Keltische Mythen en Legenden

Chapter 21

Chapter 214,164 wordsPublic domain

En een van de voornaamste vrienden van Finn was Dermot van de Liefde-Vlek. Hij was zoo schoon en edel van aanblik, dat geen vrouw hem liefde kon weigeren, en men zegt dat hij nooit van moeheid afwist en dat zijn stap even licht was aan het eind van den langsten dag van strijd of jacht, als aan het begin. Tusschen hem en Finn bestond warme genegenheid, tot op den dag dat Finn, toen een oud man, Grania, dochter van Cormac den Opperkoning, zou huwen; maar Grania deed Dermot bij de gewijde verordeningen van de ridderschap van Fian beloven in haar bruiloftsnacht met haar te vluchten, hetgeen hij, zeer tegen zijn wil, deed en wat hem het leven kostte. Maar Grania ging terug tot Finn en toen de Fianna haar zag, werd door het heele kamp in bitteren spot gelachen, want zij zouden niet een van de vingers van den doode hebben gegeven voor twintig levenden als Grania.

Keelta mac Ronan en Oisin.

Een ander van Finn's hoofdmannen was Keelta mac Ronan, een van zijn opzichters en zoowel krachtig krijgsman als welsprekend voordrager van verhalen en gedichten. En daar was Oisin, de zoon van Finn, de grootste dichter der Kelten, over wien later meer.

Oscar.

Oisin had een zoon, Oscar genaamd, van alle Fians de geweldigste krijger. In zijn eersten slag doodde hij drie koningen en in zijn onstuimigheid doodde hij ook bij ongeluk zijn eigen vriend en medeleerling Linné. Zijn vrouw was de schoone Aideen, die van verdriet stierf na Oscar's dood in den slag van Gowra en Oisin begroef haar op Ben Edar (Howth) en richtte op haar graf de groote dolmen op, die men daar nu nog vindt. Oscar treedt in deze literatuur op als een type van harde kracht, met een hart "als van gedraaid hoorn in een schede van staal", een karakter even zuiver voor den oorlog geschapen als een zwaard of speer.

Geena mac Luga.

Een ander van Finn's sterke mannen was Geena, de zoon van Luga; zijn moeder was de krijgshaftige dochter van Finn en zijn vader na verwant aan haar vader. Hij was opgevoed door een vrouw die den naam droeg van Schoone Mane, die velen van de Fianna had groot gebracht. Toen de tijd om de wapens te dragen voor hem gekomen was, verscheen hij voor Finn en legde den eed van trouw af en Finn stelde hem aan tot kapitein over een afdeeling. Maar mac Luga bleek lui en zelfzuchtig te zijn, steeds snoevend op zich zelf en zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapens, nooit zijn mannen oefenend in de jacht op hert of everzwijn en hij placht zijn honden en dienstknechten te slaan. Ten slotte begaf zich de geheele afdeeling van de Fians onder hem tot Finn, te Loch Lena, in Killarney, en daar dienden zij hun beklag tegen mac Luga in, zeggend: "Kies nu, o Finn, of ge ons wilt hebben of den zoon van Luga alleen."

Toen liet Finn mac Luga bij zich komen en ondervroeg hem, maar mac Luga kon niets afdoende zeggen over de reden waarom de Fianna niets met hem te maken wilde hebben. Toen leerde Finn hem de dingen die pasten voor een jongeling van edele geboorte en een aanvoerder, en zij waren deze:

Leerstellingen van de Fianna.

"Zoon van Luga, indien krijgsdienst uw doel is, houd u dan rustig in de huishouding van een groot man, wees flink in een moeilijk geval.

"Sla uw hond niet als hij geen schuld heeft; klaag uw vrouw niet aan tenzij ge zeker zijt van haar schuld.

"Laat u in het gevecht niet in met een potsenmaker, want o mac Luga, hij is slechts een dwaas.

"Gisp niemand die een degelijken naam heeft; meng u niet in een twist; bemoei u niet met een dolleman, of een slecht mensch.

"Bewaar twee derden van uw vriendelijkheid voor vrouwen en voor hen die op den grond kruipen (kleine kinderen) en voor dichters, en wees niet heftig tegen den gemeenen man.

"Voer geen blufferige taal en zeg ook niet dat ge niet wilt toegeven wat billijk is; het is schandelijk te boud te spreken tenzij het doenlijk is aan uw woorden kracht bij te zetten.

"Verzaak uw heer niet zoolang ge leeft; laat noch voor goud noch voor andere belooning in de wereld iemand in den steek dien ge u verbonden hebt te zullen beschermen.

"Spreek tegen een hoofd geen kwaad van zijn volk, want dat is geen werk voor iemand van goede afkomst."

"Wees geen verklikker, of kwaadspreker; wees geen babbelaar of overijld vitzuchtig. Haal u geen strijd aan, al zijt ge nog zulk een goed man."

"Wees geen kroeglooper, bedil oude menschen niet, bemoei u niet met den minderen man."

"Wees vrijgevig met uw kost; kies geen vrek tot vertrouwd vriend."

"Dring u niet op bij een hoofd en geef hem ook geen aanleiding kwaad van u te spreken."

"Blijf uw zaak getrouw; leg uw wapens niet af voordat de harde kamp met zijn wapengeschitter is afgeloopen."

"Wees eer bereid te geven dan te weigeren en laat vriendelijkheid voorgaan, O zoon van Luga."

En de zoon van Luga, zoo staat geschreven, nam deze raadgevingen ter harte en gaf zijn verkeerde gewoonten op, en hij werd een van Finn's beste mannen.

Karakter van Finn.

Dergelijke dingen prentte Finn ook al zijn volgelingen in en de besten dezer werden als hij zelf in dapperheid, vriendelijkheid en edelmoedigheid. Elk hunner was de goede naam zijner makkers meer waard dan zijn eigen en elk placht te zeggen dat in edele eigenschappen geen man op de geheele wereld waard was naast Finn te worden gesteld.

Men zeide van hem dat "hij goud weg gaf als waren het bladen uit het bosch en zilver als ware het schuim der zee"; en dat wat hij ook aan eenig man had geschonken, hij dat nooit als wapen tegen hem gebruikte, wanneer hij later twist met hem kreeg.

De dichter Oisin bezong hem eens tot St. Patrick, als volgt:

Dit is wat Finn's oor een vreugde was-- Als de veldslag raasde', als aan 't maal men genoot, Als door 't bergdal weerklonk zijner doggen gebas, Als de zwarte lijster in Letter Lee floot.

Als knersend schuurde' over 't strand het grind Bij het zeewaarts sleepen van zijn oorlogsboot, Als zijn speren doorgierde de morgenwind, Als des meistreels mond hem zijn tooverzang bood.

Eischen van de Fianna.

Ten tijde van Finn werd niemand ooit tot de Fianna van Erin toegelaten tenzij hij aan vele zware proeven van zijn voortreffelijkheid kon voldoen. Hij moest vertrouwd zijn met de Twaalf Dichtboeken en zelf bedreven zijn in het maken van gedichten in het rijm en metrum van de meesters der Keltische poëzie. Daarna werd hij tot aan zijn middel in den grond begraven en moest hij, met een schild en een hazelaarstok zich aldus verdedigen tegen negen krijgslieden, die speren naar hem wierpen; werd hij gewond, dan werd hij niet toegelaten. Daarna werd zijn haar in vlechten gescheiden en werd hij door de Fians door het bosch achterna gezet. Werd hij ingehaald, of indien een haarvlecht los ging, of een droge stok onder zijn voet kraakte, dan werd hij niet toegelaten. Hij moest in staat zijn over een lat te springen ter hoogte van zijn voorhoofd en in volle vaart te loopen onder een ter hoogte van zijn knie, en hij moest in staat zijn al loopend een doorn uit zijn voet te halen, zonder zijn vaart te verminderen. Hij mocht als hij huwde geen bruidschat aannemen.

Keelta en St. Patrick.

Men zeide dat een van de Fians, namelijk Keelta, hoog bejaard werd en St. Patrick zag, door wien hij gedoopt werd in het geloof van Christus en wien hij verhalen deed van Finn en zijn mannen, die de schrijver van Patrick opteekende. En eens vroeg Patrick hem hoe het kwam dat de Fianna zoo machtig werd en roemrijk dat geheel Ierland hun daden bezong gelijk het sedert dien steeds heeft gedaan. Keelta antwoordde: "Waarheid was in onze harten en kracht in onze armen en wat we zeiden dat volbrachten wij."

Dat werd ook van Keelta verteld nadat hij St. Patrick had gezien en het Geloof had aangenomen. Eens was hij bij Leyney, in Connacht, waar het Toovervolk van de Duma-Hoogte elk jaar geducht placht te worden verontrust en geplunderd door roovers van over de zee. Zij riepen Keelta ter hulpe en door zijn raad en dapperheid werden de roovers overwonnen en verdreven, maar Keelta werd zwaar gewond. Toen vroeg Keelta Owen, den ziener van het Toovervolk, hem te voorspellen hoe lang hij nog had te leven, want hij was reeds een zeer oud man. Owen zeide: "Het zal over zeventien jaar zijn, o Keelta die gunstig bekend zijt, dat ge zult vallen bij den poel van Tara, en dat zal de geheele huishouding des konings smarten." "Datzelfde voorspelde mij mijn hoofd en heer, mijn leider en liefhebbend beschermer, Finn," sprak Keelta. "En welke belooning zult ge mij nu geven omdat ik u verloste van de zwaarste ramp, die u ooit trof?" "Een groote belooning," zeide het Toovervolk, "namelijk jeugd, want door onze macht zult ge weer een jong man worden met al de kracht en levendigheid van uw bloeitijd." "Neen," zeide Keelta, "dat verhoede God dat ik een gedaante zou aannemen door betoovering, of eenige andere dan die mijn Schepper, de ware en roemrijke God, mij schonk." En het Toovervolk zeide: "Dat is de taal van een waar krijgsman en held en wat ge zegt is juist." En zij heelden zijn wonden en alle lichaamskwalen en hij wenschte hun zegen en zege en ging zijns weegs.

De geboorte van Oisin.

Eens, toen Finn met zijn makkers en honden van de jacht terugkeerde naar hun burcht op den Heuvel van Allen, kwam een mooi jong hert opdagen, de jacht snelde het achterna terwijl het den weg insloeg die naar hun huis leidde. Weldra bleven al de vervolgers ver achter, op Finn zelf na en zijn twee honden Bran en Skolawn. Nu waren deze honden van een vreemd ras; want Tyren, zuster van Murna, Finn's moeder, was in een hond veranderd geworden door de betoovering van een vrouw van het Toovervolk, die Tyren's echtgenoot Ullan beminde; en de twee honden van Finn waren de kinderen van Tyren, haar in die gedaante geboren. Van alle honden in Ierland waren zij de beste en Finn had ze zeer lief, zoodat, naar men zegt, hij slechts tweemaal in zijn leven schreide en eens was toen Bran stierf.

Ten laatste, toen de jacht een heuvelrug afging, zag Finn dat het hert stil hield en ging liggen, terwijl de twee honden er om heen begonnen te spelen en gezicht en lijf te likken. Hij gelastte toen dat niemand het dier zou kwaad doen en het volgde hen naar den Heuvel van Allen, onder het gaan met de honden spelend.

Denzelfden nacht werd Finn wakker en zag bij zijn bed de schoonste vrouw staan, die hij ooit had aanschouwd.

"Ik ben Saba, o Finn," sprak ze, "en ik was het jonge hert dat ge heden achterna zette. Omdat ik mijn liefde niet wilde geven aan den Druïde van het Toovervolk, de Donkere geheeten, deed hij mij door zijn tooverkunst die gedaante aannemen, en ik heb die de drie laatste jaren gedragen. Maar een van zijn slaven, die medelijden met mij had, openbaarde mij eens, dat indien ik uw grooten Heuvel van Allen kon bereiken, o Finn, ik veilig zou zijn voor alle betooveringen, en dat ik mijn natuurlijke gedaante terug zou krijgen. Maar ik vreesde door uw honden in stukken te worden gescheurd, of door uw jagers te worden gewond, totdat ik mij ten laatste liet inhalen door u alleen en Bran en Skolawn, die menschenaard hebben en mij geen kwaad zouden doen." "Vrees niet, jonge maagd," zeide Finn, "wij, de Fianna, zijn vrij en onze gast-vrienden zijn vrij; er is niemand die u hier dwang zal aandoen."

Zoo bleef dan Saba bij Finn en hij maakte haar tot zijn vrouw; en zoo vurig was zijn liefde voor haar, dat hij noch in den strijd, noch in de jacht eenig behagen vond en maanden lang niet van haar zijde week. Zij beminde hem even vurig en hun vreugde in elkander was als die der Onsterflijken in het Land der Jeugd. Maar eindelijk kreeg Finn bericht, dat de oorlogsschepen van de Noormannen in de baai van Dublin waren en hij riep zijn helden ten strijde op. "Want," zoo sprak hij tot Saba, "de mannen van Erin geven ons schatting en gastvrijheid om hen te verdedigen tegen den vreemdeling, en het zou schande zijn die van hen aan te nemen en niet te geven dat waartoe wij ons van onzen kant hebben verbonden." En hij riep in herinnering dat groote woord van Goll mac Morna, toen zij eens hard bestookt werden door een machtig heir. "Een man," zeide Goll, "overleeft zich zelf, niet zijn eer."

Zeven dagen bleef Finn weg en hij verdreef de Noormannen van de kusten van Erin. Maar den achtsten dag keerde hij terug en toen hij zijn verblijf binnentrad zag hij droefheid in de oogen zijner mannen en van hun schoon vrouwenvolk en Saba was niet op den wal zijn terugkomst verbeidend. Hij verzocht hun dus hem te vertellen wat er gebeurd was en zij zeiden:

"Terwijl gij, onze vader en heer, ver weg waart en den vreemdeling versloegt en Saba steeds naar u uitkeek over den heuvelweg, zagen wij op zekeren dag iemand naderen die op u scheen te gelijken, met Bran en Skolawn aan uw hielen. En we schenen ook te hooren de tonen van den jachthoorn van Fian. Toen spoedde zich Saba naar de groote poort en wij konden haar niet tegenhouden, zooveel haast had zij de spookverschijning te bereiken. Maar toen zij die naderde, bleef zij stil staan en deed een luiden en bitteren kreet hooren, en uw schijnbeeld sloeg haar met een hazelaarroede en ziet, er was daar geen vrouw meer, maar een hert. Toen maakten deze honden daar jacht op en telkens als het opnieuw de poort van de burcht trachtte te bereiken, keerden zij terug. Wij grepen nu allen zooveel wapens als waarop wij de hand konden leggen en snelden naar buiten om den toovenaar weg te jagen, maar toen wij ter plaatse kwamen was er niets te zien, wel hoorden wij nog het geluid van vluchtende voeten en hondengeblaf, en de een dacht dat het van dezen, de ander dat het van een anderen kant kwam totdat ten laatste het rumoer wegstierf en alles stil werd. Wat wij konden doen, o Finn, dat deden wij; Saba is weg."

Toen sloeg Finn zich op de borst, maar hij sprak geen woord en hij ging naar zijn eigen vertrek. Niemand zag hem dien dag nog, of den dag daarna. Toen kwam hij te voorschijn en leidde de aangelegenheden van de Fianna als van ouds, maar nog zeven jaren daarna bleef hij naar Saba zoeken in elk afgelegen dal en donker woud en spelonk van Ierland en hij wilde geen andere honden meenemen dan Bran en Skolawn. Ten slotte liet hij alle hoop varen haar terug te vinden en ging hij als van ouds jagen. Eens, toen hij de jacht volgde op Ben Bulban, in Sligo, hoorde hij het muzikaal geblaf der honden eensklaps in woest grommen en keffen overgaan, alsof zij met een of ander beest aan het vechten waren, en ijlings toesnellend zagen hij en zijn mannen, onder een grooten boom, een naakten jongen met lang haar, en de honden om hem wilden hem beetpakken, maar Bran en Skolawn vochten met hen en hielden hen tegen. En de knaap was groot en welgemaakt en toen de helden opdaagden, keek hij onverschrokken naar hen, zich niet bekommerend om het gevecht der honden aan zijn voeten. De Fians joegen de honden weg en namen den knaap mee naar huis, en Finn was heel stil en zag steeds vorschend naar het gelaat van den knaap. Na een wijle kon hij zich verstaanbaar maken en dit was het verhaal dat hij deed:

Hij had geen vader gekend, en geen moeder dan een vriendelijke dienstmaagd, waarmede hij leefde in een zeer groen en bekoorlijk dal aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen, die niet konden worden beklommen, of door diepe kloven in den grond. Des zomers leefde hij van vruchten en dergelijken en des winters werd voorraad van levensmiddelen voor hem neergelegd in een hol. En soms kwam een lange man, met een donker gezicht, die zijn moeder toesprak, nu eens teeder, dan weer luid dreigend, maar zij deinsde altijd in vrees terug en de man ging toornig heen. Eindelijk kwam er een dag dat de donkere man heel lang met zijn moeder sprak in alle tonen van smeken, van teederheid en van woede, maar zij bleef steeds op een afstand van hem en gaf slechts teekenen van vrees en afschuw. Toen kwam de donkere man ten laatste naderbij en sloeg haar met een hazelaarroede; daarna keerde hij zich om en ging zijns weegs, maar ditmaal volgde zij hem, steeds omkijkend naar haar zoon onder weeklachten. En hij, toen hij wilde volgen, was niet in staat een vin te verroeren, en schreeuwend van woede en jammer, viel hij op den grond neer en hij verloor het bewustzijn. Toen hij tot zichzelf kwam bevond hij zich aan den bergkant op Ben Bulban, waar hij eenige dagen bleef, zoekend naar dat groen en verborgen dal, dat hij nimmer terug vond. En eenigen tijd later vonden hem de honden; maar niemand weet wat er geworden is van de dienstmaagd zijn moeder en van den Donkeren Druide.

Finn gaf hem den naam Oisin (Klein Hert) en hij werd een befaamd krijgsman, maar veel meer beroemd werd hij door de zangen en verhalen die hij maakte; zoodat van alle dingen die nu worden verteld over de Fianna van Erin, de menschen plegen te zeggen: "Aldus zong de bard Oisin, zoon van Finn."

Oisin en Niam.

Het geschiedde dat op een neveligen zomermorgen toen Finn en Oisin met vele metgezellen jaagden aan de oevers van Loch Lena, zij een jonge maagd op hen af zagen komen, zeldzaam schoon, een sneeuwwit ros berijdend. Zij droeg het gewaad eener koningin, op het hoofd een gouden kroon en een donkerbruine zijden mantel, met rood gouden sterren bezet, viel om haar heen en sleepte op den grond. De hoeven van haar paard waren met zilver beslagen en op zijn hoofd wuifden gouden manen. Toen zij naderbij kwam, zeide zij tot Finn: "Van heel ver ben ik gekomen en nu heb ik u eindelijk gevonden, Finn, zoon van Cumhal."

Toen zeide Finn: "Wat is uw land en van welken stam zijt gij, jonge maagd, en wat wenscht ge van mij?"

"Mijn naam", sprak zij, "is Niam met het Gouden Haar. Ik ben de dochter van den koning van het Land der Jeugd en wat mij hier heeft gebracht is liefde tot uw zoon Oisin." Daarop wendde zij zich tot Oisin en zij sprak tot hem met de stem van iemand die nooit iets vroeg of het werd haar toegestaan.

"Wilt ge met mij gaan, Oisin, naar het land mijns vaders?"

En Oisin zeide: "Ik ben bereid, en tot het eind der wereld"; want de betoovering had zoo machtig gewerkt, dat hij om niets op aarde meer gaf, dan om de liefde te hebben van Niam met het Hoofd van Goud.

Toen vertelde de jonge maagd van het land over de zee, waarheen zij haar minnaar had geroepen en terwijl zij sprak viel een droomerige stilte over alle dingen, geen paard schudde zijn toom, geen hond blafte, geen windzuchtje deed de bladen der boomen bewegen voordat zij had geëindigd. En wat zij zeide scheen liefelijker en wonderbaarlijker terwijl zij het uitsprak, dan wat zij zich later konden herinneren ooit te hebben gehoord, maar voor zoover zij zich konden herinneren was het als volgt:

"Verheven boven alle droomen, schooner Dan ooit uw oogen zagen is het land. Daar draagt de vruchtboom heel het jaar zijn vrucht, En heel het jaar staat bloeiend daar de bloem.

"Daar druipt de woudboom van den wilden honig; Nooit wordt de vloed van mede' en wijn er schaars. Hij die daar woont kent pijn of ziekte niet, Dood en verval genaakt hem nimmermeer.

"Hij wordt het feest niet zat, de jacht niet moe, Nooit zal muziek verstommen in de hal; Goud en kleinoden van het Land der Jeugd Verduistren wat een mensen ooit droomde aan glans.

"Gij zult er paarden van den wonder-stam En honden hebben sneller dan de wind; U volgen honderd eedlen in den strijd En honderd maagden zingen u in slaap.

"Uw voorhoofd zal een kroon der hoogste macht Uw zijde dragen tooverkrachtig zwaard, Heer zult gij zijn van heel het Land der Jeugd En heer van Niam met het Hoofd van Goud."

Toen het tooverlied ophield zagen de Fians Oisin het tooverros bestijgen en de jonge maagd omvatten, en voordat zij zich konden verroeren of spreken, wendde zij het paard en trok aan den rinkelenden teugel, en door de boschvlakte spoedden zij zich, zooals een lichtstraal over het land schiet wanneer wolken over de zon heen trekken; en nimmer kreeg de Fianna Oisin, zoon van Finn, op aarde wederom te zien.

Wat hem later wedervoer echter is bekend. Vreemd als zijn geboorte was ook zijn einde, want hij zag wonderen van het Land der Jeugd met sterflijke oogen en beleefde het die met sterflijke lippen te kunnen vertellen.

De reis naar het tooverland.

Toen het witte ros met zijn berijders de zee bereikte, liep het luchtig over de golven en weldra verdwenen de groene wouden en voorgebergten van Erin uit het gezicht. En nu scheen de zon met kracht en de berijders gingen door een gouden nevel, waarbij Oisin alle bewustheid verloor van waar hij was en of hij zee of land onder de hoeven van zijn paard had. Maar soms verschenen hun vreemde gezichten in den mist, want torens en poorten van paleizen doemden op en verdwenen en eens snelde hen een ree zonder horens voorbij nagezet door een witten hond met een rood oor; en later zagen zij een jonge maagd op een bruin ros voorbijrijden, die een gouden appel in de hand hield, en vlak achter haar volgde een jonge ruiter op een wit ros, met een purperen mantel op zijn rug hangend en een zwaard met goud gevest in de hand. En Oisin zou de prinses hebben gevraagd wie en wat deze verschijningen waren, maar Niam verzocht hem niets te vragen en te doen alsof hij niet lette op eenig spooksel dat zij zouden zien voordat zij in het Land der Jeugd waren gekomen.

Oisin's terugkomst.

Het verhaal meldt verder hoe Oisin verschillende avonturen beleefde in het Land der Jeugd, o.a. de bevrijding van een gevangen prinses van een reus van Fomor. Maar ten slotte, na een verblijf van wat hem drie weken leek in het Land der Jeugd, was hij verzadigd van geneugten van allerlei aard en verlangde hij zijn geboorteland weer te bezoeken en zijn oude kameraden weer te zien. Hij beloofde daarna terug te keeren en Niam gaf hem het witte tooverros, dat hem over de zee naar het tooverland had gebracht, maar maande hem aan om wanneer hij weer in het land van Erin was gekomen, niet af te stijgen en den aardschen grond niet met zijn voeten aan te raken, anders zou de terugkeer naar het Land der Jeugd hem voor altijd zijn afgesneden. Toen maakte Oisin zich op en stak andermaal den mystieken oceaan over, zoodat hij zich ten slotte bevond aan de westkust van Ierland. Hier gekomen, sloeg hij dadelijk den weg in naar den Heuvel van Allen, waar Finn gewoon was te legeren, maar door de bosschen trekkend, verwonderde het hem dat hij niets merkte van de jagers van Finn en hij verbaasde zich over de kleine gestalte van de menschen die hij den grond zag bebouwen.

Ten laatste, komend van het boschpad op de groote vlakte waar de Heuvel Allen placht te verrijzen, breed en groen, met zijn wal die vele woningen met witte muren omsloot en het groote hooge gebouw in het midden, zag hij alleen groene hoogten begroeid met weelderig onkruid en doornstruiken en koeien weidden er. Toen beving hem een vreemd afgrijzen en hij dacht dat een of andere betoovering van het Tooverland zijn oogen met valsche vizioenen misleidde. Hij strekte de armen uit en riep de namen Finn en Oscar, maar niemand antwoordde, en hij dacht dat de honden hem misschien zouden hooren, hij riep derhalve Bran en Skolawn en spitste de ooren om het flauwste geritsel of gefluister op te vangen van de wereld, waarvan de aanblik hem werd onthouden, maar hij hoorde slechts den wind in de doornen zuchten. Toen reed hij ontsteld van de plek, met het gezicht gekeerd naar de oostelijke zee, want het was zijn plan Ierland dwars door te trekken en van het eene eind tot het andere, om aan zijn betoovering te ontkomen.

De betoovering verbroken.