Keltische Mythen en Legenden

Chapter 23

Chapter 233,921 wordsPublic domain

Finn vraagt de reden van dit verbod en die is: van de drie krijgers moet er elken nacht een sterven en de beide anderen moeten hem bewaken; daarom wilden zij niet gestoord worden. Een verklaring hiervan wordt niet gegeven; de schrijver laat ons onder den indruk van het mysterie.

De schoone reuzin.

Daar is, om een ander voorbeeld te kiezen: het verhaal van de schoone reuzin. Op zekeren dag toen Finn en zijn krijgslieden aan het middagmaal van de jacht uitrustten, zagen zij een reusachtige gedaante naderen. Het bleek te zijn een jonge reuzenmaagd, die zeide te heeten Vivionn (Bebhionn), dochter van Treon, uit het Land der Maagden. De gouden ringen aan haar vingeren waren zoo dik als het juk van een os en zij was verblindend schoon. Toen zij haar vergulden, met juweelen bezetten helm afzette stroomde haar mooi, golvend gouden haar in zeven maal twintig krullen uit elkaar en Finn riep: "Groote Goden, die wij aanbidden, Cormac en Ethné en de vrouwen van de Fianna zouden het een geweldig wonder achten Vivionn, de bloeiende dochter van Treon, te zien." De maagd verhaalde dat zij tegen haar zin was verloofd met een minnaar, Aeda geheeten, de zoon van een naburigen koning; dat zij van een visscher, die door den storm naar haar kust was gedreven, had vernomen van Finn's macht en edelen aard, en nu was gekomen om zijn bescherming in te roepen. Terwijl zij sprak merkte de Fianna opeens, dat een tweede reusachtige gedaante nabij was. Het was een jonge man met fijne trekken en boven beschrijving schoon, die een rood schild en een geweldige speer droeg. Zonder iets te zeggen naderde hij en voordat de verbaasde Fianna hem kon toespreken dreef hij zijn speer door het lijf der maagd en ging verder. Woedend over deze schending van zijn bescherming, riep Finn zijn hoofden op om den moordenaar te achtervolgen en te dooden. Keelta en anderen zetten hem achterna naar het zeestrand en volgden hem in de branding, maar hij schreed voort in de zee en een groote galei kwam hem tegemoet en voerde hem weg naar onbekende streken. Ontmoedigd bij Finn terugkomend, vonden zij de maagd stervend. Zij verdeelde haar goud en juweelen onder hen en de Fianna begroef haar onder een grooten heuvel, en richtte een steenen pilaar op haar graf op met haar naam in Ogham schrift, op de plaats sedert dier, geheten de Hoogte van de Doode Vrouw.

In dit verhaal vindt men naast het geheimzinnige element, dat der schoonheid. Deze vereeniging komt vaak voor in dit tijdperk der Keltische literatuur; en hieraan is het misschien te danken dat, hoewel deze verhalen van nergens schijnen te komen en nergens heen te leiden, maar zich bewegen in een droomwereld waar geen jacht is of hij schijnt te eindigen in het Tooverland en geen gevecht dat eenig verband houdt met aardsche nooden of doeleinden, waar al wat wezenlijk is geneigd is zich op te lossen in een tooverlicht en van gedaante verandert als een ochtendnevel, zij toch in het geheugen blijven hangen, met die steeds werkende bekoring die ze gedurende vele eeuwen in leven heeft gehouden aan den haard van den Galischen boer.

St. Patrick, Oisin en Keelta.

Alvorens van het "Gesprek" af te stappen moet een ander belangrijk punt worden vermeld in verband er mee. Voor het gewone publiek zijn vermoedelijk de meest bekende dingen in Ossian'sche literatuur--ik heb hiermede natuurlijk op het oog de echte Keltische poëzie onder dien naam, niet den pseudo-Ossian van Macpherson--die dialogen waarin de heidensche en de christelijke idealen tegenover elkander worden gesteld, vaak in een geest van luimige overdrijving, of van satire. De vroegste van die stukken worden gevonden in het manuscript geheeten "Het boek van den Deken van Lismore", waarin James Macgregor, Deken van Lismore in Argyllshire, eenigen tijd vóór het jaar 1518, neerschreef al wat hij zich kon herinneren of op het spoor komen van traditioneele Galische poëzie in zijn tijd. Het valt op te merken dat tot op die periode en, trouwens, lang daarna Schotsen en IerschKeltisch eén taal en een literatuur vormden, waarvan de groote geschreven monumenten in Ierland waren, al behoorden zij evenzeer aan den Kelt van de Hooglanden, en de twee takken van het Keltisch hadden een volstrekt gemeenschappelijken voorraad van dichterlijke overlevering. Deze Oisin-en-Patrick dialogen worden in grooten getale gevonden zoowel in Ierland als in de Hooglanden, hoewel, zooals ik zeide, "Het boek van den Deken van Lismore" het eerste thans bestaande geschrift is, waarin ze zijn opgeteekend. Welk verband bestaat er dan tusschen deze dialogen en de Keelta-en-Patrick dialogen waarmede wij kennis maken in het "Gesprek." De vragen welke inderdaad het oudst waren, waar zij respectievelijk ontstonden en welke strooming van gedachte of gevoel elk vertegenwoordigde, vormen een letterkundig probleem van het grootste gewicht, zooals Alfred Nutt heeft aangetoond; en een dat geen criticus tot hiertoe heeft getracht op te lossen, of zelfs--tenzij heel kort geleden--aan de orde te stellen. Want hoewel deze beide pogingen om, in fantastischen en artistieken vorm, de voeling tusschen heidendom en Christendom voor te stellen bijna identisch zijn in bewerking en omlijsting, behalve dat de eene in verzen is, de ander in proza, verschillen zij toch sterk in hun opvatting.

In de Oisin-dialogen [182] is veel ruwe scherts en onrijpe theologie, meer overeenkomstig die van een Engelsch mysteriespel dan eenig mij bekend Keltisch geschrift. St. Patrick is, zooals Nutt opmerkt, in deze balladen "een knorrige en domme dweper die het vervelend eentonig steeds heeft over de verdoemenis van Finn en zijn makkers; een hardvochtig meester voor den armen ouden blinden reus dien hij voedsel misgunt en tegen wien hij minne streken uithaalt om hem door angst tot het Christendom te drijven". Nu bevat het "Gesprek" hiervan niets. Keelta wordt Christen met heel zijn hart en volkomen overgave en aan de vrienden en metgezellen van zijn jeugd wordt verlossing niet ontzegd. Zelfs verzekert Patrick Keelta van de verlossing van verscheidene hunner, o.a. van Finn zelf. Een van het Danaansche volk, die bard is geweest bij de Fianna, bracht Patrick in verrukking met zijn zangen. Brogan, de schrijver dien St. Patrick gebruikt om de Fian-legenden op te teekenen zegt: "Indien er muziek is in den hemel, waarom zou ze niet op aarde zijn? Daarom is het ook niet goed de zangen van de minstreels te weren". Patrick antwoordde: "Zoo iets zeg ik dan ook niet" en inderdaad den minstreel wordt de hemel beloofd voor zijn kunst.

Aldus zijn de aangename verhoudingen die in het "Gesprek" overheerschend zijn, tusschen de vertegenwoordigers der twee tijdperken. Keelta vertegenwoordigt al wat hoffelijk, waardig, edelmoedig en dapper is in het heidendom, en Patrick al wat liefderijk en beminnelijk is in het Christendom; en in plaats dat de twee tijdperken in heftig antagonisme tegenover elkander staan en door een niet te overbruggen kloof zijn gescheiden, blijken al de schoonste trekken in elk met elkander overeen te stemmen en elkander aan te vullen.

Verhalen van Dermot.

Een aantal eigenaardige legenden hebben tot middelpunt Dermot O' Dyna, die vermeld is als een van Finn mac Cumhal's bekendste volgelingen. Hij zou kunnen worden beschreven als een soort Galische Adonis, een type van schoonheid en aantrekkelijkheid, de held van tallooze liefde-verhalen; en, evenals Adonis, werd zijn dood veroorzaakt door een wild zwijn.

De ever van Ben Bulben.

De ever was geen gewoon beest. Ziehier de geschiedenis van zijn afkomst: Donn, de vader van Dermot, gaf het kind aan Angus Og om het groot te brengen in zijn paleis aan de Boyne. Zijn moeder, die Donn ontrouw was, baarde een ander kind, waarvan Roc, de opzichter van Angus, de vader was. Eens, toen het kind van den opzichter tusschen de knieën van Donn liep om aan sommige honden te ontkomen die op den vloer van de hal vochten drukte Donn het zoo tusschen zijn knieën dat het onmiddellijk werd gedood en hij wierp toen het lijkje den honden toe. Toen de opzichter zijn kind dood vond en (met behulp van Finn) de oorzaak ontdekte, haalde hij de staf van een Druïde en sloeg er het lijk mee, waarop, in plaats van het doode kind, een groot wild zwijn verrees, zonder ooren of staart; en hij sprak tot het beest: "Ik draag u op Dermot O' Dyna den dood te brengen"; en het beest holde de hal uit en zwierf rond in de bosschen van Ben Bulben in het graafschap Sligo tot de tijd kwam dat zijn bestemming zou worden vervuld.

Maar Dermot groeide op tot een prachtigen jongeling, onvermoeid op de jacht, onversaagd in den oorlog, geliefd door al zijn makkers van de Fianna, waarbij hij zich voegde zoodra hij daartoe den leeftijd had.

Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.

Hij heette Dermot van de Liefde-Vlek en een eigenaardige en mooie volksmythe door dr. Douglas Hyde [183] opgeteekend vertelt hoe hij aan die benaming kwam. Op zekeren dag was hij met drie makkers, Goll, Conan, en Oscar, op de jacht, en laat in den avond zochten zij een rustplaats. Zij vonden weldra een hut, waarin zich bevonden een oude man, een jong meisje, een hamel en een kat. Hier vroegen zij gastvrijheid en deze werd hun geschonken. Maar, zooals gewoonlijk in deze mythen, het was een huis van mysterie.

Toen zij gingen zitten om te eten, stond de hamel op en klom op tafel. Een na den ander van de Fianna trachtte hem er af te gooien, maar het dier schudde hen van zich af op den vloer. Goli slaagde er ten slotte in het van de tafel te smijten maar ook hem was het eindelijk de baas en het kreeg hen allen onder zijn voeten. Toen gelastte de oude man de kat den hamel weg te brengen en vast te binden en zij deed dat zonder moeite. De vier kampioenen wilden, diep beschaamd, de hut dadelijk verlaten; maar de oude man maakte hun duidelijk dat hun goede naam niet had geleden--de hamel waarmede zij hadden gevochten, was de Wereld, en de kat was de macht die de wereld zelf zou vernielen, namelijk de Dood.

Toen het nacht was begaven de vier helden zich ter ruste in een groote kamer en het jonge meisje kwam in dezelfde kamer slapen; en het heet dat haar schoonheid de muren van de kamer bestraalde als een kaars. Een na den ander van de Fianna ging naar haar bed, maar zij weerde allen af. "Ik behoorde u eenmaal toe", zeide zij tot elk, "en zal dat nimmer weer doen". Dermot kwam het laatst. "O, Dermot", zeide zij, "ook u gaf ik mij eenmaal, en ik kan dat nooit weer doen, want ik ben Jeugd; maar kom hier en ik zal u zoo teekenen, dat geen vrouw u ooit kan zien zonder u te beminnen". Toen raakte zij zijn voorhoofd aan en liet de Liefde-Vlek daar; en dat wekte de liefde der vrouwen voor hem zoolang hij leefde.

De vervolging van den harden knecht.

De vervolging van den Gilla Dacar is een ander Fian-verhaal waarin Dermot een hoofdrol speelt. De Fianna, zoo luidt de geschiedenis, was op zekeren dag op de jacht op de heuvels en door de bosschen van Munster en terwijl Finn en zijn kapiteins op een heuvelrug stonden te luisteren naar het blaffen der honden en de tonen van den jachthoorn uit het donkere bosch onder hen, zagen zij een kolossalen, leelijken, wanstaltigen boer naderen, die een groote grof gebouwde merrie bij den halster voort trok. Hij gaf te kennen dat hij bij Finn in dienst wenschte te treden. Men noemde hem, zoo zeide hij, Gilla Dacar (de harde Gilly) omdat hij de stugste knecht was van wien ooit een heer diensten en gehoorzaamheid kreeg. Ondanks dat weinig belovend begin, nam Finn, wiens beginsel was nooit eenig verzoeker af te wijzen, hem in zijn dienst; en de Fianna begon nu hun ruwen makker tot mikpunt van allerlei grove grappen te maken, die daarmee eindigden dat dertien hunner, o.a. Conan de Kale, allen het paard van den Gilla Dacar bestegen. De nieuweling klaagde hierop dat men hem voor den gek hield en hij schuifelde in groot misnoegen weg totdat hij over den heuvelrug was, toen stroopte hij zijn kleeren op en liep in westelijke richting, sneller dan de wind in Maart, naar het zeestrand in het graafschap Kerry. Het paard, dat tot dusverre met hangende ooren had stil gestaan terwijl de dertien berijders het te vergeefs afrosten om het aan het loopen te brengen, wierp nu opeens den kop omhoog en rende in een woest galop zijn meester achterna. De Fianna liep mee, zoo goed als het ging onder het lachen, terwijl Conan, verschrikt en woedend, hen uitschold, omdat zij hem en zijn makkers niet ter hulp kwamen. Ten slotte werd de zaak ernstig. De Gilla Dacar sprong in zee en de merrie volgde hem met haar dertien berijders en nog een die er in geslaagd was haar bij den staart vast te houden juist toen zij het strand verliet; en allen verdwenen weldra in het fabelland van het Westen.

Dermot bij de bron.

Finn en de rest der Fianna berieden nu met elkander wat zij zouden doen, en zij kwamen ten slotte overeen een schip uit te rusten en hun makkers te gaan zoeken. Na vele dagen reizens bereikten zij een eiland door steile rotsen beveiligd. Als de vlugste van den troep, werd Dermot O'Dyna gezonden om ze te beklimmen en, zoo hij kon, een middel te vinden om de rest van den troep naar boven te helpen. Toen hij op den top kwam bevond hij zich in een heerlijk land vol vogelgezang en bijengegons en beekjesgemurmel, maar zonder teeken van te zijn bewoond. Een donker bosch ingaand, kwam hij spoedig aan een bron, waarbij een vreemd bewerkte drinkhoorn hing. Toen hij dien vulde om er uit te drinken kwam er uit de bron een dof, dreigend gemompel, maar hij had te veel dorst, om zich daaraan te storen, en hij dronk volop. Kort daarop kwam een gewapend krijgsman door het bosch, die hem heftige verwijten deed, omdat hij uit zijn bron had gedronken. Toen vochten de Ridder van de Bron en Dermot den geheelen namiddag met elkander, zonder dat de een den ander de baas kon worden; toen het avond werd sprong de ridder eensklaps in de bron en verdween. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde; op den derden dag echter, sloeg Dermot, toen de ridder den sprong wilde doen, de armen om hem heen, en beiden gingen samen in de diepte.

De verlossing uit het Tooverland.

Dermot bevond zich nu, na een oogenblik van duisternis en bewusteloosheid, in het Tooverland. Een man met een waardig uiterlijk deed hem bijkomen en bracht hem naar het kasteel van een machtig koning, waar hij gastvrij werd onthaald. Men beduidde hem dat de diensten van een kampioen als hij noodig waren om strijd te voeren tegen een mededingend monarch. Het is hetzelfde motief dat men vindt in de avonturen van Cuchulain met Fand en dat zoo dikwijls in Keltische tooververhalen opduikt. Finn en zijn makkers, ziende dat Dermot niet tot hen terugkeerde, bereikten den top der klippen en na door het bosch te zijn getrokken, kwamen zij aan een groot hol, dat hen ten slotte voerde naar hetzelfde land waar Dermot was aangekomen. Ook vernamen zij dat daar waren de veertien mannen der Fianna, die met de merrie van den Harden Gilly waren meegevoerd. Hij was natuurlijk de koning die hun diensten noodig had en die dit middel had bedacht om een dertigtal van den bloem der Iersche krijgslieden tot zich te lokken. Finn en zijn mannen gaan met de grootste opgewektheid ten strijde en vernietigen den vijand als kaf; Oscar doodt den zoon van den mededingenden monarch (die de Koning van "Griekenland" is geheeten). Finn verwerft de liefde van zijn dochter, Tasha met de Blanke Armen, en het verhaal besluit met een aardige mengeling van vroolijkheid en mysterie. "Welke belooning verlangt ge voor uw goede diensten?" vraagt de Tooverkoning aan Finn. "Gij waart vroeger in mijn dienst," antwoordt Finn, "en ik herinner me niet u eenige belooning te hebben gegeven. Laat de eene dienst tegenover de andere staan." "Daar zal ik nooit in toestemmen," roept Conan de Kale. "Zal ik geen vergoeding krijgen voor het wegvoeren op uw wilde merrie en over de zee?" "Wat verlangt ge?" vraagt de Tooverkoning. "Geen goud of bezittingen," antwoordt Conan, "maar mijn eer heeft geleden en laat deze voldoening krijgen. Zet tien van uw mooiste vrouwen op de wilde merrie, o koning, en laat uw eigen vrouw haar bij den staart vasthouden, en laat hen naar Eria worden overgebracht, op dezelfde wijze als wij hierheen werden gesleept, en ik zal den smaad, dien wij ondergingen, voldoende geboet achten." Daarop glimlachte de koning, en zich tot Finn wendend zeide hij: "O Finn, aanschouw uw mannen." Finn keerde zich om, om naar hen te kijken, maar toen hij weer omkeek was het tooneel veranderd--de Tooverkoning en zijn heir en de geheele Tooverwereld waren verdwenen en hij bevond zich met zijn metgezellen en de schoonarmige Tasha, staande op den oever van de kleine baai in Kerry, van waaruit de Harde Gilly en de merrie in zee waren gegaan en zijn mannen hadden weggevoerd. En toen maakten allen zich blijde op naar het groote vaste kamp der Fianna op den Heuvel van Allen, om het bruilofsfeest van Finn en Tasha te vieren.

De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche literatuur.

Dit verhaal met zijn boeiende mengeling van humor, fantasie, tooverij en wilde liefde, kan worden beschouwd als een typisch staal van de Fian-legenden op hun best. Vergeleken met de Conoriaansche legenden wijzen zij, zooals ik heb aangeduid, op een eigenaardig gebrek aan eenig heroïsch of ernstig element. Deze edeler stemming stierf uit, naarmate het Christendom meer veld won, dat zich voor bepaalde godsdienstige doeleinden meester maakte van den ernstiger verhevener kant van den Keltischen geest, aan de wereldsche literatuur alleen de elementen van het wonderbaarlijke en romantische overlatend. Zoo volkomen geschiedde dit, dat terwijl de Finn-legenden tot op heden zijn blijven leven onder de Galisch sprekende bevolking en een onderwerp van letterkundige behandeling waren zoolang het Galisch nog werd geschreven, de vroegere cyclus bijna geheel uit de volksherinnering verloren ging, of alleen gebrekkig bleef leven; en zonder de eerste handschriften, waarin de verhalen gelukkig zijn bewaard gebleven, zou zulk een werk als de "Tain Bo Cuailgné"--ongetwijfeld het grootste dat de Keltische geest ooit in de literatuur voortbracht--thans onherroepelijk verloren zijn.

De verhalen van Deirdre en Grania.

Niets kan het onderscheid tusschen de beide cyclen beter toelichten dan een vergelijking van het Deirdre-verhaal met dat hetwelk wij nu moeten behandelen--het verhaal van Dermot en Grania. Dit laatste klinkt van een zeker standpunt beschouwd als een echo van het eerste, zoo groot is de overeenkomst tusschen beiden in de intrige. Daar hebt ge de volgende geschiedenis in geraamte: "Een schoone maagd is verloofd met een befaamd en machtig minnaar, veel ouder dan zij zelf. Zij wendt zich van hem af om een jonger minnaar te zoeken en vestigt haar keus op een van zijn volgelingen, een dappere en schoone jongeling, dien zij, hoewel tegen zijn zin, overreedt met haar te vluchten. Na aan de vervolging te zijn ontkomen, vestigen zij zich voor een poos op een afstand van den bedrogen minnaar, die zijn tijd afwacht, totdat hij ten slotte onder den schijn eener verraderlijke verzoening, den dood van zijn jongeren medeminnaar weet te bewerken en hij de vrouw weer in zijn macht krijgt". Vroeg men een beoefenaar van Keltische legenden naar bovenstaand overzicht te luisteren en te zeggen op welk verhaal het sloeg, hij zou zeker antwoorden dat het moet zijn of het verhaal van de Vervolging van Dermot en Grania, of dat van het Lot der Zonen van Usna; maar welk van de beide zou hij bepaald onmogelijk kunnen zeggen. Toch zijn de beide verhalen in toon en karakter hemelsbreed verschillend.

Grania en Dermot.

In het Fian-verhaal is Grania de dochter van Cormac mac Art, Opperkoning van Ierland. Zij is verloofd met Finn mac Cumhal, dien we in dezen tijd hebben te beschouwen als een oud en in den oorlog vergrijsd, maar nog machtig krijgsman. De beroemde hoofdlieden der Fianna komen allen te Tara bijeen voor het bruiloftsfeest, en als zij aan het maal zijn gezeten, laat Grania haar blikken over hen gaan en vraagt hun namen aan haar vader's Druïde, Dara. "Het is vreemd" zegt zij, "dat Finn mij niet voor Oisin vroeg, in plaats van voor zich zelf. "Oisin zou u niet durven nemen," zegt Dara. Na de ronde te hebben gedaan door het gezelschap, vraagt Grania: "Wie is die man met de vlek op zijn voorhoofd, met de lieflijke stem, krullend donker haar en blozende wangen?" "Dat is Dermot O'Dyna," antwoordt de Druïde, "met de witte tanden, helder gelaat, de beste minnaar van vrouwen en maagden in de geheele wereld." Nu bereidt Grania een slaapdrank, dien zij door haar vrouwelijke bediende in een beker laat rondgaan bij den koning, bij Finn en het geheele gezelschap, met uitzondering van de hoofden der Fianna. Als de drank zijn werking heeft verricht, gaat zij tot Oisin. "Wilt ge dat ik u minne, Oisin?" vraagt zij. "Dat wil ik niet," zegt Oisin, "en ook geen andere vrouw die met Finn verloofd is." Grania, die heel goed wist wat Oisin's antwoord zou zijn, wendt zich nu tot Dermot, op wien zij het in werkelijkheid begrepen had. Eerst weigert hij iets met haar te maken te hebben. "Ik leg u de verplichting (_geise_) op, o Dermot, mij hedenavond uit Tara te voeren." "Dat is een slechte verplichting," zegt Dermot, "en waarom legt ge mij die op en niet aan de koningszonen die aan deze tafel zijn gezeten?" Grania verklaart dan dat zij Dermot altijd heeft lief gehad sedert zij hem, jaren tevoren van uit haar zonnig prieel, zag deelnemen aan een grooten werpwedstrijd, op de weide te Tara, en dien winnen. Dermot, nog altijd zeer onwillig, bepleit Finn's verdiensten en voert bovendien aan dat Finn de sleutels der koninklijke vesting heeft, zoodat zij die 's nachts niet kunnen verlaten. "In mijn priëel is een geheime poort," zegt Grania. "Ik ben onder _geise_ niet door een poort te gaan," antwoordt Dermot, nog worstelend tegen zijn noodlot. Grania wil niets van deze uitvluchten weten--men heeft haar gezegd dat elke Fian-krijgsman over een palissade kan springen met behulp van zijn speer als polsstok; en zij gaat alles in gereedheid brengen voor haar schaking. In groote verlegenheid wendt Dermot zich tot Oisin, Keelta, Oscar en de anderen, om te weten wat hij moet doen. Allen heeten hem zijn _geise_ na te komen--de verplichting die Grania hem had opgelegd om haar te helpen--en met tranen neemt hij afscheid van hen.

Buiten het prieel gekomen smeekte hij Grania andermaal terug te keeren. "Ik zal zeker niet terug gaan," zegt Grania, "of van u scheiden voordat de dood ons scheidt." "Dan, vooruit, o Grania", zegt Dermot. Na een mijl te hebben afgelegd zegt Grania: "Ik ben heusch moede, o kleinzoon van Dyna." "Het is het geschikte oogenblik om moede te zijn", zegt Dermot, die een laatste poging doet om uit de klem te raken, "en nu weer naar uw huishouding terug te gaan, want ik verklaar als echt krijgsman dat ik in der eeuwigheid niet u of een andere vrouw zal dragen." "Dat is niet noodig," zegt Grania en zij wijst hem aan waar hij paarden en een wagen vinden kan, en Dermot, zich ten slotte in het onvermijdelijke schikkend, spant de paarden in en zij slaan den weg in naar de wadde van Luan aan de Shannon. [184]

De vervolging.