Keltische Mythen en Legenden

Chapter 22

Chapter 224,025 wordsPublic domain

Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op de plek geheeten het Dal van de Lysters [177], zag hij op een veld op den heuvelkant een aantal mannen, die een grooten rolsteen van hun beploegd land trachtten te wentelen, en een opzichter die hun bevelen gaf. Hij reed op hen af met het voornemen hun te vragen naar Finn en de Fianna. Toen hij naderde hielden allen met hun werk op om hem aan te staren, want hij leek hun een bode van het Toovervolk of een engel uit den hemel. Hij was langer en forscher dan de mannen die zij kenden, met staalblauwe oogen en gebruinde blozende wangen; in zijn mond als het ware rijen paarlen en blond haar krulde onder den helmrand uit. En toen Oisin naar hun nietige gestalten keek, door arbeid en zorg gekromd, en naar den steen dien zij met moeite uit zijn bedding trachtte te lichten, werd hij door medelijden bezield en hij dacht bij zichzelf: "Zóó waren zelfs niet de lijfeigenen van Erin toen ik ging naar het Land der Jeugd" en hij bukte van uit zijn zadel om hen te helpen. Hij zette zijn hand tegen den steen en met een geweldigen ruk lichtte hij hem op en liet hem van den heuvel rollen. En de mannen juichten hem in verbazing toe; maar weldra ging hun gejuich over in kreten van schrik en verslagenheid, en zij vluchtten, elkander verdringend en omver gooiend in hun haast om weg te komen van de vreeselijke plek, want een verschrikkelijk wonder had plaats gehad. Oisin's zadelriem was gebroken terwijl hij den steen had opgelicht en hij viel met het hoofd voor op den grond. Oogenblikkelijk daarna was het witte ros uit hun oogen verdwenen als een kring van mist en dat wat zwak en waggelend van den grond oprees was geen jeugdig krijgsman, maar een hoogbejaard man, met witten baard en uitgedroogd, die tastend de handen uitstrekte en zwak en bitter kreunde. En zijn donkerroode mantel en geel zijden tuniek waren nu slechts grove eigengesponnen stof met een gordel van hennep bevestigd en het zwaard met goud gevest was een ruwe eiken stok, zooals bedelaars dragen, die de wegen afloopen van het eene boerenhuis naar het andere.

Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold, kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen op den grond, het gezicht in de armen verborgen. Zij lichtten hem op en vroegen wie hij was en wat hem was overkomen. Oisin keek met doffen blik om zich en zeide toen: "Ik was Oisin, de zoon van Finn, en ik bid u, zeg mij waar hij woont, want zijn burcht op den Heuvel van Allen is nu een wildernis en ik heb hem niet gezien of zijn jachthoorn gehoord van de westelijke tot de oostelijke zee". Toen keken de mannen elkander en Oisin vreemd aan, en de opzichter vroeg: "Welken Finn bedoelt gij, want daar zijn velen van dien naam in Erin?" Oisin zeide: "Natuurlijk Finn mac Cumhal mac Trenmor, hoofdman van de Fianna van Erin". Toen zeide de opzichter: "Gij zijt gek, oude man, en ge hebt ons gek gemaakt, dat we u hielden voor een jongeling, zooals wij straks deden. Maar wij althans zijn nu weer bij ons verstand, en wij weten dat Finn zoon van Cumhal en zijn geheel geslacht al drie honderd jaren dood zijn. In den slag van Gowra viel Oscar, zoon van Oisin, en Finn in den slag van Brea, zooals de geschiedschrijvers ons vertellen, en de liederen van Oisin, van wien niemand weet hoe hij gestorven is, worden op groote lui's feesten door onze harpspelers gezongen. Maar nu is de Talkenn [178], Patrick, in Ierland gekomen en heeft ons gepreekt van den Eenigen God en van Christus zijn Zoon, door wier macht een einde is gemaakt aan die vroegere tijden en gebruiken; en Finn en zijn Fianna, met hun festijnen en jachten en krijgs- en minnezangen, worden niet zoo bij ons geëerd als de monnikken en de maagden van den Heiligen Patrick en de psalmen en gebeden die dagelijks opgaan om ons te reinigen van zonden en ons te redden van het vuur van het laatste oordeel". Maar Oisin antwoordde, slechts half hoorend en nog minder begrijpend wat tegen hem was gezegd: "Indien uw God Finn en Oscar heeft gedood, zou ik zeggen dat God een sterk man is". Toen gingen zij allen tegen hem te keer en sommigen namen steenen op, maar de opzichter verzocht hen hem met rust te laten totdat de Talkenn met hem had gesproken en totdat hij zou gelasten wat met hem zou geschieden.

Oisin en Patrick.

Zij brachten hem aldus bij Patrick, die hem vriendelijk en gastvrij behandelde en hij vertelde Patrick alles wat hem was wedervaren. Maar Patrick gelastte zijn schrijvers alles nauwkeurig op te teekenen, opdat de herinnering aan de helden die Oisin had gekend, en aan het vroolijke en vrije leven dat zij hadden geleid in de bosschen en dalen en wildernissen van Erin, nimmer door de menschen zou worden vergeten.

Deze merkwaardige legende is alleen bekend door het moderne Iersch gedicht, omstreeks 1750 door Michael Comyn geschreven, een gedicht dat de zwanenzang van de Iersche literatuur kan worden genoemd. Ongetwijfeld bediende Comyn zich van vroeger overleverde stof; maar hoewel de oude gedichten van Ossian ons vertellen van de verlenging van Oisin's leven, zoodat hij St. Patrick kon ontmoeten en hem verhalen doen van de Fianna, zijn de episoden van Niam's liefde en het verblijf in het Land der Jeugd ons alleen bekend uit het gedicht van Michael Comyn.

Het betooverde hol.

Dit verhaal, dat ik put uit S. H. O'Grady's uitgave in "Silva Gadelica", meldt dat Finn eens een groote jacht hield in het district Corann, in Noordelijk Connacht, waarover zekere Conaran heerschte, een heer van het volk van Dana. Vertoornd over het binnendringen der Fianna in zijn jachtgebied, zond hij zijn drie dochters, toovenaressen, om wraak te nemen op de stervelingen.

Finn, zoo luidt het verhaal, en Conan de Kale, met Finn's twee lievelingshonden, sloegen de jacht gade van den top van den heuvel van Keshcorran en luisterden naar het geschreeuw van de opjagers, de hoornstooten en het hondengeblaf, toen zij, op den heuvel loopend, kwamen aan de opening van een groot hol, waarvoor drie tooverkollen waren gezeten met een boos en terugstootend uiterlijk. Zij hadden om drie kromme stokken van hulst naar links strengen draad gewonden en waren daarmede aan het spinnen toen Finn met zijn gevolg kwam. Om hen meer van nabij te zien, naderden de krijgslieden, toen zij zich opeens verstrikt vonden in strengen van het draad dat de tooverkollen over de plek hadden gesponnen als de web van een spin en doodelijke flauwte en beving kwam over hen, zoodat zij zonder moeite door de tooverkollen konden worden vastgebonden en in de donkere schuilhoeken van het hol gebracht. Toen kwamen anderen van de jacht naar Finn zoeken. Allen wedervoer hetzelfde--zij verloren al hun kracht en dapperheid bij de aanraking van het betooverde draad, en werden gekneveld en het hol binnengedragen, totdat de geheele partij gebonden lag, terwijl de honden buiten blaften en huilden.

Nu grepen de heksen hun scherpe, breed gegroefde harde zwaarden en waren op het punt om de gevangenen aan te vallen en hen te dooden, maar eerst keken zij bij de opening van het hol rond, om te zien of er ook een achterblijver was op wien zij nog niet de hand hadden gelegd. Op dat oogenblik kwam Goll mac Morna, "de woedende leeuw, de aanval-toorts, de grootzielige", aanzetten, en er volgde een wanhopig gevecht, dat daarmee eindigde dat Goll twee der tooverkollen in tweeën kliefde en dat hij de derde, Irnan geheeten, bedwong en knevelde. Toen hij op het punt stond haar te dooden, smeekte zij om genade--"Voorzeker, het ware beter voor u de geheele Fianna te hebben"--en hij schonk haar het leven op voorwaarde dat zij de gevangenen zou verlossen.

Zij gingen het hol binnen en eén voor eén werden de gevangenen los gemaakt, te beginnen met den dichter Fergus Truelips en de "mannen der wetenschap", en allen gingen op den heuvel zitten om weer bij te komen, terwijl Fergus een loflied zong ter eere van den redder Goll; en Irnan verdween.

Weldra naderde hun een monster, een toornige furie, met vurige, met bloed beloopen oogen, een wijde muil met brokkelige slagtanden, nagels als die van een wild dier en gewapend als een krijgsman. Zij legde Finn de _geise_ op haar zijn mannen in tweegevecht te geven, totdat zij er genoeg van had. Het was niemand anders dan de derde zuster Irnan, die door Goll was gespaard. Te vergeefs verzocht Finn Oisin, Oscar, Keelta en de andere voornaamste krijgers van de Fianna tegen haar te vechten; allen verklaarden zich niet daartoe in staat, na de slechte behandeling en den smaad die zij hadden ondergaan. Ten slotte, toen Finn zelf op het punt stond tegen Irnan op te treden, zeide Goll: "O Finn, het betaamt u niet met een oud wijf te vechten" en voor den tweeden keer trok hij zijn zwaard tegen deze afschuwelijke vijandin. Ten slotte, na een wanhopig gevecht, doorboorde hij haar schild en haar hart, zoodat het lemmet aan den anderen kant uitstak, en zij viel dood neer. Toen legde de Fianna de burcht van Conaran in de asch en nam alle schatten daar in bezit, terwijl Finn aan Goll zijn eigen dochter gaf, Keva met de Blanke Huid, en terwijl zij de burcht als een hoop gloeiende sintels achterlieten, keerden zij terug naar den Heuvel van Allen.

De jacht van Slievegallion.

Deze mooie geschiedenis, die in dichtvorm is gegeven als zijnde verteld door Oisin, in de Handelingen van het Ossian'sch Genootschap, verhaalt dat Cullan de Smid (hier voorgesteld als een Danaansche godheid), die op of bij de bergen woonde van Slievegallion, in het graafschap Armagh, twee dochters had, Ainé en Milucra, die beiden Finn mac Cumhal beminden. Zij waren jaloersch van elkander; en toen Ainé zich eens liet ontvallen dat zij nimmer een man met grijs haar zou willen hebben, zag Milucra de kans schoon Finn's liefde voor zich alleen te winnen. Zij verzamelde haar vrienden onder de Danaans, om het kleine grijze meer dat ligt op den top van Slievegallion en zij betooverden het water er van.

Deze inleiding, draagt, zooals kan worden opgemerkt, sterke sporen van later aan het oorspronkelijk verhaal te zijn toegevoegd in een tijdperk van mindere ontwikkeling, of door een minder denkende klasse in wier handen de legende was gekomen. De werkelijke beteekenis van de gedaanteverwisseling, die daarin wordt verhaald, is waarschijnlijk veel dieper.

De geschiedenis vertelt verder dat kort daarna Finn's honden, Bran en Skolawn, een hert opjoegen bij den Heuvel van Allen en het noordwaarts dreven totdat de jacht eindigde op den top van Slievegallion, een berg die, evenals Slievenamon [179] in het zuiden, in het oude Ierland een waar brandpunt was van Danaansche tooverkunst en legenden. Finn volgde de honden alleen, totdat het jonge hert op een bergrug verdween. Er naar zoekend, kwam Finn eindelijk bij het kleine meer op den bergtop en zag aan den oever er van een vrouw, wonderbaarlijk schoon, die daar zat te jammeren en te schreien. Finn vroeg waarom zij zoo bedroefd was. Zij zeide dat een gouden ring, waaraan zij veel waarde hechtte, van haar vinger in het meer was gevallen, en zij legde Finn als _geise_ op dat hij in het meer zou springen en den ring voor haar zoeken.

Finn deed aldus, en na in elken schuilhoek van het meer te hebben gedoken, vond hij den ring, en alvorens hij uit het water kwam, gaf hij dien aan de vrouw. Onmiddellijk daarop sprong zij in het meer en verdween. Finn vermoedde toen, dat een of andere betoovering op hem werd bewerkt, en weldra wist hij wat het was, want toen hij op het droge stapte viel hij van louter zwakte neer en toen hij weer opstond was hij een waggelende, zwakke en oude man, met sneeuwwit haar en uitgedroogd, zoodat zelfs zijn trouwe honden hem niet kenden, maar om het meer liepen zoekend naar hun verloren meester.

Inmiddels werd Finn vermist in zijn paleis op den Heuvel van Allen en weldra begaf zich een troep op het spoor waarop men hem het hert had zien jagen. Zij zochten aan het meer op Slievegallion en vonden daar een ellendigen en verlamden ouden man, dien zij ondervroegen, maar die niets anders kon doen dan zich op de borst slaan en jammeren. Ten laatste wenkte de oude man Keelta naderbij te komen, fluisterde hem zwakjes eenige woorden in het oor, en ziet, het was Finn zelf! Toen de kreten van verbazing en gejammer der Fianna ophielden, fluisterde Finn Keelta het verhaal van zijn betoovering toe en hij zeide dat de bewerker er van moest zijn de dochter van Cullan de Smid, die woonde in den tooverheuvel van Slievegallion. De Fianna, Finn op een baar dragend, begaf zich onmiddellijk naar den heuvel en begon met kracht te graven. Drie dagen en nachten achtereen groeven zij in den Tooverheuvel en drongen ten slotte in de binnenste wijkplaatsen; plotseling stond een jonge maagd voor hen, die een drinkbeker van rood goud in de hand hield. Hij werd aan Finn gegeven, die er uit dronk en aanstonds kreeg hij zijn gedaante en zijn schoonheid weer, maar zijn haar bleef nog wit als zilver. Ook dit zou door een anderen dronk in zijn vroegeren staat zijn gebracht, maar Finn liet het blijven zooals het was en zilverwit bleef zijn haar tot den dag van zijn dood.

Op dit verhaal is een zeer treffend, allegorisch drama gebouwd, "De Maske van Finn", door Standish O'Grady, die, ongetwijfeld terecht, de geschiedenis opvat als symboliseerend het verwerven van wijsheid en verstand door lijden. Een leider van mannen moet afdalen tot het meer van tranen en zwakheid en wanhoop kennen, alvorens zijn geest hen kan gebruiken tot groote doeleinden.

Er is een antiek grafmonument op den bergtop dat de boeren van het district nog houden--of hielden in de dagen voor de Openbare Lagere scholen--voor het verblijf van de "Heks van het Meer", en een eigenaardig pad, dat nooit door menschelijke voeten is afgesleten en dat van het rotsgraf voert naar het meer, wordt toegeschreven aan het heen en weer gaan van dat bovennatuurlijk wezen.

Het "Gesprek der Ouden."

Een van de belangwekkendste en aantrekkelijkste overblijfselen van Ossiansche literatuur is het "Gesprek der Ouden", _Agallamk na Senorach_, een lang stuk in verhaaltrant van omstreeks de dertiende eeuw. Het werd uitgegeven met een vertaling in O'Grady's "Silva Gadelica". Het is niet zoozeer een vertelling dan wel een verzameling van vertellingen handig in een mythisch kader geplaatst. Het "Gesprek" begint met ons Keelta mac Ronan en Oisin zoon van Finn voor te stellen, elk vergezeld van acht krijgslieden, al wat overbleef van de groote corporatie der Fianna na den slag van Gowra en de daarop volgende verstrooiing van de Orde. Een levendige beschrijving wordt ons gegeven van de grijze oude krijgers, die hun tijd hebben overleefd en voor het laatst bijeenkomen op de burcht van een vroeger vermaarde aanvoerster Camha geheeten, en van hun melancholiek gesprek over vervlogen dagen, totdat ten slotte een langdurig zwijgen intrad.

Keelta ontmoet St. Patrick.

Ten laatste besluiten Keelta en Oisin van elkander te gaan; Oisin, van wien wij verder weinig hooren, gaat naar den Tooverberg, waar zijn Danaansche moeder (hier Blai geheeten) woont, terwijl Keelta over de vlakte van Meath trekt, totdat hij te Drumderg komt, waar hij St. Patrick en zijn monnikken aantreft. Hoe dit chronologisch mogelijk is, de schrijver geeft zich geen moeite dat te verklaren en hij toont geen bekendheid met de legende van Oisin in het Land der Jeugd. "De geestelijken", aldus het verhaal, "zagen Keelta en zijn troep naderen en vrees beving hen voor de lange mannen met de groote wolfshonden die hen vergezelden, want zij waren niet van denzelfden tijd en een met de geestelijkheid." Patrick besprenkelt daarop de helden met gewijd water, ten gevolge waarvan legioenen van demonen, die over hen heen hadden gezworven, vluchten in de heuvels en dalen, en "de geweldige mannen zetten zich." Na den naam van zijn gast te hebben gevraagd, zegt Patrick dan dat hij een gunst van hem te verzoeken heeft--hij wenschte een bron van zuiver water te vinden om het volk van Bregia en Meath mee te doopen.

De bron van Tradaban.

Keelta, die elke beek en heuvel en sterkte en bosch in het land kent, neemt daarop Patrick bij de hand en geleidt hem "totdat," zooals de schrijver zegt, "zij vlak voor zich een bron zagen, parelend en doorschijnend helder. De grootte en dikte van de kers en van de _fothlacht_, of eereprijs, die er bij groeide bracht hen in verbazing." Toen begon Keelta te vertellen van de vermaardheid en schoonheden van de plek, en droeg een verrukkelijk gedichtje voor tot lof er van.

"O, bron van het Strand der twee Vrouwen, schoon is uw kers, weelderig en vertakt; sedert uw productie ongerept bleef, kan uw beekpunge niet groeien. Buiten uw oevers kan men uw forellen zien, uw wilde zwijnen in de wildernis; de herten van uw schoon rots-land, uw gespikkelde en roodgeborste reeën! Uw eikels en beukenooten alle hangend aan de takken der boomen; uw visch in wijde mondingen van rivieren; lieflijk de kleuren van uw kabbelende stroomen, o gij die azuur-getint zijt en dan weer groen door weerspiegelingen van omringend struikgewas." [180]

St. Patrick en Iersche legende.

Nadat de krijgslieden waren onthaald vraagt Patrick: "Was hij, Finn mac Cumhal, met wien ge waart, een goed heer?" Keelta prijst Finn's edel karakter en beschrijft verder in bijzonderheden de heerlijkheden van zijn huishouding, waarop Patrick zegt:

"Ware het niet dat het vrome leven daaronder lijdt, dat het aanleiding geeft het gebed te verwaarloozen en gemeenschap met God te verzaken, wij zouden, al pratend met u, krijgsman, den tijd snel voelen voorbijgaan!"

Keelta doet een ander verhaal van de Fianna, en Patrick, nu geheel geboeid door den betooveraar, roept uit: "Geluk en zegen mogen met u zijn, Keelta! Dit is voor mij een verlichting van geest en gemoed. En doe ons nu een ander verhaal."

Aldus besluit de inleiding van het "Gesprek." Zooals doorgaans het geval is bij den aanhef van Iersche vertellingen, kon het moeilijk beter zijn aangelegd; de toets is zoo licht, en is zulk een gelukkige mengeling van pathos, poëzie en humor en er is zooveel waardigheid in het schetsen der voorgestelde menschelijke karakters. De rest van het stuk bestaat in het tentoonspreiden van een groote massa topographische en legendaire kennis door Keelta, gevolgd door het onveranderlijke: "Geluk en zegen mogen met u zijn!" van Patrick.

Zij gaan samen, de krijgsman en de heilige, als Patrick naar Tara reist, en telkens wanneer Patrick of een ander van het gezelschap een heuvel, of een sterkte, of een bron ziet, vraagt hij Keelta wat het is, en Keelta zegt dan den naam en vertelt een Fian-legende om die te verklaren, en aldus voert de geschiedenis door een massa legenden, tot dat men een troep uit Tara ontmoet, met den koning aan het hoofd, die nu de rol van vrager op zich neemt. Het "Gesprek", zooals wij het nu voor ons hebben, breekt plotseling af, waar het verhaal hoe de _Lia Fail_ uit Ierland werd gehaald, zal beginnen [181]. De beteekenis van het "Gesprek" ligt in de verhalen van Keelta en de gedichten in den loop er van ingevoegd. Er zijn ongeveer een honderdtal vertellingen, die handelen over strooptochten en veldslagen, minnarijen en festijnen van de Fians, maar het grootste aantal heeft betrekking op het verkeer tusschen het Toovervolk en de Fianna. Tusschen de Fianna en dat volk bestaan voortdurend betrekkingen zoowel van liefde als van oorlog. Sommige der verhalen zijn zeer uitgebreid en bewerkt in den verhevensten stijl, waartoe de schrijver in staat was. Een van de beste is dat van de toover-_Brugh_, of verblijf van Slievenamon, die Patrick en Keelta toevallig voorbijgaan, en waarvan Keelta de volgende geschiedenis vertelt.

De Brugh van Slievenamon.

Eens toen Finn en Keelta en vijf andere kampioenen van de Fianna te Torach, in het noorden, op de jacht waren, joegen zij een mooi ree op dat voor hen uit vluchtte en dat zij den ganschen dag achterna zetten, totdat zij tegen den avond den berg van Slievenamon bereikten, toen het ree plotseling onder de aarde scheen te verdwijnen. Zulk een jacht is, in de Ossian'sche literatuur, het gewone voorspel van een avontuur in het Tooverland. De nacht viel nu snel in met zwaren sneeuw en storm, en zoekend naar een schuilplaats, ontdekte de Fianna in het bosch een groote verlichte _Brugh_, of woon, waar zij toegang vroegen. Toen zij binnen kwamen bevonden zij zich in een ruime hal, sterk verlicht, met acht-en-twintig krijgslieden en evenveel schoone maagden met blonde haren: een dezer was gezeten op een zetel van kristal en deed op een harp prachtige muziek hooren. Nadat de Fian-krijgers waren onthaald op de heerlijkste spijzen en dranken, wordt hun verteld dat hun gastheeren zijn Donn, zoon van Midir den Trotsche, en zijn broeder, en dat zij oorlog voeren met de rest van het Danaansche volk en driemaal jaarlijks slag daarmee te leveren hebben op de vlakte voor de _Brugh_. In den beginne had elk van de acht-en-twintig duizend krijgers onder zich. Nu zijn allen verslagen op de aanwezigen na, en de overlevenden hebben een van hun maagden uitgezonden in de gedaante van een ree, om de Fianna naar hun paleis te lokken en hulp te krijgen in den slag die morgen moet worden geleverd. Feitelijk heeft men hier een variant op het welbekende thema van de bevrijding van het Tooverland. Finn en zijn metgezellen zijn altijd bereid tot een gevecht en er volgt een wanhopige slag die van den avond tot den morgen duurt, want het Tooverheir valt 's nachts aan. De aanvallers worden teruggeslagen, en verliezen meer dan duizend van hun mannen; maar Oscar, Dermot en mac Luga worden zwaar gewond. Zij worden door tooverkruiden genezen en er volgen meer gevechten en avonturen, totdat, een jaar later, Finn den vijand dwingt vrede te sluiten en gijzelaars te geven wanneer de Fianna naar de aarde terugkeert en zich bij hun makkers voegt. Nauwelijks heeft Keelta zijn verhaal geëindigd, staande op dezelfde plaats waar zij het Tooverpaleis hadden gevonden in den stormnacht, of men ziet een jong krijgsman naderen. Hij wordt aldus beschreven: "Een hemd van vorstelijk satijn omsloot zijn huid; daarover een tuniek van dezelfde stof en een scharlaken mantel met franje, door een gouden speld op zijn borst bevestigd; in zijn hand een zwaard met goud gevest en een gouden helm op zijn hoofd." Zeer kenmerkend voor deze literatuur is behagen in kleur en stoffelijke praal. Deze schitterende persoonlijkheid blijkt te zijn Donn mac Midir, een van de achtentwintig die Finn had geholpen, en hij komt voor zichzelf en zijn volk hulde brengen aan St. Patrick, die voor den nacht zijn gastvrijheid aanvaardt; want in het "Gesprek" zijn de betrekkingen tusschen de Kerk en de Tooverwereld zeer hartelijk.

De drie jonge krijgers.

Nergens in de Keltische literatuur komt het behagen in wonderen en mysterie zoo merkwaardig tot uiting als in het "Gesprek". De schrijver van dit stuk was een meester in de kunst om, als het ware, de stevige omlijsting der dingen doorzichtig te maken en laat ons er door heen schijnsels van een andere wereld zien, met de onze samenhangend en toch op zich zelf staande, met andere wetten en kenmerkende eigenschappen. Welke die wetten waren komt men nooit te weten. De Kelt maakte, althans in Ierland, geen systeem van het onbekende, maar liet het voor een oogenblik door het ondoorzichtige van onze aarde heen schijnen en het schijnsel dan verdwijnen voordat we begrepen wat wij hadden gezien. Daar is bijv. dit incident in Keelta's beschrijving van de Fianna. Drie jonge krijgers komen bij Finn dienst nemen, vergezeld van een reusachtigen hond. Zij treffen een overeenkomst met hem, zeggend welke diensten zij kunnen bewijzen en welke belooning zij verwachten en stellen als voorwaarde dat zij afgezonderd van de rest van het heir zullen kampeeren en dat wanneer het nacht is geen man bij hen zal komen en hen zien zal.