bekend.
De "Reis van Maeldun" begint zooals Iersche verhalen vaak doen, met ons te vertellen hoe de held ter wereld kwam.
Daar was een beroemd man van de clan der Owens van Aran, genaamd Ailill van den Rand van den Slag, die zijn koning op een strooptocht vergezelde naar een ander gebied. Op zekeren nacht kampeerden zij bij een kerk en een nonnenklooster. Te middernacht zag Ailill, die zich bij de kerk bevond, een non uit het klooster komen om de klok te luiden voor het gebed en hij vatte haar bij de hand. In oud-Ierland werden godsdienstige personen in oorlogstijd niet bijster ontzien en Ailill ontzag de non niet. Toen zij scheidden, zeide zij tot hem: "Van welken stam zijt gij en wat is uw naam?" Daarop zeide de held: "Ailill van den Rand van den Slag is mijn naam en ik ben van de Owens van Aran, in Thomond."
Niet lang daarna werd Aillil gedood door roovers uit Leix, die de kerk van Dooclone boven zijn graf verbrandden.
Op zijn tijd werd de non een zoon geboren en zij gaf hem den naam Maeldun. Hij werd heimelijk gebracht naar haar vriendin, de koningin van het gebied, en deze bracht Maeldun groot. "Hij was inderdaad welgemaakt en het is de vraag of er ooit iemand zoo schoon was als hij. Zoo groeide hij op, totdat hij geschikt was wapens te dragen. Hij was toen zeer levendig, vroolijk en dartel. Bij het spelen overtrof hij al zijn makkers in het werpen van ballen, in loopen en springen, werpen met steenen en narennen van paarden."
Eens tergde hem een trotsche jonge krijgsman, dien hij had verslagen, omdat hij niets wist van zijn familie en afkomst. Maeldun ging tot zijn pleegmoeder, de koningin, en zeide: "Ik zal niet eten of drinken vóór gij mij zegt wie mijn moeder en mijn vader zijn." "Ik ben uw moeder", zeide de koningin, "want geen vrouw had ooit haar zoon meer lief dan ik u lief heb". Maar Maeldun drong er op aan alles te weten en de koningin bracht hem ten slotte tot zijn eigen moeder, de non, die hem zeide: "Uw vader was Ailill van de Owens van Aran." Toen ging Maeldun naar zijn eigen familie, die hem goed ontving; en hij nam als gasten mee zijn drie geliefde pleegbroeders, zonen van den koning en de koningin die hem hadden groot gebracht.
Een poos later was Maeldun toevallig met een troep jonge krijgslieden samen, die op het kerkhof van de vernielde kerk van Doocloone steenen wilden gooien. Maeldun had, terwijl hij een steen oplichtte, den voet geplant op een verschroeiden en zwarten zandsteen; en een monnik, Briccne [189] geheeten, die er bij stond, zeide tot hem: "Het ware beter dat gij den man wreektet die hier verbrand werd, dan steenen te werpen over zijn verbrande beenderen."
"Wie was dat?" vroeg Maeldun.
"Ailill, uw vader", zeide men hem.
"Wie versloeg hem?", vroeg hij.
"Roovers uit Leix", zeiden zij, "en zij doodden hem op deze plaats."
Toen wierp Maeldun den steen neer, dien hij op het punt stond te gooien, en sloeg zijn mantel om zich heen en ging naar huis; en hij vroeg den weg naar Leix. Men zeide hem dat hij daar alleen over zee kon komen [190].
Op raad van een Druïde bouwde hij zich nu een boot, of visschersboot, van huiden driemaal over elkaar gewikkeld om een houten geraamte; en de waarzegger zeide hem ook dat zeventien mannen slechts hem moesten vergezellen, op welken dag hij moest beginnen met den bouw van de boot en op welken dag hij zee moest kiezen.
Toen zijn troep gereed was, stak hij van wal en heesch het zeil, maar hij had nog slechts een korten afstand afgelegd toen zijn drie pleegbroeders naar de baai kwamen en smeekten hen mee te nemen. "Gaat naar huis", zeide Maeldun, "want ik mag niet meer meenemen dan ik nu heb". Maar de drie jongelingen wilden niet van Maeldun scheiden en zij wierpen zich in zee. Hij keerde om, opdat zij niet zouden verdrinken en nam hen op in zijn boot. Zooals wij zullen zien, werden alle gestraft voor deze overtreding, en werd Maeldun tot zwerven veroordeeld, totdat hij had geboet.
Iersche barden-verhalen munten uit in hun inzet. Zooals gewoonlijk is in dit geval de _mise-en-scène_ bewonderenswaardig bedacht. Het nu volgend verhaal vertelt hoe, na op een eiland den man te hebben gezien die zijn vader doodde, maar niet in staat daar te landen, Maeldun en zijn gezelschap in volle zee worden gedreven, en een groot aantal eilanden bezoeken, waarop zij vele vreemde avonturen hebben. Feitelijk wordt het verhaal een _cento_ (reeks) van vertellingen en gebeurtenissen, sommige niet zeer belangwekkend, terwijl in andere, zooals het avontuur van het Eiland met den Zilveren Pijler, of het Eiland met den Brandenden Muur, of dat waarin de episode van den arend plaats heeft, het Keltische gevoel voor schoonheid, fantasie en mysterie op een in de literatuur misschien onovertroffen wijze tot uitdrukking komt.
In de hier volgende bewerking heb ik de verzen, die Joyce aan het slot van elk avontuur geeft, weggelaten. Zij recapituleeren slechts het proza-verhaal en worden niet gevonden bij de oudste handschrift-autoriteiten.
Het eiland van den moordenaar.
Maeldun en zijn bemanning hadden den ganschen dag en den halven nacht geroeid, toen zij twee kleine naakte eilanden bereikten, met twee forten er op; men hoorde gewapende mannen twisten. "Blijf op een afstand van mij", riep een hunner, "want ik ben meer dan gij. Ik was het die Ailill van den Rand van den Slag doodde en de kerk van Doocloone boven zijn graf verbrandde en geen bloedverwant heeft zijn dood op mij gewroken. En gij hebt nooit zoo iets gedaan".